Effectieve substitutie vraagt om schaal en samenwerking

Ziekenhuizen en de eerstelijnszorg steken veel energie in substitutie. Verschillende organisaties experimenteren met nieuwe organisatievormen onder de noemer “anderhalvelijnszorg”. Echter het is onduidelijk op welke wijze zij substitutie het beste kunnen vormgeven, aangezien de Triple Aim-effecten onvoldoende zijn onderzocht. Dit artikel gaat in op een recente literatuurstudie van het Jan van Es Instituut (JVEI) naar de effecten van succesvolle organisatievormen in de extramurale gezondheidszorg met speciale aandacht voor Triple Aim-uitkomsten.

Er is al veel over geschreven dat door betere samenwerking tussen professionals – bijvoorbeeld rondom chronische zorg, ggz of zwangerschap en geboorte, maar ook tussen social en primary care – samenhangende zorg effectiever en efficiënter is. Een onderliggend mechanisme is dat ketenoptimalisatie leidt tot deze betere resultaten. Echter, het is nog onvoldoende duidelijk hoe we deze afzonderlijke ketentrajecten organisatorisch in de zorg moeten inbedden. Voor sommige individuen, maar zeker in een populatie, zijn meerdere ketentrajecten tegelijkertijd nodig. Meerdere aandoeningen komen gelijktijdig voor, maar prevalenties, incidenties en beloop van aandoeningen zijn verschillend.

Vanuit de theorie vragen verschillende aandoeningen voor optimalisatie om een ándere organisatiegraad. Toch trachten we deze verschillen in één systeem van organisaties te bundelen. Moet je dan juist integreren of fragmenteren? Is de huidige infrastructuur met de scheiding tussen eerste en tweede lijn (generalistisch en specialistisch) de meest optimale? En waar ligt dan de grens? Is deze verschillend voor diverse ziektebeelden? Of moeten we naar meer geïntegreerde organisatievormen waarin de generalistische en specialistische zorg wordt samengebracht, zoals anderhalvelijnscentra?

Download het volledige artikel hier: