Pilot toont belang van psychosociale zorg bij kanker

Na een behandeling kan de kanker uit het lichaam zijn, maar nog jaren in het hoofd blijven spoken. Veel (ex-)kankerpatiënten blijven met psychische klachten rondlopen, waardoor ze moeite kunnen hebben om deel te nemen aan het gewone leven. Passende psychosociale zorg bij een aanpassingsstoornis is in 2012 uit het basispakket van de zorgverzekering gehaald. Vanaf 1 maart is een pilot gestart om deze zorg weer te vergoeden.

Voorwaarde is wel dat de behandeling wordt gegeven door een bij de Nederlandse Vereniging Psychosociale Oncologie (NVPO) ingeschreven behandelaar en volgens de richtlijn ‘Aanpassingsstoornissen bij patiënten met kanker’. Psychiater Tineke Vos was voorzitter van de werkgroep die de richtlijn opstelde. “De diagnose kanker kan de grond onder je voeten vandaan slaan”, zegt Vos. “Dat is logisch, want alles verandert in je leven. Hoe je je daarop aanpast, heeft met je persoonlijkheid te maken: ben je flexibel of rechtlijnig, laid back of altijd bezig alle ballen in de lucht te houden? Maar vooral: hoe is je veerkracht? Deze hangt samen met je lichamelijke gezondheid, je autonomie, je sociale steun en je zingeving.”

Kort na de diagnose wordt een patiënt opgevangen in het ziekenhuis. Eventuele problemen komen soms pas na het eerste behandeltraject aan het licht, als de patiënt weer thuis is en zijn of haar leven moet oppakken. “En dan komt de huisarts in beeld. Patiënten met borstkanker kunnen bijvoorbeeld nog jarenlang hormonale therapie krijgen en komen nog maar af en toe in het ziekenhuis. De huisarts moet de coördinerende rol kunnen overnemen als dat nodig is en signaleren als het niet goed gaat. De huisarts of POH-GGZ kan dan zelf helpen, maar het is fijn als kan worden doorverwezen naar specialistische hulpverleners als een psycholoog of een psychotherapeut. De nieuwe pilot maakt dit mogelijk.”

Klankbord

Ook Anja Kemp-Veens kwam nadat ze in 2012 voor borstkanker werd behandeld in een rollercoaster, vertelt ze. “Pas een maand of drie na de behandeling kwam het besef dat mijn leven echt veranderd was. Ik merkte dat ik minder weerstand had en mijn hoofd kon ook minder aan. Mijn huisarts raadde mij aan om een psycholoog bij een gespecialiseerd instituut te bezoeken. Die heeft mij geleerd om goed voor mezelf te zorgen en mijn grenzen aan te geven. De kern van de boodschap was: ‘ik mag er zijn’. Dat was precies wat ik toen nodig had.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Zilveren Kruis: “Succesvolle uitvoering O&I-module vraagt om regionale aanpak”

Zorgverzekeraar Zilveren Kruis is actief aan de slag gegaan met visie- en beleidsontwikkeling voor invulling van de O&I-module. Het gaat uit van een relationele benadering en heeft daarom gekozen voor een transitieperiode van drie jaar vanaf 2019. Maar wie sneller wil, mag.

Zilveren Kruis is tot nu toe de enige zorgverzekeraar die serieus invulling geeft aan de O&I-module, met een nieuw geformuleerde visie en beleidsontwikkeling vanuit een regionale benadering. “De module is geen doel op zich, maar een middel om een aantal zaken te regelen”, zegt beleidsontwikkelaar zorginkoop Mirjam Vos-de Soet. “Door meer samenhang te brengen in de eerstelijnszorg, bereiken we dat onze verzekerden meer samenhang gaan ervaren in die zorg in de eerste lijn en in de relatie met het sociaal domein. In de eerste lijn verandert op dit moment heel veel en de O&I-module is een belangrijke randvoorwaarde om een toekomstbestendige eerste lijn goed in te richten. Ook wat de ondersteunende taken betreft, zodat de zorgverlener de tijd heeft om zorg te verlenen. Die puzzelstukjes vielen voor ons met de O&I-module mooi op hun plaats en nu een landelijke agenda is gemaakt, is dit het momentum om daarop aan te sluiten.”

Regionale aanpak

Vos plaatst dit in het licht van de beweging dat mensen steeds langer thuis blijven wonen, ook bij een toenemende zorgvraag. “De uitdaging voor de eerste lijn is om de veranderende zorgvraag die hieruit voortvloeit goed vorm te geven”, zegt ze. “Wij willen de beweging van langer thuis blijven wonen stimuleren, omdat we geloven dat thuis de juiste omgeving is voor de mensen die dat willen. Natuurlijk zit er ook een kostencomponent aan: eerstelijnszorg is goedkoper dan tweedelijnszorg. De substitutie van tweede naar eerste lijn kan echter alleen succesvol tot stand komen als het eerstelijnszorgaanbod een samenhangende infrastructuur kent die dit zodanig ondersteunt dat onze verzekerden die samenhang ook ervaren.”

Zilveren Kruis is ervan overtuigd dat dit om een regionale aanpak vraagt. “Als je de zorg in samenhang wilt organiseren, vraagt dit om een schaal waarin je echt een gesprekspartner bent voor de betrokken partijen”, legt Vos uit. “Als geïntegreerde eerstelijnszorg ben je dat nog niet en de inzet van de O&I-gelden moet wel goed gebeuren. De huidige aanpak leidt tot versnippering, dus hebben we gezegd: kies voor het niveau van een regio om een gesprekspartner te kunnen zijn en te waarborgen dat er voor elke huisarts een ondersteunend aanbod is.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Resultaten van vijf jaar experimenteren met populatiegerichte bekostiging

Het ophalen en verspreiden van kennis over de negen proeftuinregio’s voor Triple Aim. Daarvoor heeft kenniscentrum voor langdurende zorg Vilans zich de afgelopen jaren ingespannen, samen met partners RIVM, Jan van Es instituut en Optimedis Nederland. Stannie Driessen en Stephan Hermsen van Vilans kijken terug.

Voormalig minister Edith Schippers van VWS benoemde in 2013 negen regio’s tot proeftuinen voor de implementatie van Triple Aim in de praktijk. Onder de noemer ‘Betere zorg met minder kosten’ werken regionale samenwerkingsverbanden van aanbieders van zorg en welzijn, gemeenten, zorgverzekeraars, patiëntvertegenwoordiging en andere partners aan populatiemanagement.

Kennisproducten

Directeur Advies en Implementatie Stannie Driessen: “Wij werkten van januari 2014 tot en met december 2017 samen met het RIVM, het Jan van Es instituut en Optimedis Nederland aan de kennisuitwisseling rond dit project en andere initiatieven voor populatiemanagement. Daar deden ook veel regionale partijen aan mee. Dat deden we op gezamenlijke congressen en op het kennisplatform Triple Aim. We leverden ook verschillende kennisproducten op. Tijdens een congres hebben we met onze partners en deelnemers uit het veld zes principes om Triple Aim-doelen in Nederland te realiseren geformuleerd. En de Triple Aim-scan is ontwikkeld. Een hulpmiddel dat snel inzicht geeft in de manier van werken aan populatiegerichte bekostiging.”

Uitdagingen

De afgelopen vijf jaar hebben de negen proeftuinen met forse uitdagingen te maken gehad. De rol van de verzekeraars was cruciaal. Zij moesten zorgaanbieders de ruimte geven om anders te kunnen handelen binnen de proeftuinen. “Het frustrerende in een aantal gevallen was dat er ondanks alle goede voornemens toch aan de oude, ‘p maal q’ manier van vergoeden werd vastgehouden”, zegt senior adviseur Persoonsgerichte Zorg Stephan Hermsen. “En aan het inzetten van interventies vanuit één domein. Dit terwijl we weten dat bij bepaalde populaties betere kwaliteit en lagere kosten bereikt kunnen worden zodra je investeert in andere domeinen.” De problemen waarmee de proeftuinen, leertuinen en regioprojecten worstelden, waren voor een deel vergelijkbaar. “Dat zijn de historisch gegroeide hiërarchische verhoudingen van de partijen in de regio, de bekostiging van een nieuw portfolio, de cultuurkloven tussen partijen, de focusverschillen, de bestuurlijke drukte, verandermoeheid bij zorgprofessionals en ICT-perikelen.”

Successen

Ook de successen met Triple Aim lijken op elkaar, stelt Hermsen. “Waar influencers elkaar vinden, vertrouwen wordt opgebouwd, de externe druk van bijvoorbeeld krimp of wederzijdse afhankelijkheid groot is en financiers bereid zijn om te investeren zonder vooraf een sluitende business case te eisen, worden stappen gezet.”

Auteur: Wouter van den Elsen

Download het volledige artikel hier:

Zorgplicht versus zorgplafond

Na ziekenhuizen en wijkverpleging zien ook huisartsen zich steeds vaker geconfronteerd met door zorgverzekeraars opgelegde zorg- of inclusieplafonds. Wat betekenen die eigenlijk? En hoe moet je hiermee omgaan? Advocaat Nicole Kien zocht het uit.

Zorgverzekeraars hebben op grond van de voor hen geldende Zorgverzekeringswet een zogenaamde zorgplicht. Zij moeten het verzekerde basispakket ook daadwerkelijk leveren (art. 11 Zorgverzekeringswet). Zorgverzekeraars ontvangen hiervoor de rijksbijdragen en premies van verzekerden. Al jarenlang wentelen zorgverzekeraars een deel van hun verplichtingen af op zorgaanbieders via zorgplafonds, volumeplafonds en doorleververplichtingen.

Betekenis zorgplafond

Plafonds zijn vooraf bepaalde eindgrenzen. Een zorgplafond betekent feitelijk dat je niet meer zorg kunt leveren dan het maximum. Als je toch meer zorg moet leveren, moet de patiënt eigenlijk naar een andere zorgaanbieder worden verwezen. Voor een inclusieplafond geldt hetzelfde. Als het maximum aantal patiënten is geïncludeerd in het programma, moet de patiënt eigenlijk naar een andere zorgaanbieder worden doorverwezen. Maar in de huisartsenzorg is dat in verband met de inschrijving op naam niet mogelijk. En het aanbieden van ‘ongecontracteerde ketenzorg’ is ook niet wenselijk, want dan moet de huisarts aan alle eisen van de NZa-beleidsregel voldoen, terwijl daar over het algemeen een lager tarief tegenover staat.

Soms wordt een zorg- of inclusieplafond voorzien van de bepaling dat wanneer de geleverde zorg of het aantal inclusies het plafond overstijgt, de kosten daarvan niet in rekening kunnen worden gebracht bij de zorgverzekeraar. De kosten van toch geleverde zorg komen dan geheel ten laste van de zorgaanbieder. Ziekenhuizen en wijkverpleging hebben daarbovenop soms bedingen in het contract waarbij een doorleverplicht geldt. Je mag dan niets anders dan zorg leveren ten laste van de eigen middelen.

Bezwaren

Aan het hanteren van dit soort plafonds lijken wezenlijke bezwaren te kleven. Welke patiënt zit er immers op te wachten om voor een behandeling naar een andere zorgaanbieder dan die van zijn of haar eerste keuze te worden doorverwezen als zijn huidige zorgaanbieder boven een overeengekomen plafond uitkomt? De geneeskundige behandelingsovereenkomst verplicht de hulpverlener om de patiënt de benodigde zorg in overeenstemming met de professionele standaard te verstrekken. Afwijken kan in principe niet, ook niet als er een zorgplafond geldt.

Wettelijke speelruimte

Plafonds worden overeengekomen tijdens contractonderhandelingen. En die worden in de basis beheerst door het gewone burgerlijk recht. Wij kennen in het burgerlijk recht contracteervrijheid; als een zorgverzekeraar zijn zorg met een plafond wil contracteren, dan staat in de basis niets dat in de weg. Maar het is aan de zorgaanbieder om dit zonder meer te accepteren of niet.

Auteur: Nicole Kien, advocaat bij LS&H Lawyers

Download het volledige artikel hier:

Kostenreductie bij diabetes: van suikertax tot leefstijleducatie

De groei van het aantal diabetespatiënten leidt niet alleen tot enorme medische kosten, maar ook tot steeds hogere economische kosten. Die terugdringen vergt een interventie aan de basis, stelt internist-endocrinoloog Bruce Wolffenbuttel: we moeten bij de jeugd beginnen.

Volgens de jongste cijfers van het Diabetes Fonds hebben op dit moment 1,2 miljoen mensen in ons land diabetes en komen er iedere week 1.200 bij. In negentig procent van de gevallen gaat het om diabetes type 2. De ziekte kan vanwege talloze complicaties de levenskwaliteit van de patiënt enorm aantasten. Gelukkig worden hiervoor steeds betere behandelingen ontwikkeld, maar die dragen wel bij aan de toch al hoge medische kosten voor behandeling van deze chronische ziekte. Behalve deze medische kosten brengt diabetes type 2 een economic burden met zich mee. Deze economische kosten worden vooral veroorzaakt door productiviteitsverlies (ziekte-uitval wegens medische behandeling of arbeidsongeschiktheid) en uitkeringen.

Leefstijl en obesitas

Hoewel bij diabetes type 2 vaak sprake is van een erfelijke component, heeft de snelle groei van het aantal diabetespatiënten vooral andere oorzaken. Een daarvan is de vergrijzing, maar leefstijlproblematiek en de daaraan gekoppelde obesitas spelen minstens zo’n grote rol. “Nu al heeft dertig procent van de volwassen Nederlanders overgewicht en bijna vijftien procent is obees”, zegt Bruce Wolffenbuttel, hoogleraar endocrinologie en stofwisselingsziekten UMC Groningen. “Ook onder kinderen neemt obesitas toe. Maar onderzoek toont aan dat veel ouders – en ook hulpverleners – obesitas bij hun kinderen niet herkennen omdat een te hoog lichaamsgewicht normaal begint te worden.”

Groeiend urgentiebesef

De economische kosten van diabetes type 2 hebben lange tijd weinig aandacht gekregen. Dat verandert nu de grens van de beschikbare financiële middelen voor de zorg in zicht komt. Maar het is moeilijk om die economische kosten goed in kaart te krijgen. Wolffenbuttel: “De berekening ervan steunt voor een deel op educated guesses, want van de mensen met diabetes in de eerste lijn – het grootste deel – wordt in Nederland geen kostenregistratie bijgehouden. Het is wel belangrijk om die kosten in kaart te brengen, want daarmee ontstaat kennis waarmee kan worden voorgesorteerd op het bepalen van de waarde van nieuwe behandelingen en de economische impact van preventiemaatregelen.”

Rol voor de overheid

Helaas ontbreekt het nog aan een landelijk actieplan om de kosten van diabetes type 2 terug te dringen. De kern van zo’n actieplan zou moeten bestaan uit het bewegen van mensen tot het structureel aannemen van een andere, gezondere leefstijl. “Het is de overheid die hiervoor mede de randvoorwaarden moet scheppen”, stelt Wolffenbuttel.

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Ondernemen in de huisartsenzorg: spagaat tussen zorg en centen

Huisartsen zijn zelfstandige beroepsbeoefenaren met een status als fiscaal ondernemer. Hoe staat het met het ondernemerschap van de huisartsen en waar krijgt de huisarts-ondernemer de komende jaren zoal mee te maken? De Eerstelijns analyseert.

Ondernemen als huisarts in de zorgsector is een vreemd fenomeen. Er is wet- en regelgeving die tegen het vrije ondernemerschap indruist. Op macroniveau zijn dat bijvoorbeeld hoofdlijnenakkoorden en budgettaire kaders, vaststelling van tarieven en een gemaximeerd norminkomen. Op microniveau wordt het vrije ondernemerschap ingeperkt door zorginhoudelijke sturing als watchfull waiting, doelmatigheidseisen vanuit de bekostiging op gebied van medicatie, diagnostiek of verwijzen en op individueel niveau door het eigen risico of het ontbreken van een aanvullende verzekering. Bovendien laten huisartsen regelmatig de belangen van patiënten prevaleren boven bedrijfsmatige afwegingen. Dat blijkt uit een representatieve steekproef uit 2007: 52 procent van de ondervraagden voelde zich uitsluitend huisarts, 41 procent voelde zich huisarts/ondernemer. Slechts 8 procent koos voor de optie ondernemer/huisarts en geen van de respondenten voelde zich uitsluitend ondernemer. Ondernemen is voor de meeste zelfstandige huisartsen geen hoofdzaak, maar wel een onmisbare randvoorwaarde. Hoe staat de huisartsonderneming ervoor? In dit artikel worden de drie bouwstenen van bekostiging belicht.

Stapeling ondernemersvraagstukken

Al eerder vroeg De Eerstelijns aandacht voor de driedubbele ondernemersklem; het macrokader, norminkomen en personeel in loondienst (juni 2015). Helaas zonder resultaat. Hoogleraar huisartsengeneeskunde Patrick Bindels van de Erasmus Universiteit pleit vanuit inhoudelijk perspectief om een betere afbakening van het medisch domein, omdat het sociaal domein steeds meer aandacht vergt. De LHV vraagt vanwege de stijgende zorgvraag, complexiteit en werkdruk om praktijkverkleining tot 1800 personen per normpraktijk. Echter, het aantal in opleiding zijnde en beschikbare huisartsen is niet genoeg om deze maatregel binnen vijf jaar uit te voeren. Het aantal huisartsen dat klaar is met de opleiding en praktijkhouder wil worden in het eerste jaar na afronden van de opleiding is slechts 2,3 procent.

Digitalisering zou enig perspectief kunnen brengen in het ondernemerschap, maar dat vergt tijd, innovatiekracht en extra investering . Juist de drie zaken waarop de huisartsenzorg en -opleiding te kort komen. Een laatste vraagstuk is het feit dat een aanzienlijk deel van de vaak fulltime mannelijke huisartsen zal uitstromen de komende jaren. Dit wordt niet gecompenseerd door de instroom van jonge huisartsen. Kortom een tekort aan praktijkhoudende huisartsen dreigt.

Conclusie

Het wordt voor alle partijen een enorme uitdaging om de voor ons zorgsysteem belangrijke huisarts-ondernemer te behouden, de 24/7 huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg van een goed fundament te voorzien en toekomstbestendig te maken.

Auteurs: Yvonne Guldemond, Anton Maes, Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Zorginkoop voor asielzoekers vraagt om creativiteit

Tot 1 januari jl. was Menzis COA Administratie (MCA) verantwoordelijk voor de uitvoering van de Regeling Zorg Asielzoekers (RZA). Het stokje is nu overgedragen aan GZA (dochteronderneming van Arts en Zorg) in opdracht van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en in samenwerking met zorgverzekeraar DSW onder de naam RMA Healthcare. Wat heeft Menzis MCA bereikt en waar lagen en liggen de uitdagingen?

Menzis MCA is opgericht om als enige partij in Nederland het contract met het COA uit te voeren. Bep Snelder is manager van de afdeling en was verantwoordelijk voor het uitvoeren van het programma van eisen, dat hoorde bij het contract. Momenteel is ze druk doende met de overdracht aan de nieuwe zorginkoper. “We missen het werk verschrikkelijk”, zegt ze.

Maatwerk

Zorginkoop voor asielzoekers is iets anders dan reguliere zorginkoop. Snelder: “Het betreft alleen gecontracteerde zorg. Zonder contract is het voor een asielzoeker niet mogelijk naar een zorgaanbieder te gaan. Dat kan iemand in de reguliere zorg wel. En zorginkoop voor asielzoekers is vooral maatwerk. Stel een asielzoeker in het AC Ter Apel moet naar een verpleeghuis. Na overleg en afstemming kan het zijn, dat hij in een instelling in Goes geplaatst wordt. Een instelling waarmee we eerder nog geen contract hadden. Asielzoekers hebben vaak geen sociaal netwerk. Dus het maakt minder uit als zij elders in het land terecht komen. In tegenstelling tot reguliere zorg, zoeken we dus landelijk naar de juiste plek.”

In het voorbeeld van de asielzoeker uit Ter Apel die in Goes geplaatst wordt, gaat het om individuele zorginkoop. Andere zorg, zoals huisartsenzorg, werd door Menzis MCA collectief bij Menzis GCA ingekocht.

Creativiteit

Creativiteit is het toverwoord bij het organiseren van de zorg voor asielzoekers. Zo worstelde het team van Snelder met de schaarste aan tandartsen. “Het bleek erg lastig om mensen voldoende mondzorg te geven. Dus hebben we gezocht naar creatieve oplossingen in de vorm van mondzorgbussen op locaties.”

Aandachtspunt

Wat kan beter? Snelder: “We waren niet tevreden over de onderlinge samenwerking in de GGZ. Wachtlijsten, het niet uitwisselen van informatie, ontevredenheid over de verwijzingen naar de huisarts en dergelijke. Alle GGZ-gecontracteerde instellingen, maatschappelijk werk en jeugdgezondheidszorg GGD hebben we daarom samengebracht. In een convenant hebben we dertien uitspraken over samenwerking uitgewerkt. Het document ligt klaar om geïmplementeerd te worden.”

Auteur: Betty Rombout

Download het volledige artikel hier:

Longzorg gestuurd op uitkomsten

De zorgverleners in Nijkerk waren pioniers toen ze drie jaar geleden samen met zorgverzekeraar Zilveren Kruis besloten om in de eerstelijnslongzorg niet langer te sturen op productie, maar op uitkomsten. De resultaten van de pilot, die eind 2017 is afgesloten, zijn positief.

Afgerekend worden op uitkomsten, niet op productie, dat is de crux bij de pilot Innoverend contracteren in de eerstelijnslongzorg bij de twee gezondheidscentra De Nije Veste en Corlaer in Nijkerk. Zo’n tweehonderd zorgverleners, zoals huisartsen, apothekers en fysiotherapeuten, zijn daarbij aangesloten. De pilot, die april 2015 van start ging, werd mogelijk door een shared savings-contract met resultaatafspraken, afgesloten tussen de zorggroepen in Nijkerk en zorgverzekeraar Zilveren Kruis. “Doel van de pilot is om goede zorg te leveren voor onze COPD-patiënten, zonder daarbij gehinderd te worden door schotten, domeinen of discussies over eigenaarschap, bijvoorbeeld tussen eerste en tweede lijn,” legt Sam Siemssen uit, directeur Gezondheidscentra Nijkerk. “Met dit contract konden we de transmurale samenwerking tussen de longartsen van de ziekenhuizen Meander en Sint Jansdal en de eerstelijnszorg in Nijkerk goed organiseren.”

Eind 2017 is de driejarige pilot afgerond en geëvalueerd. Drie doelstellingen stonden daarbij voorop: verbeterde gezondheid van de COPD-populatie, betere ervaren kwaliteit van zorg door de patiënten en kostenreductie van de zorg. Het zijn de bekende Triple Aim-doelstellingen, legt Siemssen uit. “Wij hebben dat verbreed naar Quadruple Aim, door er een verbeterd werkplezier van zorgverleners als doelstelling aan toe te voegen.”

Meer tijd en aandacht

Drie van de vier doelstellingen zijn ruimschoots behaald. Zo is het aantal patiënten dat zich benauwd voelt sterk afgenomen en is het aantal verpleegdagen voor patiënten die voor COPD in het ziekenhuis waren opgenomen in 2015 en 2016 duidelijk verminderd ten opzichte van 2014. De ervaren kwaliteit van zorg is eveneens flink verbeterd. “Patiënten geven aan meer tijd en aandacht te krijgen. Er wordt beter naar hen geluisterd en ze krijgen betere instructies. Patiënten hebben verder het gevoel dat ze een beter gesprek met zorgverleners kunnen voeren, doordat ze beter zijn geïnformeerd over de behandeling.”

En ook de zorgverleners zijn tevreden. De gevraagde kostenreductie is nog niet gerealiseerd. “De schaalgrootte van longzorg bleek niet voldoende om maximaal rendement en resultaat te kunnen bewerkstelligen op de investeringen. Vandaar dat we hebben besloten om de pilot per 1 januari 2018 uit te breiden naar de zorg voor alle patiënten met chronische aandoeningen in ons verzorgingsgebied.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Teleconsultatie bij knie-, rug- en schildklierklachten scheelt kosten

Substitutie van medisch-specialistisch zorg door huisartsenzorg is een belangrijke pijler om de zorguitgaven te beperken. Teleconsultatie kan daarbij een belangrijke rol spelen, blijkt uit een pilot in de regio Nijmegen. Door teleconsultatie bij patiënten met knie-, rug- en schildklierklachten neemt het aantal verwijzingen naar de tweede lijn af. Grote kostenbesparingen zijn hierdoor mogelijk.

Het viel Guido Adriaansens, huisarts in Beuningen, en Marc ten Dam, internist-nefroloog en medisch manager transmurale zorg in het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis (CWZ) Nijmegen, al langer op. Bij veel patiënten die door de huisarts worden verwezen, vindt op de polikliniek van het CWZ geen medisch-specialistische ingreep plaats, zoals een operatie. Patiënten krijgen een advies en na enkele polikliniekbezoeken gaan ze retour huisarts. Adriaansens: “Zelfs bij de orthopeed, een snijdend specialisme, komen patiënten met knieklachten die niet geopereerd worden. We dachten: dat kost veel geld, het belast de tweede lijn en voor patiënten is het gedoe om naar het ziekenhuis te komen. Bovendien kost het ook hen geld, doordat ze hun eigen risico moeten aanspreken.”

Voor deze patiënten, stelt Adriaansens, heeft de huisarts genoeg aan een advies van de medisch specialist. Daarmee kan hij verder. De LHV-kring Nijmegen en het CWZ besloten daarom tot een pilot teleconsultatie bij patiënten met knie- rug- en schildklierklachten. Adriaansens: “Het houdt in dat de huisarts zijn consultvraag via een format in ZorgDomein voorlegt aan de medisch specialist.”

Meer gerichte verwijzingen

De specialist beoordeelt vervolgens de consultvraag en geeft advies. Ten Dam: “Bij een patiënt met knieklachten kan hij bijvoorbeeld adviseren over pijnstilling, leefstijl of fysiotherapie. Vaak zijn dat opties die de huisarts nog onvoldoende heeft benut. Maar soms is de uitkomst dat de specialist de patiënt alsnog wil zien in de tweede lijn. Het teleconsult levert in dat geval een meer gerichte verwijzing op.”

Het prettige van teleconsultatie is dat de medisch specialist geen informatie mist. Ten Dam: “Hij kan het consult rustig bestuderen, op een door hemzelf gekozen tijdstip. Dat is een voordeel vergeleken met een telefonisch consult. Internetconsultatie is effectiever. Uit onze pilot blijkt ook dat we meer dan 50 procent van de verwijzingen die anders zouden plaatsvinden, hiermee kunnen voorkomen.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Hoofdlijnenakkoorden en macrobudgetten (2): consequenties voor wijkverpleging

Het demissionaire kabinet-Rutte II heeft een beleidsarme begroting gepresenteerd. De daadwerkelijke invulling wordt door een regeerakkoord mogelijk herzien. Eerder in het jaar is er een bestuurlijk akkoord overeengekomen voor de wijkverpleging, die als basis heeft gediend voor de rijksbegroting. Wat valt daaruit af te leiden en welk beleid gaan de grootste vier verzekeraars voeren?

De macrobudgetten 2018 voor de wijkverpleging zijn uiteengezet in het bestuurlijk akkoord ‘bouwen aan kwaliteit’. In 2018 is circa € 163 miljoen extra beschikbaar voor de wijkverpleging. De macrobudgetten worden vastgesteld op basis van prognoses over de ontwikkeling van de zorgvraag en vaststelling van zorgkosten. Deze worden afgezet tegen de algemene economische ontwikkeling en de inkomensontwikkeling, inclusief indexering van prijzen en lonen.

Voor de wijkverpleging resulteert dit voor 2018 in een kader van € 3.748 miljoen + € 30 miljoen substitutie. De groeiruimte voor de wijkverpleging is hiermee circa € 163 miljoen, exclusief de substitutiemiddelen.

Substitutie

Het streven is om zorg te substitueren en zo dicht mogelijk bij huis te leveren. Dit betekent voor de wijkverpleging een toename van de zorgvraag. Hiertoe wordt in dit akkoord (structureel) een bedrag van € 30 miljoen toegevoegd aan het macrokader wijkverpleging. Zorgverzekeraars zullen zich moeten inzetten om hier lokaal en regionaal afspraken over te maken en de beschikbare ruimte hiervoor optimaal te benutten.

Zorgkostenplafond

De inkoop van wijkverpleging kent een vast jaarlijks ritueel. Zorgverzekeraars en zorgaanbieders sluiten in het najaar een contract voor het komende jaar over hoeveel zorg er mag worden geleverd en tegen welke prijs – het zogeheten zorgkostenplafond. Gedurende het jaar blijkt of de zorg binnen dit plafond kan worden uitgevoerd. Vaak is dit niet het geval. Vervolgens ontstaat een ingewikkeld spel met de zorgverzekeraars om de extra zorg (deels) betaald te krijgen.

Tarieven

De huidige tarieven zijn niet kostendekkend. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) stelt per jaar per prestatie een maximum vast. Door de druk van de zorgverzekeraars ontvangt niemand meer dit maximale tarief en worden zorgaanbieders gedwongen om onder kostprijs te werken. Op korte termijn levert dit misschien voor de verzekeraars voordeel op, maar de duurzame inhoudelijke prikkel om kwalitatief en doelmatig met een juiste mix van goed opgeleide HBO en MBO opgeleide (wijk)verpleegkundigen en verzorgenden te kunnen anticiperen op de steeds complexer wordende thuissituatie, wordt hier onvoldoende in meegenomen.

Verzekeraars over inkoop wijkverpleging

Om zicht te krijgen op de inzet van de zorgverzekeraars voor 2018 heeft de Eerstelijns de vier grote zorgverzekeraars vragen gesteld over hun inkoopbeleid. Lees hun reacties in dit artikel.

Auteurs: Marcel de Groot, Harold Oldejans (ZZG Groep)

Download het volledige artikel hier: