Vooruitblik op kostenonderzoeken Nederlandse Zorgautoriteit

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft dit voorjaar twee kostenonderzoeken uitgevoerd in de eerstelijnszorg: een onder huisartsen en een onder zorggroepen en gezondheidscentra. Daarnaast nam de NZa deel aan de klankbordgroep van het project Organisatie & Infrastructuur. De Eerstelijns blikt vooruit op de uitkomsten van de kostenonderzoeken.

Het kostenonderzoek huisartsenzorg vond al eerder plaats. Dat is logisch, omdat hier sprake is van grotendeels gereguleerde tarieven (S1). Om die periodiek te kunnen actualiseren, is een toets aan de praktijk een waardevol beleidsinstrument. Het kostenonderzoek zal zeker discussie opleveren. De NZa heeft namelijk de rekensystematiek weer aangepast. En huisartsen zullen stellen dat afkappen van de werkweek van de huisarts op veertig uur geen enkele grond heeft en dat de ondernemersrisico’s toenemen. Daarnaast wordt er periodiek gepleit voor een manier om de bekostiging meer innovatievolgend en toekomstgericht te sturen, maar dat is in deze ronde niet het geval. Naar verwachting zal de NZa de aangepaste tarieven in juni 2017 openbaar maken, waarna ze per 2018 ingaan.

Zorggroepen en gezondheidscentra

Bij het kostenonderzoek onder zorggroepen en gezondheidscentra ligt de situatie anders. Er is namelijk sprake van vrije tarieven voor programmatische en/of innovatieve zorg (S2 en S3). De NZa gaat een prestatie met een maximumtarief vaststellen in navolging van de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) uit 2016, die hen daartoe verplicht voor het geval een aanbieder zonder contract S2 zorg wil leveren. De NZa worstelt met de vraag hoe zij op basis van de juiste data moet komen tot een goede prestatiebeschrijving met een passend tarief. Zij moet bovendien een duidelijke omschrijving maken, zodat verzekerden weten wat de zorg in S2 inhoudt en welk tarief daar tegenover staat. De keerzijde is dat dit zorgverzekeraars inzicht geeft in de tarieven in een vrije markt. Het blijft een raar fenomeen dat de marktmeester concurrentiegevoelige informatie gaat verspreiden. Daarom zal men terughoudend zijn met het openbaar maken van onderliggende informatie, zoals onderzoeksprotocollen, database en uitgangspunten. Dat is jammer, want die openheid is wel gewenst wanneer partijen of derden de berekeningen willen verifiëren.

Organisatie & Infrastructuur

Op de achtergrond speelt de module Organisatie & Infrastructuur (O&I), die per 2018 wordt ingevoerd. Nadat ZN, VWS, InEen en LHV overeen waren gekomen meer eenduidigheid te brengen in de overhead van de eerstelijnszorg, schoof de NZa als toehoorder aan tafel.

Duidelijk is dat de NZa met de kostenonderzoeken en als toehoorder in het O&I-traject gecombineerde inzichten verkrijgt, die haar in staat stelt om – achteromkijkend – haar rol als marktmeester in te vullen. Aan inzicht in de bekostiging van nieuw beleid voor de toekomst dragen dit soort kostenonderzoeken helaas niet bij.

Auteurs: Anton Maes en Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

InEen en LHV eensgezind over bekostiging Organisatie & Infrastructuur

De samenwerking tussen de Landelijke Huisartsen Vereniging en InEen heeft een extra impuls gekregen met het onderzoek naar de organisatie en infrastructuur in de eerste lijn. Recent verscheen de impactanalyse op basis van de eindrapportage over dit onderwerp. Deze geeft concrete aanbevelingen voor het vervolg.

Welke impact zou de nieuwe bekostigingssystematiek die werd gepresenteerd in het rapport Doelgerichte versterking van de Organisatie en Infrastructuur van de eerste lijn hebben op de ontwikkeling van de organisatie en infrastructuur van de eerste lijn en de bekostiging daarvan? Op die vraag moest de impactanalyse antwoord geven. De recent verschenen analyse leidt tot negen aanbevelingen, waarvan er vijf betrekking hebben op betaaltitels. De kern: ga (conform het voorstel van de Nederlandse Zorgautoriteit) in 2018 van start met vier betaaltitels: praktijkmanagement, wijkmanagement, ondersteuning ketenzorg en regiomanagement.

Paul van Rooij, directeur van de Landelijke Huisartsen Vereniging: “De achterbannen van de LHV en InEen hadden een enorme behoefte aan versimpeling van de financiering. Aan iedere betaaltitel zijn nu randvoorwaarden verbonden, zodat je er in het regionaal overleg altijd praktisch invulling aan kunt geven.”

Ruimte voor maatwerk

In de impactanalyse wordt de aanbeveling gedaan om ruimte te laten voor maatwerk. Die ruimte is er in de voorgestelde opzet, stelt Anoeska Mosterdijk, directeur van InEen. “De vier benoemde betaaltitels maken het beter mogelijk om het gesprek te voeren over wat je in een wijk of regio wilt bereiken.“

Van Rooij is het hiermee eens, met een kanttekening. “In de voorgestelde opzet kun je de huidige afspraken voortzetten én nieuwe dingen doen. De vraag is of die ruimte ook ingevuld gaat worden. Het zal zich in de praktijk moeten bewijzen.”

Terugvaloptie

Verklaart dit waarom in de impactanalyse ook wordt aanbevolen om in 2018 over te gaan op de nieuwe betaaltitels, maar wel een terugvaloptie open te houden? Van Rooij: “We wilden met de impactanalyse duidelijkheid krijgen over de vraag of de in het rapport beoogde aanpak zou werken. Het antwoord is nee. Daaraan zijn een aantal aanbevelingen voor verbetering gekoppeld, waarvan we op voorhand niet weten of het daarmee wél gaat werken. De impactanalyse laat weliswaar zien dat stilstand geen optie is, maar geeft onvoldoende houvast om meteen honderd procent over te stappen op de nieuwe betaaltitels. Een terugvaloptie is daarom nodig.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Wat brengt het zorginkoopbeleid 2018?

Wat valt op in het zorginkoopbeleid voor de eerste lijn, dat recent is gepubliceerd door de vier grote zorgverzekeraars Zilveren Kruis, VGZ, CZ en Menzis? De Eerstelijns analyseert hun plannen voor huisartsenzorg, multidisciplinaire zorg, farmacie, fysiotherapie en wijkverpleging.

De zorgverzekeraars moeten het zorginkoopbeleid ieder jaar op 1 april publiceren en doen dat trouw. De uitwerking op onderdelen volgt later, omdat de tijd tussen het afronden van de evaluatie 2016 en het publiceren van het beleid voor 2018 gewoon te kort is.

Het concept dat de zorgverzekeraars voor 2018 hanteren, is min of meer hetzelfde als dat voor van 2017, al is het taalgebruik wat aangepast. Terugkerende begrippen in het beleid 2018 zijn klantwaarde, zinnig, doelmatig en good practices. Goed is goed genoeg? Ook nieuw is de focus op de regio in de eigen kernwerkgebieden. Betekent dit dat de verzekeraars elkaar vaker automatisch gaan volgen? Het vormgeven van de zorg gebeurt per regio, geen blauwdrukken, maar wel kaders. Hoe dat zal uitpakken, is op dit moment niet duidelijk.

Er worden in 2018 beperkingen gesteld aan de niet gecontracteerde zorg (lagere vergoeding) en aan kleine contracten (op basis van een minimumbedrag of aantal FTE). Per discipline is dit anders, afhankelijk van de positie van de zorgverzekeraar en de zorgaanbieder. De doorleverplicht is bij sommige disciplines verdwenen, aangepast (bij overschrijding van het plafond krijgt men een ander tarief) of nog steeds als harde voorwaarde opgenomen. Ook hierbij zijn er verschillen per discipline.

Huisartsen- en multidisciplinaire zorg

De programmatische zorg voor chronisch zieken lijkt door zorgverzekeraars ter discussie te worden gesteld. Er wordt een voorbehoud gemaakt of openlijk aangegeven dat de ziektespecifieke benadering wordt ingeruild voor een persoonsgerichte benadering. Alle zorgverzekeraars vermelden de module Organisatie & Infrastructuur (O&I), zonder er harde toezeggingen over te doen. In de loop van 2017 wordt duidelijk of de financiering voor O&I doorgaat.

Substitutie, indexering en eHealth

Substitutie vanuit het medisch-specialistisch circuit, wat moeten we daarvan verwachten? Zorgverzekeraars zijn terughoudend bij het concreet maken van hun beleid. Ze broeden op nieuwe methoden, zoals shared savings bij een hogere omzetdaling dan afgesproken. Dat lijkt voor de komende jaren de trend te worden. Zorgverzekeraars lijken ook – deels terecht – te aarzelen over de kracht van de eerstelijnszorg. Het vragen van een stevige eerstelijnsorganisatie met een breed mandaat van de huisartsen is een nieuwe trend, die in bepaalde regio’s een versnelling kan bieden.

Maar misschien is het ontbreken van een expliciete eHealth-paragraaf wel het meest opvallende aan het zorginkoopbeleid van ‘de grote vier’. eHealth, zelfzorg en gestandaardiseerde informatie-uitwisseling zouden juist een speerpunt van beleid moeten zijn en zorgaanbieders zouden moeten worden uitgedaagd om hier initiatieven op te ontplooien.

Download het artikel voor de volledige analyse.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Nederlandse Zorgautoriteit wijst de weg voor verbetering binnen het huidige stelsel

Verbetering van het zorgstelsel wordt mogelijk als ruimte wordt geboden voor regionale samenwerking over de grenzen van sectoren heen, stelt de Nederlandse Zorgautoriteit. En als de burgers daar beter van worden, moeten de zorginkoop en de manier waarop de wet- en regelgeving zijn vormgegeven zich hieraan aanpassen. De weg hier naartoe begint bij transparantie over de kwaliteit van het zorgaanbod.

Ons zorgstelsel is nog jong, stelt bestuursvoorzitter Marian Kaljouw van de NZa. Als je in ogenschouw neemt dat het pas een goede tien jaar bestaat, voor hoeveel mensen het bedoeld is, hoeveel mensen erin werken en hoeveel geld erin omgaat, is in betrekkelijk korte tijd al veel bereikt. Begrijpelijk dus dat Kaljouw en directeur regulering Josefien Kursten er afgelopen januari tijdens het eerstelijnscongres op Terschelling voor pleitten de aanpassingen die nu nodig zijn binnen het huidige stelsel te bewerkstelligen. “De grootste belemmering is dat we nu zorgaanbieders betalen per verrichting”, zegt Kursten. “Er is dus een volumeprikkel, ook in de eerste lijn. Bovendien leidt het tot een coördinatieprobleem, je wilt juist dat zorgaanbieders meer samenwerken. Een derde belemmering is dat er voor iedere verrichting een prestatie moet komen en dat die ook nog moet worden gecontroleerd.”

Kwaliteitstransparantie

“De sleutel voor verbetering ligt bij transparantie over de kwaliteit van het zorgaanbod”, zegt Kaljouw. “Maar die transparantie bewerkstelligen, is duidelijk nog een worsteling. Zolang professionals geen inzicht bieden in hun kwaliteit, is de prijs de enige knop waaraan de zorgverzekeraars kunnen draaien. Ik begrijp dan ook wel waarom ze zelf kwaliteitsstandaarden zijn gaan bedenken. Daar kunnen zorgaanbieders boos over worden, maar dan zeg ik: doe het dan zelf. Natuurlijk zou het Kwaliteitsinstituut zich met haar doorzettingsmacht ook meer op de eerste lijn kunnen richten, maar het doet nogal wat met een beroepsgroep als kwaliteitsbeleid top down wordt opgelegd. Onze sterke voorkeur is dus dat de beroepsgroepen zelf hun kwaliteit inzichtelijk maken.”

Kaljouw is ervan overtuigd dat die kwaliteitstransparantie er uiteindelijk over de volle breedte zal komen. De kern is samenwerking, stelt zij. “Veel patiënten gaan naar verschillende zorgaanbieders. Als je op basis van die gedachte de belangrijkste doelgroepen beschrijft, kun je op basis van arrangementen multidisciplinair de zorg gaan leveren, gericht op de behandeluitkomst. Dat legt een zware druk op de beroepsgroepen om de afstemming voor gezamenlijk resultaat belangrijker te vinden dan het individuele belang. Maar het heeft wel meerwaarde voor de kwaliteit van de patiëntenzorg. Dan kun je ook in de bekostiging gaan sturen op uitkomsten en als je dat doet, gaat de wereld er heel anders uitzien. Zeker als je ook nog gaat sturen op gezondheid, op preventie dus.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Bekostiging van gemeenten

De gemeente is een steeds belangrijkere partij voor de eerstelijnszorg. Enerzijds doordat zij als co-financier voor zorg- en welzijnstaken voor de eerstelijnszorg fungeren, anderzijds doordat bijvoorbeeld preventiebeleid invloed heeft op de gezondheidszorgketen. Daarom is het van belang om te weten hoe gemeenten eigenlijk aan hun geld komen. De Eerstelijns zocht het uit.

De gemeente heeft vier bronnen van inkomsten. Het overgrote deel komt van de Rijksoverheid. Gemeenten ontvangen een algemene uitkering die op basis van een verdeelsleutel met zestig indicatoren per gemeente wordt vastgesteld. Daarmee wordt circa vijftig procent van de jaarlijkse inkomsten gerealiseerd. Dit zogenaamde maatstavensysteem wordt jaarlijks onderhouden en waar nodig aangepast (vergelijkbaar met het risicovereveningssysteem in de Zorgverzekeringswet). De gemeenten hebben volledige beleidsvrijheid bij de verdeling van deze inkomsten. Door aanpalende wetregelgeving kan er echter wel enige sturing ontstaan.

Naast de algemene uitkering is er een decentralisatie- en integratie-uitkering die zo’n 34 procent van de inkomsten oplevert. Dit is een doeluitkering die moet worden uitgegeven aan specifieke doelen. De gemeenten hebben hierin weinig beleidsvrijheid. Het onderscheid tussen de algemene- en de specifieke uitkering komt voort uit de wens van de Rijksoverheid om voor bepaalde uitgaven de verschillen tussen burgers te beperken. Denk aan onderwijs, huisvesting, beschut werk  of gezondheidszorg. De algemene uitkering en de decentralisatie- en integratie-uitkering vormen samen het grootste deel van de inkomsten van gemeenten.

Er is een meerjarenbegroting die beïnvloed kan worden door aanpassing van de maatstaven (maximaal vijf procent mutatie per jaar) en de algemene belastinginkomsten van de Rijksoverheid, die fluctueren door de economie. De uitkering aan de gemeenten loopt op en af met de inkomsten van het Rijk. In de praktijk legt de Rijksoverheid soms nog een extra korting op, wat in strijd is met de afspraken. Voor gemeenten met een robuuste meerjarenbegroting is dit uitermate frustrerend.

De lokale (doel)belastingen zoals OZB, honden- of afvalstoffenbelasting, levert ongeveer de resterende zestien procent aan inkomsten op. Ook hier moet de gemeente de directe relatie tussen inkomsten en uitgaven handhaven . Daarnaast mogen de verschillen tussen gemeenten niet dusdanig worden dat dit invloed krijgt op het vestigingsgedrag van burgers. Dat wordt bewaakt en gestuurd met benchmarks.

Download het artikel voor het lezen van de volledige analyse.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Maatregelen voor het versterken van de eerstelijnszorg

In de politiek lijkt de tijd rijp om vóóraf met budgetten te schuiven: van het kader medisch-specialistische zorg naar het kader eerstelijnszorg, in het bijzonder naar huisartsen- en multidisciplinaire zorg en wellicht naar wijkverpleging. Maar is dat voldoende om substitutie van zorg te laten slagen?

In 2013 hadden politiek en koepels een duidelijke ambitie om de eerstelijnszorg te versterken. De groeiruimte van 1,5 procent kon door substitutie toenemen tot 2,5 procent, was de verwachting. Zorggroepen en gezondheidscentra stonden klaar voor de uitbreiding van ketenzorgprogramma’s en substitutieprojecten. Terugkijkend moeten we vaststellen dat de versterking van de eerstelijnszorg niet of nauwelijks is gerealiseerd.

Resultaten

In 2015 is het totale macrokader huisartsen- en multidisciplinaire zorg ten gevolge van de substitutiemonitor met ca € 25 miljoen uitgebreid. Maar het macrobudget is onderschreden met € 106 miljoen. Ook in 2016 is de raming van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) dat het macrokader met 70 miljoen is onderschreden, waarbij S2 met € 40 miljoen is overschreden. De afsprakenmonitor  levert geen of nauwelijks inzichten op en dus is het macrobudget 2017 nagenoeg ongewijzigd.

Consequenties

Verzekeraars hebben het beschikbare budget voor de eerstelijnszorg niet opgemaakt, terwijl er wel meer zorg verleend wordt door de eerstelijnszorg. Dat betekent dat vooral de huisartsen meer zijn gaan doen voor minder geld. Bij de introductie van het segmentenmodel heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) gesteld dat om aan het norminkomen voor een huisarts te komen, integrale uurlonen nodig zijn in S2 en S3.  Die zijn er veelal niet gekomen en daar zijn individuele huisartsen de dupe van.

De uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) dat ook zonder contract ketenzorg geleverd kan worden, kan op de korte termijn een alternatief bieden voor huisartsen. De NZa heeft aangegeven voor 2018 nog met een (vrij) tarief te komen.

Doemscenario

Er zijn zorgverzekeraars die er een andere visie op nahouden als het gaat om de huidige en innovatieve programmatische zorg. Zij stoppen of beperken hun investeringen hierin.

Als dat doorzet en de programmatische zorg ontmanteld wordt, vallen we terug op de versnippering van voorheen. We moeten het dan stellen zonder georganiseerde inkoopmacht vanuit eerstelijnszorggroepen en gezondheidscentra. De huisartsenzorg zal dan binnen vijf jaar sterk geërodeerd zijn door kwaliteitsverlies en arbeidsmarktproblemen. Nederland verliest dan een van de kroonjuwelen van haar gezondheidssysteem. In dit scenario nemen de ziekenhuizen de regie over en wordt de medisch georiënteerde gezondheidszorg nog dominanter en duurder. Het goede nieuws is dat het tij nog kan worden gekeerd.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Vergoeding voor specialist ouderenzorg in de eerste lijn

De specialist ouderengeneeskunde kan een plek krijgen in de Zorgverzekeringswet. Dat concludeert Zorginstituut Nederland na een onderzoek dat het uitvoerde in opdracht van staatssecretaris Van Rijn. Maar er zijn nog wel wat hobbels te nemen voor er aansluiting is met de praktijk. De Eerstelijns analyseert.

Wanneer de specialist ouderengeneeskunde (SO) binnen de Zorgverzekeringswet valt, kan de verzekerde aanspraak maken op vergoeding van door de SO geleverde eerstelijnszorg. Vanaf 1 januari 2018 moet dat geregeld zijn. Bij wijze van overgangsregeling geldt voor 2017 een subsidieregeling. Het Zorginstituut constateert dat door de transities vanuit de AWBZ naar Wmo en Jeugdwet niet meer goed is vast te stellen welk budget nodig is. Het is dan ook niet duidelijk of het budget voor de subsidieregeling toereikend is, maar een subsidieregime is eindig. Hoe dit wordt uitgewerkt, is nog onduidelijk. Wellicht met een bepaald productievolume voor een aanbieder, maar dan kan aan het eind van het jaar niet meer gedeclareerd worden. Of per patiënt, maar als de subsidiepot dan leeg is, houdt het ook op. De bekostiging in 2017 is dus nog niet zeker.

Tariefbeschikking per 2018

In 2017 zal de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een tariefbeschikking opstellen waar in 2018 mee gewerkt kan worden. Dan bestaat er recht op zorg door middel van een aanspraak. Er zijn twee mogelijkheden: een eigenstandige vergoeding van de SO of een integrale vergoeding voor een multidisciplinaire zorgprestatie. Er is inmiddels enige ervaring opgedaan met een DBC kwetsbare oudere in segment 3. De inclusie is tussen de 0,6 en 1 procent, waarbij de zorgzwaarte uiteen loopt van ZZP 6 tot en met 8. De gemiddelde kosten bedragen tussen de € 700 en € 1400 per jaar, afhankelijk van de omvang van de multidisciplinaire zorg en het feit of de patiënt of diens vertegenwoordiger bij het multidisciplinaire overleg (MDO) aanwezig is. De coördinatiekosten maken een belangrijk deel uit van de prijs. De afstemming binnen het multidisciplinaire team van huisarts, POH ouderenzorg, wijkverpleegkundige, trajectbegeleider, meekijkconsult, medicatiereview, verslavingsdeskundige, ouderen psycholoog, kost immers al flink wat moeite en dus geld. Ook kosten van gevalideerde vragenlijsten, eHealth of blended care en netwerkinformatiesysteem maken soms wel en soms niet onderdeel uit van de integrale kostprijs. Daarnaast afstemming met mantelzorgers, sociaal wijkteam, dagbesteding of dagbehandeling, woningorganisaties en welzijnsorganisaties. Ook vervangt deze DBC kwetsbare oudere alle andere somatische DBC’s, die bij deze multimorbide groep veel voorkomen. De kosten lijken hoog, maar maatschappelijk is de business case aantrekkelijk.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Te weinig tijd en middelen voor goede zorg in achterstandswijken

Een aantal huisartsen en bestuurders van gezondheidscentra in de vier grote steden luidt de noodklok. Huisartsen in achterstandswijken hebben te weinig tijd en middelen om optimale zorg te verlenen aan de inwoners die deze zorg juist het hardst nodig hebben. Ze doen een oproep aan minister Edith Schippers, de zorgverzekeraars en de gemeenten om integraal werken te faciliteren, de achterstandsvergoeding te herijken en het budget ervoor aanzienlijk te verruimen.

Richard Starmans van Haagse Gezondheidscentra werkt al zestien jaar als huisarts in een achterstandswijk in Den Haag. “Ik merk in toenemende mate dat we hier in de praktijk ons werk niet meer zo kunnen doen als we willen”, vertelt hij. “We hebben hier verhoudingsgewijs veel mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden. Vaak is sprake van een stapeling van problemen en kost het zorgverleners veel moeite om hen te bereiken. Een typisch probleem in onze wijk is het grote aantal mensen met type II diabetes. Om deze ziekte succesvol te behandelen moet je als patiënt begrijpen wat suiker en insuline in het bloed doen. Dat is lastig uit te leggen aan iemand die geen kennis van zijn eigen lichaam heeft. Maak dan maar eens duidelijk dat het belangrijk is dat hij zijn levensstijl verandert. Je moet stapje voor stapje een zorgplan maken en voortdurend proberen aan te sluiten en bij te sturen. Dat kost veel tijd.”

Toenemende druk

Starmans’ relaas maakt duidelijk dat dit werk in een achterstandswijk binnen een normpraktijk niet of nauwelijks goed te realiseren is. En hij is niet de enige. “Het is een enorm probleem en het speelt zich af in alle achterstandswijken in Nederland”, zegt Francine Francke, directeur bedrijfsvoering van Stichting Gezondheidscentra Amsterdam Zuidoost. Huisartsen met een normpraktijk kunnen de norm niet meer aan, stelt zij. “Daarom pleiten wij ervoor dat de praktijkverkleining allereerst gefaseerd wordt doorgevoerd, beginnend bij de praktijken in achterstandswijken.” Starmans onderschrijft de noodzaak hiervan. “Zonder compensatie is die overstap naar kleinere praktijken niet haalbaar”, zegt hij. “Het zou simpelweg verlaging van inkomen betekenen, dus minder ruimte om te investeren in de praktijkondersteuning die wij juist zo hard nodig hebben. Het is nu al moeilijk om mensen te vinden die in achterstandswijken willen werken en dat wordt alleen maar moeilijker als de honorering onder druk komt te staan.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Shared savings: winst voor zorgverleners, zorgverzekeraar en verzekerden

Hoe kan een zorgverzekeraar de zorg voor haar klanten betaalbaar houden en tegelijkertijd de kwaliteit verbeteren? En hoe kunnen zorgverleners worden beloond voor hun bijdragen aan de zorgkostenbeheersing en kwaliteitsverbetering in ons land? Menzis en Arts en Zorg vonden elkaar in de pilot ‘shared savings’.

“Als je erin slaagt zorgkosten om te buigen, bijvoorbeeld door de stijgende lijn een halt toe te roepen, ontstaat een verschil. Een verschil tussen de kosten die je zou hebben gemaakt zonder initiatieven tot kostendaling en de kosten die je maakt nu je wel deze acties hebt ondernomen. Deze winst kun je delen: shared savings. De klanten van de zorgverzekeraar profiteren ervan, want het wordt verwerkt in hun premie. En de zorgverleners die de succesvolle initiatieven hebben genomen, worden beloond voor hun inspanningen. Dit geld kunnen zij bijvoorbeeld opnieuw investeren in kwaliteitsverbetering van zorg of in manieren om patiënten langer in de eerste lijn te houden of eerder patiënten uit de tweede lijn over te nemen.”

Gezondheidscentra Enschede

Aan het woord is Hannes Seesing, marktontwikkelingsdeskundige zorg bij Menzis. Samen met Bertien Dumas, manager inkoop eerste lijn, is hij sinds 2014 namens de zorgverzekeraar nauw betrokken bij het shared savings-project. “Maar in dit model draait het niet alleen om kostenbeheersing”, zegt Amon van den Borg, directeur van Arts en Zorg. Seesing: “Voor Menzis geldt dit ook nadrukkelijk.” Van den Borg: “Beide partijen vinden het belangrijk dat kostenbeheersing gepaard gaat met een minstens even hoge kwaliteit van zorg en een minstens even grote patiënttevredenheid.”

Arts en Zorg is een organisatie waarbij 25 eerstelijnsgezondheidscentra uit het hele land zijn aangesloten. Drie ervan – alle uit Enschede – doen mee aan de pilot ‘shared savings’: Enschede Noord, Twekkelerveld en Wesselerbrink.

Versterkt

Al een aantal jaren is in ons land de trend dat de eerste lijn moet worden versterkt; patiënten dienen er bijvoorbeeld terecht te kunnen voor steeds meer vormen van diagnostiek en behandeling. Zo kan zorg dichter bij huis worden geboden en dat ook nog eens tegen lagere kosten dan in de tweede lijn.

“Binnen deze context kun je ‘shared savings’ zien”, vertelt Van den Borg. “De eerste lijn versterkt zich, maar wat krijgt de eerste lijn ervoor terug? Natuurlijk, we worden deels gecompenseerd via DBC’s en de module geïntegreerde eerstelijnszorg, maar worden nog niet direct beloond voor het resultaat van extra inspanningen.”

Seesing: “Menzis en Arts en Zorg herkenden een gezamenlijke uitdaging. Wij als zorgverzekeraar staan voor waardegericht zorg inkopen. Het is tijd om bij de bekostiging van gezondheidszorg af te stappen van volumeprikkels en over te gaan naar uitkomstafspraken in termen van kwaliteit en kosten.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Contractvereiste ketenzorg geschrapt: reacties en een juridische verkenning

Na een eerdere zaak van VPHuisartsen tegen de Nederlandse Zorgautoriteit maakte VPHuisartsen wederom een zaak aanhangig bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, nu samen met de Landelijke Huisartsen Vereniging. De uitspraak van het CBb schept op punten duidelijkheid, maar laat ook onduidelijkheden en zorgen bestaan.

In 2015 stelde VPHuisartsen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) een beroep in tegen de tariefbeschikking Huisartsenzorg en Multidisciplinaire zorg 2015 van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Het CBb deed uitspraak in het voordeel van VPHuisartsen: de NZa mag geen hinderpaal opwerpen voor de vrije artsenkeuze. Maar in de aanpassing van de beleidsregels en tariefbeschikking in maart 2016 deed de NZa volgens VPHuisartsen te weinig recht aan de uitspraak, op een aantal punten gold toch weer een contractverplichting. Gezamenlijk met de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) spande VPHuisartsen een nieuwe zaak aan, over de jaren 2015 en 2016. De inzet: het schrappen van alle contractvereisten en van de verplichting voor 24/7 huisartsenzorg, die de NZa had toegevoegd aan het inschrijftarief. Inmiddels heeft het CBb wederom uitspraak gedaan.

ANW-diensten

Voor de ANW-diensten kijgen de huisartsen deels gelijk. Het CBb heelt een technische fout in de tariefbeschikking op grond waarvan discussie zou kunnen ontstaan over de rechtmatigheid van alle inschrijftarieven van huisartsen wanneer zij de 24/7 zorg niet zouden waarborgen. Dit zou disproportioneel zijn. Het CBb bevestigt wel dat het inschrijftarief zit op 24/7 zorg, dus een grote wijziging is het niet.

Module POH-GGZ

Interessanter zijn de overwegingen van het CBb voor de module POH-GGZ en ketenzorg, waarbij het contractvereiste niet verenigbaar wordt geacht. Voor de POH-GGZ is de conclusie dat dit extra zorgprestaties zijn die de huisarts – via de POH-GGZ – placht te verlenen en dat een contractvereiste daarmee niet verenigbaar is.

Ketenzorg

Een soortgelijke conclusie wordt getrokken voor ketenzorg, met de kanttekening dat ketenzorg door zorggroepen wordt gecontracteerd en dat de kosten voor de organisatie van de multidisciplinaire zorg niet voldaan kunnen worden uit het consulttarief van de huisarts.

Interessant is dat ketenzorg in S2 wordt gezien als zorg die een huisarts mede (via een zorggroep) levert en waar de verzekerde op grond van artikel 11 Zorgverzekeringswet (Zvw) recht op heeft. Omdat de kosten voor de organisatie van de ketenzorg niet voldaan kunnen worden uit het consulttarief en het wel gaat om zorg waarop de verzekerde op basis van 11 Zvw recht heeft, is het contractvereiste voor ketenzorg niet toelaatbaar volgens het CBb.

Het CBb concludeert vervolgens dat het contractvereiste ten onrechte is gehanteerd voor 2015 en 2016, maar accepteert daarbij dat het – gelet op de effecten voor het stelsel – onwenselijk is om dat voor deze jaren terug te draaien. Het CBb onderkent de regionale verschillen en geeft de NZa de tijd om een prestatie te creëren die ook geldt voor het ongecontracteerd leveren van ketenzorg. De huisartsen moeten dus wachten tot deze prestatie er is.

De Eerstelijns vroeg reacties aan vertegenwoordigers uit het veld en jurist Karik van Berloo onderzocht de juridische consequenties van de CBb-uitspraak.

Auteurs: Frank van Wijck en Karik van Berloo

Download het volledige artikel hier: