Maatregelen voor het versterken van de eerstelijnszorg

In de politiek lijkt de tijd rijp om vóóraf met budgetten te schuiven: van het kader medisch-specialistische zorg naar het kader eerstelijnszorg, in het bijzonder naar huisartsen- en multidisciplinaire zorg en wellicht naar wijkverpleging. Maar is dat voldoende om substitutie van zorg te laten slagen?

In 2013 hadden politiek en koepels een duidelijke ambitie om de eerstelijnszorg te versterken. De groeiruimte van 1,5 procent kon door substitutie toenemen tot 2,5 procent, was de verwachting. Zorggroepen en gezondheidscentra stonden klaar voor de uitbreiding van ketenzorgprogramma’s en substitutieprojecten. Terugkijkend moeten we vaststellen dat de versterking van de eerstelijnszorg niet of nauwelijks is gerealiseerd.

Resultaten

In 2015 is het totale macrokader huisartsen- en multidisciplinaire zorg ten gevolge van de substitutiemonitor met ca € 25 miljoen uitgebreid. Maar het macrobudget is onderschreden met € 106 miljoen. Ook in 2016 is de raming van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) dat het macrokader met 70 miljoen is onderschreden, waarbij S2 met € 40 miljoen is overschreden. De afsprakenmonitor  levert geen of nauwelijks inzichten op en dus is het macrobudget 2017 nagenoeg ongewijzigd.

Consequenties

Verzekeraars hebben het beschikbare budget voor de eerstelijnszorg niet opgemaakt, terwijl er wel meer zorg verleend wordt door de eerstelijnszorg. Dat betekent dat vooral de huisartsen meer zijn gaan doen voor minder geld. Bij de introductie van het segmentenmodel heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) gesteld dat om aan het norminkomen voor een huisarts te komen, integrale uurlonen nodig zijn in S2 en S3.  Die zijn er veelal niet gekomen en daar zijn individuele huisartsen de dupe van.

De uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) dat ook zonder contract ketenzorg geleverd kan worden, kan op de korte termijn een alternatief bieden voor huisartsen. De NZa heeft aangegeven voor 2018 nog met een (vrij) tarief te komen.

Doemscenario

Er zijn zorgverzekeraars die er een andere visie op nahouden als het gaat om de huidige en innovatieve programmatische zorg. Zij stoppen of beperken hun investeringen hierin.

Als dat doorzet en de programmatische zorg ontmanteld wordt, vallen we terug op de versnippering van voorheen. We moeten het dan stellen zonder georganiseerde inkoopmacht vanuit eerstelijnszorggroepen en gezondheidscentra. De huisartsenzorg zal dan binnen vijf jaar sterk geërodeerd zijn door kwaliteitsverlies en arbeidsmarktproblemen. Nederland verliest dan een van de kroonjuwelen van haar gezondheidssysteem. In dit scenario nemen de ziekenhuizen de regie over en wordt de medisch georiënteerde gezondheidszorg nog dominanter en duurder. Het goede nieuws is dat het tij nog kan worden gekeerd.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Vergoeding voor specialist ouderenzorg in de eerste lijn

De specialist ouderengeneeskunde kan een plek krijgen in de Zorgverzekeringswet. Dat concludeert Zorginstituut Nederland na een onderzoek dat het uitvoerde in opdracht van staatssecretaris Van Rijn. Maar er zijn nog wel wat hobbels te nemen voor er aansluiting is met de praktijk. De Eerstelijns analyseert.

Wanneer de specialist ouderengeneeskunde (SO) binnen de Zorgverzekeringswet valt, kan de verzekerde aanspraak maken op vergoeding van door de SO geleverde eerstelijnszorg. Vanaf 1 januari 2018 moet dat geregeld zijn. Bij wijze van overgangsregeling geldt voor 2017 een subsidieregeling. Het Zorginstituut constateert dat door de transities vanuit de AWBZ naar Wmo en Jeugdwet niet meer goed is vast te stellen welk budget nodig is. Het is dan ook niet duidelijk of het budget voor de subsidieregeling toereikend is, maar een subsidieregime is eindig. Hoe dit wordt uitgewerkt, is nog onduidelijk. Wellicht met een bepaald productievolume voor een aanbieder, maar dan kan aan het eind van het jaar niet meer gedeclareerd worden. Of per patiënt, maar als de subsidiepot dan leeg is, houdt het ook op. De bekostiging in 2017 is dus nog niet zeker.

Tariefbeschikking per 2018

In 2017 zal de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een tariefbeschikking opstellen waar in 2018 mee gewerkt kan worden. Dan bestaat er recht op zorg door middel van een aanspraak. Er zijn twee mogelijkheden: een eigenstandige vergoeding van de SO of een integrale vergoeding voor een multidisciplinaire zorgprestatie. Er is inmiddels enige ervaring opgedaan met een DBC kwetsbare oudere in segment 3. De inclusie is tussen de 0,6 en 1 procent, waarbij de zorgzwaarte uiteen loopt van ZZP 6 tot en met 8. De gemiddelde kosten bedragen tussen de € 700 en € 1400 per jaar, afhankelijk van de omvang van de multidisciplinaire zorg en het feit of de patiënt of diens vertegenwoordiger bij het multidisciplinaire overleg (MDO) aanwezig is. De coördinatiekosten maken een belangrijk deel uit van de prijs. De afstemming binnen het multidisciplinaire team van huisarts, POH ouderenzorg, wijkverpleegkundige, trajectbegeleider, meekijkconsult, medicatiereview, verslavingsdeskundige, ouderen psycholoog, kost immers al flink wat moeite en dus geld. Ook kosten van gevalideerde vragenlijsten, eHealth of blended care en netwerkinformatiesysteem maken soms wel en soms niet onderdeel uit van de integrale kostprijs. Daarnaast afstemming met mantelzorgers, sociaal wijkteam, dagbesteding of dagbehandeling, woningorganisaties en welzijnsorganisaties. Ook vervangt deze DBC kwetsbare oudere alle andere somatische DBC’s, die bij deze multimorbide groep veel voorkomen. De kosten lijken hoog, maar maatschappelijk is de business case aantrekkelijk.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Te weinig tijd en middelen voor goede zorg in achterstandswijken

Een aantal huisartsen en bestuurders van gezondheidscentra in de vier grote steden luidt de noodklok. Huisartsen in achterstandswijken hebben te weinig tijd en middelen om optimale zorg te verlenen aan de inwoners die deze zorg juist het hardst nodig hebben. Ze doen een oproep aan minister Edith Schippers, de zorgverzekeraars en de gemeenten om integraal werken te faciliteren, de achterstandsvergoeding te herijken en het budget ervoor aanzienlijk te verruimen.

Richard Starmans van Haagse Gezondheidscentra werkt al zestien jaar als huisarts in een achterstandswijk in Den Haag. “Ik merk in toenemende mate dat we hier in de praktijk ons werk niet meer zo kunnen doen als we willen”, vertelt hij. “We hebben hier verhoudingsgewijs veel mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden. Vaak is sprake van een stapeling van problemen en kost het zorgverleners veel moeite om hen te bereiken. Een typisch probleem in onze wijk is het grote aantal mensen met type II diabetes. Om deze ziekte succesvol te behandelen moet je als patiënt begrijpen wat suiker en insuline in het bloed doen. Dat is lastig uit te leggen aan iemand die geen kennis van zijn eigen lichaam heeft. Maak dan maar eens duidelijk dat het belangrijk is dat hij zijn levensstijl verandert. Je moet stapje voor stapje een zorgplan maken en voortdurend proberen aan te sluiten en bij te sturen. Dat kost veel tijd.”

Toenemende druk

Starmans’ relaas maakt duidelijk dat dit werk in een achterstandswijk binnen een normpraktijk niet of nauwelijks goed te realiseren is. En hij is niet de enige. “Het is een enorm probleem en het speelt zich af in alle achterstandswijken in Nederland”, zegt Francine Francke, directeur bedrijfsvoering van Stichting Gezondheidscentra Amsterdam Zuidoost. Huisartsen met een normpraktijk kunnen de norm niet meer aan, stelt zij. “Daarom pleiten wij ervoor dat de praktijkverkleining allereerst gefaseerd wordt doorgevoerd, beginnend bij de praktijken in achterstandswijken.” Starmans onderschrijft de noodzaak hiervan. “Zonder compensatie is die overstap naar kleinere praktijken niet haalbaar”, zegt hij. “Het zou simpelweg verlaging van inkomen betekenen, dus minder ruimte om te investeren in de praktijkondersteuning die wij juist zo hard nodig hebben. Het is nu al moeilijk om mensen te vinden die in achterstandswijken willen werken en dat wordt alleen maar moeilijker als de honorering onder druk komt te staan.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Shared savings: winst voor zorgverleners, zorgverzekeraar en verzekerden

Hoe kan een zorgverzekeraar de zorg voor haar klanten betaalbaar houden en tegelijkertijd de kwaliteit verbeteren? En hoe kunnen zorgverleners worden beloond voor hun bijdragen aan de zorgkostenbeheersing en kwaliteitsverbetering in ons land? Menzis en Arts en Zorg vonden elkaar in de pilot ‘shared savings’.

“Als je erin slaagt zorgkosten om te buigen, bijvoorbeeld door de stijgende lijn een halt toe te roepen, ontstaat een verschil. Een verschil tussen de kosten die je zou hebben gemaakt zonder initiatieven tot kostendaling en de kosten die je maakt nu je wel deze acties hebt ondernomen. Deze winst kun je delen: shared savings. De klanten van de zorgverzekeraar profiteren ervan, want het wordt verwerkt in hun premie. En de zorgverleners die de succesvolle initiatieven hebben genomen, worden beloond voor hun inspanningen. Dit geld kunnen zij bijvoorbeeld opnieuw investeren in kwaliteitsverbetering van zorg of in manieren om patiënten langer in de eerste lijn te houden of eerder patiënten uit de tweede lijn over te nemen.”

Gezondheidscentra Enschede

Aan het woord is Hannes Seesing, marktontwikkelingsdeskundige zorg bij Menzis. Samen met Bertien Dumas, manager inkoop eerste lijn, is hij sinds 2014 namens de zorgverzekeraar nauw betrokken bij het shared savings-project. “Maar in dit model draait het niet alleen om kostenbeheersing”, zegt Amon van den Borg, directeur van Arts en Zorg. Seesing: “Voor Menzis geldt dit ook nadrukkelijk.” Van den Borg: “Beide partijen vinden het belangrijk dat kostenbeheersing gepaard gaat met een minstens even hoge kwaliteit van zorg en een minstens even grote patiënttevredenheid.”

Arts en Zorg is een organisatie waarbij 25 eerstelijnsgezondheidscentra uit het hele land zijn aangesloten. Drie ervan – alle uit Enschede – doen mee aan de pilot ‘shared savings’: Enschede Noord, Twekkelerveld en Wesselerbrink.

Versterkt

Al een aantal jaren is in ons land de trend dat de eerste lijn moet worden versterkt; patiënten dienen er bijvoorbeeld terecht te kunnen voor steeds meer vormen van diagnostiek en behandeling. Zo kan zorg dichter bij huis worden geboden en dat ook nog eens tegen lagere kosten dan in de tweede lijn.

“Binnen deze context kun je ‘shared savings’ zien”, vertelt Van den Borg. “De eerste lijn versterkt zich, maar wat krijgt de eerste lijn ervoor terug? Natuurlijk, we worden deels gecompenseerd via DBC’s en de module geïntegreerde eerstelijnszorg, maar worden nog niet direct beloond voor het resultaat van extra inspanningen.”

Seesing: “Menzis en Arts en Zorg herkenden een gezamenlijke uitdaging. Wij als zorgverzekeraar staan voor waardegericht zorg inkopen. Het is tijd om bij de bekostiging van gezondheidszorg af te stappen van volumeprikkels en over te gaan naar uitkomstafspraken in termen van kwaliteit en kosten.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Contractvereiste ketenzorg geschrapt: reacties en een juridische verkenning

Na een eerdere zaak van VPHuisartsen tegen de Nederlandse Zorgautoriteit maakte VPHuisartsen wederom een zaak aanhangig bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, nu samen met de Landelijke Huisartsen Vereniging. De uitspraak van het CBb schept op punten duidelijkheid, maar laat ook onduidelijkheden en zorgen bestaan.

In 2015 stelde VPHuisartsen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) een beroep in tegen de tariefbeschikking Huisartsenzorg en Multidisciplinaire zorg 2015 van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Het CBb deed uitspraak in het voordeel van VPHuisartsen: de NZa mag geen hinderpaal opwerpen voor de vrije artsenkeuze. Maar in de aanpassing van de beleidsregels en tariefbeschikking in maart 2016 deed de NZa volgens VPHuisartsen te weinig recht aan de uitspraak, op een aantal punten gold toch weer een contractverplichting. Gezamenlijk met de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) spande VPHuisartsen een nieuwe zaak aan, over de jaren 2015 en 2016. De inzet: het schrappen van alle contractvereisten en van de verplichting voor 24/7 huisartsenzorg, die de NZa had toegevoegd aan het inschrijftarief. Inmiddels heeft het CBb wederom uitspraak gedaan.

ANW-diensten

Voor de ANW-diensten kijgen de huisartsen deels gelijk. Het CBb heelt een technische fout in de tariefbeschikking op grond waarvan discussie zou kunnen ontstaan over de rechtmatigheid van alle inschrijftarieven van huisartsen wanneer zij de 24/7 zorg niet zouden waarborgen. Dit zou disproportioneel zijn. Het CBb bevestigt wel dat het inschrijftarief zit op 24/7 zorg, dus een grote wijziging is het niet.

Module POH-GGZ

Interessanter zijn de overwegingen van het CBb voor de module POH-GGZ en ketenzorg, waarbij het contractvereiste niet verenigbaar wordt geacht. Voor de POH-GGZ is de conclusie dat dit extra zorgprestaties zijn die de huisarts – via de POH-GGZ – placht te verlenen en dat een contractvereiste daarmee niet verenigbaar is.

Ketenzorg

Een soortgelijke conclusie wordt getrokken voor ketenzorg, met de kanttekening dat ketenzorg door zorggroepen wordt gecontracteerd en dat de kosten voor de organisatie van de multidisciplinaire zorg niet voldaan kunnen worden uit het consulttarief van de huisarts.

Interessant is dat ketenzorg in S2 wordt gezien als zorg die een huisarts mede (via een zorggroep) levert en waar de verzekerde op grond van artikel 11 Zorgverzekeringswet (Zvw) recht op heeft. Omdat de kosten voor de organisatie van de ketenzorg niet voldaan kunnen worden uit het consulttarief en het wel gaat om zorg waarop de verzekerde op basis van 11 Zvw recht heeft, is het contractvereiste voor ketenzorg niet toelaatbaar volgens het CBb.

Het CBb concludeert vervolgens dat het contractvereiste ten onrechte is gehanteerd voor 2015 en 2016, maar accepteert daarbij dat het – gelet op de effecten voor het stelsel – onwenselijk is om dat voor deze jaren terug te draaien. Het CBb onderkent de regionale verschillen en geeft de NZa de tijd om een prestatie te creëren die ook geldt voor het ongecontracteerd leveren van ketenzorg. De huisartsen moeten dus wachten tot deze prestatie er is.

De Eerstelijns vroeg reacties aan vertegenwoordigers uit het veld en jurist Karik van Berloo onderzocht de juridische consequenties van de CBb-uitspraak.

Auteurs: Frank van Wijck en Karik van Berloo

Download het volledige artikel hier:

Van productie-gestuurde naar missie-gedreven zorg

Hoe kunnen we kwalitatief goede, toegankelijke en betaalbare gezondheidszorg waarborgen voor de toekomst? Dat is alleen mogelijk als zorgpartijen zich niet hoeven laten leiden door hun productie, maar door gezondheidsuitkomsten op patiënt- en populatieniveau.

Zo luidt in een notendop de filosofie van Cornelis Boersma. Hij is directeur Corporate Affairs van healthcare-bedrijf GSK. Boersma pleit voor een zorgcontinuüm waarbij investeringen in de waardeketen van preventie, diagnose, behandeling en monitoring leiden tot betere gezondheidsuitkomsten. Hierbij worden zogeheten silobelangen ondergeschikt aan een gezamenlijk doel: de zorgvraag reduceren door gezondheidsuitkomsten te belonen.

Hij legt uit: “Zoals bekend krijgen de stijgende zorgkosten veel aandacht in ons land. Volgens een GSK scenario-analyse ’Van Money naar Mission driven’ is een belangrijk knelpunt dat de zorg productie-gestuurd is en dat dit kan leiden tot overaanbod. Welke prikkel ervaart een huisarts bijvoorbeeld voor de inzet van eHealth in plaats van een traditioneel consult? Of neem het ziekenhuis waarvoor substitutie van zorg naar de eerste lijn financieel vaak niet aantrekkelijk is. Waar zijn de prikkels voor preventie om mensen juist uit de zorg te houden? Het zijn de dilemma’s die spelen bij een silo-benadering.”

Ander perspectief

Het huidige zorglandschap is te veel gericht op de afzonderlijke silo’s in plaats van een zorgcontinuüm, stelt Boersma. Hij zegt: “Het perspectief moet veranderen. Het draait om de gehéle waardeketen, waarbinnen zorgprofessionals afstemmen wat nodig is voor het realiseren van optimale zorguitkomsten op patiënt- en populatieniveau. Zo kunnen investeringen in innovaties beter een antwoord bieden op de zorguitdaging die voor ons ligt.” Een randvoorwaarde hiervoor zijn innovatieve contracten door silo’s heen.

Medeleverancier gezondheidswinst

Welke rol heeft GSK hierin? “Onze hoofdprioriteit is dat onze innovatieve medicijnen beschikbaar zijn voor patiënten. Je zou kunnen zeggen dat we een transitie hebben doorgemaakt van geneesmiddelenleverancier naar medeleverancier van gezondheidswinst met onze medicijnen. We hanteren een aantal fundamentele uitgangspunten: aandeelhouderswaarde is voor ons gelijkgeschakeld aan de waarde die we aan de maatschappij willen leveren. Ook willen we graag afgerekend worden op de toegevoegde waarde die we leveren. Daarbij gaat het om de inhoudelijke kwaliteit die we leveren in de interacties met zorgverleners én om de kwaliteit van leven en economische waarde voor de maatschappij. Bovendien mag de prijs van medicijnen geen onnodige barrière voor patiënttoegang opleveren.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Goochelen met segmenten

Recente cijfers over de kosten van huisartsenzorg laten zien welke geldbedragen verzekeraars in 2015 uitkeerden aan huisartsen, zorggroepen en gezondheidscentra. De Eerstelijns zette die bedragen af tegen het budget dat volgens de Miljoenennota beschikbaar is. Zijn de uitgaven van verzekeraars in balans met het door VWS beschikbaar gestelde budgetkader?

De kosten van geleverde zorg worden bepaald door twee zaken. Ten eerste door de maximumtarieven die de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) vaststelt en ten tweede door de contractonderhandelingen met de zorgverzekeraar. De hoogte van het VWS-budgetkader wordt bepaald door de minister. Hierbij is rekening gehouden met de uitkomst van het ‘Onderhandelaarsresultaat eerste lijn 2014 tot en met 2017’, een in 2013 gesloten hoofdlijnenakkoord tussen minister, verzekeraars en eerstelijnspartijen.

In segment 1 is er een onderschrijding van 143 miljoen, waarbij huisartsen op het deelbudget van de POH-GGZ 60 miljoen te kort komen. Deze onderschrijding heeft vooral te maken met dalende M&I-tarieven. Binnen segment 2 is het budget overschreden met 13 miljoen euro, doordat meer zorggroepen meer programma’s aanbieden en per zorggroep meer huisartsen deelnemen. Bovendien neemt het aantal chronisch zieken toe. Ook in segment 3 is het budget in 2015 overschreden. Dit wordt veroorzaakt door innovaties, maar vooral ook door alle niet reguliere DBC’s (brede GGZ en ouderenzorg) die hierop worden geboekt.

Gevolgen

Het gevaar van de overschrijdingen in S2 en S3 is dat innovaties in S1 niet (meer) gefinancierd kunnen worden. De betekenis van deze kostencijfers voor de toekomst is duidelijk. Er komt in 2017 een nieuw kostenonderzoek van de NZa over het jaar 2015, mogelijk gevolgd door een doorontwikkeling van de bekostiging op basis van drie segmenten. Vervolgens treedt er een nieuw kabinet aan en loopt het huidige hoofdlijnenakkoord af. Dit betekent dat er nieuwe onderhandelingsronden komen en dat er behoefte zal zijn aan een actueel kostenoverzicht. Wellicht leidt dat tot een nieuw hoofdlijnenakkoord voor de eerstelijnszorg, waarin hardere garanties per segment worden gesteld om te voorkomen dat de huisartsenzorg wordt ondermijnd en de rekening van de extramuralisering en ambulantisering krijgt gepresenteerd.

Auteurs: Anton Maes en Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Meerjarencontracten onder de loep

Het ministerie van VWS geeft in een brief aan de Tweede Kamer (juni 2016) de stand van zaken op het gebied van meerjarencontracten in de gezondheidszorg. De Eerstelijns combineert de uitkomst met onderzoek van NIVEL onder eerstelijnsorganisaties en praktijkervaringen.

Er is geen definitie van een meerjarencontract. Van Dale beschrijft onder contract ‘een schriftelijk vastgelegde overeenkomst tussen minimaal twee partijen’. Bij een meerjarencontract zal het contract dus over tenminste twee jaar gaan. Het contract zelf is vormvrij. Partijen mogen vastleggen wat ze willen. Soms zijn er voorwaarden die door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) zijn opgelegd in beleidsregels.

VWS geeft aan dat er bij de meeste contracten een bandbreedte is van twee tot vier jaar, maar zonder specificatie per deelsector. NIVEL constateert bij zorggroepen en gezondheidscentra (n=89) dat er vooral tweejarige contracten zijn gesloten. Dit wordt als positief ervaren, omdat meerjarencontracten de administratieve lasten beperken, duidelijkheid kunnen geven aan verzekerden als zorgverzekeraars ze publiceren, ze meer ruimte scheppen voor visie- en zorginhoudelijke gesprekken en het ondernemersrisico voor investeringen en de aanname van personeel verkleinen. Toch is er ook kritiek. Het rekenmodel dat wordt gebruikt bij de onderhandelingen is bij vijftig procent van de respondenten opgelegd door de zorgverzekeraar. Vaak zijn contractuele beperkingen opgelegd aan de inclusie, worden er omzetplafonds gehanteerd, is er geen ruimte voor innovatie of zorgvernieuwing, wordt slechts in beperkte mate indexering toegepast voor bijvoorbeeld CAO-loonstijgingen en worden geen afspraken gemaakt over ‘geld volgt zorg’ bij substitutie. Ook de spelregels zoals enkele jaren geleden opgesteld door de Landelijke Organisatie Ketenzorg met zorgverzekeraars, worden niet of nauwelijks meer toegepast. Toch vinden de meeste organisaties meerjarencontracten aantrekkelijker dan een eenjarig contract, omdat het rust geeft. Dat geldt ook voor zorgverzekeraars die met steeds minder zorginkopers het werk moeten uitvoeren. Meerjarencontracten en standaardisatie met portalen zijn een mogelijkheid om de eigen kosten te beperken.

Voorwaarden voor meerjarencontracten

Zoals bij elke overeenkomst moeten partijen overeenstemming hebben over de inhoud, de vorm en de voorwaarden. Aangezien het voor zorgverzekeraars niet doenlijk is om voor elke organisatie met een eigen contract te werken, kan dit worden opgelost door een standaardovereenkomst te voorzien van een addendum waarin de specifieke voorwaarden of uitzonderingen worden vastgelegd. Hiervoor is het noodzakelijk dat de zorgaanbieders voldoende volume hebben om interessant genoeg te zijn voor de zorgverzekeraar. In dit artikel wordt uiteengezet welke aspecten van belang zijn bij het onderhandelen over en afsluiten van een meerjarencontract.

Auteur: Lex Geerts en Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Zorgkosten stijgen harder dan het bruto nationaal product

De zorgkosten stijgen percentueel harder dan het bruto nationaal product (BNP). Dat is onontkoombaar en in aanloop naar de verkiezingen een belangrijk politiek thema. Verschillende factoren zijn van invloed op de kostenstijging. De Eerstelijns analyseert en geeft enkele oplossingsrichtingen om de stijging te beperken.

De kostenontwikkeling in de zorg wordt beïnvloed door de politiek, demografische ontwikkelingen, technische ontwikkelingen en innovaties, sociale, juridische en financiële aspecten. In dit artikel zet Jan Erik de Wildt, directeur van De Eerstelijns, al deze zaken op een rijtje. De conclusie is dat een stijging van de zorgkosten hoger dan het BNP onontkoombaar is. Op zich hoeft dat geen probleem te zijn, aangezien er een unaniem hoge waarde wordt toegekend aan een goede gezondheid, maar het zet wel een druk op de solidariteit tussen gezond en ziek, arm en rijk en oud en jong.

Dempende maatregelen

Het artikel geeft een overzicht van mogelijke kostendempende maatregelen, die al in meer of mindere mate worden benut en ook in de toekomst zullen worden ingezet:

– het beperken van de salariskosten en ondernemersinkomsten

– meer eigen betalingen door patiënten

– het beperken van het volume

– het ontwikkelen van een alternatieve productie (Fair Medicine)

– het voorkomen van ziekte

– het terugdringen van verspilling en fraude

– het anders inrichten van de reserves van zorgverzekeraars

– het anders definiëren van zorgkosten

– een ander verzekeringssysteem

Verkiezingen 2017

In mei 2015 publiceerde De Eerstelijns de menukaart voor politieke keuzes. Hierin zijn 28 maatregelen opgenomen die volgens het CBS tot macro-economische besparing kunnen leiden. Dit was een onderdeel van een veel grotere keuze aan beleidsopties, maar vele daarvan kosten juist extra geld. Alleen de beleidsinterventies die geld kunnen opleveren zijn opgenomen in de menukaart uit 2015.

In de verkiezingsprogramma’s die nu in de maak zijn, zullen impopulaire maatregelen niet worden opgenomen. Maar in het Regeerakkoord zal een combinatie van de bovenstaande analyse en de keuzes uit de menukaart van 2015 gegarandeerd terug te vinden zijn. Hierover zal De Eerstelijns in aanloop naar de verkiezingen nader berichten.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Overeenstemming over meerwaarde organisatie en infrastructuur eerste lijn

Half oktober heeft projectleider Edwin Velzel de eindrapportage van het onderzoek naar de organisatie en infrastructuur in de eerste lijn opgeleverd. Dit betekent dat er overeenstemming is bereikt over de noodzaak en de benodigde mate van organisatie en infrastructuur in de eerstelijnszorg. LHV, InEen, VWS, NZa en Zorgverzekeraars Nederland erkennen het belang van investeringen en hebben ook bepaald wat daar tegenover moet staan. Dit artikel schetst de belangrijkste resultaten. De volledige rapportage is te vinden op de website van InEen.

Het onderzoek naar de noodzaak van organisatie en infrastructuur (O&I) in de eerste lijn en de daarvoor benodigde investering komt voort uit de afspraken van het bestuurlijk akkoord uit 2013. In verschillende fases is bekeken wat er nodig is aan samenwerkingsinfrastructuur om de eerste lijn te versterken en klaar te maken voor de groeiende complexe zorgvraag in de sector.

Wat zijn de belangrijkste bevindingen? Projectleider Edwin Velzel: “Door alle partijen is op grond van onderzoek in de regio’s Almere, Gooi- en Vechtstreek, Venlo en Zoetermeer nogmaals vastgesteld dat het belangrijk is om de eerste lijn verder te versterken. Dat moet zowel op wijkniveau als op regioniveau gebeuren.”

Een andere les uit het onderzoek is, dat het investeren van extra geld in de eerste lijn op zichzelf niet per definitie tot betere zorg of beheersing van de zorgkosten leidt. “De eerste lijn moet ook bereid zijn concrete resultaten af te spreken en te laten zien”, aldus Velzel. “De betaaltitels die we ontwikkeld hebben, zijn dan ook tweezijdig. Enerzijds bieden ze een mogelijkheid om extra geld te ontvangen voor extra werkzaamheden, anderzijds leggen ze de verplichting op om daar een tastbaar resultaat tegenover te zetten in de vorm van aantoonbare kwaliteit of een bijdrage aan de beheersing van de zorgkosten.”

Nieuwe bekostigingssystematiek

Het project O&I moet resulteren in een nieuwe bekostigingssystematiek die op 1 januari 2018 zal ingaan. De projectpartners hebben nu overeenstemming bereikt over een mogelijke toekomstbestendige lijn voor de bekostigingssystematiek. Dat is een belangrijke stap, maar het is nog geen eindpunt. De eerstelijnsorganisaties en verzekeraars moeten het nog gaan waarmaken.

Vervolg

De door de projectgroep O&I opgeleverde eindrapportage wordt besproken met de achterbannen van de betrokken organisaties en ligt ter bestuurlijke accordering voor bij ZN, LHV en InEen. Die zullen hier uiterlijk half november over besluiten.

Auteur: Lisa Tiggelaar

Download het volledige artikel hier: