Opmaat naar samenhangende zorg in de regio

Een jaar geleden zijn afspraken gemaakt over de financiering van Organisatie & Infrastructuur (O&I). Zorgorganisaties en zorgverzekeraars zijn met elkaar in gesprek om daar voor 2019 invulling aan te geven. Hoe staat het ervoor in het land en hoe krijgt de regionalisering vorm? De Eerstelijns deed een belrondje.

De Zeeuwse Huisartsen Coöperatie (ZHCo) is de samenwerkingsorganisatie van huisartsen in De Bevelanden, Schouwen-Duiveland en Walcheren. De meeste aangesloten huisartsen zijn ook lid van PeriScaldes, dat de ketenzorg organiseert. “We zijn bezig met een fusietraject dat in 2019 zijn beslag zal krijgen”, vertelt Ruud Münstermann, directeur van ZHCo. Hij kijkt ernaar uit: “Vanuit die grotere organisatie kunnen we ons beter naar buiten profileren. Bovendien is het handig dat er straks één telefoonnummer is voor iedereen die iets met de huisartsen boven de Westerschelde wil regelen. En dan zijn er nog schaalvoordelen: we kunnen ons efficiënter organiseren, zodat we toe kunnen met de bestaande middelen. Niet met minder, dat zou een verkeerde beweging zijn.”

Elkaar iets gunnen

Vanuit de ROS Raedelijn houdt strategisch adviseur Marian Kesler zich onder meer bezig met ‘populatiegericht werken’. GezondVeluwe is daar een goed voorbeeld van. Zorgaanbieders, gemeenten, zorgverzekeraars en cliëntenorganisaties werken in Noordwest-Veluwe en Zeewolde samen aan betere zorg. Raedelijn vormt het programmateam. “Ik merk dat er in het veld veel beweging is richting regionalisering en O&I. Voor ons is O&I een middel om regionale samenwerking vorm te geven. Het gaat erom dat partijen over echelons en domeinen heen kijken vanuit het perspectief van inwoner en patiënt en vanuit die waarde de netwerkorganisatie vormgeven.”

Raamwerk

In het Netwerk Zorgorganisaties Leiden en Omstreken (NZLO) werken sinds eind 2016 vijf zorggroepen samen: de Regionale Organisatie van Huisartsen West Nederland, RijnCoepel, Zorggroep Katwijk en Alphen op één lijn en de Samenwerkende GEZ-en Leiden en Omstreken. “Daarmee zijn we prachtig voorgesorteerd op O&I”, zegt voorzitter Henri van der Lugt. Er is een kernteam O&I opgericht, waarin alle zorggroepen vertegenwoordigd zijn en dat het mandaat heeft van de achterban. Het kernteam zet de lijnen uit en gaat in gesprek met vertegenwoordigers van één zorgverzekeraar, namelijk Zorg & Zekerheid. “Zo houden we het werkbaar en overzichtelijk. We hopen voor 15 juli een raamwerk voor de regio te hebben. Op basis daarvan kunnen we op wijkniveau afspraken maken.”

Gemandateerde regio-organisatie

HZD (Huisartsenzorg Drenthe) organiseert ketenzorg, scholingen, ICT- en praktijkondersteuning en bevordert de kwaliteit van de huisartsenzorg in de provincie. Stefan Meinema, directeur bedrijfsvoering, prijst zich gelukkig dat de organisatie van de eerstelijnszorg in het door Duitsland begrensde, rurale gebied vrij overzichtelijk is. “Dat maakt de O&I-discussie makkelijker. Wij hebben te maken met Zilveren Kruis, die kiest voor een regionale aanpak en verlangt een bepaalde schaalgrootte. Zilveren Kruis lijkt iets meer afstand te nemen van de zorginhoud en richt zich meer op de regio, waardoor de regie over de zorginhoud bij de zorgpartijen komt. Dat schept kansen. Onze huisartsen zijn betrokken in het verhaal van Zilveren Kruis en nu is het zaak dat wij samen met de stakeholders een heel goed regioplan in elkaar gaan zetten.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Regierol voor ROAZ in regionale samenwerking acute zorg

In het hele land neemt de druk op de acute zorg toe. Er zijn veel initiatieven om dit te beteugelen – en op sommige plekken stabiliseert de druk inderdaad – maar het blijft een taai probleem. Dat ligt aan de instroom, doorstroom én uitstroom van de acute zorg. Ketenoptimalisatie is dus noodzakelijk. De acute zorg in Nederland is verdeeld in elf regio’s met elk een overkoepelend overleg: het ROAZ (Regionaal Overleg Acute Zorg). Minister Bruno Bruins van Medische Zaken wil dat de ROAZ’en meer de ‘lead’ nemen in de acute zorgketen. Maar hoe moeten ze die rol invullen?

“Meer deelnemers en betere besluitvorming”, zegt Bas Leerink. Hij is voorzitter van de raad van bestuur van ziekenhuis Medisch Spectrum Twente (MST), bestuurder bij ROAZ Acute Zorg Euregio en lid van het dagelijks bestuur van het LNAZ (Landelijk Netwerk Acute Zorg), de overkoepelende organisatie van de elf ROAZ’en. De taken van een ROAZ vloeien voort uit de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi), die wordt vervangen door de Wet Toelating Zorgaanbieders (WTZa). Dus is ook het overleg in de acute zorg toe aan herijking. “Het belang van regie wordt steeds groter”, zegt Leerink. “Daarom is het zaak om nog veel meer partijen in het ROAZ te betrekken. Ik denk vooral aan vertegenwoordigers van organisaties in de ouderenzorg.”

De extramuralisering van de zorg heeft de afgelopen jaren voor dertig procent meer spoedopnames onder ouderen gezorgd, zo blijkt uit onderzoek, en er zijn geen tekenen dat de stroom gaat afnemen. Een belangrijk punt is het organiseren van vervolgzorg, bijvoorbeeld door bedden in een eerstelijnsverblijf of door de inzet van wijkverpleegkundigen of transferverpleegkundigen die zorgen dat ouderen na een bezoek aan de SEH of HAP de juiste zorg thuis krijgen.

Investering

Daarnaast pleit Bas Leerink ervoor om in sommige gevallen verloskundigen en apotheken te betrekken in het ROAZ. Maar levert zo’n breed spectrum aan disciplines niet een onwerkbaar overleg op? “Daarom moeten we het verdelen in domeinen van acute zorg”, zegt Leerink. “Denk aan thema’s als beroerte, hartfalen, GGZ of verloskunde. Dan komen expertteams samen die zijn toegespitst op zo’n domein.” Binnen het ROAZ wordt al veel met zulke groepen gewerkt. De eerste lijn wordt daar nauw bij betrokken, vertelt Leerink. “Huisartsen moeten nadenken hoe ze zich laten vertegenwoordigen in een ROAZ. Dat verschilt per regio. Soms is het een directeur of medisch directeur van een HAP. Soms is het iemand uit een huisartsenkring. Regionale samenwerking vraagt investeringen, maar het levert veel op.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Eerstelijnsakkoord of chaos?

In het Regeerakkoord staat dat er hoofdlijnenakkoorden komen, in de Tweede Kamer is een hoorzitting geweest, er zijn al meerdere bestuurlijke en kantoorloverleggen geweest. Desondanks is nog steeds niet zeker dat er een eerstelijnsakkoord komt. Wat is het probleem?

In 2013 en 2017 zijn hoofdlijnakkoorden gesloten met de eerste lijn. Mooie woorden, veel ambities, financiële kaders, maar deze zijn – op enkele aspecten na – niet gerealiseerd. Sommige zorgverzekeraars hebben zich gedistantieerd van de afspraken die door Zorgverzekeraars Nederland zijn gemaakt. Zij hebben op basis van eigen zorginkoopbeleid regionale contracten gesloten met zorggroepen, gezondheidscentra en huisartsenposten.

Geen onderhandelkracht

Kennelijk hebben zorgverzekeraars geen landelijke akkoorden nodig om te contracteren. Daaruit blijkt dat de onderhandelkracht van eerstelijnspartijen laag is. Dat wordt bevestigd door de (forse) jaarlijkse onderschrijding van het macrobudget in de periode 2014-2017. En door het feit dat – los van enkele best practices – veel organisaties zijn geconfronteerd met niet indexeren, inclusieplafonds, doorbehandelplicht, inzetten van weerstandsvermogen voor structurele zorguitgaven en een lagere vergoeding aan onderaannemers. Kortom; de eerstelijnszorg is niet sterk in onderhandelen en zorgverzekeraars weten dat. Daarom is een nieuw hoofdlijnenakkoord voor hen niet nodig. Echter, de werkdruk en weerstand van professionals in de eerstelijnszorg nemen toe en daarmee de kans op serieuze conflicten.

Onvoorstelbaar

Eigenlijk is het niet voorstelbaar dat er geen akkoord komt. Immers, het akkoord voor medisch-specialistische zorg staat bol van verwijzingen naar de eerste lijn. Het gaat over meer samenhang op gebied van ICT, substitutie, informatie-uitwisseling, afstemming tussen het medisch- en sociaal domein en – als apotheose – een domeinoverstijgend onderzoek van VWS naar de realisatie van de transformatie. De regering heeft hier vol op ingezet. Er is in diverse sectoren een set van afspraken en akkoorden in de maak. Het rapport van de taskforce Zorg op de Juiste plek wordt breed omarmd en biedt een transformatieperspectief. Dat zal toch prevaleren boven individueel inkoopbeleid van zorgverzekeraars?!

Tot slot

De besturen van LHV en InEen zullen in een ledenraadpleging eind mei/begin juni een mogelijk akkoord voorleggen. Huisartsen(prakijken) moeten in georganiseerd verband steeds meer gaan doen. Zonder landelijke kaders komt dit proces niet van de grond. De eerstelijnszorg zal haar verantwoordelijkheid nemen en geen vrijblijvende afspraken maken zonder trekkingsrechten op macrobudgetten, maar wel met terechte claims. De zomer met gegarandeerde continuïteitsproblemen voor kwetsbare groepen staat voor de deur: gaan de zorgverzekeraars en eerstelijnszorg er samen voor of wordt het chaos?

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Taskforce zet het functioneren van mensen centraal

‘Wie doet er mee, wie durft?’ vraagt de Taskforce De Juiste Zorg Op de Juiste Plek in zijn rapport. De essentie van de juiste zorg op de juiste plek is het voorkomen van (duurdere) zorg, het verplaatsen van zorg (dichter bij mensen thuis) en het vervangen van zorg (door andere zorg zoals eHealth). Met dat in het achterhoofd is maar één antwoord mogelijk: iedereen die betrokken is bij zorg en welzijn. Anders gaat het niet werken.

Het rapport van de taskforce maakt duidelijk hoeveel al wordt gedaan om te zorgen dat de juiste zorg op de juiste plek wordt gegeven, maar ook hoeveel nog nodig is. Het slaat een aantal piketpaaltjes: het belang van de omslag van ziekte naar gezondheid, van versterking van de inzet op preventie en eigen regie, van denken in samenhangende zorg met en rondom mensen, van het beter benutten van digitale mogelijkheden. Met als resultaat zorg dichtbij als het kan, verder weg als het vanwege kwaliteit moet. Volgens Ernst van Koesveld, secretaris van de taskforce, worden niet op al die punten even structureel en grootschalig stappen gezet. “Het mooie van deze taskforce is dat partijen vanuit de praktijk zeggen: het is nú zaak dat we verder komen. Niet langer ziekte, maar het functioneren van mensen centraal stellen. Als het functioneren van mensen het vertrekpunt is, ga je de zorg meer in onderlinge samenwerking en afstemming organiseren, bijvoorbeeld door in een wijknetwerk een brede triage te organiseren.”

Met het rapport wil de taskforce advies geven over hoe de beweging die al in gang is gezet extra brandstof kan krijgen en kan verbreden. Van Koesveld: “We hopen dat de aanbevelingen van de taskforce een plaats krijgen in de af te sluiten hoofdlijnenakkoorden en daarmee de agenda bepalen voor de komende periode.”

Grote gevolgen

De juiste zorg op de juiste plek betekent in de praktijk dat veel meer zorg in de eerste lijn en in het sociaal domein wordt geboden en dat de tweede lijn krimpt. Dat wil niet per se zeggen dat de rol van de medisch specialist kleiner wordt, zegt Guy Schulpen, directeur van eerstelijnsbedrijf ZIO en lid van de taskforce. De huisarts krijgt het voor een deel als poortwachter wel drukker, zegt hij. “Maar die poortwachtersfunctie kun je verbreden naar het sociaal domein, niet alles hoeft naar de huisarts te gaan. De wijkverpleegkundige, het sociaal wijkteam en paramedici kunnen ook een rol spelen. Een forse opgave, maar ik ben ervan overtuigd dat het kan. Het rapport geeft voorbeelden van waar dit al gebeurt.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Cliëntenraden in de eerstelijnszorg

Regelmatig krijgt Gietema Wevers notarissen de vraag of organisaties in de eerstelijnszorg verplicht zijn tot instelling van een cliëntenraad. Deze vraag is helaas niet met een eenvoudig ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden. Het wetsvoorstel Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 maakt het er niet eenvoudiger op. Notarissen Oskar Gietema en Linda Koeslag-Meijer geven enkele handvatten voor de praktijk.

De cliëntenraad is geregeld in de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz). Op grond van de Wmcz zijn instellingen in de zin van de Wet toelating zorginstellingen (WTZi) verplicht tot instelling van een cliëntenraad. In de eerste lijn is de WTZi onder meer van toepassing op huisartsenpraktijken, verloskundigenpraktijken, tandartsenpraktijken, paramedische praktijken, huisartsenposten en gezondheidscentra. Hiermee zijn die organisaties naar de letter van de wet verplicht tot instelling van een cliëntenraad.

Standpunt NZa

In de praktijk zien wij dat eerstelijnszorgorganisaties meestal geen formele cliëntenraad hebben ingesteld en dat zij hiertoe ook niet worden verplicht door toezichthoudende instanties, zoals de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De NZa stelt zich in meerdere openbare fusiebesluiten in het kader van de zorgspecifieke concentratietoets bij fusies tussen eerstelijnszorgorganisaties op het standpunt dat onder meer instellingen voor huisartsenzorg, verloskundige zorg, kraamzorg, mondzorg, paramedische zorg en farmaceutische zorg, niet verplicht zijn om een cliëntenraad te hebben. Dit standpunt is gebaseerd op de wetsgeschiedenis van de Wmcz.

Nieuwe koers

Op 20 december 2017 is echter het wetsvoorstel ‘Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018’ ingediend bij de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel stelt een cliëntenraad ook verplicht voor de meeste eerstelijnszorgorganisaties, ongeacht de rechtsvorm. Iedere rechtspersoon, organisatorisch verband en natuurlijke persoon die bedrijfsmatig zorg verleent of doet verlenen als bedoeld bij of krachtens de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), én waar in de regel meer dan tien natuurlijke personen zorg verlenen, is op grond van het wetsvoorstel verplicht om een cliëntenraad te hebben (met de mogelijkheid om uitzonderingen vast te stellen). Hiermee lijkt de wetgever een andere koers te willen gaan varen.

Auteur: Linda Koeslag-Meijer, Oskar Gietema (Gietema Wevers Notarissen)

Download het volledige artikel hier:

Complexiteit zet Nederlands zorgsysteem onder druk

In het Nederlandse zorgsysteem hangt alles met alles samen. Wie heeft nog het overzicht? En hoe houdbaar is het zorgsysteem op langere termijn? De Eerstelijns legt de vinger op de zere plek in de discussion paper ‘Complexiteitsreductie als oplossing voor duurzame zorg in Nederland’. Lees de samenvatting of download de volledige paper en discussieer mee op LinkedIn.

Verschillende ontwikkelingen ondermijnen de houdbaarheid van ons zorgsysteem. Allereerst de toename van het aantal chronisch zieken in combinatie met de vergrijzende samenleving en mensen die veelal nog uitgaan van het paradigma verzorgingsstaat. Hierdoor nemen zij te weinig verantwoordelijkheid voor hun eigen gezondheid, om te beginnen door gezond gedrag. Mede als gevolg hiervan wordt veel aandacht besteed aan de medische oplossing van problemen en veel minder aan het voorkomen van ziekte. Ook het gezondheidssysteem gaat nog te veel uit van zorgprofessionals en -organisaties in plaats van verantwoordelijke burgers en patiënten.

Problemen erkennen

Maar bovenal is de wijze waarop de zorg is georganiseerd te complex geworden. Hierdoor is het voor deskundigen al nauwelijks te overzien, laat staan voor burgers, patiënten, mantelzorgers en zorgaanbieders. Dit ondermijnt het vertrouwen en de solidariteit. Als hier niets aan verandert, is het wachten op een zogenaamde perfect storm: het moment waarop alle mogelijke negatieve factoren bij elkaar komen. Door te erkennen dat er problemen zijn en een start te maken met oplossingen, kan een deel van de risico’s worden beperkt, voorkomen of geaccepteerd als een verantwoorde maatschappelijke keuze.

Het grootste probleem

De effecten van de decentralisaties in 2015 zullen de komende jaren nog merkbaar zijn. Het zal de nodige aandacht vragen om de kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van zorg en ondersteuning te borgen. De beleidsvrijheid van gemeenten versus de gedetailleerde aanspraken in de Zorgverzekeringswet (Zvw) en Wet langdurige zorg (Wlz) zorgen voor afstemmingsproblemen die kwetsbare groepen (kunnen) treffen. De complexiteit van bekostiging, taal, domeinafbakening, transitieprocessen, ICT en het aantal betrokken partijen vormt wellicht het grootste probleem in ons huidige zorg- en sociale systeem. Het leidt tot verspilling en demotivatie van zorgprofessionals en tot onduidelijkheid en frustratie bij zorggebruikers. Terwijl plezier in het werk juist de zorgsector aantrekkelijk moet maken in een tijd waar personeel schaars wordt.

Paradigmashift

De groeiende welvaart, voortschrijdende kennis en techniek heeft er bovendien toe geleid dat ziekte en ouderdom door delen van de bevolking als onwenselijk worden gezien. Het is tijd voor een andere, positieve benadering van ouderdom en ziekte. Als de gezondheidszorg onvoldoende antwoord geeft op de veranderende zorgvraag ontstaat er maatschappelijke onrust en een verdere tweedeling tussen rijk en arm, gezondheidsvaardigen en niet gezondheidsvaardigen. Voortzetting van een paradigmashift van zorg naar gezondheid is noodzakelijk.

Lees de uitgebreide analyse en aanbevelingen:

– Artikel ‘Complexiteit zet Nederlands zorgsysteem onder druk’

– Discussion paper ‘Complexiteitsreductie als oplossing voor duurzame zorg in Nederland’

Discussieer mee op LinkedIn.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

 

Download het volledige paper hier:

 

Jolande Sap en Thomas Plochg, Federatie voor Gezondheid: “Preventie moet lonend worden”

Van nazorg naar voorzorg. Dat is de missie van de NPHF Federatie voor Gezondheid, een publiek-private netwerkorganisatie van 65 bedrijven en instellingen. Het voorkomen van gezondheidsproblemen vraagt een aanpassing van het huidige zorgsysteem. Preventie moet lonend worden, betogen voorzitter Jolande Sap en directeur Thomas Plochg. Een brede lobby samen met de SER en GGD Nederland resulteerde in een eerste succes: het Preventieakkoord staat op de politieke agenda.

“Dit wordt het jaar van de waarheid”, zegt Jolande Sap, “met het Preventieakkoord kunnen we echt stappen gaan zetten. Er is een beweging gaande en vanuit de Federatie zetten we ons in om die op te schalen, te versnellen en te borgen.” Dat gebeurt door het ontwikkelen van een breed gedragen visie met de leden en andere partijen, door het delen van kennis, het ontwikkelen van instrumenten en het naar de praktijk brengen daarvan. “We zijn actief betrokken bij de ontwikkeling van het Preventieakkoord. Zowel de Federatie als de individuele leden nemen deel aan de werkconferenties van staatssecretaris Blok en we faciliteren het proces en de inhoud.”

Vitaliteitscontract

Met het gezond houden van burgers kun je geen geld verdienen. Initiatieven gericht op preventie lopen daarop vast en dat moet veranderen, vinden Plochg en Sap. Ze pleiten daarom voor opname van het door de NPHF ontwikkelde ‘vitaliteitscontract’ in het Preventieakkoord. Een vitaliteitscontract is een abonnement dat burgers toegang geeft tot professionele ondersteuning bij gezond en vitaal blijven. Het idee is dat werkgevers, gemeenten of andere collectieven afspraken maken met de aanbieders van ‘gezondheidsdiensten’ in de breedste zin van het woord. Werknemers, inwoners of leden kunnen vervolgens een abonnement nemen op dat ‘vitaliteitspakket’. Plochg vergelijkt het met Spotify: “Dat geeft je tegen een klein bedrag per maand toegang tot een enorme muziekbibliotheek. Het vitaliteitscontract geeft je op dezelfde manier toegang tot activiteiten en diensten die je helpen gezond te blijven.” Het vitaliteitscontract kan naast de huidige zorgverzekering bestaan.

Halffabricaat

De exacte invulling van het vitaliteitscontract is aan partijen zelf. Aan de basis liggen tien principes die de NPHF formuleerde (zie kader). Sap: “Het is een halffabricaat. Verschillende NPHF-leden zijn ermee aan de slag gegaan en zoeken een invulling die past bij hun organisatie. De zorg- en welzijnsorganisaties die deelnemen in Peel Duurzaam Gezond willen bijvoorbeeld een vitaliteitscontract ontwikkelen voor hun werknemers. En autobedrijf PON is met zorgverzekeraar ONVZ aan het kijken of zij het vitaliteitsbeleid met de principes van het vitaliteitscontract handen en voeten kunnen geven.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Is er een toekomst voor hoofdlijnenakkoorden?

Hoofdlijnenakkoorden zijn inmiddels een bekend fenomeen in het zorgveld. Ook in de eerstelijnszorg. Wat is de status ervan? Wat leveren de akkoorden op? Wat mogen we ervan verwachten? En komen er in de toekomst ook hoofdlijnenakkoorden? De Eerstelijns analyseert dit beleidsinstrument.

Het hoofdlijnenakkoord in zijn huidige vorm is ontstaan in de periode 2011–2014 als nasleep van de economische crisis en de periode van laagconjunctuur (2008–2016). Het doel is het beperken van de zorgkosten. Het is een typisch Nederlands polderproduct en er zijn veel partijen bij betrokken: het ministerie van VWS, Zorgverzekeraars Nederland, koepels van zorgaanbieders als NVZ, NFU, FMS, GGZ Nederland, LVVP, NVVP,LHV, InEen, Actiz, V&VN en vaak de Patiëntenfederatie Nederland. Het landelijk gesloten hoofdlijnenakkoord is een best denkbare overeenkomst op basis van een afgewogen positionering en machtsbalans van de betrokken partijen.

Perceptie en interpretatie

Omdat het een landelijk akkoord op hoofdlijnen betreft, is de perceptie en interpretatie van cruciaal belang bij de regionale uitvoering die tot uitdrukking komt in contracten. VWS, patiëntvertegenwoordigers, koepels van zorgaanbieders en zorgverzekeraars hebben verschillende rollen en belangen. Dat kan leiden tot verschillende interpretaties van de uiteindelijke tekst van een akkoord. Bijvoorbeeld over de totale beschikbare financiële ruimte voor een sector. Dat hoofdlijnenakkoorden zich uitstrekken over meerdere jaren waarin economische of maatschappelijke veranderingen en wet/regelgeving de besluiten en het gedrag van partijen beïnvloeden, maakt het er niet makkelijker op.

Zorginkoop en hoofdlijnenakkoorden

Er is een duidelijke relatie tussen het hoofdlijnenakkoord en zorginkoop. Het inzicht neemt toe dat zorginkoop fundamenteel anders moet. De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) merkt in haar advies ‘Zorgrelatie centraal’ (oktober 2017) op dat ‘veel zorginkoop eigenlijk bestaat uit het uitvoeren van beleidsregels van de NZa, het invulling geven aan wensen van de minister of het naleven van bestuurlijke hoofdlijnenakkoorden. Het principe van het beheersen van de kosten is dominant’. En dat ‘partijen elkaar gevangenhouden in het paradigma van jaarlijkse beheersing, rechtmatigheid en bestuurlijke hoofdlijnenakkoorden’. Een concreet advies over de toekomst van hoofdlijnenakkoorden ontbreekt, al is de conclusie over zorginkoop snoeihard: ‘De huidige inkooppraktijk verhoudt zich slecht tot pluriformiteit in zorg & ondersteuning. Inkoop en verkoop heeft via standaardisering en massa-inkoop een homogeniserende werking op het zorgaanbod. Het helpt om praktijkvariatie terug te dringen, maar heeft een negatieve invloed op de pluriformiteit. Met name het verbinden van financiële consequenties aan prestaties ten opzichte van spiegelinformatie kan leiden tot een dictatuur van middelmaat’.

Alternatieven

Een hoofdlijnenakkoord is een vrijwillige overeenkomst. Bij ontevredenheid over de uitkomst en/of uitvoering, kan besloten worden om dit soort overeenkomsten niet langer aan te gaan. Gezien het systeem en de belangen die partijen aan de hoofdlijnenakkoorden hechten, verdient het wellicht de voorkeur om (eerst) in te zetten op procedurele en inhoudelijke verbeteringen. De Eerstelijns doet een voorzet.

Auteur: Jan Erik de Wildt 

Download het volledige artikel hier:

Beleidsadviezen voor een nieuw kabinet

Wat gaat kabinet Rutte 3 doen met de (eerstelijns)gezondheidszorg? Het regeerakkoord zal het uitwijzen, maar als het aan de Eerstelijns ligt, kiest het kabinet voor een aantal logische, samenhangende oplossingen voor de (toekomstige) knelpunten.

De grootste uitdagingen betreffen de ouderenzorg, acute zorg, arbeidsmarkt en substitutie. Hoewel er al enkele stappen zijn gezet, is het niet genoeg. Zeker in de eerstelijnszorg zijn aanvullende maatregelen nodig.

Ouderenzorg

Door decentralisatie zijn oudere en kwetsbare mensen langer thuis. Dit heeft gevolgen voor de inrichting van zorg en welzijn. Door de sociale wijkteams verder te laten integreren en samenwerking met de eerstelijnszorg te intensiveren, kan meer en beter geïntervenieerd worden in een vroeg stadium.

Rutte 3 zet de Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo) voorlopig op dezelfde voet voort. In de eerstelijnszorg en de wijkverpleging betekent dat: aanbesteden op basis van een concessiemodel. Hoewel de individuele vrijheid bij het kiezen van een organisatie beperkt wordt, kan door het verminderen van transacties collectieve efficiencywinst worden geboekt. Ook het aantal transacties in de huisartsenzorg kan omlaag. Met name wanneer er regionale huisartsenorganisaties ontstaan die aanspreekbaar zijn voor alle (24 uurs)zorg. De module Organisatie & Infrastructuur (O&I) biedt hiertoe mogelijkheden, maar de nieuwe minister van VWS moet zorgverzekeraars wel tot actie manen. Tot op heden is er namelijk binnen die module alleen oog voor praktijkmanagement.

Acute zorg

De acute zorg heeft een fundamenteel probleem. De relatief goedkope ANW-zorg van huisartsen heeft een budgetmodel en is gratis toegankelijk, de dure SEH valt onder het eigen risico en heeft een productieprikkel. Dat moet anders. Rutte 3 los dit op, want de acute zorg loopt vast. Een structurele herziening is noodzakelijk.

Arbeidsmarkt

Het feit dat zorgverzekeraars weigeren om prijzen te indexeren terwijl de lonen wel stijgen, zou door de politiek moeten worden verboden. Niet indexeren kost arbeidsplaatsen, terwijl er tekorten ontstaan. De politiek kan marktmeester NZa (Nederlandse Zorgautoriteit) de opdracht geven om een verplichte indexatie op te nemen in de beleidsregels, aangezien er sprake is van marktfalen. Maar er is meer nodig. In alle andere economische sectoren is digitalisering een topprioriteit. In de (eerstelijns)zorg staat eHealth nog in de kinderschoenen. Rutte 3 moet hier beleidsrijk mee aan de slag.

Substitutie

Sinds 2006 is substitutie een onderdeel van het overheidsbeleid. Anno 2018 heeft de substitutie van zorg (deels) plaatsgevonden, maar de budgetten zijn nauwelijks ‘meeverhuisd’. De eerstelijnszorg met de kernfuncties huisartsen en wijkverpleegkundigen wordt volstrekt overvraagd, burn-out en discontinuïteit zijn aan de orde van de dag. En dit terwijl de zorgverzekeraars het beschikbare macrobudget voor huisartsen, multidisciplinaire zorg en wijkverpleging al twee jaar niet uitgeven. Daarop ingrijpen is stap één voor de nieuwe minister van VWS.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Marktscan eerstelijnszorg 2016: feiten en vragen

Recent verscheen de Marktscan eerstelijnszorg 2016 van de Nederlandse Zorgautoriteit. Wat staat erin? Wat is een marktscan? En wat hebben we eraan? De Eerstelijns analyseert.

Op de website van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) staat: ‘De NZa monitort en analyseert de zorgmarkten. De gegevens resulteren in monitors en marktscans’. Sinds 2006 heeft de NZA 107 monitors of marktscans opgesteld. Deze hebben allemaal betrekking op de zorgverleningsmarkt, de zorgverzekeringsmarkt en de zorginkoopmarkt.

De marktscans gaan soms over een deelsector, soms over een thema, zoals acute zorg, kwetsbare ouderen, transities eerstelijnszorg, eigen risico of zelfstandige behandelcentra. Over de eerstelijnszorg zijn de afgelopen vijftien jaar verschillende scans gemaakt. Dat betrof fysiotherapie/beweegzorg, huisartsenzorg, mondzorg, extramurale farmacie, geboortezorg en wijkverpleegkundige zorg.

Hoe de keuze voor het maken van een marktscan wordt gemaakt, is onduidelijk. Ook over de opzet, verantwoording en samenhang met bijvoorbeeld VWS-beleid of IGZ-thema’s is geen openbare informatie te vinden. In reactie op vragen van de Eerstelijns laat de NZa weten: ‘Het is één van de wettelijke taken van de NZa om de ontwikkelingen in de diverse zorgsectoren te monitoren en daarover te rapporteren aan de minister van VWS. Met onderzoek naar onder andere marktgedrag, zorgkosten, wachttijden, de controle op zorgnota’s en de verhoudingen tussen de spelers in de zorg, krijgen we zicht op mogelijke risico’s voor de betaalbaarheid en de toegankelijkheid van de gezondheidszorg in Nederland. Voor verzekerden en patiënten, nu en in de toekomst. Deze scans bieden dan ook handvatten voor beleidswijzigingen of adviezen aan de minister van VWS.’

In de eerste periode (2006–2010) na invoering van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) lag de nadruk op het functioneren van het systeem. Later was er ook aandacht voor specifieke thema’s en zorgsoorten. Hoewel er wel een verband lijkt te zijn tussen de marktscans en het beleid van VWS, is dit niet onomstotelijk vast te stellen. Wel lijkt er verband te bestaan tussen signalen/maatschappelijke onrust en het uitvoeren van marktscans.

Marktscan eerstelijnszorg 2016

In de Marktscan eerstelijnszorg 2016 wordt gerapporteerd over huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg, wijkverpleging, farmacie, mondzorg, paramedische zorg, geboortezorg en generalistische basis GGZ. Dit lijkt een vrij volledige opsomming. De scan geeft als titel 2016, maar beschrijft de periode 2012 tot 2015. De cijfers worden niet altijd eenduidig toegepast, wat het beeld soms vertroebelt. Download het artikel voor de inhoudelijke analyse.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier: