Cliëntenraden in de eerstelijnszorg

Regelmatig krijgt Gietema Wevers notarissen de vraag of organisaties in de eerstelijnszorg verplicht zijn tot instelling van een cliëntenraad. Deze vraag is helaas niet met een eenvoudig ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden. Het wetsvoorstel Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 maakt het er niet eenvoudiger op. Notarissen Oskar Gietema en Linda Koeslag-Meijer geven enkele handvatten voor de praktijk.

De cliëntenraad is geregeld in de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz). Op grond van de Wmcz zijn instellingen in de zin van de Wet toelating zorginstellingen (WTZi) verplicht tot instelling van een cliëntenraad. In de eerste lijn is de WTZi onder meer van toepassing op huisartsenpraktijken, verloskundigenpraktijken, tandartsenpraktijken, paramedische praktijken, huisartsenposten en gezondheidscentra. Hiermee zijn die organisaties naar de letter van de wet verplicht tot instelling van een cliëntenraad.

Standpunt NZa

In de praktijk zien wij dat eerstelijnszorgorganisaties meestal geen formele cliëntenraad hebben ingesteld en dat zij hiertoe ook niet worden verplicht door toezichthoudende instanties, zoals de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De NZa stelt zich in meerdere openbare fusiebesluiten in het kader van de zorgspecifieke concentratietoets bij fusies tussen eerstelijnszorgorganisaties op het standpunt dat onder meer instellingen voor huisartsenzorg, verloskundige zorg, kraamzorg, mondzorg, paramedische zorg en farmaceutische zorg, niet verplicht zijn om een cliëntenraad te hebben. Dit standpunt is gebaseerd op de wetsgeschiedenis van de Wmcz.

Nieuwe koers

Op 20 december 2017 is echter het wetsvoorstel ‘Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018’ ingediend bij de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel stelt een cliëntenraad ook verplicht voor de meeste eerstelijnszorgorganisaties, ongeacht de rechtsvorm. Iedere rechtspersoon, organisatorisch verband en natuurlijke persoon die bedrijfsmatig zorg verleent of doet verlenen als bedoeld bij of krachtens de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), én waar in de regel meer dan tien natuurlijke personen zorg verlenen, is op grond van het wetsvoorstel verplicht om een cliëntenraad te hebben (met de mogelijkheid om uitzonderingen vast te stellen). Hiermee lijkt de wetgever een andere koers te willen gaan varen.

Auteur: Linda Koeslag-Meijer, Oskar Gietema (Gietema Wevers Notarissen)

Download het volledige artikel hier:

Complexiteit zet Nederlands zorgsysteem onder druk

In het Nederlandse zorgsysteem hangt alles met alles samen. Wie heeft nog het overzicht? En hoe houdbaar is het zorgsysteem op langere termijn? De Eerstelijns legt de vinger op de zere plek in de discussion paper ‘Complexiteitsreductie als oplossing voor duurzame zorg in Nederland’. Lees de samenvatting of download de volledige paper en discussieer mee op LinkedIn.

Verschillende ontwikkelingen ondermijnen de houdbaarheid van ons zorgsysteem. Allereerst de toename van het aantal chronisch zieken in combinatie met de vergrijzende samenleving en mensen die veelal nog uitgaan van het paradigma verzorgingsstaat. Hierdoor nemen zij te weinig verantwoordelijkheid voor hun eigen gezondheid, om te beginnen door gezond gedrag. Mede als gevolg hiervan wordt veel aandacht besteed aan de medische oplossing van problemen en veel minder aan het voorkomen van ziekte. Ook het gezondheidssysteem gaat nog te veel uit van zorgprofessionals en -organisaties in plaats van verantwoordelijke burgers en patiënten.

Problemen erkennen

Maar bovenal is de wijze waarop de zorg is georganiseerd te complex geworden. Hierdoor is het voor deskundigen al nauwelijks te overzien, laat staan voor burgers, patiënten, mantelzorgers en zorgaanbieders. Dit ondermijnt het vertrouwen en de solidariteit. Als hier niets aan verandert, is het wachten op een zogenaamde perfect storm: het moment waarop alle mogelijke negatieve factoren bij elkaar komen. Door te erkennen dat er problemen zijn en een start te maken met oplossingen, kan een deel van de risico’s worden beperkt, voorkomen of geaccepteerd als een verantwoorde maatschappelijke keuze.

Het grootste probleem

De effecten van de decentralisaties in 2015 zullen de komende jaren nog merkbaar zijn. Het zal de nodige aandacht vragen om de kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van zorg en ondersteuning te borgen. De beleidsvrijheid van gemeenten versus de gedetailleerde aanspraken in de Zorgverzekeringswet (Zvw) en Wet langdurige zorg (Wlz) zorgen voor afstemmingsproblemen die kwetsbare groepen (kunnen) treffen. De complexiteit van bekostiging, taal, domeinafbakening, transitieprocessen, ICT en het aantal betrokken partijen vormt wellicht het grootste probleem in ons huidige zorg- en sociale systeem. Het leidt tot verspilling en demotivatie van zorgprofessionals en tot onduidelijkheid en frustratie bij zorggebruikers. Terwijl plezier in het werk juist de zorgsector aantrekkelijk moet maken in een tijd waar personeel schaars wordt.

Paradigmashift

De groeiende welvaart, voortschrijdende kennis en techniek heeft er bovendien toe geleid dat ziekte en ouderdom door delen van de bevolking als onwenselijk worden gezien. Het is tijd voor een andere, positieve benadering van ouderdom en ziekte. Als de gezondheidszorg onvoldoende antwoord geeft op de veranderende zorgvraag ontstaat er maatschappelijke onrust en een verdere tweedeling tussen rijk en arm, gezondheidsvaardigen en niet gezondheidsvaardigen. Voortzetting van een paradigmashift van zorg naar gezondheid is noodzakelijk.

Lees de uitgebreide analyse en aanbevelingen:

– Artikel ‘Complexiteit zet Nederlands zorgsysteem onder druk’

– Discussion paper ‘Complexiteitsreductie als oplossing voor duurzame zorg in Nederland’

Discussieer mee op LinkedIn.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

 

Download het volledige paper hier:

 

Jolande Sap en Thomas Plochg, Federatie voor Gezondheid: “Preventie moet lonend worden”

Van nazorg naar voorzorg. Dat is de missie van de NPHF Federatie voor Gezondheid, een publiek-private netwerkorganisatie van 65 bedrijven en instellingen. Het voorkomen van gezondheidsproblemen vraagt een aanpassing van het huidige zorgsysteem. Preventie moet lonend worden, betogen voorzitter Jolande Sap en directeur Thomas Plochg. Een brede lobby samen met de SER en GGD Nederland resulteerde in een eerste succes: het Preventieakkoord staat op de politieke agenda.

“Dit wordt het jaar van de waarheid”, zegt Jolande Sap, “met het Preventieakkoord kunnen we echt stappen gaan zetten. Er is een beweging gaande en vanuit de Federatie zetten we ons in om die op te schalen, te versnellen en te borgen.” Dat gebeurt door het ontwikkelen van een breed gedragen visie met de leden en andere partijen, door het delen van kennis, het ontwikkelen van instrumenten en het naar de praktijk brengen daarvan. “We zijn actief betrokken bij de ontwikkeling van het Preventieakkoord. Zowel de Federatie als de individuele leden nemen deel aan de werkconferenties van staatssecretaris Blok en we faciliteren het proces en de inhoud.”

Vitaliteitscontract

Met het gezond houden van burgers kun je geen geld verdienen. Initiatieven gericht op preventie lopen daarop vast en dat moet veranderen, vinden Plochg en Sap. Ze pleiten daarom voor opname van het door de NPHF ontwikkelde ‘vitaliteitscontract’ in het Preventieakkoord. Een vitaliteitscontract is een abonnement dat burgers toegang geeft tot professionele ondersteuning bij gezond en vitaal blijven. Het idee is dat werkgevers, gemeenten of andere collectieven afspraken maken met de aanbieders van ‘gezondheidsdiensten’ in de breedste zin van het woord. Werknemers, inwoners of leden kunnen vervolgens een abonnement nemen op dat ‘vitaliteitspakket’. Plochg vergelijkt het met Spotify: “Dat geeft je tegen een klein bedrag per maand toegang tot een enorme muziekbibliotheek. Het vitaliteitscontract geeft je op dezelfde manier toegang tot activiteiten en diensten die je helpen gezond te blijven.” Het vitaliteitscontract kan naast de huidige zorgverzekering bestaan.

Halffabricaat

De exacte invulling van het vitaliteitscontract is aan partijen zelf. Aan de basis liggen tien principes die de NPHF formuleerde (zie kader). Sap: “Het is een halffabricaat. Verschillende NPHF-leden zijn ermee aan de slag gegaan en zoeken een invulling die past bij hun organisatie. De zorg- en welzijnsorganisaties die deelnemen in Peel Duurzaam Gezond willen bijvoorbeeld een vitaliteitscontract ontwikkelen voor hun werknemers. En autobedrijf PON is met zorgverzekeraar ONVZ aan het kijken of zij het vitaliteitsbeleid met de principes van het vitaliteitscontract handen en voeten kunnen geven.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Is er een toekomst voor hoofdlijnenakkoorden?

Hoofdlijnenakkoorden zijn inmiddels een bekend fenomeen in het zorgveld. Ook in de eerstelijnszorg. Wat is de status ervan? Wat leveren de akkoorden op? Wat mogen we ervan verwachten? En komen er in de toekomst ook hoofdlijnenakkoorden? De Eerstelijns analyseert dit beleidsinstrument.

Het hoofdlijnenakkoord in zijn huidige vorm is ontstaan in de periode 2011–2014 als nasleep van de economische crisis en de periode van laagconjunctuur (2008–2016). Het doel is het beperken van de zorgkosten. Het is een typisch Nederlands polderproduct en er zijn veel partijen bij betrokken: het ministerie van VWS, Zorgverzekeraars Nederland, koepels van zorgaanbieders als NVZ, NFU, FMS, GGZ Nederland, LVVP, NVVP,LHV, InEen, Actiz, V&VN en vaak de Patiëntenfederatie Nederland. Het landelijk gesloten hoofdlijnenakkoord is een best denkbare overeenkomst op basis van een afgewogen positionering en machtsbalans van de betrokken partijen.

Perceptie en interpretatie

Omdat het een landelijk akkoord op hoofdlijnen betreft, is de perceptie en interpretatie van cruciaal belang bij de regionale uitvoering die tot uitdrukking komt in contracten. VWS, patiëntvertegenwoordigers, koepels van zorgaanbieders en zorgverzekeraars hebben verschillende rollen en belangen. Dat kan leiden tot verschillende interpretaties van de uiteindelijke tekst van een akkoord. Bijvoorbeeld over de totale beschikbare financiële ruimte voor een sector. Dat hoofdlijnenakkoorden zich uitstrekken over meerdere jaren waarin economische of maatschappelijke veranderingen en wet/regelgeving de besluiten en het gedrag van partijen beïnvloeden, maakt het er niet makkelijker op.

Zorginkoop en hoofdlijnenakkoorden

Er is een duidelijke relatie tussen het hoofdlijnenakkoord en zorginkoop. Het inzicht neemt toe dat zorginkoop fundamenteel anders moet. De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) merkt in haar advies ‘Zorgrelatie centraal’ (oktober 2017) op dat ‘veel zorginkoop eigenlijk bestaat uit het uitvoeren van beleidsregels van de NZa, het invulling geven aan wensen van de minister of het naleven van bestuurlijke hoofdlijnenakkoorden. Het principe van het beheersen van de kosten is dominant’. En dat ‘partijen elkaar gevangenhouden in het paradigma van jaarlijkse beheersing, rechtmatigheid en bestuurlijke hoofdlijnenakkoorden’. Een concreet advies over de toekomst van hoofdlijnenakkoorden ontbreekt, al is de conclusie over zorginkoop snoeihard: ‘De huidige inkooppraktijk verhoudt zich slecht tot pluriformiteit in zorg & ondersteuning. Inkoop en verkoop heeft via standaardisering en massa-inkoop een homogeniserende werking op het zorgaanbod. Het helpt om praktijkvariatie terug te dringen, maar heeft een negatieve invloed op de pluriformiteit. Met name het verbinden van financiële consequenties aan prestaties ten opzichte van spiegelinformatie kan leiden tot een dictatuur van middelmaat’.

Alternatieven

Een hoofdlijnenakkoord is een vrijwillige overeenkomst. Bij ontevredenheid over de uitkomst en/of uitvoering, kan besloten worden om dit soort overeenkomsten niet langer aan te gaan. Gezien het systeem en de belangen die partijen aan de hoofdlijnenakkoorden hechten, verdient het wellicht de voorkeur om (eerst) in te zetten op procedurele en inhoudelijke verbeteringen. De Eerstelijns doet een voorzet.

Auteur: Jan Erik de Wildt 

Download het volledige artikel hier:

Beleidsadviezen voor een nieuw kabinet

Wat gaat kabinet Rutte 3 doen met de (eerstelijns)gezondheidszorg? Het regeerakkoord zal het uitwijzen, maar als het aan de Eerstelijns ligt, kiest het kabinet voor een aantal logische, samenhangende oplossingen voor de (toekomstige) knelpunten.

De grootste uitdagingen betreffen de ouderenzorg, acute zorg, arbeidsmarkt en substitutie. Hoewel er al enkele stappen zijn gezet, is het niet genoeg. Zeker in de eerstelijnszorg zijn aanvullende maatregelen nodig.

Ouderenzorg

Door decentralisatie zijn oudere en kwetsbare mensen langer thuis. Dit heeft gevolgen voor de inrichting van zorg en welzijn. Door de sociale wijkteams verder te laten integreren en samenwerking met de eerstelijnszorg te intensiveren, kan meer en beter geïntervenieerd worden in een vroeg stadium.

Rutte 3 zet de Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo) voorlopig op dezelfde voet voort. In de eerstelijnszorg en de wijkverpleging betekent dat: aanbesteden op basis van een concessiemodel. Hoewel de individuele vrijheid bij het kiezen van een organisatie beperkt wordt, kan door het verminderen van transacties collectieve efficiencywinst worden geboekt. Ook het aantal transacties in de huisartsenzorg kan omlaag. Met name wanneer er regionale huisartsenorganisaties ontstaan die aanspreekbaar zijn voor alle (24 uurs)zorg. De module Organisatie & Infrastructuur (O&I) biedt hiertoe mogelijkheden, maar de nieuwe minister van VWS moet zorgverzekeraars wel tot actie manen. Tot op heden is er namelijk binnen die module alleen oog voor praktijkmanagement.

Acute zorg

De acute zorg heeft een fundamenteel probleem. De relatief goedkope ANW-zorg van huisartsen heeft een budgetmodel en is gratis toegankelijk, de dure SEH valt onder het eigen risico en heeft een productieprikkel. Dat moet anders. Rutte 3 los dit op, want de acute zorg loopt vast. Een structurele herziening is noodzakelijk.

Arbeidsmarkt

Het feit dat zorgverzekeraars weigeren om prijzen te indexeren terwijl de lonen wel stijgen, zou door de politiek moeten worden verboden. Niet indexeren kost arbeidsplaatsen, terwijl er tekorten ontstaan. De politiek kan marktmeester NZa (Nederlandse Zorgautoriteit) de opdracht geven om een verplichte indexatie op te nemen in de beleidsregels, aangezien er sprake is van marktfalen. Maar er is meer nodig. In alle andere economische sectoren is digitalisering een topprioriteit. In de (eerstelijns)zorg staat eHealth nog in de kinderschoenen. Rutte 3 moet hier beleidsrijk mee aan de slag.

Substitutie

Sinds 2006 is substitutie een onderdeel van het overheidsbeleid. Anno 2018 heeft de substitutie van zorg (deels) plaatsgevonden, maar de budgetten zijn nauwelijks ‘meeverhuisd’. De eerstelijnszorg met de kernfuncties huisartsen en wijkverpleegkundigen wordt volstrekt overvraagd, burn-out en discontinuïteit zijn aan de orde van de dag. En dit terwijl de zorgverzekeraars het beschikbare macrobudget voor huisartsen, multidisciplinaire zorg en wijkverpleging al twee jaar niet uitgeven. Daarop ingrijpen is stap één voor de nieuwe minister van VWS.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Marktscan eerstelijnszorg 2016: feiten en vragen

Recent verscheen de Marktscan eerstelijnszorg 2016 van de Nederlandse Zorgautoriteit. Wat staat erin? Wat is een marktscan? En wat hebben we eraan? De Eerstelijns analyseert.

Op de website van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) staat: ‘De NZa monitort en analyseert de zorgmarkten. De gegevens resulteren in monitors en marktscans’. Sinds 2006 heeft de NZA 107 monitors of marktscans opgesteld. Deze hebben allemaal betrekking op de zorgverleningsmarkt, de zorgverzekeringsmarkt en de zorginkoopmarkt.

De marktscans gaan soms over een deelsector, soms over een thema, zoals acute zorg, kwetsbare ouderen, transities eerstelijnszorg, eigen risico of zelfstandige behandelcentra. Over de eerstelijnszorg zijn de afgelopen vijftien jaar verschillende scans gemaakt. Dat betrof fysiotherapie/beweegzorg, huisartsenzorg, mondzorg, extramurale farmacie, geboortezorg en wijkverpleegkundige zorg.

Hoe de keuze voor het maken van een marktscan wordt gemaakt, is onduidelijk. Ook over de opzet, verantwoording en samenhang met bijvoorbeeld VWS-beleid of IGZ-thema’s is geen openbare informatie te vinden. In reactie op vragen van de Eerstelijns laat de NZa weten: ‘Het is één van de wettelijke taken van de NZa om de ontwikkelingen in de diverse zorgsectoren te monitoren en daarover te rapporteren aan de minister van VWS. Met onderzoek naar onder andere marktgedrag, zorgkosten, wachttijden, de controle op zorgnota’s en de verhoudingen tussen de spelers in de zorg, krijgen we zicht op mogelijke risico’s voor de betaalbaarheid en de toegankelijkheid van de gezondheidszorg in Nederland. Voor verzekerden en patiënten, nu en in de toekomst. Deze scans bieden dan ook handvatten voor beleidswijzigingen of adviezen aan de minister van VWS.’

In de eerste periode (2006–2010) na invoering van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) lag de nadruk op het functioneren van het systeem. Later was er ook aandacht voor specifieke thema’s en zorgsoorten. Hoewel er wel een verband lijkt te zijn tussen de marktscans en het beleid van VWS, is dit niet onomstotelijk vast te stellen. Wel lijkt er verband te bestaan tussen signalen/maatschappelijke onrust en het uitvoeren van marktscans.

Marktscan eerstelijnszorg 2016

In de Marktscan eerstelijnszorg 2016 wordt gerapporteerd over huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg, wijkverpleging, farmacie, mondzorg, paramedische zorg, geboortezorg en generalistische basis GGZ. Dit lijkt een vrij volledige opsomming. De scan geeft als titel 2016, maar beschrijft de periode 2012 tot 2015. De cijfers worden niet altijd eenduidig toegepast, wat het beeld soms vertroebelt. Download het artikel voor de inhoudelijke analyse.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Kwantitatieve en kwalitatieve aandacht voor druk op acute zorg

De toenemende werkdruk op de huisartsenposten is al geruime tijd bron van discussie. Recent verscheen de Marktscan acute zorg van de Nederlandse Zorgautoriteit, die hierop ingaat. En voor het einde van het jaar zal over dezelfde materie het Kwaliteitskader spoedzorgketen verschijnen, geschreven door elf veldpartijen met het Landelijk Netwerk Acute Zorg als kartrekker. De koppeling van beide documenten – het eerste een kwantitatieve analyse, het tweede een kwalitatieve – schetst de contouren voor de route naar de toekomst.

De Marktscan acute zorg van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is tot stand gekomen naar aanleiding van signalen uit het zorgveld over toenemende druk op de acute zorg. Die druk neemt inderdaad toe, lezen we in de conclusie van de scan. “Tegelijkertijd is het wel belangrijk te constateren dat de patiënt nog steeds acute zorg krijgt als hij die nodig heeft”, zegt vervangend projectleider Dorien Mol van de NZa. “Hij komt altijd ergens in het netwerk terecht. Is de huisarts bijvoorbeeld niet beschikbaar, dan kan de ambulance worden ingezet om te waarborgen dat de patiënt op de juiste plek komt voor zijn acute zorg. Maar in het netwerk voor die acute zorg wordt wel op verschillende momenten druk ervaren. Die druk moet beter worden verdeeld om te waarborgen dat alle partijen in de keten hun eigen stukje van de acute zorg kunnen leveren en de patiënt niet hoeft te worden doorgestuurd. Dat doorsturen gebeurt nu wel en dat leidt tot een ongewenst domino-effect.” In de conclusies en aanbevelingen van de marktscan is daarom de nadruk gelegd op het belang van een goede samenwerking en daarvoor de verspreiding van informatie.

Samen verantwoordelijk

Arold Reusken van LNAZ ziet in het aanpakken van de druk op de acute zorg een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor alle partijen. “We willen gezamenlijk zorgen dat de samenwerking in de keten verder verbetert”, zegt hij, “spoedzorg vraagt om afstemming. Die samenwerking is er nu wel, maar de NZa heeft gelijk met haar stelling dat die beter kan. Voor dit proces is niet één regisseur aan te wijzen, daarvoor zijn er te veel partijen bij betrokken. Juist daarom werken we nu met alle bij de spoedzorg betrokken partijen samen aan het Kwaliteitskader spoedzorgketen, want in de praktijk richt ieder van die partijen zich primair op zijn eigen stukje in de keten, maar het is wel ons aller verantwoordelijkheid dat die stukjes goed op elkaar aansluiten. Het ultieme doel is waarborgen dat de patiënt – ongeacht op welke plaats in de acute zorgketen die zich meldt – snel op de juiste plaats zorg kan ontvangen.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Masterclass Eerstelijns Bestuurders in Venetië

De deelnemers aan de achtste leergang van de Masterclass Eerstelijns Bestuurders brachten deze zomer een bezoek aan Venetië. Ze vergeleken het zorgsysteem in de Italiaanse regio Veneto met dat van Nederland. Wat viel hen op?

In Italië wonen circa 61 miljoen mensen. De zorg is georganiseerd in 20 regio’s. De regio Veneto bestaat uit 4,9 miljoen inwoners en is verdeeld in 26 districten van gemiddeld zo’n 190.000 inwoners. Er is een nationaal zorgsysteem dat grotendeels gefinancierd wordt door nationale en regionale belastingen. De uitgaven aan gezondheidszorg bedragen 8,8 procent van het BNP (Nederland 14 procent in 2016). De zorgaanbieders zijn zowel publiek als privaat.

Eerstelijnszorg

In de eerstelijnszorg zijn de huisartsen veelal zelfstandige ondernemers. Er is een aparte groep huisartsen die 24 uur per dag de spoedzorg organiseert. Huisartsen hebben maximaal 1.500 volwassen patiënten in een normpraktijk en werken circa 35 tot 40 uur per week. De huisartsen hebben een gemiddeld inkomen van € 120.000. Daarnaast mogen ze allerlei nevenfuncties of bijbaantjes hebben.

Er is een stimuleringsprogramma om tot meer multidisciplinaire centra te komen, die 12 uur per dag open zijn.  In de centra probeert men de huisartsen meer te betrekken bij het bestuur en probeert men hen verantwoordelijk te maken voor doelmatig voorschrijfgedrag en verwijzingen. Er is een bekostiging op basis van vaste, variabele en resultaatbeloning.

Een vergelijking

De zorgkosten in Italië zijn lager dan die in Nederland. De spoedzorg is voor huisartsen in Italië niet verplicht en er zijn huisartsen die alleen maar spoedzorg leveren. Ook in Nederland zullen we keuzes moeten maken: wat doen we als huisarts nog wel en wat niet. De praktijken in Italië zijn een stuk kleiner. Om de toenemende zorgvraag aan te kunnen, zien we ook in Nederland de trend dat praktijken steeds kleiner worden. Opvallend verschil is dat de zorg in Italië centraal wordt aangestuurd door autonome regio’s. De bureaucratie is zoals genoemd berucht, maar heeft ook voordelen. Zo is er bijvoorbeeld voor één ICT-systeem gekozen.

De vergrijzing is net als in Nederland de grootste uitdaging voor de komende jaren. In Italië focussen de regio’s zich op kwetsbare ouderen. Om de zorg rondom kwetsbare ouderen te organiseren zijn regionaal gelden beschikbaar. In Nederland komt dit maar moeizaam van de grond. Hiervan kunnen we leren dat als je regionaal een infrastructuur wilt opbouwen, goede aansturing noodzakelijk is. Wij zien hier een taak voor de zorggroepen om dit samen met de ziekenhuizen en zorgverzekeraars te organiseren.

De eerste lijn in Italië heeft veelal dezelfde problematiek als die in Nederland. Het is leerzaam dat er soms (vanuit historie gegroeid) in Italië een andere sterke organisatie in de regio is. Dit heeft zijn voor- en nadelen.

Auteurs: René Bijkerk, Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Tijdelijk hoofdlijnenakkoord blijft beleidstaal

De besluitvorming heeft bij het in druk gaan van deze Eerstelijns net plaatsgevonden en onze voorspelling is dat partijen instemmen met het Hoofdlijnenakkoord 2018. Wat gaat er veranderen? De Eerstelijns analyseert.

Het grootste verschil tussen het akkoord uit 2013 en dat voor 2018 zit in de alinea’s over mensen die langer thuis wonen. Waar er in 2013 nog geen beeld was van de effecten daarvan, worden ouderen met een complexe zorgvraag, GGZ-problematiek, overbelasting van achterstandswijken en ANW-zorg nu expliciet genoemd. In 2013 kwamen de woorden gemeente en sociaal domein niet voor in de hoofdtekst. Nu wordt de verbinding gelegd. Dat geldt ook voor een multidisciplinaire benadering. Toch is er bij het nieuwe hoofdlijnenakkoord voor gekozen om alleen de huisartsen te betrekken: vertegenwoordigers van wijkverpleging of farmacie ontbreken bij de ondertekenaars. Terwijl juist gebleken is dat afstemming tussen de domeinen en sectoren nodig is. Wie houdt nu de regie over de samenhang?

Substitutie

Substitutie staat in 2018 niet meer op de eerste plaats. In de ouderenzorg en GGZ heeft substitutie al plaatsgevonden. In de curatieve sector is vastgesteld dat de zorgverzekeraars er niet in zijn geslaagd om substitutie te realiseren of te meten. Daarom is gekozen voor een andere aanpak. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) meet het substitutie-effect en het macrobudget (€75 miljoen) wordt vooraf gereserveerd voor substitutie uit ziekenhuizen. Onduidelijk is of er budget is voor andere ambities uit dit hoofdlijnenakkoord, zoals innovatie en Organisatie & Infrastructuur.

eHealth

De eHealth-ambities van de partijen in het hoofdlijnenakkoord zijn helaas laag. Dat was zo in 2013 en is onveranderd in 2018. Terwijl daar de sleutel ligt tot het ‘empoweren’ van de burger en het aanvullen of vervangen van reguliere zorg met digitale zorg.

Conclusie

Het hoofdlijnenakkoord blijft beleidstaal. Afgezien van de financiële kaders en het macrobeheersinstrument, die blijven er keihard in staan. Het is logisch dat deze landelijke lijn van afgelopen jaren wordt doorgetrokken, al zal de dynamiek op het thema ouderenzorg in regio’s moeten ontstaan door coalitions of the willing.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:
[/av_font

Het formularium nieuwe stijl

Een oud fenomeen in een nieuw jasje. In Groningen (1991) en Nijmegen bestond het formularium al jaren. Door apothekers, huisartsen en medisch specialisten bedacht om de medicatie te standaardiseren. Maar er zijn ook moderne varianten. De Eerstelijns analyseert.

De eerste golf formularia is opgekomen door initiatieven van zorgaanbieders: apothekers, huisartsen en medisch specialisten. Soms zelfs – toen al – in afstemming met patiëntenorganisaties. De belangrijkste redenen waren kwaliteitsverbetering, therapietrouw en transmurale standaardisatie. Doelmatigheid was een bijkomend voordeel.

Kwaliteit versus kosten

Inmiddels is er een nieuwe golf van formularia. Hoewel kwaliteit nog steeds in de doelstellingen staat, is kostenbeheersing vaak het belangrijkste geworden. De medicatie in een formularium wordt niet langer uitgekozen op basis van kwaliteitsvraagstukken, maar op basis van kosten. gaat het niet meer (alleen) om het molecuul, maar ook om het device, zoals de inhalator of insulinepen. En dat roept wel wat vragen en reacties op.

Kanttekeningen

Het Longfonds is geen voorstander van de nieuwe benadering . Zij vindt dat het zou moeten gaan om de optimale match tussen mens, ziekte, medicatie en device. In combinatie met een goede diagnose en regelmatige, eenduidige inhalatie-instructie. Het Longfonds constateert echter dat er formularia ontstaan die beïnvloed worden door zorgverzekeraars op basis van de prijs. De zorgaanbieders – apotheek, huisartsen en medisch specialisten – ontwikkelen een formularium en op basis daarvan organiseert de zorgverzekeraar een aanbesteding. De farmaceut met de laagste prijs wint en hun middel komt in het formularium te staan voor een bepaalde periode. Hoewel er meestal bepaald is dat bestaande patiënten niet worden overgezet en het formularium alleen van toepassing is op nieuwe patiënten, wordt in de praktijk door zorgverzekeraars ruim de mogelijkheid ingebouwd om ook bestaande patiënten zoveel mogelijk in te passen in het formularium.

De individuele patiënt wordt met financiële voordelen verleid om hierin mee te gaan. Door het overstappen naar een ander middel, neemt de kans op therapie-ontrouw en praktische problemen met het gebruik toe. Hierdoor kan de controle over de ziekte verminderen, constateert het Longfonds. En het vergroot de kans op longproblemen die elders in de zorgketen tot veel hogere kosten kunnen leiden, zoals een exacerbatie. Huisartsen zijn over het algemeen niet blij met een formularium dat de autonomie van het voorschrijven beperkt.

Formularia kunnen bijdragen aan beter op elkaar afgestemde zorg aan patiëntengroepen in een bepaalde regio. Oriëntatie op kwaliteit lijkt voor een breed gedragen toepassing van formularia de beste benadering. Kostenbesparing kan een resultante zijn van uniforme toepassing van het formularium. Essentieel hierbij is dat zorgverleners aan het roer staan.

Auteur: Xana van Jaarsveld (Longfonds) en Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier: