Beleidsadviezen voor een nieuw kabinet

Wat gaat kabinet Rutte 3 doen met de (eerstelijns)gezondheidszorg? Het regeerakkoord zal het uitwijzen, maar als het aan de Eerstelijns ligt, kiest het kabinet voor een aantal logische, samenhangende oplossingen voor de (toekomstige) knelpunten.

De grootste uitdagingen betreffen de ouderenzorg, acute zorg, arbeidsmarkt en substitutie. Hoewel er al enkele stappen zijn gezet, is het niet genoeg. Zeker in de eerstelijnszorg zijn aanvullende maatregelen nodig.

Ouderenzorg

Door decentralisatie zijn oudere en kwetsbare mensen langer thuis. Dit heeft gevolgen voor de inrichting van zorg en welzijn. Door de sociale wijkteams verder te laten integreren en samenwerking met de eerstelijnszorg te intensiveren, kan meer en beter geïntervenieerd worden in een vroeg stadium.

Rutte 3 zet de Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo) voorlopig op dezelfde voet voort. In de eerstelijnszorg en de wijkverpleging betekent dat: aanbesteden op basis van een concessiemodel. Hoewel de individuele vrijheid bij het kiezen van een organisatie beperkt wordt, kan door het verminderen van transacties collectieve efficiencywinst worden geboekt. Ook het aantal transacties in de huisartsenzorg kan omlaag. Met name wanneer er regionale huisartsenorganisaties ontstaan die aanspreekbaar zijn voor alle (24 uurs)zorg. De module Organisatie & Infrastructuur (O&I) biedt hiertoe mogelijkheden, maar de nieuwe minister van VWS moet zorgverzekeraars wel tot actie manen. Tot op heden is er namelijk binnen die module alleen oog voor praktijkmanagement.

Acute zorg

De acute zorg heeft een fundamenteel probleem. De relatief goedkope ANW-zorg van huisartsen heeft een budgetmodel en is gratis toegankelijk, de dure SEH valt onder het eigen risico en heeft een productieprikkel. Dat moet anders. Rutte 3 los dit op, want de acute zorg loopt vast. Een structurele herziening is noodzakelijk.

Arbeidsmarkt

Het feit dat zorgverzekeraars weigeren om prijzen te indexeren terwijl de lonen wel stijgen, zou door de politiek moeten worden verboden. Niet indexeren kost arbeidsplaatsen, terwijl er tekorten ontstaan. De politiek kan marktmeester NZa (Nederlandse Zorgautoriteit) de opdracht geven om een verplichte indexatie op te nemen in de beleidsregels, aangezien er sprake is van marktfalen. Maar er is meer nodig. In alle andere economische sectoren is digitalisering een topprioriteit. In de (eerstelijns)zorg staat eHealth nog in de kinderschoenen. Rutte 3 moet hier beleidsrijk mee aan de slag.

Substitutie

Sinds 2006 is substitutie een onderdeel van het overheidsbeleid. Anno 2018 heeft de substitutie van zorg (deels) plaatsgevonden, maar de budgetten zijn nauwelijks ‘meeverhuisd’. De eerstelijnszorg met de kernfuncties huisartsen en wijkverpleegkundigen wordt volstrekt overvraagd, burn-out en discontinuïteit zijn aan de orde van de dag. En dit terwijl de zorgverzekeraars het beschikbare macrobudget voor huisartsen, multidisciplinaire zorg en wijkverpleging al twee jaar niet uitgeven. Daarop ingrijpen is stap één voor de nieuwe minister van VWS.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Marktscan eerstelijnszorg 2016: feiten en vragen

Recent verscheen de Marktscan eerstelijnszorg 2016 van de Nederlandse Zorgautoriteit. Wat staat erin? Wat is een marktscan? En wat hebben we eraan? De Eerstelijns analyseert.

Op de website van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) staat: ‘De NZa monitort en analyseert de zorgmarkten. De gegevens resulteren in monitors en marktscans’. Sinds 2006 heeft de NZA 107 monitors of marktscans opgesteld. Deze hebben allemaal betrekking op de zorgverleningsmarkt, de zorgverzekeringsmarkt en de zorginkoopmarkt.

De marktscans gaan soms over een deelsector, soms over een thema, zoals acute zorg, kwetsbare ouderen, transities eerstelijnszorg, eigen risico of zelfstandige behandelcentra. Over de eerstelijnszorg zijn de afgelopen vijftien jaar verschillende scans gemaakt. Dat betrof fysiotherapie/beweegzorg, huisartsenzorg, mondzorg, extramurale farmacie, geboortezorg en wijkverpleegkundige zorg.

Hoe de keuze voor het maken van een marktscan wordt gemaakt, is onduidelijk. Ook over de opzet, verantwoording en samenhang met bijvoorbeeld VWS-beleid of IGZ-thema’s is geen openbare informatie te vinden. In reactie op vragen van de Eerstelijns laat de NZa weten: ‘Het is één van de wettelijke taken van de NZa om de ontwikkelingen in de diverse zorgsectoren te monitoren en daarover te rapporteren aan de minister van VWS. Met onderzoek naar onder andere marktgedrag, zorgkosten, wachttijden, de controle op zorgnota’s en de verhoudingen tussen de spelers in de zorg, krijgen we zicht op mogelijke risico’s voor de betaalbaarheid en de toegankelijkheid van de gezondheidszorg in Nederland. Voor verzekerden en patiënten, nu en in de toekomst. Deze scans bieden dan ook handvatten voor beleidswijzigingen of adviezen aan de minister van VWS.’

In de eerste periode (2006–2010) na invoering van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) lag de nadruk op het functioneren van het systeem. Later was er ook aandacht voor specifieke thema’s en zorgsoorten. Hoewel er wel een verband lijkt te zijn tussen de marktscans en het beleid van VWS, is dit niet onomstotelijk vast te stellen. Wel lijkt er verband te bestaan tussen signalen/maatschappelijke onrust en het uitvoeren van marktscans.

Marktscan eerstelijnszorg 2016

In de Marktscan eerstelijnszorg 2016 wordt gerapporteerd over huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg, wijkverpleging, farmacie, mondzorg, paramedische zorg, geboortezorg en generalistische basis GGZ. Dit lijkt een vrij volledige opsomming. De scan geeft als titel 2016, maar beschrijft de periode 2012 tot 2015. De cijfers worden niet altijd eenduidig toegepast, wat het beeld soms vertroebelt. Download het artikel voor de inhoudelijke analyse.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Kwantitatieve en kwalitatieve aandacht voor druk op acute zorg

De toenemende werkdruk op de huisartsenposten is al geruime tijd bron van discussie. Recent verscheen de Marktscan acute zorg van de Nederlandse Zorgautoriteit, die hierop ingaat. En voor het einde van het jaar zal over dezelfde materie het Kwaliteitskader spoedzorgketen verschijnen, geschreven door elf veldpartijen met het Landelijk Netwerk Acute Zorg als kartrekker. De koppeling van beide documenten – het eerste een kwantitatieve analyse, het tweede een kwalitatieve – schetst de contouren voor de route naar de toekomst.

De Marktscan acute zorg van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is tot stand gekomen naar aanleiding van signalen uit het zorgveld over toenemende druk op de acute zorg. Die druk neemt inderdaad toe, lezen we in de conclusie van de scan. “Tegelijkertijd is het wel belangrijk te constateren dat de patiënt nog steeds acute zorg krijgt als hij die nodig heeft”, zegt vervangend projectleider Dorien Mol van de NZa. “Hij komt altijd ergens in het netwerk terecht. Is de huisarts bijvoorbeeld niet beschikbaar, dan kan de ambulance worden ingezet om te waarborgen dat de patiënt op de juiste plek komt voor zijn acute zorg. Maar in het netwerk voor die acute zorg wordt wel op verschillende momenten druk ervaren. Die druk moet beter worden verdeeld om te waarborgen dat alle partijen in de keten hun eigen stukje van de acute zorg kunnen leveren en de patiënt niet hoeft te worden doorgestuurd. Dat doorsturen gebeurt nu wel en dat leidt tot een ongewenst domino-effect.” In de conclusies en aanbevelingen van de marktscan is daarom de nadruk gelegd op het belang van een goede samenwerking en daarvoor de verspreiding van informatie.

Samen verantwoordelijk

Arold Reusken van LNAZ ziet in het aanpakken van de druk op de acute zorg een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor alle partijen. “We willen gezamenlijk zorgen dat de samenwerking in de keten verder verbetert”, zegt hij, “spoedzorg vraagt om afstemming. Die samenwerking is er nu wel, maar de NZa heeft gelijk met haar stelling dat die beter kan. Voor dit proces is niet één regisseur aan te wijzen, daarvoor zijn er te veel partijen bij betrokken. Juist daarom werken we nu met alle bij de spoedzorg betrokken partijen samen aan het Kwaliteitskader spoedzorgketen, want in de praktijk richt ieder van die partijen zich primair op zijn eigen stukje in de keten, maar het is wel ons aller verantwoordelijkheid dat die stukjes goed op elkaar aansluiten. Het ultieme doel is waarborgen dat de patiënt – ongeacht op welke plaats in de acute zorgketen die zich meldt – snel op de juiste plaats zorg kan ontvangen.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Masterclass Eerstelijns Bestuurders in Venetië

De deelnemers aan de achtste leergang van de Masterclass Eerstelijns Bestuurders brachten deze zomer een bezoek aan Venetië. Ze vergeleken het zorgsysteem in de Italiaanse regio Veneto met dat van Nederland. Wat viel hen op?

In Italië wonen circa 61 miljoen mensen. De zorg is georganiseerd in 20 regio’s. De regio Veneto bestaat uit 4,9 miljoen inwoners en is verdeeld in 26 districten van gemiddeld zo’n 190.000 inwoners. Er is een nationaal zorgsysteem dat grotendeels gefinancierd wordt door nationale en regionale belastingen. De uitgaven aan gezondheidszorg bedragen 8,8 procent van het BNP (Nederland 14 procent in 2016). De zorgaanbieders zijn zowel publiek als privaat.

Eerstelijnszorg

In de eerstelijnszorg zijn de huisartsen veelal zelfstandige ondernemers. Er is een aparte groep huisartsen die 24 uur per dag de spoedzorg organiseert. Huisartsen hebben maximaal 1.500 volwassen patiënten in een normpraktijk en werken circa 35 tot 40 uur per week. De huisartsen hebben een gemiddeld inkomen van € 120.000. Daarnaast mogen ze allerlei nevenfuncties of bijbaantjes hebben.

Er is een stimuleringsprogramma om tot meer multidisciplinaire centra te komen, die 12 uur per dag open zijn.  In de centra probeert men de huisartsen meer te betrekken bij het bestuur en probeert men hen verantwoordelijk te maken voor doelmatig voorschrijfgedrag en verwijzingen. Er is een bekostiging op basis van vaste, variabele en resultaatbeloning.

Een vergelijking

De zorgkosten in Italië zijn lager dan die in Nederland. De spoedzorg is voor huisartsen in Italië niet verplicht en er zijn huisartsen die alleen maar spoedzorg leveren. Ook in Nederland zullen we keuzes moeten maken: wat doen we als huisarts nog wel en wat niet. De praktijken in Italië zijn een stuk kleiner. Om de toenemende zorgvraag aan te kunnen, zien we ook in Nederland de trend dat praktijken steeds kleiner worden. Opvallend verschil is dat de zorg in Italië centraal wordt aangestuurd door autonome regio’s. De bureaucratie is zoals genoemd berucht, maar heeft ook voordelen. Zo is er bijvoorbeeld voor één ICT-systeem gekozen.

De vergrijzing is net als in Nederland de grootste uitdaging voor de komende jaren. In Italië focussen de regio’s zich op kwetsbare ouderen. Om de zorg rondom kwetsbare ouderen te organiseren zijn regionaal gelden beschikbaar. In Nederland komt dit maar moeizaam van de grond. Hiervan kunnen we leren dat als je regionaal een infrastructuur wilt opbouwen, goede aansturing noodzakelijk is. Wij zien hier een taak voor de zorggroepen om dit samen met de ziekenhuizen en zorgverzekeraars te organiseren.

De eerste lijn in Italië heeft veelal dezelfde problematiek als die in Nederland. Het is leerzaam dat er soms (vanuit historie gegroeid) in Italië een andere sterke organisatie in de regio is. Dit heeft zijn voor- en nadelen.

Auteurs: René Bijkerk, Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Tijdelijk hoofdlijnenakkoord blijft beleidstaal

De besluitvorming heeft bij het in druk gaan van deze Eerstelijns net plaatsgevonden en onze voorspelling is dat partijen instemmen met het Hoofdlijnenakkoord 2018. Wat gaat er veranderen? De Eerstelijns analyseert.

Het grootste verschil tussen het akkoord uit 2013 en dat voor 2018 zit in de alinea’s over mensen die langer thuis wonen. Waar er in 2013 nog geen beeld was van de effecten daarvan, worden ouderen met een complexe zorgvraag, GGZ-problematiek, overbelasting van achterstandswijken en ANW-zorg nu expliciet genoemd. In 2013 kwamen de woorden gemeente en sociaal domein niet voor in de hoofdtekst. Nu wordt de verbinding gelegd. Dat geldt ook voor een multidisciplinaire benadering. Toch is er bij het nieuwe hoofdlijnenakkoord voor gekozen om alleen de huisartsen te betrekken: vertegenwoordigers van wijkverpleging of farmacie ontbreken bij de ondertekenaars. Terwijl juist gebleken is dat afstemming tussen de domeinen en sectoren nodig is. Wie houdt nu de regie over de samenhang?

Substitutie

Substitutie staat in 2018 niet meer op de eerste plaats. In de ouderenzorg en GGZ heeft substitutie al plaatsgevonden. In de curatieve sector is vastgesteld dat de zorgverzekeraars er niet in zijn geslaagd om substitutie te realiseren of te meten. Daarom is gekozen voor een andere aanpak. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) meet het substitutie-effect en het macrobudget (€75 miljoen) wordt vooraf gereserveerd voor substitutie uit ziekenhuizen. Onduidelijk is of er budget is voor andere ambities uit dit hoofdlijnenakkoord, zoals innovatie en Organisatie & Infrastructuur.

eHealth

De eHealth-ambities van de partijen in het hoofdlijnenakkoord zijn helaas laag. Dat was zo in 2013 en is onveranderd in 2018. Terwijl daar de sleutel ligt tot het ‘empoweren’ van de burger en het aanvullen of vervangen van reguliere zorg met digitale zorg.

Conclusie

Het hoofdlijnenakkoord blijft beleidstaal. Afgezien van de financiële kaders en het macrobeheersinstrument, die blijven er keihard in staan. Het is logisch dat deze landelijke lijn van afgelopen jaren wordt doorgetrokken, al zal de dynamiek op het thema ouderenzorg in regio’s moeten ontstaan door coalitions of the willing.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:
[/av_font

Het formularium nieuwe stijl

Een oud fenomeen in een nieuw jasje. In Groningen (1991) en Nijmegen bestond het formularium al jaren. Door apothekers, huisartsen en medisch specialisten bedacht om de medicatie te standaardiseren. Maar er zijn ook moderne varianten. De Eerstelijns analyseert.

De eerste golf formularia is opgekomen door initiatieven van zorgaanbieders: apothekers, huisartsen en medisch specialisten. Soms zelfs – toen al – in afstemming met patiëntenorganisaties. De belangrijkste redenen waren kwaliteitsverbetering, therapietrouw en transmurale standaardisatie. Doelmatigheid was een bijkomend voordeel.

Kwaliteit versus kosten

Inmiddels is er een nieuwe golf van formularia. Hoewel kwaliteit nog steeds in de doelstellingen staat, is kostenbeheersing vaak het belangrijkste geworden. De medicatie in een formularium wordt niet langer uitgekozen op basis van kwaliteitsvraagstukken, maar op basis van kosten. gaat het niet meer (alleen) om het molecuul, maar ook om het device, zoals de inhalator of insulinepen. En dat roept wel wat vragen en reacties op.

Kanttekeningen

Het Longfonds is geen voorstander van de nieuwe benadering . Zij vindt dat het zou moeten gaan om de optimale match tussen mens, ziekte, medicatie en device. In combinatie met een goede diagnose en regelmatige, eenduidige inhalatie-instructie. Het Longfonds constateert echter dat er formularia ontstaan die beïnvloed worden door zorgverzekeraars op basis van de prijs. De zorgaanbieders – apotheek, huisartsen en medisch specialisten – ontwikkelen een formularium en op basis daarvan organiseert de zorgverzekeraar een aanbesteding. De farmaceut met de laagste prijs wint en hun middel komt in het formularium te staan voor een bepaalde periode. Hoewel er meestal bepaald is dat bestaande patiënten niet worden overgezet en het formularium alleen van toepassing is op nieuwe patiënten, wordt in de praktijk door zorgverzekeraars ruim de mogelijkheid ingebouwd om ook bestaande patiënten zoveel mogelijk in te passen in het formularium.

De individuele patiënt wordt met financiële voordelen verleid om hierin mee te gaan. Door het overstappen naar een ander middel, neemt de kans op therapie-ontrouw en praktische problemen met het gebruik toe. Hierdoor kan de controle over de ziekte verminderen, constateert het Longfonds. En het vergroot de kans op longproblemen die elders in de zorgketen tot veel hogere kosten kunnen leiden, zoals een exacerbatie. Huisartsen zijn over het algemeen niet blij met een formularium dat de autonomie van het voorschrijven beperkt.

Formularia kunnen bijdragen aan beter op elkaar afgestemde zorg aan patiëntengroepen in een bepaalde regio. Oriëntatie op kwaliteit lijkt voor een breed gedragen toepassing van formularia de beste benadering. Kostenbesparing kan een resultante zijn van uniforme toepassing van het formularium. Essentieel hierbij is dat zorgverleners aan het roer staan.

Auteur: Xana van Jaarsveld (Longfonds) en Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Duurzame oplossingen voor de huisartsenpost

De hoge werkdruk op de huisartsenposten is geen probleem van vandaag of gisteren. Wel maken verschillende maatschappelijke ontwikkelingen die samenkomen het probleem actueler dan ooit. Op een drukbezochte ledenvergadering van InEen in maart 2017 bezonnen bestuurders van huisartsenposten zich op strategieën die tot een duurzame oplossing kunnen leiden.

De oorzaken van de toeloop naar de huisartsenpost zijn bekend: de 24-uurseconomie waarin patiënten verwachten dat er de klok rond huisartsenzorg beschikbaar is, de transities in ouderenzorg en GGZ, de veranderingen in de jeugdzorg en de Wmo én de substitutie van de tweede naar de eerste lijn leiden tot meer drukte in de dagzorg, waardoor een overloop ontstaat naar de ANW-uren. De zorgvraag is niet alleen gegroeid, maar ook complexer geworden. De capaciteit van zorgprofessionals houdt echter geen gelijke tred met de toegenomen vraag naar huisartsenzorg. Tijdens de ledenvergadering van InEen passeerden verschillende oplossingen de revue.

Publiekscampagne

Een bewustmakingscampagne die mensen inprent dat de huisartsenpost er slechts is voor spoedgevallen. InEen en LHV zetten zich gezamenlijk in om hiervoor draagvlak te creëren bij het ministerie van VWS en de zorgverzekeraars.

Aanscherpen triage

Is het streven naar maximale veiligheid niet doorgeschoten? Zijn de triagesystemen niet te scherp afgesteld? InEen, NHG (Nederlands Huisartsen Genootschap) en NTS (Nederlandse Triage Standaard) onderzoeken dit.

Toegankelijkheid overdag vergroten

ANW-zorg en dagzorg zijn communicerende vaten: uitbreiding van de toegankelijkheid overdag, langere openingstijden bijvoorbeeld, kan de toeloop naar de post enigszins indammen. De uitwerking op regionaal niveau vraagt maatwerk.

Taakherschikking en -delegatie

Verpleegkundig specialisten, physician assistants en gespecialiseerde GGZ-verpleegkundigen kunnen bijvoorbeeld werk van de huisarts overnemen. En voor het toenemend aantal kwetsbare ouderen is op de huisartsenpost andere deskundigheid nodig, zoals die van een specialist ouderengeneeskunde.

Betere bereikbaarheid ketenpartners

De beschikbaarheid en bereikbaarheid van ketenpartners is onder druk komen te staan. Het is essentieel dat de samenwerking tussen de huisartsenpost en andere partners in de spoedzorg goed geregeld is.

Er komen meer oplossingen voor de werkdruk op de huisartsenpost op tafel, maar vaak zijn die niet van vandaag op morgen te realiseren. “Wij proberen de urgentie ook onder de aandacht te brengen van zorgverzekeraars”, zegt Astrid Scholl van InEen. “De vraag is niet alleen om meer geld beschikbaar te stellen, maar ook om in verband met de regionale verschillen meer flexibiliteit toe te staan in het omgaan met het budget.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Nieuwe Governancecode Zorg ook van belang voor georganiseerde eerste lijn

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Governancecode Zorg van kracht. Deze code vervangt de Zorgbrede Governancecode uit 2010. De Governancecode Zorg geldt als lidmaatschapsverplichting voor leden van de Brancheorganisaties Zorg (BoZ). Organisaties in de eerstelijnszorg zijn daar in de regel geen lid van. Toch is het ook voor bestuurders en commissarissen in de georganiseerde eerstelijnszorg aan te raden om kennis te nemen van de nieuwe code. Waarom? En wat zijn de uitgangspunten van de nieuwe Governancecode Zorg?

Op dit moment bestaat er geen wettelijke verplichting voor zorgorganisaties om de code toe te passen. Governance in de zorgsector heeft echter al een aantal jaren de aandacht van de minister van VWS. In 2013 kondigde de inmiddels demissionair minister Schippers nog een specifiek wetsvoorstel voor Goed bestuur in de zorg aan. Hier heeft zij in 2015 bij brief vanaf gezien, met als kernreden dat ‘good governance’ moeilijk in wet- en regelgeving te vatten is en op gespannen voet kan staan met de eigen verantwoordelijkheid van bestuurders en commissarissen zelf. Zij stelt: ‘Een cultuur van goed bestuur is niet te vatten in afvinklijstjes’.

In diezelfde brief uit 2015 wordt duidelijk dat de Governancecode Zorg zich wat het ministerie betreft niet beperkt tot BoZ-leden: ‘Heel duidelijk wordt de lijn dat de Zorgbrede Governancecode ook voor zorgaanbieders die niet bij de BoZ zijn aangesloten geldt. Hiermee wordt bereikt dat de verplichtingen in de code ook gelden voor zorgaanbieders die geen lid zijn van de BoZ, zoals verschillende groepen aanbieders in de eerstelijnszorg. Dit vereist mogelijk wel een verbreding van de basis voor een dergelijke code.’

Minder regel gedreven

Onder de code uit 2010 was dit standpunt moeilijk voor te stellen, omdat die code behoorlijk regel gedreven was en een raad van commissarissen (in de code: raad van toezicht) bij een zorgorganisatie als vanzelfsprekend leek te zien. Met name bij zorgaanbieders in de eerstelijnszorg is dit lang niet altijd een vanzelfsprekendheid en wordt een raad van commissarissen gelet op de omvang vaak als ‘te zwaar’ ervaren. In de nieuwe Governancecode Zorg is hier goed op ingespeeld, omdat die code minder regel gedreven is, het hebben van een raad van commissarissen niet als uitgangspunt stelt en een aparte paragraaf kent voor kleine organisaties.

Ook vanuit andere hoeken verschijnt de Governancecode steeds meer in de georganiseerde eerstelijnszorg. Lees in het volledige artikel wat de belangrijkste punten zijn uit de Governancecode Zorg.

Auteurs: Oskar Gietema en Linda Koeslag-Meijer, Gietema Wevers notarissen

Download het volledige artikel hier:

Brief aan de informateur: Versterk de eerstelijnszorg!

De Nederlandse gezondheidszorg scoort al jaren in allerlei internationale vergelijkingen onverminderd hoog. De eerstelijnszorg speelt daarbij een essentiële rol. Eerstelijnszorg is zorg die dicht bij de burger wordt verleend, laagdrempelig en toegankelijk en relatief goedkoop vergeleken met tweedelijnszorg (ziekenhuizen, GGZ-instellingen, verpleeghuizen en dergelijke).

De laatste jaren is de verschuiving van zorg naar de eerste lijn in een stroomversnelling gekomen. Steeds meer mensen met één of meer chronische ziekte(n) blijven langer thuis wonen. De extramuralisering van de ouderenzorg en de ambulantisering van de geestelijke gezondheidszorg leiden ertoe dat er steeds vaker een beroep wordt gedaan op de zorg dicht bij huis. De eerste lijn heeft hierop geanticipeerd door geïntegreerde eerstelijnszorg te ontwikkelen voor veelvoorkomende chronische ziekten, speciale programma’s voor kwetsbare ouderen en GGZ-problematiek te maken en zich steeds beter te organiseren.

Een goed functionerende eerste lijn kan er dus voor zorgen dat patiënten meer thuis of in de wijk geholpen kunnen worden en geen onnodig beroep gedaan hoeft te worden op tweedelijnszorg. Maar dan moet er wel geïnvesteerd worden in die eerste lijn! Want al deze verschuivingen zorgen wel voor een steeds voller bord van de huisarts. Wil de eerstelijnszorg de veranderde Nederlandse samenleving goede zorg blijven bieden dan is het zaak nu op een aantal punten door te pakken. Geen stelselherzieningen zoals ook VNO-NCW bepleit in Vooruit met de Zorg, maar het verder stimuleren van ontschotting, innovatie en regionale samenhang. Met een belangrijke rol voor regionale organisaties die eerstelijnsprofessionals ondersteunen en werk uit handen nemen.

De issues in de gezondheidzorg zullen tijdens de formatie niet onbesproken blijven. In een brief aan de informateur geeft Martin Bontje van InEen namens de eerstelijnsorganisaties in Nederland een aantal belangrijke noties mee.

Auteur: Martin Bontje

Download het volledige artikel hier:

“Neem middelen voor preventie op in het regeerakkoord”

Volgens ziekenhuisbestuurder Jos Aartsen is het zaak preventie, vroegsignalering en gebruik van moderne technologie nú prioriteit op de politieke agenda te geven om te voorkomen dat de zorgkosten in de (nabije) toekomst volledig uit de hand lopen. Twee door het RIVM gecoördineerde projecten laten zien dat er op het gebied van preventie vanuit het ministerie van VWS wel degelijk iets gebeurt. Maar ook het RIVM erkent dat er meer kansen zijn voor preventie.

Hoewel ziekenhuisbestuurder Jos Aartsen (UMC Groningen) zijn nieuwjaarstoespraak primair richtte op de professionals die in dit ziekenhuis werken, zat in zijn verhaal een duidelijke boodschap voor de landelijke politiek: maak werk van preventie, vroegsignalering en toepassing van moderne technologie. “In het huidige stelsel bestaat hiervoor veel te weinig aandacht”, zegt hij. “De focus ligt op behandeling in plaats van op het voorkomen dat behandeling nodig is. Ook in de verkiezingsprogramma’s voor de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart zie ik het onderwerp weinig terugkomen. De Volksgezondheid Toekomstvoorspellingen wijzen erop dat we in 2030 acht miljoen chronisch zieken zullen hebben en dat ouderen een kwart van de bevolking zullen uitmaken. Als je naar die cijfers kijkt, is het belang van inzetten op preventie, vroegdetectie en zorg op afstand met gebruikmaking van nieuwe technieken voldoende duidelijk.”

Verder kijken

De kern van het probleem, stelt Aartsen, is dat politieke partijen niet verder kijken dan één regeertermijn. “Hierdoor blijft de focus op het stelsel zoals dat nu is ingericht, maar dat gaat onherroepelijk vastlopen.” Wat moet nu gebeuren? “Feitelijk zijn alle partijen aan zet”, zegt Aartsen. “Het begint natuurlijk bij de minister van VWS, die middelen beschikbaar moet stellen. Voor de zorgverzekeraars is preventie nog geen prioriteit en van de ziekenhuizen kan ik mij de reflex voorstellen van willen behouden wat je hebt. Toch zullen we boven onszelf moeten uitstijgen.”

Beperkt budget

Loes Lanting, waarnemend afdelingshoofd van het RIVM Centrum Gezond Leven: “Aartsen heeft gelijk dat ons stelsel nu vooral is ingericht op het herstellen van schade. In preventie schuilen grote winstkansen. En daar is ook wel oog voor, maar het budget is beperkt, zeker in relatie tot de zorguitgaven.”

Dit neemt niet weg dat binnen dat budget wel stappen worden gezet, benadrukt ze, en hierin speelt het RIVM een belangrijke rol. Twee projecten verdienen bijzondere aandacht: Preventie in de buurt en Preventie in het zorgstelsel.

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier: