Tijdelijk hoofdlijnenakkoord blijft beleidstaal

De besluitvorming heeft bij het in druk gaan van deze Eerstelijns net plaatsgevonden en onze voorspelling is dat partijen instemmen met het Hoofdlijnenakkoord 2018. Wat gaat er veranderen? De Eerstelijns analyseert.

Het grootste verschil tussen het akkoord uit 2013 en dat voor 2018 zit in de alinea’s over mensen die langer thuis wonen. Waar er in 2013 nog geen beeld was van de effecten daarvan, worden ouderen met een complexe zorgvraag, GGZ-problematiek, overbelasting van achterstandswijken en ANW-zorg nu expliciet genoemd. In 2013 kwamen de woorden gemeente en sociaal domein niet voor in de hoofdtekst. Nu wordt de verbinding gelegd. Dat geldt ook voor een multidisciplinaire benadering. Toch is er bij het nieuwe hoofdlijnenakkoord voor gekozen om alleen de huisartsen te betrekken: vertegenwoordigers van wijkverpleging of farmacie ontbreken bij de ondertekenaars. Terwijl juist gebleken is dat afstemming tussen de domeinen en sectoren nodig is. Wie houdt nu de regie over de samenhang?

Substitutie

Substitutie staat in 2018 niet meer op de eerste plaats. In de ouderenzorg en GGZ heeft substitutie al plaatsgevonden. In de curatieve sector is vastgesteld dat de zorgverzekeraars er niet in zijn geslaagd om substitutie te realiseren of te meten. Daarom is gekozen voor een andere aanpak. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) meet het substitutie-effect en het macrobudget (€75 miljoen) wordt vooraf gereserveerd voor substitutie uit ziekenhuizen. Onduidelijk is of er budget is voor andere ambities uit dit hoofdlijnenakkoord, zoals innovatie en Organisatie & Infrastructuur.

eHealth

De eHealth-ambities van de partijen in het hoofdlijnenakkoord zijn helaas laag. Dat was zo in 2013 en is onveranderd in 2018. Terwijl daar de sleutel ligt tot het ‘empoweren’ van de burger en het aanvullen of vervangen van reguliere zorg met digitale zorg.

Conclusie

Het hoofdlijnenakkoord blijft beleidstaal. Afgezien van de financiële kaders en het macrobeheersinstrument, die blijven er keihard in staan. Het is logisch dat deze landelijke lijn van afgelopen jaren wordt doorgetrokken, al zal de dynamiek op het thema ouderenzorg in regio’s moeten ontstaan door coalitions of the willing.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:
[/av_font

Het formularium nieuwe stijl

Een oud fenomeen in een nieuw jasje. In Groningen (1991) en Nijmegen bestond het formularium al jaren. Door apothekers, huisartsen en medisch specialisten bedacht om de medicatie te standaardiseren. Maar er zijn ook moderne varianten. De Eerstelijns analyseert.

De eerste golf formularia is opgekomen door initiatieven van zorgaanbieders: apothekers, huisartsen en medisch specialisten. Soms zelfs – toen al – in afstemming met patiëntenorganisaties. De belangrijkste redenen waren kwaliteitsverbetering, therapietrouw en transmurale standaardisatie. Doelmatigheid was een bijkomend voordeel.

Kwaliteit versus kosten

Inmiddels is er een nieuwe golf van formularia. Hoewel kwaliteit nog steeds in de doelstellingen staat, is kostenbeheersing vaak het belangrijkste geworden. De medicatie in een formularium wordt niet langer uitgekozen op basis van kwaliteitsvraagstukken, maar op basis van kosten. gaat het niet meer (alleen) om het molecuul, maar ook om het device, zoals de inhalator of insulinepen. En dat roept wel wat vragen en reacties op.

Kanttekeningen

Het Longfonds is geen voorstander van de nieuwe benadering . Zij vindt dat het zou moeten gaan om de optimale match tussen mens, ziekte, medicatie en device. In combinatie met een goede diagnose en regelmatige, eenduidige inhalatie-instructie. Het Longfonds constateert echter dat er formularia ontstaan die beïnvloed worden door zorgverzekeraars op basis van de prijs. De zorgaanbieders – apotheek, huisartsen en medisch specialisten – ontwikkelen een formularium en op basis daarvan organiseert de zorgverzekeraar een aanbesteding. De farmaceut met de laagste prijs wint en hun middel komt in het formularium te staan voor een bepaalde periode. Hoewel er meestal bepaald is dat bestaande patiënten niet worden overgezet en het formularium alleen van toepassing is op nieuwe patiënten, wordt in de praktijk door zorgverzekeraars ruim de mogelijkheid ingebouwd om ook bestaande patiënten zoveel mogelijk in te passen in het formularium.

De individuele patiënt wordt met financiële voordelen verleid om hierin mee te gaan. Door het overstappen naar een ander middel, neemt de kans op therapie-ontrouw en praktische problemen met het gebruik toe. Hierdoor kan de controle over de ziekte verminderen, constateert het Longfonds. En het vergroot de kans op longproblemen die elders in de zorgketen tot veel hogere kosten kunnen leiden, zoals een exacerbatie. Huisartsen zijn over het algemeen niet blij met een formularium dat de autonomie van het voorschrijven beperkt.

Formularia kunnen bijdragen aan beter op elkaar afgestemde zorg aan patiëntengroepen in een bepaalde regio. Oriëntatie op kwaliteit lijkt voor een breed gedragen toepassing van formularia de beste benadering. Kostenbesparing kan een resultante zijn van uniforme toepassing van het formularium. Essentieel hierbij is dat zorgverleners aan het roer staan.

Auteur: Xana van Jaarsveld (Longfonds) en Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Duurzame oplossingen voor de huisartsenpost

De hoge werkdruk op de huisartsenposten is geen probleem van vandaag of gisteren. Wel maken verschillende maatschappelijke ontwikkelingen die samenkomen het probleem actueler dan ooit. Op een drukbezochte ledenvergadering van InEen in maart 2017 bezonnen bestuurders van huisartsenposten zich op strategieën die tot een duurzame oplossing kunnen leiden.

De oorzaken van de toeloop naar de huisartsenpost zijn bekend: de 24-uurseconomie waarin patiënten verwachten dat er de klok rond huisartsenzorg beschikbaar is, de transities in ouderenzorg en GGZ, de veranderingen in de jeugdzorg en de Wmo én de substitutie van de tweede naar de eerste lijn leiden tot meer drukte in de dagzorg, waardoor een overloop ontstaat naar de ANW-uren. De zorgvraag is niet alleen gegroeid, maar ook complexer geworden. De capaciteit van zorgprofessionals houdt echter geen gelijke tred met de toegenomen vraag naar huisartsenzorg. Tijdens de ledenvergadering van InEen passeerden verschillende oplossingen de revue.

Publiekscampagne

Een bewustmakingscampagne die mensen inprent dat de huisartsenpost er slechts is voor spoedgevallen. InEen en LHV zetten zich gezamenlijk in om hiervoor draagvlak te creëren bij het ministerie van VWS en de zorgverzekeraars.

Aanscherpen triage

Is het streven naar maximale veiligheid niet doorgeschoten? Zijn de triagesystemen niet te scherp afgesteld? InEen, NHG (Nederlands Huisartsen Genootschap) en NTS (Nederlandse Triage Standaard) onderzoeken dit.

Toegankelijkheid overdag vergroten

ANW-zorg en dagzorg zijn communicerende vaten: uitbreiding van de toegankelijkheid overdag, langere openingstijden bijvoorbeeld, kan de toeloop naar de post enigszins indammen. De uitwerking op regionaal niveau vraagt maatwerk.

Taakherschikking en -delegatie

Verpleegkundig specialisten, physician assistants en gespecialiseerde GGZ-verpleegkundigen kunnen bijvoorbeeld werk van de huisarts overnemen. En voor het toenemend aantal kwetsbare ouderen is op de huisartsenpost andere deskundigheid nodig, zoals die van een specialist ouderengeneeskunde.

Betere bereikbaarheid ketenpartners

De beschikbaarheid en bereikbaarheid van ketenpartners is onder druk komen te staan. Het is essentieel dat de samenwerking tussen de huisartsenpost en andere partners in de spoedzorg goed geregeld is.

Er komen meer oplossingen voor de werkdruk op de huisartsenpost op tafel, maar vaak zijn die niet van vandaag op morgen te realiseren. “Wij proberen de urgentie ook onder de aandacht te brengen van zorgverzekeraars”, zegt Astrid Scholl van InEen. “De vraag is niet alleen om meer geld beschikbaar te stellen, maar ook om in verband met de regionale verschillen meer flexibiliteit toe te staan in het omgaan met het budget.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Nieuwe Governancecode Zorg ook van belang voor georganiseerde eerste lijn

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Governancecode Zorg van kracht. Deze code vervangt de Zorgbrede Governancecode uit 2010. De Governancecode Zorg geldt als lidmaatschapsverplichting voor leden van de Brancheorganisaties Zorg (BoZ). Organisaties in de eerstelijnszorg zijn daar in de regel geen lid van. Toch is het ook voor bestuurders en commissarissen in de georganiseerde eerstelijnszorg aan te raden om kennis te nemen van de nieuwe code. Waarom? En wat zijn de uitgangspunten van de nieuwe Governancecode Zorg?

Op dit moment bestaat er geen wettelijke verplichting voor zorgorganisaties om de code toe te passen. Governance in de zorgsector heeft echter al een aantal jaren de aandacht van de minister van VWS. In 2013 kondigde de inmiddels demissionair minister Schippers nog een specifiek wetsvoorstel voor Goed bestuur in de zorg aan. Hier heeft zij in 2015 bij brief vanaf gezien, met als kernreden dat ‘good governance’ moeilijk in wet- en regelgeving te vatten is en op gespannen voet kan staan met de eigen verantwoordelijkheid van bestuurders en commissarissen zelf. Zij stelt: ‘Een cultuur van goed bestuur is niet te vatten in afvinklijstjes’.

In diezelfde brief uit 2015 wordt duidelijk dat de Governancecode Zorg zich wat het ministerie betreft niet beperkt tot BoZ-leden: ‘Heel duidelijk wordt de lijn dat de Zorgbrede Governancecode ook voor zorgaanbieders die niet bij de BoZ zijn aangesloten geldt. Hiermee wordt bereikt dat de verplichtingen in de code ook gelden voor zorgaanbieders die geen lid zijn van de BoZ, zoals verschillende groepen aanbieders in de eerstelijnszorg. Dit vereist mogelijk wel een verbreding van de basis voor een dergelijke code.’

Minder regel gedreven

Onder de code uit 2010 was dit standpunt moeilijk voor te stellen, omdat die code behoorlijk regel gedreven was en een raad van commissarissen (in de code: raad van toezicht) bij een zorgorganisatie als vanzelfsprekend leek te zien. Met name bij zorgaanbieders in de eerstelijnszorg is dit lang niet altijd een vanzelfsprekendheid en wordt een raad van commissarissen gelet op de omvang vaak als ‘te zwaar’ ervaren. In de nieuwe Governancecode Zorg is hier goed op ingespeeld, omdat die code minder regel gedreven is, het hebben van een raad van commissarissen niet als uitgangspunt stelt en een aparte paragraaf kent voor kleine organisaties.

Ook vanuit andere hoeken verschijnt de Governancecode steeds meer in de georganiseerde eerstelijnszorg. Lees in het volledige artikel wat de belangrijkste punten zijn uit de Governancecode Zorg.

Auteurs: Oskar Gietema en Linda Koeslag-Meijer, Gietema Wevers notarissen

Download het volledige artikel hier:

Brief aan de informateur: Versterk de eerstelijnszorg!

De Nederlandse gezondheidszorg scoort al jaren in allerlei internationale vergelijkingen onverminderd hoog. De eerstelijnszorg speelt daarbij een essentiële rol. Eerstelijnszorg is zorg die dicht bij de burger wordt verleend, laagdrempelig en toegankelijk en relatief goedkoop vergeleken met tweedelijnszorg (ziekenhuizen, GGZ-instellingen, verpleeghuizen en dergelijke).

De laatste jaren is de verschuiving van zorg naar de eerste lijn in een stroomversnelling gekomen. Steeds meer mensen met één of meer chronische ziekte(n) blijven langer thuis wonen. De extramuralisering van de ouderenzorg en de ambulantisering van de geestelijke gezondheidszorg leiden ertoe dat er steeds vaker een beroep wordt gedaan op de zorg dicht bij huis. De eerste lijn heeft hierop geanticipeerd door geïntegreerde eerstelijnszorg te ontwikkelen voor veelvoorkomende chronische ziekten, speciale programma’s voor kwetsbare ouderen en GGZ-problematiek te maken en zich steeds beter te organiseren.

Een goed functionerende eerste lijn kan er dus voor zorgen dat patiënten meer thuis of in de wijk geholpen kunnen worden en geen onnodig beroep gedaan hoeft te worden op tweedelijnszorg. Maar dan moet er wel geïnvesteerd worden in die eerste lijn! Want al deze verschuivingen zorgen wel voor een steeds voller bord van de huisarts. Wil de eerstelijnszorg de veranderde Nederlandse samenleving goede zorg blijven bieden dan is het zaak nu op een aantal punten door te pakken. Geen stelselherzieningen zoals ook VNO-NCW bepleit in Vooruit met de Zorg, maar het verder stimuleren van ontschotting, innovatie en regionale samenhang. Met een belangrijke rol voor regionale organisaties die eerstelijnsprofessionals ondersteunen en werk uit handen nemen.

De issues in de gezondheidzorg zullen tijdens de formatie niet onbesproken blijven. In een brief aan de informateur geeft Martin Bontje van InEen namens de eerstelijnsorganisaties in Nederland een aantal belangrijke noties mee.

Auteur: Martin Bontje

Download het volledige artikel hier:

“Neem middelen voor preventie op in het regeerakkoord”

Volgens ziekenhuisbestuurder Jos Aartsen is het zaak preventie, vroegsignalering en gebruik van moderne technologie nú prioriteit op de politieke agenda te geven om te voorkomen dat de zorgkosten in de (nabije) toekomst volledig uit de hand lopen. Twee door het RIVM gecoördineerde projecten laten zien dat er op het gebied van preventie vanuit het ministerie van VWS wel degelijk iets gebeurt. Maar ook het RIVM erkent dat er meer kansen zijn voor preventie.

Hoewel ziekenhuisbestuurder Jos Aartsen (UMC Groningen) zijn nieuwjaarstoespraak primair richtte op de professionals die in dit ziekenhuis werken, zat in zijn verhaal een duidelijke boodschap voor de landelijke politiek: maak werk van preventie, vroegsignalering en toepassing van moderne technologie. “In het huidige stelsel bestaat hiervoor veel te weinig aandacht”, zegt hij. “De focus ligt op behandeling in plaats van op het voorkomen dat behandeling nodig is. Ook in de verkiezingsprogramma’s voor de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart zie ik het onderwerp weinig terugkomen. De Volksgezondheid Toekomstvoorspellingen wijzen erop dat we in 2030 acht miljoen chronisch zieken zullen hebben en dat ouderen een kwart van de bevolking zullen uitmaken. Als je naar die cijfers kijkt, is het belang van inzetten op preventie, vroegdetectie en zorg op afstand met gebruikmaking van nieuwe technieken voldoende duidelijk.”

Verder kijken

De kern van het probleem, stelt Aartsen, is dat politieke partijen niet verder kijken dan één regeertermijn. “Hierdoor blijft de focus op het stelsel zoals dat nu is ingericht, maar dat gaat onherroepelijk vastlopen.” Wat moet nu gebeuren? “Feitelijk zijn alle partijen aan zet”, zegt Aartsen. “Het begint natuurlijk bij de minister van VWS, die middelen beschikbaar moet stellen. Voor de zorgverzekeraars is preventie nog geen prioriteit en van de ziekenhuizen kan ik mij de reflex voorstellen van willen behouden wat je hebt. Toch zullen we boven onszelf moeten uitstijgen.”

Beperkt budget

Loes Lanting, waarnemend afdelingshoofd van het RIVM Centrum Gezond Leven: “Aartsen heeft gelijk dat ons stelsel nu vooral is ingericht op het herstellen van schade. In preventie schuilen grote winstkansen. En daar is ook wel oog voor, maar het budget is beperkt, zeker in relatie tot de zorguitgaven.”

Dit neemt niet weg dat binnen dat budget wel stappen worden gezet, benadrukt ze, en hierin speelt het RIVM een belangrijke rol. Twee projecten verdienen bijzondere aandacht: Preventie in de buurt en Preventie in het zorgstelsel.

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Bestuurders brengen toekomstvisie verder tijdens Zorggroepencongres 2016

Wat is de toekomst van zorggroepen? Dat was de centrale vraag tijdens het Zorggroepencongres op 8 en 9 december in Maastricht. Bestuurders van zorggroepen en andere stakeholders gingen naar aanleiding van presentaties met elkaar in conclaaf. De conclusie: zorggroepen gaan zich – naast de taken die zij al hebben – bezighouden met GGZ en ouderenzorg.

In 2016 hebben Guy Schulpen en Jan Erik de Wildt hun visie op de toekomst van zorggroepen opgesteld. Mede op basis daarvan is binnen InEen een discussie met de leden gestart. Daarin hebben ook de plannen omtrent de bekostiging van de Organisatie & Infrastructuur (O&I) een plek. Dit congres paste in het proces om de visie verder vorm en inhoud te geven. Daarbij zijn twee actuele, maatschappelijke vraagstukken als basis genomen: GGZ en ouderenzorg. Bij beide vraagstukken waren stelselwijzigingen aan de orde, die effect hadden op de organisatieontwikkeling in de eerstelijnszorg.

GGZ

In de GGZ is een bestuurlijk akkoord gesloten, waarbij door alle betrokken partijen is afgesproken dat dertig procent van alle intramurale bedden gesloten zullen worden, patiënten vaker ambulant behandeld zullen worden en ook patiënten met een ernstige psychiatrische aandoening (EPA) vaker thuis zullen wonen. In alle gevallen betekent dat een extra beroep op de eerstelijnszorg: huisartsen, praktijkondersteuners GGZ en psychologen. Dat dit een verandering van de werkwijze vereist, werd pijnlijk duidelijk gemaakt door Jim van Os, psychiater en coauteur van het boek Goede GGZ.

Ouderenzorg

In de ouderenzorg zijn de effecten mogelijk nog groter. In enkele jaren tijd zijn ca. 160.000 verpleeg- en verzorgingshuisbedden afgebouwd tot ca. 100.000 verpleeghuisbedden. Ofwel een beddenreductie van circa veertig procent. Jos Schols, specialist ouderengeneeskunde, schetste de verandering van tijdperk: van institutionele zorg naar zorg thuis. Een complex speelveld met gemeenten, zorgkantoren, zorgverzekeraars, mantelzorg, zorgprofessionals en – last but not least – patiënten en familie zelf, die op basis van het verleden een totaal ander verwachtingspatroon hebben. Met veel eigen verantwoordelijkheid voor ouderen zelf én een forse toename van die groep.

Organiseren

Hoe organiseer je dit nu vanuit het perspectief van de eerstelijnszorg in zijn algemeenheid en zorggroepen specifiek? In tegenstelling tot de programmatische zorg in somatische cardiovasculaire- of longprogramma’s, zijn GGZ en ouderenzorg netwerkzorg. Met als kenmerk een grillig onvoorspelbaar verloop en wisselende partijen die deelnemen in het netwerk. Wilfrid Opheij beschreef in zijn presentatie de logica van samenwerking in een netwerk, dat gebaseerd is op wederzijdse afhankelijkheid en beïnvloeding. Zorggroepen zijn bij uitstek geschikt om als gemandateerde vertegenwoordigers van de huisartsenpraktijken te participeren in dergelijke netwerken, was de conclusie. Er zijn ook al zorggroepen die hiermee concrete ervaringen hebben. Daarnaast legde Opheij het verband met de reguliere huisartsenzorg. Hij constateerde dat het aspect ‘schaal’ ertoe doet bij het bepalen van de organisatie.

Auteurs: Guy Schulpen en Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Huisartsenpost aan eigen succes ten onder?

De werkdruk van huisartsen op de huisartsenpost (hap) neemt sterk toe. Bestuurders van huisartsenposten en huisartsen zijn bezorgd voor de kwaliteit van zorg, zo bleek tijdens een bijeenkomst georganiseerd door InEen. Maar oplossingen zijn er ook.

Eric Scheppink, algemeen directeur van Onze Huisartsen in de regio Arnhem herkent de problematiek van de toenemende werkdruk op de hap. De file ontstaat al bij de instroom zo merkt hij op. “De manier waarop de zorg in Nederland is georganiseerd en gefinancierd zorgt ervoor dat mensen makkelijk naar huisarts en hap gaan.”

Een deel van de problemen komt volgens Scheppink door de afspraak om te werken volgens de Nederlands Triage Standaard. “Het werkt op basis van ingangsklachten en urgentie waardoor we geneigd zijn op zeker te spelen en patiënten vaker uitnodigen om naar de hap te komen. Ondanks de steeds grotere invloed op dit proces door regie- en telefoonartsen.” Ook eHealth zou een bijdrage kunnen leveren aan het verminderen van de instroom.

Verpleegkundig specialist op huisbezoek

Naast de instroom van patiënten zorgt ook de doorstroom van zorgvragen van de patiënt voor extra druk, zo ervaart Ronald Hendrikse, medisch directeur van Huisartsen Gelderse Vallei in Ede. “Kwam voorheen de patiënt binnen met één medische vraag, nu is de vraag complex. Met als gevolg dat we meer tijd kwijt zijn aan het consult, overleg met ketenpartners en registratie en administratie.”

In zijn regio starten diverse pilots. Zo werkt de hap samen met de spoedeisende hulp (SEH). Mogelijk vervangt de SEH zelfs een nachtdienst. Ook komt er een centralist van de ambulancedienst op de hap om de ritten naar de patiënt onderling beter af te stemmen. De hap werkt met een uitgebreid spreekuur door verpleegkundig specialisten. “We overwegen zelfs om de verpleegkundige specialist visites te laten doen.”

Domeindenken

Immie Boomgaardt, regiomanager van Medrie in de regio Flevoland ziet de problemen van patiënten die na diagnose of behandeling naar huis gaan of worden opgenomen door een zorginstelling: onvoldoende zorgcapaciteit bij acute zorg tijdens de ANW-uren, minder intramurale opnamecapaciteit en nog steeds een overdosis domeindenken bij de partners in de keten, al is een verandering zichtbaar.

“We dreigen aan ons eigen succes ten onder te gaan. Helaas kunnen we de problemen niet oplossen met verlichting in werkdruk of wat extra bedden. Het echte probleem zit in de inrichting van het zorgsysteem. Toch is zij optimistisch. “We moeten beter samenwerken en minder in ons eigen domein blijven hangen. De bekostiging van de zorg is gefragmenteerd en dat stimuleert de ontschotting en de samenwerking niet. Maak daarom regionaal met de (spoed)zorgaanbieders een gemeenschappelijk doel: daar willen we naartoe. Optimaliseer de (acute) zorg met de juiste zorg op de juiste plaats.”

Auteur: Niels van Haarlem

Download het volledige artikel hier:

Anoeska Mosterdijk van InEen over 2016 en 2017

Steeds meer regionale huisartsen- en eerstelijnsorganisaties voelen de noodzaak tot verandering. Ze zijn niet meer alleen gericht op ketenzorg, maar hebben ook oog voor bijvoorbeeld GGZ-patiënten en kwetsbare ouderen. Daarbij ontstaan soms nieuwe organisatie- en samenwerkingsvormen. Anoeska Mosterdijk spreekt onder meer hierover in haar terugblik op 2016 en vooruitblik op het nieuwe jaar.

Belangrijk in 2016 was volgens Mosterdijk onder meer het project Keten Acute Zorg, gericht op meer samenhang en samenwerking in de keten. “Dat is afgerond en heeft nuttige producten opgeleverd. Denk aan aanbevelingen voor betere samenwerking tussen de hap, de acute GGZ en de ambulancezorg. Nu is het zaak dat die producten worden geïmplementeerd. Dat kan ook bijdragen aan het verminderen van de druk op de huisartsenpost.” Daarvoor loopt ook een traject in samenwerking met de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV). Dat moet in 2017 tot concrete resultaten leiden.

Ook het project Organisatie & Infrastructuur moet vermeld worden. “InEen heeft samen met de LHV, zorgverzekeraars en VWS heel hard gewerkt aan de contouren van een nieuwe financiering van lokale en regionale organisatie & infrastructuur. Tegelijkertijd hebben we binnen InEen, met de betrokken ledengroepen, gediscussieerd over de toekomstige rollen van regionale huisartsen- en eerstelijnsorganisaties. Dat bleek heel goed bij elkaar aan te sluiten. De visienotitie die hieruit is voortgekomen, hopen we dit voorjaar vast te kunnen stellen met de leden. Verder werken we de resultaten van het O&I- project nader uit, met als doel introductie per 2018.”

Organisatie- en samenwerkingsvormen

Samen met de ROS’en startte InEen vorig jaar het onderzoek ‘Regio in Beeld’. In maart 2017 moet zijn geïnventariseerd wat er in de regio gebeurt qua organisatie en samenwerkingsverbanden. Wat is wel en niet succesvol gebleken en waarom? Wat zijn goede voorbeelden voor organisaties die ook nieuwe samenwerkingsverbanden willen aangaan? Maar InEen ziet nu al een aantal ontwikkelingen. Mosterdijk: “Regionale huisartsen- en eerstelijnsorganisaties zijn veelal opgericht om de ketenzorg bij diabetes en andere chronische aandoeningen vorm te geven. Maar inmiddels zien we dat ze in toenemende mate ook andere activiteiten oppakken. Denk aan het ondersteunen van zorgverleners met ICT-diensten, administratie, scholing en kwaliteitsbeleid. Deze ondersteuning geeft ruimte in de zorgpraktijk en daardoor meer tijd voor de patiënt. Maar denk ook aan het organiseren van zorg rondom kwetsbare groepen, zoals ouderen, GGZ-patiënten en jeugd, en het versterken van de driehoek huisartsenzorg, wijkverpleging, sociaal domein. Dit vergt samenwerking met partijen die specifieke expertise in huis hebben en met lokale organisaties zoals gezondheidscentra en wijknetwerken. Dit zal naar verwachting leiden tot andere samenwerkingsmodellen en netwerkstructuren. Hier zullen we de komende tijd veel aandacht aan besteden.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Verkiezingsprogramma’s over de (eerstelijns)zorg

PVV, VVD, CDA, SP, D66, GroenLinks, 50PLUS en PvdA zijn volgens de peilingen van december 2016 na de verkiezingen in maart de grootste partijen. Wat zijn hun plannen voor de zorg? De Eerstelijns analyseert de paragraaf (gezondheids)zorg uit de verkiezingsprogramma’s, met specifieke aandacht voor de eerstelijnszorg.

Bij het lezen van de verkiezingsprogramma’s van de PVV, VVD, CDA, SP, D66, GroenLinks, 50PLUS en PvdA valt op dat er grote verschillen zijn in stijl en benadering. De meeste woorden besteedt D66 aan de paragraaf zorg of gezondheid (5466), de minste de PVV (16). Bij de beoordeling is daarom telkens een gewogen gemiddelde gebruikt.

Algemeen

Het zorgstelstel aanpassen en omvormen tot een Nationaal ZorgFonds. Dat is de wens van de SP, GroenLinks en 50PLUS. Het CDA, PvdA en PVV geven aan het zorgstelsel op onderdelen te willen veranderen. De VVD wil het stelsel behouden en D66 wil het stelsel verbeteren. Ook als het gaat om het eigen risico is de inzet verdeeld. PVV, PvdA, SP, GroenLinks en 50PLUS willen het afschaffen. De VVD en D66 willen het behouden en het CDA wil het bedrag verlagen.

Aandachtspunten per partij

Elk van deze acht partijen besteedt aandacht aan de zorg. Per partij wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste kenmerken op basis van door De Eerstelijns opgestelde criteria. Het gaat daarbij om de omvang van de zorgparagraaf in relatie tot het gehele verkiezingsprogramma én om het aantal keren dat de volgende woorden, begrippen of synoniemen hiervan worden gebruikt in het programma: eerstelijnszorg, wijkverpleegkundige, huisarts, paramedici, psycholoog, apotheek of gezondheidscentra.

Daarnaast is beoordeeld of er beleid is op het gebied van:

  • substitutie, anderhalvelijnszorg
  • Positieve Gezondheid
  • eHealth/innovatie
  • mantelzorg/informele zorg
  • preventie

En tot slot is beoordeeld wat het standpunt is ten aanzien van de ziekenhuissector en medisch-specialistische zorg. De uitkomst van de optelsom van deze aspecten leest u in dit artikel.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier: