Regionalisering gaat individuele huisarts ontzorgen

De Landelijke Huisartsen Vereniging, het Nederlands Huisartsen Genootschap en InEen hebben een gedeelde visie op het belang van regionalisering in de eerstelijnsgezondheidszorg en de rol van de huisarts hierin. De drie directeuren hebben tijdens een gezamenlijke studiereis al mooie voorbeelden gezien, maar zeggen ook dat er nog veel moet gebeuren.

In discussies over de eerstelijnszorg is regionalisering een buzzword. Waarom is het juist nú zo actueel? InEen-directeur Anoeska Mosterdijk: “De ontwikkelingen in de zorg – denk aan vergrijzing, het toenemend aantal chronisch zieken en ouderen en de arbeidsmarktproblematiek – vragen om meer samenwerking op regionaal niveau. Dat is de kern van het Hoofdlijnenakkoord huisartsenzorg 2019-2022. De eerste lijn kan een wezenlijke bijdrage leveren aan de juiste zorg op de juiste plek.”

NHG-directeur Rob Dijkstra: “Als praktijkhouder ben je ook ICT’er en HR-manager. Het wordt onmogelijk om alle taken die met praktijkvoering samenhangen, op individuele basis te blijven doen als je ook nog aan de patiëntenzorg wilt toekomen.”

LHV-directeur Paul van Rooij: “Daar komt nog iets anders bij. De zorg is ingewikkeld en huisartsen hebben het enorm druk gekregen. Als je daarin verandering wilt brengen, moet je niet blijven doen wat je altijd al deed. Dan moet je juist als zorgaanbieders beter gaan samenwerken en ondersteuning zoeken op die onderdelen waarop dat mogelijk is.”

Rol huisarts

Tot samenwerking komen, betekent dat er iemand moet zijn die het voortouw neemt om partijen bij elkaar te brengen. Mosterdijk: “Wij zijn blij te zien dat in verschillende regio’s de huisartsen hiertoe het voortouw nemen en vanuit een gezamenlijke visie samenwerking vormgeven. Met elkaar én met belangrijke stakeholders in de omgeving. De huisarts heeft te maken met een groot speelveld. Hij of zij werkt samen met de aanbieders in de wijkverpleging en het sociaal domein en hij verwijst naar het ziekenhuis en de ggz.”

Versnipperd landschap

Ze vervolgt: “Er is nu een te versnipperd eerstelijnslandschap, waardoor grote organisaties in de regio – zoals gemeenten, ziekenhuizen en wijkverpleging – niet goed weten hoe ze met de huisartsen in contact moeten komen en tot afspraken kunnen komen. Met een sterke regionale organisatie komt daar verandering in.”

Dijkstra: “En hoewel ook wij natuurlijk vaak horen dat huisartsen vinden dat er toch al zoveel op ze afkomt, zijn wij juist van mening dat regionalisering de individuele huisarts gaat ontzorgen. Ik hoef maar naar mijn vorige praktijk te kijken: voorheen twee huisartsen en drie fte ondersteuning, nu al twaalf mensen. Dan kun je niet meer huisarts én praktijkmanager zijn. De huisarts moet meer tijd aan patiëntenzorg kunnen besteden.”

Auteur: Frank van Wijck

Download hier het hele artikel

De zorgvrijstelling onder druk

Op 21 december 2018 is nieuw beleid gepubliceerd rondom enkele subjectieve vrijstellingen in de vennootschapsbelasting. Ook de zogeheten zorgvrijstelling komt aan bod. In het besluit zorgvrijstelling vennootschapsbelasting is een aantal nieuwe beleidsstandpunten opgenomen, zijn bepaalde punten verduidelijkt en termen geactualiseerd. Kennispartner BDO licht de veranderingen toe.

Een zorginstelling kan een beroep doen op de vrijstelling voor de vennootschapsbelasting wanneer voldaan wordt aan twee voorwaarden die nader worden uitgewerkt in het besluit:

  • De werkzaamhedeneis, die bepaalt dat minimaal 90 procent zorgactiviteiten moet worden verricht.
  • De winstbestemmingseis, die voorwaarden stelt aan de aanwending van winsten.

Werkzaamhedeneis

De zorgvrijstelling is slechts van toepassing indien minimaal 90 procent kwalificerende zorgwerkzaamheden worden uitgevoerd. De vraag in de praktijk is veelal wat onder deze ‘zorgwerkzaamheden’ valt. In het besluit wordt een algemeen toetsingskader gegeven. Aangegeven wordt dat er geen sluitende definitie te geven is van het begrip ‘genezen, verplegen en verzorgen’ zoals gehanteerd binnen de zorgvrijstelling. In het besluit wordt aangeven dat een belangrijk uitgangspunt is dat sprake is van een vorm van zorg waarvan de vergoeding voortvloeit uit collectief gefinancierde zorg (Wmo, Wlz, Zvw, Wpg).

In het vorige beleidsbesluit werd aangegeven dat de activiteiten van een gezondheidscentrum en een huisartsendienstenstructuur veelal als kwalificerend kunnen worden aangemerkt. Dit is vervallen. Reden hiervan is dat er volgens de staatssecretaris in toenemende mate sprake is van multidisciplinaire gezondheidscentra waarin een breed scala aan zorgverleners met elkaar samenwerken. Om deze reden kan volgens de staatssecretaris niet in zijn algemeenheid worden gezegd welke activiteiten kwalificeren.

De activiteiten van eerstelijnsinstellingen moeten getoetst worden aan de algemene kaders die blijken uit de wet en uit het besluit. Doordat het besluit op diverse punten geen uitsluitsel geeft en er ook enkele tegenstrijdigheden lijken te staan, verwachten wij dat er discussies met de Belastingdienst kunnen ontstaan over de kwalificatie van diverse werkzaamheden van eerstelijnsorganisaties en samenwerkingsverbanden.

Winstbestedingseis

Voor de winstbestedingseis is van belang dat behaalde winsten, kortgezegd, besteed dienen te worden aan de zorg. Eerstelijnszorgorganisaties, veelal gestructureerd via BV’s en/of coöperaties, voldeden aan dit vereiste door statutair te bepalen dat winsten van de vrijgestelde BV weer ten gunste komen aan de zorg en niet kunnen worden uitgekeerd aan de aandeelhouders. Volgens de staatssecretaris is hiermee echter onvoldoende gewaarborgd dat de winst van deze BV’s uitsluitend binnen de zorg blijven. In het besluit is opgenomen dat het mogelijk is om de zorgvrijstelling bij een BV toe te passen, hierbij worden echter aanvullende voorwaarden gesteld.

Auteur: BDO

Download hier het artikel.

Nationaal Preventieakkoord: van nazorg naar voorzorg

Het is er: het Nationaal Preventieakkoord. Meer dan 70 partijen uit zorg, onderwijs, bedrijfsleven en maatschappij zetten eind november 2018 hun handtekening. Samen zorgen voor een gezonder Nederland in 2040, dat is de ambitie.

Jaarlijks sterven 35.000 Nederlanders door roken, overgewicht of probleemdrinken. Samen vormen ze de grootste oorzaak van ziekte in Nederland. Het kost de staat 9 miljard euro aan zorguitgaven. Zullen we in 2040 kunnen zeggen: ´De ambities in het akkoord zijn gehaald!¨? De Eerstelijns spreekt met vier betrokken partijen.

Quickscan

Matthijs van den Berg is Hoofd Centrum voeding en preventie bij het RIVM. Hij vertelt: “Gelijktijdig met de ondertekening van het akkoord hebben we een quickscan uitgebracht over de mogelijke impact per thema. De quickscan wijst uit dat de doelstellingen met het huidige pakket aan maatregelen niet gehaald worden. Het invoeren van een suikertax is bijvoorbeeld geen onderdeel van het akkoord. En de maatregelen voor overmatig alcoholgebruik lijken niet afdoende. Op het gebied van prijs, beschikbaarheid en regulering zijn er aanvullende maatregelen beschikbaar, maar deze zijn geen onderdeel van het akkoord. Maatregelen als campagnes, onderzoek en handhaving staan er wel in, maar bij elkaar opgeteld, geeft dit een bescheiden effect.”

Beweging

Thomas Plochg is directeur van de NPHF Federatie voor Gezondheid, een publiek-private netwerkorganisatie die zich hard maakt voor de beweging van nazorg naar voorzorg. “En die beweging komt er nu het Preventieakkoord getekend is”, zegt Plochg. Het is een markeringspunt. We hebben politieke aandacht en er wordt iets mee gedaan. Pure winst. Uiteraard, het is een eerste stap in een visie die breed gedragen moet worden.”

Nu dus nog de uitvoering. “Dat is dé uitdaging waar we voor staan”, vervolgt Plochg. “Door te monitoren en terugkoppeling naar de Klankbordgroep, kunnen we meekijken en ondersteunen.”

Integrale aanpak

Namens InEen, de LHV en het NHG heeft André Louwen het Preventieakkoord getekend. De huisartsenorganisaties zijn met name vooraf betrokken geweest bij de ‘rooktafel’. Gesproken is over streefpercentages in de huisartsenzorg. Uiteindelijk zijn deze er niet ingekomen, tot tevredenheid van de huisartsenorganisaties. André Louwen: “Rokersgedrag wordt door een veelheid aan invloeden bepaald. Het is lastig een gefundeerd streefpercentage te bepalen.” Ook is er gepleit voor vrijstelling van het eigen risico voor rookstopmedicatie. Louwen is blij, dat de zorgverzekeraars daarmee ingestemd hebben. Dat pogingen tot stoppen met roken herhaald moeten worden, is eveneens in het akkoord verwerkt. En voor een betere ondersteuning van huisartsen in het geven van advies over het stoppen met roken, is een bedrag ter beschikking gesteld.

Sociaal domein

Pharos was als expert betrokken bij de ‘rooktafel’ en die van ‘overgewicht’. Directeur Patricia Heijdenrijk: “We wilden het akkoord voor alle bevolkingsgroepen laten werken. Dat is gelukt. Belangrijk voor onze doelgroep is dat er lokaal afspraken worden gemaakt. Het akkoord daagt gemeenten uit om niet alleen naar lifestyle en medische omstandigheden te kijken, maar samen met zorgverleners te komen tot maatregelen die de oorzaken van chronische stress verminderen. Het akkoord versterkt de samenwerking tussen de eerste lijn en het sociale domein. Daar zijn we heel blij mee.”

Auteur: Betty Rombout

Download hier het artikel.

Wetsvoorstel: cliëntenraad bij meer dan 25 zorgverleners

Een cliëntenraad voor eerstelijnsorganisaties met meer dan 25 zorgverleners. Misschien wordt dit wettelijk verplicht in 2019. Waarop moeten bijvoorbeeld huisartsenposten, kraamzorginstellingen en grote fysiotherapiepraktijken bedacht zijn?

Eerstelijnsorganisaties zijn tot dusver in de praktijk niet verplicht een cliëntenraad in te stellen. Geheel in de tijdgeest van ‘meer patiëntbetrokkenheid en transparantie’ wil minister Bruno Bruins voor Medische Zorg en Sport dit veranderen. In november 2018 wist de bewindvoerder in de Tweede Kamer een meerderheid te vinden voor een wet die de positie van cliëntenraden moet verstevigen en van grotere eerstelijnsorganisaties eist dat ze zo’n orgaan opzetten. De naam: de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) 2018. Nieuw aan de al bestaande wetsnaam is de toevoeging ‘2018’.

Senatoren aan zet

“De belangrijkste wijziging voor eerstelijnsorganisaties is dat ze over een cliëntenraad moeten beschikken als er meer dan 25 zorgverleners werkzaam zijn. Baliemedewerkers worden bijvoorbeeld niet meegeteld.” Dat zegt mr. Linda Koeslag-Meijer. Zij is kandidaat-notaris bij De Eerstelijns partner Gietema Wevers notarissen. “Maar de wet wordt pas van kracht als er ook een meerderheid voor is in de Eerste Kamer.”

Vooralsnog is het ongewis of meer dan de helft van de senatoren voorstander is. Sterker, in theorie is het in het uiterste geval mogelijk dat de door de minister voorgestelde wet niet ter stemming wordt voorgelegd aan de Eerste Kamer. Koeslag-Meijer: “De Eerste Kamercommissie voor VWS verricht nu voorbereidend onderzoek naar de wet. Op 15 januari is er voor het eerst over vergaderd. In de komende periode wordt duidelijk wat het vervolg is. Zijn er bijvoorbeeld wijzigingen gewenst?”

Vraagtekens

Tijdens de plenaire vergadering op 20 november plaatsten sommige leden van de Tweede Kamer al vraagtekens bij onder meer thema’s waarover cliëntenraden advies- en soms ook instemmingsrecht zouden krijgen, zoals begrotingen, jaarrekeningen, wijzigingen van doelstellingen en voorstellen tot fusies.

Koeslag-Meijer: “Je kunt je afvragen of cliënten niet liever willen meepraten over onderwerpen als bereikbaarheid en rolstoeltoegankelijkheid. Daar komt bij dat cliëntenraden van eerstelijnsorganisaties de wettelijke plicht zouden krijgen om vragen en behoeften van cliënten te inventariseren en hen vervolgens ook te informeren over de uitkomsten. Dat is best heftig: hoe gaat een cliëntenraad dit praktisch organiseren?”

Ook strategische vraagstukken

Tom Schoen is manager Eerste lijn & Langdurige Zorg bij Patiëntenfederatie Nederland. Hij meent ook dat cliëntenraden vooral zouden moeten meedenken en adviseren over praktische onderwerpen. “Ik denk onder meer aan online dienstverlening. Of bereikbaarheid van praktijken op piekmomenten. Maar het is ook belangrijk de raad te betrekken bij meer strategische vraagstukken. Wat is de toekomstvisie van de organisatie op zorg? Komt die overeen met wat cliënten zien gebeuren?”

Auteur: Gerben Stolk

Download hier het artikel.

Wat brengt 2019 de eerstelijnszorg?

Waar gaan we in het nieuwe jaar naartoe? Ooit zong Wim Kan deze woorden steevast in zijn oudejaarsconferences, nu legt De Eerstelijns de vraag voor aan vier bestuurders uit de gezondheidszorg.

Henk Stout, algemeen directeur ZGWA Zorggroep in de Drechtsteden

“In de afgelopen jaren heeft de overheid gelden vrijgemaakt voor bijvoorbeeld innovatie in de eerste lijn. Die budgetten zijn nauwelijks benut, omdat zorgverzekeraars vaak de hand op de knip houden bij ideeën uit de eerste lijn. ZGWA Zorggroep zegt: geef verzekeraars niet de kans ‘nee’ te verkopen. Dat kun je doen door concreet je regionale doelen te formuleren en daarop aanspreekbaar te zijn. Voor 2019-2022 heeft de overheid 471 miljoen euro beschikbaar gesteld voor versterking van de huisartsenzorg. Bovendien is er 133 miljoen euro voor ICT in de huisartsenpraktijk. Laten we nieuwe kansen benutten.”

Toosje Valkenburg, huisarts en medisch directeur hospice Demeter in De Bilt, lid actiecomité Het Roer Moet Om/Optimale zorg – Dappere dokters

“Ik kijk ernaar uit dat huisartsen zichzelf opnieuw definiëren en taken afbakenen. Daarmee zeggen we straks niet alleen: hier staan wij voor. We maken óók duidelijk aan andere beroepsgroepen: als wij dit doen, hebben jullie de ruimte om dát te doen. Deze duidelijkheid leidt tot betere samenwerking. Daarnaast moeten we oppassen voor overwaardering van het financieel-economische jargon in de gezondheidszorg. Harde efficiencymodellen ogen vaak perfect op papier, maar de werkvloer steunt en kreunt eronder.”

Astrid van der Put, raad van bestuur star-shl, eerstelijns diagnostisch centrum

“Wij gaan huisartsen nog meer de regie geven bij de ontwikkeling van nieuwe diensten. We vragen ze wat nodig is voor ondersteuning in optimale en efficiënte dienstverlening en zorg. Vervolgens proberen wij in samenspraak met hen in die behoefte te voorzien. Star-shl speelt hiermee in op de verschuiving van diagnostiek en behandeling van de tweede naar de eerste lijn en het streven de juiste zorg op de juiste plaats te krijgen.”

Jacco Rempe, directeur ketenzorg bij HONK, Huisartsen Organisatie Noord-Kennemerland

“De scope van huisartsen- en eerstelijnsorganisaties zal zich verbreden. Op het niveau van de huisartsenpraktijk proberen wij onder meer te ondersteunen door het faciliteren van praktijkmanagers en POH’s. De verwachting is dat praktijkmanagers ook een rol gaan spelen bij de inrichting van lokale gezondheidszorg. Daarnaast hebben wij stappen gezet om met regionale apothekers de farmacotherapeutische overleggen tussen apotheker en huisarts te faciliteren. Samen met gemeenten bekijken we hoe medische zorg en het sociaal domein in de wijk op elkaar kunnen worden afgestemd.”

Download het artikel voor de volledige vooruitblik.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Regel de netwerkaansprakelijkheid in de zorg

Wie is civielrechtelijk aansprakelijk nadat fouten zijn gemaakt en schade is ontstaan bij de behandeling binnen een zorgnetwerk? Voor de patiënt of nabestaanden is dat vaak lang niet zo duidelijk als wanneer slechts één zorgverlener zich over de zieke heeft ontfermd. “Terwijl dat helemaal geen verschil zou moeten maken”, zegt rechtswetenschapper Charlotte Zegveld.

Bij steeds meer aandoeningen heeft de patiënt te maken met een netwerk van zorgaanbieders. Denk onder meer aan kwetsbare ouderen die ketenzorg krijgen. Eist een patiënt of nabestaande een schadevergoeding na fouten in de behandeling binnen zo’n zorgnetwerk, dan is de kans groot dat hij vastloopt op basis van het huidige medische aansprakelijkheidsrecht. De reden: er kan niet altijd een aansprakelijke partij worden aangewezen. Dit concludeert mr. Charlotte Zegveld in het onderzoek waarop zij in mei promoveerde aan de Tilburg University. Zij bepleit opname van netwerkaansprakelijkheid in de wet. “En tot die tijd zouden netwerkpartners zelf al actie moeten ondernemen om de leemte te vullen”, zegt ze.

Ze vervolgt: “Mijn indruk is dat hulpverleners veelal erg hun best doen om goede zorg te verlenen. Toch kan de totale zorg die is geboden onder de maat zijn, omdat de afstemming en samenwerking tussen zorgverleners onvoldoende zijn. Vergelijk het met een groep demonstranten op een grasveld. Los van elkaar handelen deze demonstranten niet onrechtmatig door daar te staan, maar alle individuen samen zorgen ervoor dat het veld geruïneerd wordt.”

Verschillende verschijningsvormen

Zegveld bracht in haar onderzoek de verschillende verschijningsvormen van zorgnetwerken in kaart. “Ik heb gesproken met zorgaanbieders uit netwerken. Met behulp van netwerkanalyse heb ik de netwerken in mijn onderzoek nader omschreven en afgebakend. Ik omschrijf verschillende typen netwerken, bijvoorbeeld acute-zorgnetwerken, netwerken die worden ondersteund door een zorggroep en netwerken die voor uitvoering van een programma worden gefaciliteerd door een zorg-ondersteunende organisatie. Ik heb ook eerstelijnsgezondheidscentra geanalyseerd. ‘Een eerstelijnsgezondheidscentrum’ klinkt als één juridische entiteit, maar het gaat veelal om zelfstandig opererende huisartsen, fysiotherapeuten, tandartsen en andere zorgverleners binnen één gebouw.”

Regel het!

Als het gaat om het aansprakelijkheidsrecht bij netwerken concludeert Zegveld: “Op zorgaanbieders in een netwerk rust enige zorgplicht ten aanzien van samenwerking en afstemming. Maar de reikwijdte van de zorgplicht is niet altijd even duidelijk en concreet. Het is dus maar de vraag of de zorgplicht de patiënt helpt; vaak zijn er onvoldoende aanknopingspunten om een zorgaanbieder civielrechtelijk aansprakelijk te stellen.”

Om dat op te lossen adviseert Zegveld de wetgever om aansprakelijkheid voor het hele zorgnetwerk op te nemen in het civiele medische aansprakelijkheidsrecht: netwerkaansprakelijkheid.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Cao Gezondheidscentra/AHG maakt plaats voor toekomstbestendiger afspraken

De Cao Gezondheidscentra/AHG wordt ontmanteld omdat die niet meer past bij het huidige en toekomstige werkveld van gezondheidscentra. Het geeft gezondheidscentra een ongunstige positie in de eerste lijn, waardoor de doelen van multidisciplinaire samenwerking eerder benadeeld dan gestimuleerd worden. Tijd voor nieuwe afspraken dus. Anoeska Mosterdijk, directeur van InEen, legt uit hoe dit proces eruit ziet en waartoe het zal leiden.

Eind september werd de Cao Gezondheidscentra/AHG 2018 afgesloten, met een looptijd tot 1 maart 2019. Naar het zich laat aanzien de laatste voor deze doelgroep. De werkgevers zijn het er namelijk over eens dat deze cao niet bijdraagt aan de toekomstbestendigheid van gezondheidscentra met medewerkers in loondienst. “De arbeidsvoorwaarden van sommige disciplines sluiten niet meer aan bij de tarieven die voor deze beroepsgroepen gehanteerd worden door zorgverzekeraars”, zegt Mosterdijk. “Het meest prangende voorbeeld is de fysiotherapie, waarin sprake is van veel loondienstverbanden. In je loonafspraken moet je als werkgever alle disciplines meenemen, maar in veel paramedische beroepen blijven de tarieven achter bij de loonafspraken. Je krijgt daarmee verlieslatende disciplines in je gezondheidscentrum. Het gevolg is dat veel fysiotherapiepraktijken inmiddels al zijn verzelfstandigd, tot ongenoegen van de gezondheidscentra. Die willen deze praktijken liever in huis houden omdat dan veel betere multidisciplinaire afspraken kunnen worden gemaakt.”

Waren de problemen niet binnen de bestaande structuur op te lossen? “Dat had misschien gekund”, zegt Mosterdijk, “als het mogelijk was geweest om afspraken te maken over gedifferentieerde loonontwikkeling binnen de cao. Dat kon echter niet op draagvlak bij de werknemersorganisaties rekenen.”

Ontmanteling

Dit betekent dus dat de bestaande cao wordt ontmanteld. Volgens de berichtgeving worden de medewerkers van de gezondheidscentra ‘voor zover mogelijk’ ondergebracht bij aanpalende cao’s. Is dit een beslissing die voor geen enkele van de betreffende groepen nadelig uitvalt? “Nieuwe medewerkers gaan onder de aanpalende cao’s vallen, voor bestaande medewerkers geldt dat we in de komende periode gaan kijken hoe we op een nette manier van A naar B kunnen komen. En als er geen andere cao geschikt is, geldt altijd nog de nawerking van de huidige cao.”

Aan cao-tafels

InEen vertegenwoordigt in de discussie die nu aan de cao-tafel wordt gevoerd haar leden. “We zijn de vertegenwoordiger van de werkgevers om de overgang van de huidige cao naar de nieuwe situatie in goede banen te leiden”, zegt Mosterdijk. “Dit betekent dus dat we aan meerdere tafels zitten en met andere brancheverenigingen afspraken moeten gaan maken.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Bijzonder hoogleraar Maria van den Muijsenbergh: “Gezondheidsverschillen verkleinen is wel degelijk haalbaar”

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) stelt dat we niet langer moeten focussen op het verkleinen van gezondheidsverschillen in onze samenleving. Dit advies schiet Maria van den Muijsenbergh, bijzonder hoogleraar gezondheidsverschillen en persoonsgerichte integrale eerstelijnszorg aan het Radboudumc in Nijmegen, in het verkeerde keelgat. En in het alternatief dat de WRR voorstelt, negeert deze volgens haar de grote waarde van eerstelijnszorgaanbieders.

Van den Muijsenbergh wil meteen aan het begin van het gesprek duidelijk zijn: nee, ze is het niet eens met het uitgangspunt van de WRR dat gezondheidsverschillen niet te verkleinen zijn en dat het dus niet zinvol is daarop nog langer de aandacht te richten. “Met die gezondheidsverschillen zijn we al sinds de jaren tachtig bekend”, steekt ze van wal. “Uit onderzoek in Engeland werd volkomen duidelijk dat elke tree lager op de sociaaleconomische ladder het risico vergroot op jonger overlijden of een chronische aandoening ontwikkelen. Het is een buitengewoon hardnekkig probleem, maar het is echt nog te vroeg om te zeggen dat die gezondheidsverschillen verkleinen niet haalbaar is. In Engeland is acht jaar lang consistent beleid gevoerd en dat werkte. De economische crisis gooide vervolgens wel weer roet in het eten, maar we hebben dus gezien dat het mogelijk is. En dan vind ik het ook in moreel perspectief een verkeerd uitgangspunt om de handdoek in de ring te gooien. Ik vind het heel merkwaardig om te zeggen dat we het maar moeten vergeten.”

Vraagtekens

In de kern kan Van den Muijsenbergh zich vinden in de uitgangspunten van de WRR, maar ze plaatst er wel vraagtekens bij. “Om alcohol hoeven we ons veel minder druk te maken dan om die andere beïnvloedende patronen”, zegt ze, “het is echt een minder groot probleem. En een gedegen analyse bij wat de WRR nu voorstaat ontbreekt. Waarom roken mensen met een lage sociaaleconomische status meer? Als je daar geen rekening mee houdt, is je beleid gedoemd tot mislukken. De stelling dat er ook aandacht moet zijn voor psychische problemen staat nu in de boodschap van de WRR helemaal op zichzelf, het lijkt alsof ze de samenhang niet begrijpt. Het is erg jammer dat niet meer naar mensen uit de praktijk is geluisterd. De professionals die de mensen om wie het in dit standpunt gaat dagelijks zien: de zorgaanbieders in de eerste lijn. Hierdoor is het beperkt gebleven tot een document van en voor beleidsmakers.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Hoofdlijnenakkoord huisartsenzorg: bestuurlijk commitment voor ambitieuze beleidsagenda

‘The proof of the pudding is in the eating’, zeggen de Engelsen. En zo is het. Op 11 juli jongstleden ondertekenden InEen, LHV, Zorgverzekeraars Nederland, de Patiëntenfederatie Nederland en het ministerie van VWS het hoofdlijnenakkoord huisartsen 2019-2022. Wat de afspraken waard zijn, zal de toekomst uitwijzen. De Eerstelijns analyseert.

Waar in het hoofdlijnenakkoord 2014–2017 nog sprake was van ‘eerstelijnszorg’, is nu een duidelijke keuze gemaakt voor ‘huisartsenzorg’. Enerzijds handig, anderzijds staat het een integrale multidisciplinaire benadering in de weg.

Samenhang akkoorden

De regering heeft gekozen voor hoofdlijnenakkoorden. Was er anders besloten, dan was er waarschijnlijk geen huisartsenakkoord gekomen. Zorgverzekeraars waren namelijk niet zo’n voorstander van een hoofdlijnenakkoord met huisartsen, omdat men erop rekende toch wel contracten te kunnen sluiten.

Er zijn meer sectorale akkoorden en ook sector brede programma’s. Het is de vraag wie bij VWS hierover het overzicht bewaart. Door sommige alinea’s letterlijk overal op te nemen, wordt samenhang gesuggereerd. Komt dat ook terug in de uitvoering? Dat is de vraag, want het zorgveld en de zorgverzekeraars zijn verdeeld in afdelingen en worden als zodanig bekostigd. En wat gebeurt er als er ontwikkelingen zijn in een bepaald domein of op een thema die het akkoord sterk beïnvloeden? Bijna vijf jaar vooruit kijken is een heikele zaak. Zijn de partijen flexibel genoeg en hebben ze voldoende vertrouwen om dynamisch om te gaan met het hoofdlijnenakkoord als dat nodig is?

Thema’s huisartsenakkoord

De inhoudelijke basis voor alle zorgakkoorden is de Juiste Zorg Op de Juiste Plek. Dit rapport kan beschouwd worden als de zorgparagraaf in het regeerakkoord van Rutte III. Specifieke thema’s als meer tijd voor de patiënt, versterking organisatiegraad, zorg voor kwetsbare groepen, zorg in ANW-uren, verbetering samenwerking sociaal domein, kwaliteit en ICT-zorginfrastructuur zijn door InEen en de LHV ingebracht en komen terug in het huisartsenakkoord. Ook is er aandacht voor de arbeidsmarkt en acute zorg en zijn er toezeggingen over de compensatie van de loonstijging in de cao. De erkenning dat bestuurlijk commitment op landelijk niveau nodig is om de ambities te realiseren, is een belangrijk gegeven. Dit kan houvast geven aan de regionale agenda. En hoewel wordt vermeld dat er geen centrale regie of monitoring komt, zal de Nederlandse Zorgautoriteit wel periodiek rapporteren.

Het is aan de zorgverzekeraars om de uitgangspunten van dit akkoord toe te voegen aan het zorginkoopbeleid 2019, dat in april is gepubliceerd. In regio’s waar contracten tot 2020 zijn gesloten, is het aan partijen om samen te beoordelen hoe zij nu toch al kunnen inspelen op de uitkomsten van het hoofdlijnenakkoord huisartsenzorg.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Ontregel de farmacie

In het verminderen van de administratieve druk voor apothekers zijn al een paar succesjes geboekt, maar er moet nog heel veel gebeuren. Zowel de Nederlandse Apothekers Coöperatie (Napco) als VvAA, het collectief van 120.000 zorgverleners, zien hierin voor zichzelf duidelijke rollen weggelegd.

Eind maart ontving minister Bruno Bruins van VWS een lijst met 62 schrappunten in het kader van (Ont)Regel de zorg, een initiatief van VvAA en huisartsenactiecomité Het Roer Moet Om, gericht op het verminderen van de administratieve druk op de zorgaanbieders. Acht van die 62 punten hebben betrekking op apothekers. “Ook wij hebben met die administratieve lasten te maken”, zegt Miriam Stoks, zelf apotheker (Zuider Apotheek) en bestuurslid van VvAA. “Vooral het preferentiebeleid bezorgt apothekers heel veel regeldruk, net als medische noodzaak. En niet te vergeten de diversiteit in de beoordeling van de zorgverzekeraars.”

Weerbarstig

Administratieve druk in de zorg verminderen blijkt niet eenvoudig. “Zorgverzekeraars Nederland nam ooit het initiatief om met de branchepartijen een slag te maken”,vertelt Loes Schiere, bureaudirecteur van Napco. “Maar het is weerbarstige materie, het gaat om meer dan het afvinken van een lijstje met schrappunten. Neem bijvoorbeeld die medische noodzaak. Besloten werd dat huisartsen dit niet meer hoefden te melden, maar volgens hun contractuele afspraken moeten de apothekers er wel nog steeds op toetsen. Die moeten daarvoor toch weer bij de huisartsen te rade gaan, want ze worden financieel gekort als ze zich niet aan de afspraken houden. Je moet dus ook bekijken wat schrappen op één plaats betekent op een andere plaats.”

Successen

Hoewel er verschillende successen zijn geboekt, is het effect tot nu toe beperkt, vertelt Schiere. “De merkbaarheidsscan van VWS van 2017 maakt duidelijk dat het veld nog weinig merkt van de resultaten van de maatregelen die al zijn genomen. Bovendien komen er weer nieuwe dingen bij vanuit Europese wetgeving, zoals de falsified medicineswetgeving en de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Daar moeten we ook oog voor hebben.”

Grote betrokkenheid VWS

Op 22 mei publiceerden ministers Hugo de Jonge en Bruno Bruins en staatssecretaris Paul Blokhuis de Kamerbrief (Ont)Regel de Zorg, waarmee zij de doelstellingen hiervan een officieel overheidsstempel geven. Een belangrijke stap in het proces, vinden zowel Schiere als Stoks. “We hebben als veldpartijen die betrokkenheid hard nodig. Ik hoop dat VWS nu de doorzettingsmacht gebruikt om zaken écht voor elkaar te krijgen.”

Auteurs: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier: