Pharos: Laaggeletterden en zorgverleners werken samen aan passende zorg

Laaggeletterden lopen tegen barrières aan in de zorg en in de samenleving, die voor veel hoger opgeleiden ondenkbaar zijn. Adviezen van zorgverleners en informatie over gezondheid en zorg zijn voor deze mensen vaak te complex of het aanbod is niet bekend. Verwijzingen lopen vast in administratieve rompslomp of medicatie wordt niet juist gebruikt. Terwijl deze groep juist vaker kampt met chronische aandoeningen als overgewicht, diabetes en hart- en vaatziekten en zeven jaar eerder overlijdt.

Om te komen tot effectievere zorg voor laaggeletterden, begeleiden Vilans en Pharos  in drie gezondheidscentra (Utrecht, Kerkrade en Arnhem) een pilot waarin laaggeletterde patiënten zelf een belangrijke rol hebben. Via multidisciplinaire teams met zowel professionals als laaggeletterde patiënten wordt bekeken hoe zorg, ondersteuning en leefstijlinterventies, beter kunnen aansluiten op de vaardigheden en leefwereld van laaggeletterde patiënten.

Meer begrip

Laaggeletterden weten de huisarts goed te vinden. Maar laaggeletterdheid en beperkte gezondheidsvaardigheden worden in de huisartsenpraktijk vaak niet (tijdig) herkend. Communicatie, materialen en praktijkorganisatie zijn meestal niet afgestemd op deze doelgroep.

Op de drie pilotlocaties leidt de samenwerking met laaggeletterde patiënten nu al tot meer begrip voor laaggeletterden en het maakt blinde vlekken zichtbaar.

Participatieve aanpak

De aanpak is geïnspireerd op de Participatory Learning and Action4 methode en op Design Thinking. De ervaringen en kennis van alle betrokkenen staan centraal en zijn gelijkwaardig. Dit  helpt het gat te dichten tussen wat patiënten willen en wat zorgorganisaties en zorgverleners doen. In het eerste projectjaar vonden meerdere bijeenkomsten plaats waarin steeds één onderwerp centraal stond, zoals het herkennen van laaggeletterdheid of de verwachtingen die laaggeletterden hebben van de zorg. Een duo van huisarts en praktijkondersteuner zorgt per praktijk voor het opvolgen van de acties die voortkomen uit de bijeenkomsten.

Eerste opbrengsten  

Uit de evaluatieronde blijkt dat de zorgverleners alerter zijn op laaggeletterdheid onder hun eigen patiënten. Ze stellen vaker gerichter vragen om laaggeletterdheid te achterhalen en registreren dit, in goed overleg met de patiënt, vaker in het dossier. Deelnemende patiënten vinden het fijn dat ze mee mogen denken en hebben het gevoel serieus te worden genomen. De meeste patiënten zijn gedurende het traject mondiger geworden en spreken soms zorgverleners direct aan op hoe zij het doen.

De begeleiding vanuit Vilans en Pharos loopt nog tot november 2018 en wordt gevolgd met onderzoek.

Auteurs: Karen Hosper, Jeanny Engels, Jeroen Havers, Maria van den Muijsenbergh

Download het volledige artikel hier:

“Succesvolle medisch-sociale samenwerking start bij de inwoners van de wijk”

Patiënten die zeggen beter te worden gehoord. Professionals die stellen meer te bereiken en hun werkdruk beter te kunnen reguleren. Zorggebruik en -kosten die afnemen. Het mag duidelijk zijn: ‘Krachtige basiszorg’ in het Utrechtse Overvecht is een lichtend voorbeeld voor andere achterstandswijken en beleidsmakers.

“Onaangekondigd kwam een patiënt binnengestormd die gisteren ook op mijn spreekuur was geweest. Ze sprong van de hak op de tak. Ze vreesde voor een hartinfarct, haar hondje was dood en ze had ruzie gemaakt met haar dochter. In zo’n situatie red je het als huisarts niet met oorzaak-gevolg-denken. Nadat ik de kans op een hartinfarct had uitgesloten, maakte ik een nieuwe afspraak met haar. Bij het tweede bezoek hebben we ons 4-Domeinenmodel ofwel 4D-model gehanteerd: lichaam, geest, sociaal en maatschappelijk. Zo kwam ik erachter dat mevrouw laaggeletterd was, haar zoon in detentie zat en dat ze schulden had. In een gesprek samen met het buurtteam sociaal hebben we de situatie in kaart gebracht en besproken waar ze zelf aan wilde en kon werken. Dat bleek de schuldenproblematiek te zijn. Dat heeft het buurtteam met haar opgepakt.”

Jacqueline van Riet, huisarts en praktijkhouder van Huisartsenkliniek Overvecht én huisartsbestuurder van het eerstelijnssamenwerkingsverband Overvecht Gezond, maakt met één patiëntcase veel duidelijk over Krachtige basiszorg. Dit is een integrale wijkaanpak op het vlak van zorg, welzijn, preventie: álle professionals en hun organisaties zijn hierbij betrokken, óver de domeinen heen. Zij vormen samen ‘de Gezonde Wijk Alliantie’.

Integrale aanpak

Van Riet en vele eerstelijnscollega’s besloten tien jaar geleden ‘het anders te gaan doen’. Zij ontwikkelden het samenwerkings- en gespreksmodel waarin de vier domeinen zijn geïntegreerd. Inmiddels hanteren honderden professionals het. Buurtteamorganisatie Sociaal bijvoorbeeld. Ontwikkelaar Ingrid Horstik: “We hebben alle buurtteammedewerkers geschoold in het werken met het 4D-model. We gebruiken het in de samenwerking om tot afstemming te komen met andere disciplines. Het 4D-model fungeert als een gezamenlijke ‘taal’ en is daarmee de basis van de integrale aanpak.”

Petra van Wezel, manager binnen Overvecht Gezond, noemt een belangrijk uitgangspunt van de aanpak. “Wij beginnen bij de inwoners van de wijk en organiseren maatwerk op basis van gezamenlijke analyse. Dat is een wezenlijk andere insteek dan starten vanuit het eigen domein of de eigen discipline en van dááruit de samenwerking zoeken.”

Dalende kosten

De professionals in Overvecht ervaren dat zij betere resultaten boeken met cliënten en dat ze meer grip hebben op hun werkdruk. Cliënten tonen zich ook tevreden. Bovendien dalen dankzij Krachtige basiszorg de kosten, zo bleek uit een onderzoek samen met NIVEL, ROS Raedelijn en zorgverzekeraar Zilveren Kruis.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Verschil doet ertoe

Adele (35) brengt regelmatig een bezoek aan haar huisarts. Haar gewrichtsklachten nemen toe en haar suiker raakt slecht onder controle. Adele heeft alleen basisonderwijs gevolgd. Ze is al enige tijd haar baan kwijt, zit in de schuldsanering en is eenzaam. Ze wordt depressief en krijgt steeds meer overgewicht. De dreigende huisuitzetting die Adele door huurachterstand boven het hoofd hangt, is niet bekend bij haar huisarts.

Adele is één van de vele voorbeelden van patiënten die dagelijks zorgen voor ‘hoofdbrekers’ voor huisartsen, vooral in wijken waar veel sociaal economische achterstand is. Ze hoort tot de groep mensen die gemiddeld 7 jaar korter leeft en maar liefst 19 jaar minder gezonde levensjaren ervaart dan hoogopgeleide Nederlanders. De overheid wil deze sociaal economische gezondheidsverschillen verminderen dan wel stabiliseren. Dit voorjaar werd bekend dat de GIDS-gelden die gemeenten hiervoor ontvangen, ook de komende vier jaar beschikbaar zijn voor gemeenten. Wat betekent dit voor de eerstelijnszorg?

“Sociaal-economische gezondheidsverschillen hebben meerdere oorzaken; niet alleen gedrag, maar ook economische omstandigheden, fysieke en sociale leefomgeving en milieu spelen een rol. Het terugdringen van gezondheidsachterstanden vraagt om een brede aanpak waarbij meerdere domeinen, inwoners zelf én de eerste lijn betrokken zijn”, aldus Monica van Berkum, directeur van Pharos, expertisecentrum gezondheidsverschillen. Met kennis uit binnen en buitenland ontwikkelde Pharos het stimuleringsprogramma Gezond in… dat samen met Platform31, gemeenten adviseert bij de aanpak van gezondheidsachterstanden.

GIDS-gelden

Sinds 2014 ontvangen 164 gemeenten via de decentralisatie-uitkering Gezond in de Stad (GIDS) van het ministerie van VWS, financiële steun voor aanpak in wijken waarin grote gezondheidsachterstanden voorkomen. Van Berkum: “Een betere gezondheid kan vaak worden bereikt door ook aan andere knoppen te draaien dan we gewend zijn. Het bevorderen van een gezonde leefstijl is één van die knoppen, maar de aanpak van armoede, schulden, het begeleiden naar werk en het voorkomen van laaggeletterdheid, schooluitval en eenzaamheid zijn minstens zo belangrijk. Vandaar dat we gemeenten een brede aanpak adviseren die veel verder reikt dan het domein van Volksgezondheid en Sport.” Dat de GIDS-financiering en het stimuleringsprogramma Gezond in… de komende vier jaar worden voortgezet, stemt Van Berkum gelukkig: “Dit geeft ons de kans samen met gemeenten nog vier jaar al doende te leren. Een goede aanpak vergt tijd en een lange adem. Gelukkig gebeurt er al veel onder andere samen met wijkteams en de eerste lijn. De overtuiging dat we iets aan de gezondheidsachterstanden moeten en kunnen doen, groeit.”

Auteur: Pharos

Download het volledige artikel hier:

Multidisciplinaire aanpak armoedebestrijding in Hoorn

Armoede maakt levens kapot. In de Hoornse wijk Kersenboogerd kiezen ze daarom voor een bijzondere manier van armoedebestrijding. Met het project Stand-by helpen buurtbewoners medebewoners met financiële problemen. Het leidt tot meer zelfredzaamheid en sociale participatie van bewoners, ook op langere termijn. En het bespaart de gemeente Hoorn veel geld.

Dertien procent van de 22.000 inwoners van de wijk Kersenboogerd in Hoorn leeft onder de armoedegrens. Daar moest iets aan gebeuren, vonden Joke Brouwer, oud-bestuurder van gezondheidscentrum Kersenboogerd, en Maria van Nuland, sociaal werker bij de Hoornse welzijnsorganisatie Stichting Netwerk.

In 2015 startten Stichting Netwerk, gezondheidscentrum Kersenboogerd en budgetcoach Jacqueline Raven het project Stand-by, een bijzondere manier van armoedebestrijding in Kersenboogerd. Bewoners die in armoede leven, krijgen een buurtbewoner als maatje om hen te helpen, maximaal voor een half jaar. Niet de zorgprofessional, maar de buurvrouw drie straten verderop helpt de alleenstaande moeder om haar financiën op de rails te krijgen.

Planmaatjes en buurmaatjes

Dat werkt, vertelt Brouwer. “Sommige van de deelnemers aan Stand-by zijn zorgmijders. Zorgprofessionals komen bij hen niet binnen, maar hun maatje wel.” Stand-by werkt met planmaatjes en buurmaatjes, vult Van Nuland aan. “De planmaatjes helpen deelnemers bij hun financiën en thuisadministratie. De buurmaatjes zijn er voor de sociale dingen.” De maatjes krijgen coaching van een team professionals. Van Nuland: “Alle maatjes krijgen een basistraining in communicatie. Hoe kun je het beste contact maken met de deelnemers? De planmaatjes krijgen daarnaast training van onze budgetcoach.”

Zelfredzaamheidsmonitor

Stand-by gaat nu het derde jaar in. Het eerste jaar werden tien gezinnen begeleid, het tweede en derde 25. Uit de zelfredzaamheidsmonitor van de gemeente Hoorn blijkt dat de zelfredzaamheid van deelnemers een jaar na afloop nog altijd groter is. De gemeente heeft een bijdrage voor vier jaar toegezegd en daarvan zijn er nog twee te gaan. Het maatjesproject bespaart ook geld. Brouwer: “Onze ondersteuning van de eerste 35 gezinnen heeft de gemeente en de woningbouwvereniging samen 40.000 euro opgeleverd. Bijvoorbeeld doordat we een aantal gezinnen uit de schuldsanering hebben weten te houden. En drie huisontruimingen hebben weten te voorkomen.”

Multidisciplinair

De kracht van Stand-by, daar zijn Brouwer en Van Nuland het over eens, zit in de multidisciplinaire aanpak. Brouwer: “Dit is een samenwerkingsproject van verschillende organisaties die veel met elkaar samenwerken. We bouwen voort op een reeds bestaand sterk netwerk. Dat is een succesfactor van Stand-by.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Ondersteunde zelfzorg: zo doe je dat

Binnen drie jaar op grote schaal ondersteunde zelfzorg implementeren. Dat was de doelstelling waarmee coöperatie Zelfzorg Ondersteund! (kortweg: ZO!) in 2013 van start ging. Het bleek een aanstekelijke ambitie: inmiddels zijn 62 van de 94 zorggroepen in ons land ermee aan de slag gegaan.

Voor mensen met een chronische aandoening is het belangrijk kwaliteit van leven te behouden en eigen regie te blijven ervaren. Ze krijgen slechts één procent van de tijd ondersteuning van professionele zorgverleners, voor de andere 99 procent van de tijd moeten ze zelf een manier vinden om hun aandoening te managen. Ondersteunde zelfzorg is daarbij essentieel. Begrijpelijk dus dat patiëntenverenigingen, zorgaanbieders en zorgverzekeraars elkaar hebben gevonden in ZO!. “Om te achterhalen hoe realistisch onze ambitie was, moesten we eerst in beeld krijgen wat er al gebeurde op het gebied van ondersteunde zelfzorg”, zegt Pieter Jeekel, trekker van ZO!. “We ontdekten dat 42 zorggroepen ermee aan de slag waren, maar slechts een paar echt effectief. Er waren twintig leveranciers van ondersteunende technische platforms. Slechts twee daarvan bleken te voldoen aan de eisen op het gebied van functionaliteit, koppeling en beveiliging die wij daarvoor opstelden.”

Geïntegreerde aanpak nodig

Werk aan de winkel dus. Aan de zijde van de zorgaanbieders moest sprake zijn van een geïntegreerde aanpak in ondersteunde zelfzorg. Jeekel: “Dat houdt in dat de patiënt goed geïnformeerd wordt over wat zijn chronische ziekte inhoudt en wat hij kan doen om daar zo goed mogelijk mee om te gaan. Ook vraagt het om coachende professionals, die tijd en kennis hebben om op basis van motivational interviewing met de patiënt op zoek te gaan naar wat hem motiveert om tot zelfzorg te komen. Verder vraagt het om de juiste ondersteuning in eHealth. En om de juiste incentives voor zorgprofessionals om hiermee aan de slag te gaan.”

Ook aan de technische platforms moeten eisen worden gesteld. Jeekel: “Een technisch platform heeft waarde als het de patiënt ondersteunt in zelfmanagement. Als het die patiënt dus informatie en educatie biedt, hij ermee kan communiceren met zijn zorgverlener en als de doelen en plannen van de ondersteunde zelfzorg kunnen worden verwerkt in het individuele zorgplan van de patiënt.”

Langs beide lijnen is gewerkt aan professionalisering. Met succes: het aantal aanbieders van technische platforms dat voldoet aan de ZO!-eisen steeg van twee naar zes. En het aantal zorggroepen dat een geïntegreerde aanpak voor ondersteunde zelfzorg ontwikkelde overeenkomstig de doelstellingen van ZO! groeide naar 62.

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Samenwerking gemeenten en huisartsenpraktijken is maatwerk

Zorggroep ZIO (Zorg in Ontwikkeling) is sinds 2011 betrokken bij de ontwikkelingen rond de gemeentelijke zorgtaken. ZIO ziet het als haar taak om huisartsenpraktijken te ondersteunen in de samenwerking met gemeenten rondom jeugdzorg, wijkteams en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het tot stand brengen van een goede verbinding tussen huisartsen en gemeente staat daarbij centraal.

ZIO constateerde in 2010 dat samenwerking tussen huisartsenpraktijken en gemeente (Wmo) binnen de Keten Ouderenzorg een knelpunt was. De zorggroep legde daarop de eerste contacten met de gemeente Maastricht, wat leidde tot de uitvoering van een project waarin een vaste Wmo-contactpersoon gekoppeld werd aan twee huisartsenpraktijken. De ervaringen waren positief, maar de gemeentelijke prioriteiten lagen op dat moment op een ander gebied, waardoor verdere uitrol stokte. Wel ontstond door dit project een intensieve samenwerking tussen ZIO en de gemeenten in Maastricht-Heuvelland. Ook andere partners sloten bij deze samenwerking aan.

Invoering van de nieuwe Jeugdwet leidde in 2014 tot een nieuwe impuls voor de samenwerking tussen huisartsen en het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) in Maastricht. Er werd een experiment gestart waarin vijf samenwerkingsvormen met CJG-medewerkers in vijf huisartsenpraktijken werden beproefd. Alle pilotvormen leidden tot betere samenwerking, maar er bleek geen blauwdruk te zijn voor optimale samenwerking tussen huisartsen en jeugdzorg. Maatwerk is noodzakelijk.

Nieuwe knelpunten

Per 1 januari 2015 veranderde er veel door nieuwe wetgeving op het gebied van Wmo en Jeugd. Nieuwe knelpunten kwamen bovendrijven en ZIO ging daarmee aan de slag. Samen met de gemeenten werden voor huisartsen en praktijkondersteuners bijeenkomsten georganiseerd over de gemeentelijke ontwikkelingen. En op verzoek van ZIO wezen de gemeenten een Wmo– en jeugdcontactpersoon per huisartsenpraktijk aan. Daarnaast is met de huisartsen een visie ontwikkeld over de positionering van de huisartsen in de regio bij de inrichting van de gemeentelijke stelselwijzigingen. Ook werd een aanvraagformulier ontwikkeld waarmee gemeenten (Wmo en Jeugd) gerichte medische informatie over een cliënt bij de huisarts kunnen opvragen. Momenteel onderzoeken de partijen de mogelijkheden voor het inzetten van een ICT-systeem voor multidisciplinaire samenwerking en veilige digitale informatie-uitwisseling.

Samenwerking nader onderzocht

Hoe wordt de samenwerking tussen huisarts en gemeente in het kader van Wmo en Jeugdwet nu ervaren? En wat kan nog beter? Dat liet ZIO in de eerste helft van 2016 onderzoeken. Huisartsen en gemeente blijken op een aantal punten anders tegen de samenwerking aan te kijken. Er zijn bijvoorbeeld cultuurverschillen en de gemeente, huisartsen en zorgverzekeraar hebben een andere kijk op de rol die de huisarts moet spelen. Hoewel de samenwerking nog pril is, bestaat bij alle partijen wel de wil om de samenwerking te verbeteren en toekomstbestendig te maken.

Auteurs:

Ingeborg Wijnands, senior beleidsadviseur, ZIO

Thijs Leuven, student geneeskunde, Universiteit Maastricht

Sanne Stauder, beleidsmedewerker gemeentelijke ontwikkelingen, ZIO

Mariëlle Kroese, senior onderzoeker, Universiteit Maastricht

Anna Huizing, coördinator chronische zorg en onderzoek, ZIO en Universiteit Maastricht

Download het volledige artikel hier:

Samen gezondheidsachterstanden tegengaan

Het bevorderen van gezondheid en het bestrijden van achterstanden daarin is een taak van de hele gemeenschap en de lokale overheid. Dat bewijst de aanpak van Gezond in…, het stimuleringsprogramma waar 164 GIDS-gemeenten (Gezond In De Stad) aan meedoen. Multiproblematiek speelt een belangrijke rol bij gezondheidsachterstanden. Per 5000 gezinnen zijn er zo’n 25 waar alle zorg- en welzijnskosten samenkomen. Als problemen zich opstapelen is een uitkomst soms ver weg. Het initiatief Eigen Plan in Noord-Holland doorbreekt de vicieuze cirkel.

Het programma Gezond in… verbindt partijen en stimuleert de samenwerking tussen bijvoorbeeld gemeente, buurtteams en zorgverleners. Het loopt vanaf 2014 en duurt vier jaar, vertellen programmaleider Daphne Ketelaars en adviseur Frea Haker. Het wordt uitgevoerd door Pharos en Platform31 in het kader van het Nationaal Programma Preventie. De GIDS-gemeenten krijgen in die vier jaar, via de decentralisatieregeling van het ministerie van VWS, in totaal 70 miljoen uitgekeerd. Dat wordt ingezet om gezondheidsachterstanden terug te dringen.

Verbinden

Gezond in… adviseert gemeenten een aanpak via vijf sporen: participatie, sociale omgeving, preventie en zorg, fysieke omgeving en gedrag en vaardigheden. Een procesgerichte aanpak met een actieve rol voor de burger zelf. De rol van de eerstelijnszorg is heel belangrijk, betogen Ketelaars en Haker. “Huisartsenpraktijken zijn de ogen en oren van de wijk. Problemen worden hier als eerste gesignaleerd.” Gemeenten zien dit ook en zetten volop in op samenwerking, vertelt Haker. “Maar dat is best ingewikkeld. Wijkteams en huisartsen hebben het heel druk. De extra inzet vraagt een enorme tijdsinvestering en die uren blijven meestal onbetaald.” Bovendien spreken de partijen niet altijd dezelfde taal. Ze moeten elkaar leren kennen. Juist daarbij kan Gezond in… uitkomst bieden.

Betrokkenen

Het is niet alleen van belang dat partijen uit de zorg en het sociaal domein elkaar vinden, maar vooral dat er wordt samengewerkt met mensen zelf en hun netwerk. Dat levert draagvlak, draagkracht en perspectief op. Een mooi voorbeeld daarvan is Eigen Plan, dat Stichting Sterker Samen sinds 2015 uitrolt in Noord-Holland. Het principe van Eigen Plan is gebaseerd op Family Group Conferencing dat in 1989 per wet werd ingevoerd in Nieuw-Zeeland. Monique Bontje en Lineke Joanknecht zijn de drijvende krachten achter Eigen Plan. Joanknecht: “Wij ondersteunen mensen die in de knel zitten om zelf hun plan te maken, hun eigen oplossing voor hun problemen waar ze achter staan en voor willen gaan. Dat doen we samen met de mensen die dicht bij ze staan, zoals familie, vrienden en buren.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Deventer luistert naar wat inwoners écht vitaal maakt

“Haak in op de intrinsieke levenslust van mensen met gezondheidsklachten en je zult zien dat ze opbloeien.” Dat is de filosofie achter het transitieproject Vitale Burger van de gemeente Deventer en Salland Zorgverzekeringen. Eerstelijnszorg- en welzijnspartijen werken samen om de focus van zorg & ziekte te verleggen naar gezondheid & gedrag. En ja, nu eens écht te luisteren naar wat de inwoner zélf wil.

Meer vitale inwoners krijg je als gemeente niet door alles maar lekker bij het oude te laten. “Je moet barrières slechten en soms overgaan tot zeer onorthodoxe middelen”, merkt PvdA-wethouder Jan Jaap Kolkman van Deventer. “Zo gaven we heel recent een man die in de schuldsanering zit een fiets cadeau. Hij gaf zelf aan graag meer te bewegen. Maar ja, geen geld voor een fiets… Voor een ander financierde de gemeente tandartskosten buiten zijn basispakket om. Deze meneer schaamde zich zo erg voor zijn slechte gebit, dat hij niet durfde te solliciteren en thuis zat weg te kwijnen. Ik weet zeker: dit soort kleine investeringen kunnen naast een enorme welzijnswinst op de lange termijn duizenden euro’s aan zorgkosten besparen. Kijk, langs dat soort lijnen moeten we dus dúrven denken.”

Vitale Burger

Deventer startte, na een succesvolle pilot, in 2016 met het driejarige transitieproject Vitale Burger. De gemeente en Salland Zorgverzekeringen trekken er jaarlijks drie ton voor uit. Martijn van der Most, projectleider van Salland licht toe: “Als maatschappij geven we al jaren veel geld uit aan de zorg, in veel gevallen voor leefstijl gerelateerde problemen. We handelen zodra mensen ziek zijn, maar dan is het kwaad al geschied en de gezondheidswinst marginaal. Wij denken meer gezondheidswinst te boeken door problemen in een veel eerder stadium en bij de bron aan te pakken. Door ziekte en zorg preventief om te buigen naar gezond gedrag.” Kolkman vult aan: “Veel huisartsconsulten zijn terug te voeren op sociale problematiek, bijvoorbeeld eenzaamheid. Deventer heeft genoeg aanbod op welzijnsgebied om eenzame mensen op te vangen. Maar huisartsen, praktijkondersteuners en buurtmedewerkers kennen elkaar niet. Of ze worden gehinderd door karikaturale vooroordelen.” Belangrijk doel van de Vitale Burger is dan ook om enerzijds het zorg- en ziektedomein te verbinden met het gemeentelijke domein van gezondheid en gedrag, en anderzijds geldstromen van gemeente en zorgverzekeraar te koppelen.

In Deventer ‘transformeerden’ vorig jaar drie wijken van zorg & ziekte naar gezondheid & gedrag; dit jaar komen daar nog eens drie wijken bij.

Auteur: Ingrid Beckers

Download het volledige artikel hier:

Friese gemeenten en zorgverzekeraar regelen inzet POH-GGZ Jeugd

Er is veel veranderd, sinds 1 januari 2015 wordt jeugdzorg gefinancierd vanuit de Jeugdwet, in plaats van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Dat heeft positieve gevolgen. Zo zijn gemeenten en de eerstelijnszorg dichter bij elkaar komen te staan. Maar het leverde ook veel onzekerheden en extra werk op. In Friesland is een succesvol traject gestart om te voorkomen dat elke gemeente het anders aanpakt. Onlangs is daar het Kader POH-GGZ Jeugd opgesteld.

“Er zijn veel partijen betrokken bij de psychische zorg voor kinderen en jongeren. En die hebben allemaal hetzelfde doel: een goede GGZ voor de jeugd”, zegt Bart Maats, huisarts in Gorredijk en voorzitter van de Friese Huisartsen Vereniging (FHV). “Voor de patiënt maakt het niet uit waar de hulp vandaan komt, maar achter de schermen moet het goed geregeld zijn.” Het initiatief voor een Kader POH-GGZ Jeugd is genomen door de financiers: de gemeenten en De Friesland Zorgverzekeraar, vertelt Bert Deuling. Hij is senior beleidsadviseur jeugd bij de gemeente Leeuwarden en voorzitter van de werkgroep jeugd van Programma Sociaal Medische 1e lijn (SM1). In die werkgroep werkte hij samen met vertegenwoordigers van de gemeenten, De Friesland Zorgverzekeraar en Zorgbelang Fryslân. Los daarvan werkte ROS Friesland in de zomer van 2015 samen met partijen aan de verheldering van de spraakverwarring die was ontstaan rondom een praktijkondersteuner jeugd. Jenneke Netjes, adviseur bij ROS Friesland, inventariseerde de wensen van de huisartsen, de gemeenten en De Friesland Zorgverzekeraar.

Gezamenlijk tegen versnippering

De initiatieven van SM1 en ROS Friesland gingen een gezamenlijk traject aan. Dat mondde uit in drie werksessies waarin de structuur voor een POH-GGZ Jeugd stap voor stap vorm kreeg. “De huisartsen willen zo weinig mogelijk met de financiering te maken hebben”, zegt Bart Maats. “Regel het allemaal zoveel mogelijk achter de schermen. Als het allemaal heel versnipperd raakt, dan weegt dat niet op tegen de meerwaarde en verliezen huisartsen de motivatie om mee te doen.” Een groot winstpunt was dat in Friesland alle gemeenten gezamenlijk wilden optrekken. Want in zestig procent van de huisartsenpraktijken staan patiënten uit meerdere gemeenten ingeschreven, blijkt uit onderzoek van ROS Friesland.

Financiering

De gemeenten, huisartsen en De Friesland Zorgverzekeraar hebben een heldere structuur opgebouwd voor de financiering. Die bestaat uit de basisoptie POH-GGZ en vier plusopties die gemeenten straks – in samenspraak met de huisartsen – kunnen contracteren.

De huisartsenpraktijken hebben nog wel extra administratieve lasten aan de inzet van een POH-GGZ Jeugd, vertelt Bart Maats. Ze moeten nu declareren naar twee adressen: verzekeraar en gemeente. Toch is hij blij met het nieuwe Kader. Jenneke Netjes: “Het Kader POH-GGZ Jeugd maakt het een stuk overzichtelijker en biedt tegelijkertijd voldoende ruimte voor maatwerk, zonder gedoe over geld.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

“Decentralisaties faciliteren de individuele verschillen tussen mensen”

De decentralisaties van zorgtaken naar de gemeenten zijn een logisch gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen die zich al jarenlang voordoen, stelt Han Noten, voorzitter Transitiecommissie Sociaal Domein. Veel te lang is uitgegaan van de gedachte dat iedereen recht heeft op dezelfde zorg en dat doet geen recht aan de verschillen tussen mensen. Het gaat er juist om oplossingen te bieden voor individuele problemen. De decentralisaties faciliteren dit.

Ja, Han Noten wil best geïnterviewd worden. Dat hoort bij zijn rol als voorzitter van de Transitiecommissie Sociaal Domein, zeker nu die commissie net zijn eindrapportage heeft gepubliceerd. “Maar ik wil het verder niet hebben over de decentralisaties, want daar gaat het feitelijk helemaal niet over”, zegt hij. “Het is geen bestuurlijk vraagstuk, het gaat over zorg.”

“In de weg van kwakzalverij naar professionele zorg hebben zich twee belangrijke ontwikkelingen voorgedaan”, vervolgt hij. “Het eerste is dat de zorg geprofessionaliseerd is, ze is ondergebracht bij professionals in organisaties. De negatieve connotatie hierbij is dat de zorg over de heg is gegooid, de positieve is dat de zorg in handen is gegeven van mensen die er verstand van hebben. De tweede belangrijke ontwikkeling is dat in de zorg denken en doen zijn gesplitst en dat doen in taken uit elkaar is gehaald.”

Waardevol leven

Anno 2016 leven we in een welvarende samenleving die ruimte geeft om tot een andere definitie van zorg te komen, aldus Noten. “Het gaat niet meer over de lichamelijke definitie. Het gaat om de vraag hoe het individu een waardevol leven kan blijven leiden. De aandacht verschuift naar zelfredzaamheid, maar zelfredzaamheid is voor mij niet de nieuwe norm. Dat is kwaliteit van leven.”

Nu is er iets ingewikkelds aan de hand met de hedendaagse patiënten, stelt Noten. “Die hebben heel veel kennis vrij beschikbaar, op basis waarvan ze zich als consumenten zijn gaan gedragen. Dit leidt tot een totaal andere relatie met zorgaanbieders. Niet de arts, maar de patiënt bepaalt wat kwaliteit van leven is.” Het probleem is dat de zorg zich niet in gelijke tred mee ontwikkelt. “Rondom de patiënt is zoveel professionele en bestuurlijke verantwoordelijkheid actief dat je vooraf kunt zien: dit kán niet goed gaan. De zorgcomplexiteit is voor iedereen ondoorgrondelijk geworden.” De decentralisaties, stelt Noten, gaan over de vraag hoe je dit probleem oplost. ”Dat doe je door zorg in samenhang aan te bieden waar dat nodig is. Mensen hebben te veel kennis om zich nog als object te laten behandelen. Ze hebben voor hun zorgvraag een oplossing nodig die past bij hun situatie.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier: