Ondersteunde zelfzorg: zo doe je dat

Binnen drie jaar op grote schaal ondersteunde zelfzorg implementeren. Dat was de doelstelling waarmee coöperatie Zelfzorg Ondersteund! (kortweg: ZO!) in 2013 van start ging. Het bleek een aanstekelijke ambitie: inmiddels zijn 62 van de 94 zorggroepen in ons land ermee aan de slag gegaan.

Voor mensen met een chronische aandoening is het belangrijk kwaliteit van leven te behouden en eigen regie te blijven ervaren. Ze krijgen slechts één procent van de tijd ondersteuning van professionele zorgverleners, voor de andere 99 procent van de tijd moeten ze zelf een manier vinden om hun aandoening te managen. Ondersteunde zelfzorg is daarbij essentieel. Begrijpelijk dus dat patiëntenverenigingen, zorgaanbieders en zorgverzekeraars elkaar hebben gevonden in ZO!. “Om te achterhalen hoe realistisch onze ambitie was, moesten we eerst in beeld krijgen wat er al gebeurde op het gebied van ondersteunde zelfzorg”, zegt Pieter Jeekel, trekker van ZO!. “We ontdekten dat 42 zorggroepen ermee aan de slag waren, maar slechts een paar echt effectief. Er waren twintig leveranciers van ondersteunende technische platforms. Slechts twee daarvan bleken te voldoen aan de eisen op het gebied van functionaliteit, koppeling en beveiliging die wij daarvoor opstelden.”

Geïntegreerde aanpak nodig

Werk aan de winkel dus. Aan de zijde van de zorgaanbieders moest sprake zijn van een geïntegreerde aanpak in ondersteunde zelfzorg. Jeekel: “Dat houdt in dat de patiënt goed geïnformeerd wordt over wat zijn chronische ziekte inhoudt en wat hij kan doen om daar zo goed mogelijk mee om te gaan. Ook vraagt het om coachende professionals, die tijd en kennis hebben om op basis van motivational interviewing met de patiënt op zoek te gaan naar wat hem motiveert om tot zelfzorg te komen. Verder vraagt het om de juiste ondersteuning in eHealth. En om de juiste incentives voor zorgprofessionals om hiermee aan de slag te gaan.”

Ook aan de technische platforms moeten eisen worden gesteld. Jeekel: “Een technisch platform heeft waarde als het de patiënt ondersteunt in zelfmanagement. Als het die patiënt dus informatie en educatie biedt, hij ermee kan communiceren met zijn zorgverlener en als de doelen en plannen van de ondersteunde zelfzorg kunnen worden verwerkt in het individuele zorgplan van de patiënt.”

Langs beide lijnen is gewerkt aan professionalisering. Met succes: het aantal aanbieders van technische platforms dat voldoet aan de ZO!-eisen steeg van twee naar zes. En het aantal zorggroepen dat een geïntegreerde aanpak voor ondersteunde zelfzorg ontwikkelde overeenkomstig de doelstellingen van ZO! groeide naar 62.

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Samenwerking gemeenten en huisartsenpraktijken is maatwerk

Zorggroep ZIO (Zorg in Ontwikkeling) is sinds 2011 betrokken bij de ontwikkelingen rond de gemeentelijke zorgtaken. ZIO ziet het als haar taak om huisartsenpraktijken te ondersteunen in de samenwerking met gemeenten rondom jeugdzorg, wijkteams en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het tot stand brengen van een goede verbinding tussen huisartsen en gemeente staat daarbij centraal.

ZIO constateerde in 2010 dat samenwerking tussen huisartsenpraktijken en gemeente (Wmo) binnen de Keten Ouderenzorg een knelpunt was. De zorggroep legde daarop de eerste contacten met de gemeente Maastricht, wat leidde tot de uitvoering van een project waarin een vaste Wmo-contactpersoon gekoppeld werd aan twee huisartsenpraktijken. De ervaringen waren positief, maar de gemeentelijke prioriteiten lagen op dat moment op een ander gebied, waardoor verdere uitrol stokte. Wel ontstond door dit project een intensieve samenwerking tussen ZIO en de gemeenten in Maastricht-Heuvelland. Ook andere partners sloten bij deze samenwerking aan.

Invoering van de nieuwe Jeugdwet leidde in 2014 tot een nieuwe impuls voor de samenwerking tussen huisartsen en het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) in Maastricht. Er werd een experiment gestart waarin vijf samenwerkingsvormen met CJG-medewerkers in vijf huisartsenpraktijken werden beproefd. Alle pilotvormen leidden tot betere samenwerking, maar er bleek geen blauwdruk te zijn voor optimale samenwerking tussen huisartsen en jeugdzorg. Maatwerk is noodzakelijk.

Nieuwe knelpunten

Per 1 januari 2015 veranderde er veel door nieuwe wetgeving op het gebied van Wmo en Jeugd. Nieuwe knelpunten kwamen bovendrijven en ZIO ging daarmee aan de slag. Samen met de gemeenten werden voor huisartsen en praktijkondersteuners bijeenkomsten georganiseerd over de gemeentelijke ontwikkelingen. En op verzoek van ZIO wezen de gemeenten een Wmo– en jeugdcontactpersoon per huisartsenpraktijk aan. Daarnaast is met de huisartsen een visie ontwikkeld over de positionering van de huisartsen in de regio bij de inrichting van de gemeentelijke stelselwijzigingen. Ook werd een aanvraagformulier ontwikkeld waarmee gemeenten (Wmo en Jeugd) gerichte medische informatie over een cliënt bij de huisarts kunnen opvragen. Momenteel onderzoeken de partijen de mogelijkheden voor het inzetten van een ICT-systeem voor multidisciplinaire samenwerking en veilige digitale informatie-uitwisseling.

Samenwerking nader onderzocht

Hoe wordt de samenwerking tussen huisarts en gemeente in het kader van Wmo en Jeugdwet nu ervaren? En wat kan nog beter? Dat liet ZIO in de eerste helft van 2016 onderzoeken. Huisartsen en gemeente blijken op een aantal punten anders tegen de samenwerking aan te kijken. Er zijn bijvoorbeeld cultuurverschillen en de gemeente, huisartsen en zorgverzekeraar hebben een andere kijk op de rol die de huisarts moet spelen. Hoewel de samenwerking nog pril is, bestaat bij alle partijen wel de wil om de samenwerking te verbeteren en toekomstbestendig te maken.

Auteurs:

Ingeborg Wijnands, senior beleidsadviseur, ZIO

Thijs Leuven, student geneeskunde, Universiteit Maastricht

Sanne Stauder, beleidsmedewerker gemeentelijke ontwikkelingen, ZIO

Mariëlle Kroese, senior onderzoeker, Universiteit Maastricht

Anna Huizing, coördinator chronische zorg en onderzoek, ZIO en Universiteit Maastricht

Download het volledige artikel hier:

Samen gezondheidsachterstanden tegengaan

Het bevorderen van gezondheid en het bestrijden van achterstanden daarin is een taak van de hele gemeenschap en de lokale overheid. Dat bewijst de aanpak van Gezond in…, het stimuleringsprogramma waar 164 GIDS-gemeenten (Gezond In De Stad) aan meedoen. Multiproblematiek speelt een belangrijke rol bij gezondheidsachterstanden. Per 5000 gezinnen zijn er zo’n 25 waar alle zorg- en welzijnskosten samenkomen. Als problemen zich opstapelen is een uitkomst soms ver weg. Het initiatief Eigen Plan in Noord-Holland doorbreekt de vicieuze cirkel.

Het programma Gezond in… verbindt partijen en stimuleert de samenwerking tussen bijvoorbeeld gemeente, buurtteams en zorgverleners. Het loopt vanaf 2014 en duurt vier jaar, vertellen programmaleider Daphne Ketelaars en adviseur Frea Haker. Het wordt uitgevoerd door Pharos en Platform31 in het kader van het Nationaal Programma Preventie. De GIDS-gemeenten krijgen in die vier jaar, via de decentralisatieregeling van het ministerie van VWS, in totaal 70 miljoen uitgekeerd. Dat wordt ingezet om gezondheidsachterstanden terug te dringen.

Verbinden

Gezond in… adviseert gemeenten een aanpak via vijf sporen: participatie, sociale omgeving, preventie en zorg, fysieke omgeving en gedrag en vaardigheden. Een procesgerichte aanpak met een actieve rol voor de burger zelf. De rol van de eerstelijnszorg is heel belangrijk, betogen Ketelaars en Haker. “Huisartsenpraktijken zijn de ogen en oren van de wijk. Problemen worden hier als eerste gesignaleerd.” Gemeenten zien dit ook en zetten volop in op samenwerking, vertelt Haker. “Maar dat is best ingewikkeld. Wijkteams en huisartsen hebben het heel druk. De extra inzet vraagt een enorme tijdsinvestering en die uren blijven meestal onbetaald.” Bovendien spreken de partijen niet altijd dezelfde taal. Ze moeten elkaar leren kennen. Juist daarbij kan Gezond in… uitkomst bieden.

Betrokkenen

Het is niet alleen van belang dat partijen uit de zorg en het sociaal domein elkaar vinden, maar vooral dat er wordt samengewerkt met mensen zelf en hun netwerk. Dat levert draagvlak, draagkracht en perspectief op. Een mooi voorbeeld daarvan is Eigen Plan, dat Stichting Sterker Samen sinds 2015 uitrolt in Noord-Holland. Het principe van Eigen Plan is gebaseerd op Family Group Conferencing dat in 1989 per wet werd ingevoerd in Nieuw-Zeeland. Monique Bontje en Lineke Joanknecht zijn de drijvende krachten achter Eigen Plan. Joanknecht: “Wij ondersteunen mensen die in de knel zitten om zelf hun plan te maken, hun eigen oplossing voor hun problemen waar ze achter staan en voor willen gaan. Dat doen we samen met de mensen die dicht bij ze staan, zoals familie, vrienden en buren.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Deventer luistert naar wat inwoners écht vitaal maakt

“Haak in op de intrinsieke levenslust van mensen met gezondheidsklachten en je zult zien dat ze opbloeien.” Dat is de filosofie achter het transitieproject Vitale Burger van de gemeente Deventer en Salland Zorgverzekeringen. Eerstelijnszorg- en welzijnspartijen werken samen om de focus van zorg & ziekte te verleggen naar gezondheid & gedrag. En ja, nu eens écht te luisteren naar wat de inwoner zélf wil.

Meer vitale inwoners krijg je als gemeente niet door alles maar lekker bij het oude te laten. “Je moet barrières slechten en soms overgaan tot zeer onorthodoxe middelen”, merkt PvdA-wethouder Jan Jaap Kolkman van Deventer. “Zo gaven we heel recent een man die in de schuldsanering zit een fiets cadeau. Hij gaf zelf aan graag meer te bewegen. Maar ja, geen geld voor een fiets… Voor een ander financierde de gemeente tandartskosten buiten zijn basispakket om. Deze meneer schaamde zich zo erg voor zijn slechte gebit, dat hij niet durfde te solliciteren en thuis zat weg te kwijnen. Ik weet zeker: dit soort kleine investeringen kunnen naast een enorme welzijnswinst op de lange termijn duizenden euro’s aan zorgkosten besparen. Kijk, langs dat soort lijnen moeten we dus dúrven denken.”

Vitale Burger

Deventer startte, na een succesvolle pilot, in 2016 met het driejarige transitieproject Vitale Burger. De gemeente en Salland Zorgverzekeringen trekken er jaarlijks drie ton voor uit. Martijn van der Most, projectleider van Salland licht toe: “Als maatschappij geven we al jaren veel geld uit aan de zorg, in veel gevallen voor leefstijl gerelateerde problemen. We handelen zodra mensen ziek zijn, maar dan is het kwaad al geschied en de gezondheidswinst marginaal. Wij denken meer gezondheidswinst te boeken door problemen in een veel eerder stadium en bij de bron aan te pakken. Door ziekte en zorg preventief om te buigen naar gezond gedrag.” Kolkman vult aan: “Veel huisartsconsulten zijn terug te voeren op sociale problematiek, bijvoorbeeld eenzaamheid. Deventer heeft genoeg aanbod op welzijnsgebied om eenzame mensen op te vangen. Maar huisartsen, praktijkondersteuners en buurtmedewerkers kennen elkaar niet. Of ze worden gehinderd door karikaturale vooroordelen.” Belangrijk doel van de Vitale Burger is dan ook om enerzijds het zorg- en ziektedomein te verbinden met het gemeentelijke domein van gezondheid en gedrag, en anderzijds geldstromen van gemeente en zorgverzekeraar te koppelen.

In Deventer ‘transformeerden’ vorig jaar drie wijken van zorg & ziekte naar gezondheid & gedrag; dit jaar komen daar nog eens drie wijken bij.

Auteur: Ingrid Beckers

Download het volledige artikel hier:

Friese gemeenten en zorgverzekeraar regelen inzet POH-GGZ Jeugd

Er is veel veranderd, sinds 1 januari 2015 wordt jeugdzorg gefinancierd vanuit de Jeugdwet, in plaats van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Dat heeft positieve gevolgen. Zo zijn gemeenten en de eerstelijnszorg dichter bij elkaar komen te staan. Maar het leverde ook veel onzekerheden en extra werk op. In Friesland is een succesvol traject gestart om te voorkomen dat elke gemeente het anders aanpakt. Onlangs is daar het Kader POH-GGZ Jeugd opgesteld.

“Er zijn veel partijen betrokken bij de psychische zorg voor kinderen en jongeren. En die hebben allemaal hetzelfde doel: een goede GGZ voor de jeugd”, zegt Bart Maats, huisarts in Gorredijk en voorzitter van de Friese Huisartsen Vereniging (FHV). “Voor de patiënt maakt het niet uit waar de hulp vandaan komt, maar achter de schermen moet het goed geregeld zijn.” Het initiatief voor een Kader POH-GGZ Jeugd is genomen door de financiers: de gemeenten en De Friesland Zorgverzekeraar, vertelt Bert Deuling. Hij is senior beleidsadviseur jeugd bij de gemeente Leeuwarden en voorzitter van de werkgroep jeugd van Programma Sociaal Medische 1e lijn (SM1). In die werkgroep werkte hij samen met vertegenwoordigers van de gemeenten, De Friesland Zorgverzekeraar en Zorgbelang Fryslân. Los daarvan werkte ROS Friesland in de zomer van 2015 samen met partijen aan de verheldering van de spraakverwarring die was ontstaan rondom een praktijkondersteuner jeugd. Jenneke Netjes, adviseur bij ROS Friesland, inventariseerde de wensen van de huisartsen, de gemeenten en De Friesland Zorgverzekeraar.

Gezamenlijk tegen versnippering

De initiatieven van SM1 en ROS Friesland gingen een gezamenlijk traject aan. Dat mondde uit in drie werksessies waarin de structuur voor een POH-GGZ Jeugd stap voor stap vorm kreeg. “De huisartsen willen zo weinig mogelijk met de financiering te maken hebben”, zegt Bart Maats. “Regel het allemaal zoveel mogelijk achter de schermen. Als het allemaal heel versnipperd raakt, dan weegt dat niet op tegen de meerwaarde en verliezen huisartsen de motivatie om mee te doen.” Een groot winstpunt was dat in Friesland alle gemeenten gezamenlijk wilden optrekken. Want in zestig procent van de huisartsenpraktijken staan patiënten uit meerdere gemeenten ingeschreven, blijkt uit onderzoek van ROS Friesland.

Financiering

De gemeenten, huisartsen en De Friesland Zorgverzekeraar hebben een heldere structuur opgebouwd voor de financiering. Die bestaat uit de basisoptie POH-GGZ en vier plusopties die gemeenten straks – in samenspraak met de huisartsen – kunnen contracteren.

De huisartsenpraktijken hebben nog wel extra administratieve lasten aan de inzet van een POH-GGZ Jeugd, vertelt Bart Maats. Ze moeten nu declareren naar twee adressen: verzekeraar en gemeente. Toch is hij blij met het nieuwe Kader. Jenneke Netjes: “Het Kader POH-GGZ Jeugd maakt het een stuk overzichtelijker en biedt tegelijkertijd voldoende ruimte voor maatwerk, zonder gedoe over geld.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

“Decentralisaties faciliteren de individuele verschillen tussen mensen”

De decentralisaties van zorgtaken naar de gemeenten zijn een logisch gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen die zich al jarenlang voordoen, stelt Han Noten, voorzitter Transitiecommissie Sociaal Domein. Veel te lang is uitgegaan van de gedachte dat iedereen recht heeft op dezelfde zorg en dat doet geen recht aan de verschillen tussen mensen. Het gaat er juist om oplossingen te bieden voor individuele problemen. De decentralisaties faciliteren dit.

Ja, Han Noten wil best geïnterviewd worden. Dat hoort bij zijn rol als voorzitter van de Transitiecommissie Sociaal Domein, zeker nu die commissie net zijn eindrapportage heeft gepubliceerd. “Maar ik wil het verder niet hebben over de decentralisaties, want daar gaat het feitelijk helemaal niet over”, zegt hij. “Het is geen bestuurlijk vraagstuk, het gaat over zorg.”

“In de weg van kwakzalverij naar professionele zorg hebben zich twee belangrijke ontwikkelingen voorgedaan”, vervolgt hij. “Het eerste is dat de zorg geprofessionaliseerd is, ze is ondergebracht bij professionals in organisaties. De negatieve connotatie hierbij is dat de zorg over de heg is gegooid, de positieve is dat de zorg in handen is gegeven van mensen die er verstand van hebben. De tweede belangrijke ontwikkeling is dat in de zorg denken en doen zijn gesplitst en dat doen in taken uit elkaar is gehaald.”

Waardevol leven

Anno 2016 leven we in een welvarende samenleving die ruimte geeft om tot een andere definitie van zorg te komen, aldus Noten. “Het gaat niet meer over de lichamelijke definitie. Het gaat om de vraag hoe het individu een waardevol leven kan blijven leiden. De aandacht verschuift naar zelfredzaamheid, maar zelfredzaamheid is voor mij niet de nieuwe norm. Dat is kwaliteit van leven.”

Nu is er iets ingewikkelds aan de hand met de hedendaagse patiënten, stelt Noten. “Die hebben heel veel kennis vrij beschikbaar, op basis waarvan ze zich als consumenten zijn gaan gedragen. Dit leidt tot een totaal andere relatie met zorgaanbieders. Niet de arts, maar de patiënt bepaalt wat kwaliteit van leven is.” Het probleem is dat de zorg zich niet in gelijke tred mee ontwikkelt. “Rondom de patiënt is zoveel professionele en bestuurlijke verantwoordelijkheid actief dat je vooraf kunt zien: dit kán niet goed gaan. De zorgcomplexiteit is voor iedereen ondoorgrondelijk geworden.” De decentralisaties, stelt Noten, gaan over de vraag hoe je dit probleem oplost. ”Dat doe je door zorg in samenhang aan te bieden waar dat nodig is. Mensen hebben te veel kennis om zich nog als object te laten behandelen. Ze hebben voor hun zorgvraag een oplossing nodig die past bij hun situatie.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Gezondheidsrisico’s precariaat vragen gezamenlijke aanpak

De Nederlandse samenleving verandert door sociaal-maatschappelijke wijzigingen in de afgelopen jaren. Hoewel het beperken van overheidsuitgaven vanuit economisch perspectief te begrijpen valt, zijn er populaties die hierdoor gemarginaliseerd worden. De Eerstelijns analyseert vanuit sociaal-maatschappelijk gezondheidsperspectief.

De twee belangrijkste aspecten om chronische patiënten in groepen te rubriceren zijn het al dan niet hebben van gezondheidsvaardigheden en/of een sociaal vangnet. Bevoorrechte patiënten hebben gezondheidsvaardigheden die aansluiten bij datgene wat nodig is om op afdoende wijze gebruik te maken van het zorgsysteem. Daarbij worden zij actief ondersteund door een sociaal vangnet. Hoewel ze door hun ziekte of handicap een andere positie hebben dan gezonde burgers, zijn zij in staat om maatschappelijk te functioneren.

De groep die zich redelijk kan redden heeft weliswaar geen of beperkte gezondheidsvaardigheden, maar dit wordt gecompenseerd door hun sociale vangnet: ouders, familie, vrienden of buurtgenoten. De risico’s zijn hierdoor beperkt. Het vangnet grijpt in als de toestand van de patiënt daarom vraagt en helpt hem of haar de weg te vinden in het zorgsysteem. Patiënten zonder sociaal vangnet en met gezondheidsvaardigheden lopen iets meer risico, omdat ziekte de gezondheidsvaardigheden kan beïnvloeden. Dat geldt voor mensen van alle sociale klassen en opleidingsniveaus. Verreweg de meeste risico’s zijn er voor het precariaat. De mensen met lage of geen gezondheidsvaardigheden en zonder sociaal vangnet.

Precariaat

Precariaat is een samenvoeging van precair en proletariaat. De groep precariaat bestaat naar schatting uit tien tot vijftien procent van de Nederlandse bevolking. Het zijn de zogenoemde ‘pechvogels’ van onze maatschappij. Hun gezondheidsvaardigheden zijn lager dan gemiddeld. De levensverwachting is tot twaalf jaar lager dan het gemiddelde en ze mijden eerder zorg uit onwetendheid of (financiële) toetredingsdrempels. Het precariaat verdwaalt tussen wetten en loketten en heeft raakvlakken met het domein van verwarde personen. Ze hebben een ongezondere leefstijl en worden eerder maatschappelijk uitgesloten. In het concept Positieve Gezondheid worden drie van de zes dimensies in verband gebracht met aspecten in het leven die het precariaat in haar score niet of onvoldoende zal waarderen: sociaalmaatschappelijk functioneren, zingeving en mentaal welbevinden.

Het kenmerk van beschaving is de wijze waarop ‘wij’ omgaan met de kwetsbaren in ‘onze’ samenleving. Natuurlijk zijn er voldoende mensen die zich verantwoordelijk en solidair voelen en die het precariaat willen ondersteunen. Maar met projectsubsidies, vrijwilligerswerk of crowdfunding blijft de aanpak gefragmenteerd en niet gestructureerd. De bestaande financiering (Zvw, Wlz, Wmo, Participatiewet) en het ontbreken van coördinerend toezicht maakt het er voor het precariaat niet beter op. Dit vraagt om een wijkgerichte, laagdrempelige aanpak vanuit een generalistische benadering. Huisartsen, wijkverpleegkundigen, sociaalpsychiatrische verpleegkundigen, sociaal werkers en het wijkteam kunnen met een goede onderlinge afstemming met het informele circuit hier een belangrijke rol vervullen. Om te bekijken wanneer men wel, maar ook wanneer men niet moet interveniëren.

Auteurs: Deidre Beneken genaamd Kolmer en Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Praktische afspraken rondom medicatieverstrekking

Steeds meer thuiswonende ouderen kunnen niet zelfstandig hun medicatie beheren en gebruiken. Wijkverpleegkundigen bieden uitkomst, maar de door hen geboden zorgkwaliteit wordt mede bepaald door de samenwerking met apothekers. In Amsterdam treffen de twee beroepsgroepen elkaar regelmatig met als doel werkafspraken te maken en knelpunten uit de dagelijkse praktijk weg te nemen.

Apotheker Mayke Reiring van Apotheek Oud-Zuid: “Voor mensen die niet in staat zijn hun medicatie op te halen bij de apotheek, kunnen wij het pakket aan huis bezorgen. Soms doet de cliënt niet open. Je hebt het over mensen die bijvoorbeeld aan het dementeren zijn of slecht ter been. Het is vervelend dat wij het pakket niet kunnen afgeven. De thuiszorgmedewerker van deze meneer of mevrouw verwacht dat de medicatie aanwezig is en dat ze die kan toedienen wanneer ze op huisbezoek komt. Helaas wisten wij op het betreffende moment vaak niet de juiste persoon bij de thuiszorgorganisatie te bereiken om het pakket toch bij de cliënt te krijgen.”

Het is een voorbeeld van een knelpunt dat aan de orde kwam tijdens een ontmoetingsbijeenkomst voor wijkverpleegkundigen van thuiszorgorganisaties en leden van apotheekteams in Amsterdam.

Stoprecept niet verwerkt

Projectleider Wijkzorg Frieda Kooij van thuiszorgorganisatie PartiCura geeft een ander voorbeeld: “Het is belangrijk dat wijkverpleegkundigen beschikken over actuele en volledige medicatieoverzichten en aftekenlijsten. Meestal loopt het vlekkeloos, maar niet altijd. Een medisch specialist in het ziekenhuis past dan bijvoorbeeld iemands medicatie aan, maar kort na ontslag is hierover nog niet optimaal gecommuniceerd. De huisarts is nog niet op de hoogte gebracht en heeft bijvoorbeeld nog geen stoprecept naar de apotheek gestuurd. Of de apotheek heeft het stoprecept wel ontvangen, maar nog niet goed verwerkt op de aftekenlijst voor de wijkverpleegkundige.”

Ze vervolgt: “Vanzelfsprekend zijn wij alert op communicatieproblemen rondom de medicatieverstrekking en zoeken wij bij twijfel contact met de apotheker, ziekenhuisapotheker of huisarts, maar het kost vaak behoorlijk wat tijd om de juiste personen te bereiken en duidelijkheid te krijgen.”

De twee door Kooij en Reiring genoemde problemen bleken vrij gemakkelijk voorkomen. De thuiszorgorganisaties en apotheekteams beschikken nu over betere contactgegevens.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Gemeente en eerste lijn werken samen aan een gezonder Amsterdam

Wie letterlijk goed in zijn vel zit, voelt zich ook figuurlijk beter. Voor de Amsterdamse wethouder Eric van der Burg is de combinatie van zorg en sport in zijn portefeuille dan ook essentieel. Hij gelooft in een preventieve aanpak en weet daarin de eerste lijn goed te vinden. Samen met Pien van Langen, directeur ROS 1ste Lijn Amsterdam, vertelt hij over de successen en uitdagingen op de weg naar een gezonder Amsterdam.

Als het om preventie gaat, ligt het voor de hand dat de centrale overheid een grotere rol heeft dan de gemeente, vindt Van der Burg. “Die heeft daar indirect profijt van door de financieringssystematiek in de gezondheidszorg. Tegelijkertijd is het mijn taak als wethouder om ervoor te zorgen dat de mensen in de stad gezond zijn en dat het goed gaat met hun welzijn. Daarom maken we ons als gemeente onder meer sterk voor meer bewegen en een gezond gewicht en voeren we een actief beleid als het gaat om roken, drugs- en alcoholgebruik.”

De eerste lijn – en met name de huisarts – is daarin een belangrijke partner. “Mensen hechten meer geloof aan hun huisarts dan aan een politicus. Ik moet het hebben van huisartsen die hun patiënten het advies geven om meer te gaan bewegen of wat gewicht te verliezen.” ROS 1ste Lijn Amsterdam verbindt gemeente, huisartsenzorg en andere betrokken partijen en neemt in een aantal gevallen het projectmanagement voor haar rekening.

Gezond Gewicht

ROS-directeur Pien van Langen is trots op wat tot dusver is bereikt. Bijvoorbeeld met de Aanpak Gezond Gewicht. Doel is dat kinderen die nu worden geboren, in 2033 een gezond gewicht hebben. Dwars door de schotten heen hebben allerlei partijen zich daaraan geconformeerd:

scholen, huisartsen, specialisten in de tweede lijn, vrijwilligerswerk, sportverenigingen, gemeenten en stadsdelen. De wethouder was de drijvende kracht. Voor hem is de relatie tussen bewegen en gewicht essentieel. “Zodra mensen meer gaan bewegen, draagt dat bij aan het voorkomen of vertragen van allerlei gezondheidsproblemen”, legt hij uit. “Als je vervolgens kijkt naar de grote gezondheidsvraagstukken, dan zie je dat overgewicht en obesitas daarbij een enorme rol spelen. Figuurlijk goed in je vel zitten, wordt dus beïnvloed door de vraag of je letterlijk goed in je vel zit. Overgewicht is vooral onder kinderen een groot probleem, daarom richt de aanpak zich op hen.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Haarscherp zorgprofiel per wijk

Gezamenlijk vormen de wijken van een gemeente vaak een lappendeken. Hoe kunnen per gebied de specifieke zorg-, welzijns- en woonbehoeften worden blootgelegd met als uiteindelijke doel de bevolking maatwerk te bieden in de vorm van goede en betaalbare zorg in de buurt? Steeds meer ROS’en en partnerorganisaties bundelen hiertoe gegevens uit een groot aantal bronnen.

Ruwaard-Noord in Oss telt relatief veel volwassenen met overgewicht die onvoldoende bewegen. In vergelijking met de rest van Nederland kent de wijk een hoog percentage bewoners met een Turkse achtergrond, een groep die gemiddeld genomen een ongezondere leefstijl heeft dan de autochtone bevolking. Kortom, in dit gebied is sprake van belangrijke risicofactoren voor diabetes. Twee tot drie kilometer verderop, in de wijk Ussen, is de situatie anders. Daar wonen juist veel autochtonen en westerse allochtonen met een gemiddelde sociaaleconomische status. Hier is vaak meer bewustzijn van de effecten van een ongezonde leefstijl.

Passend dieetadvies

Deze onlangs inzichtelijk gemaakte verschillen bieden prima aanknopingspunten voor een wijkgerichte benadering, vertelt Annet Joustra, kennismanager Monitoring van ROS Robuust.

Het wijkgezondheidsprofiel in Oss werd vorig jaar ontwikkeld door samenvoeging van databronnen. Het ging om de ROS-Wijkscan van Robuust, de Gezondheidsmonitor van GGD Hart voor Brabant, de huisartsenregistratie van Zorggroep Synchroon en de ziekenhuisregistratie van Ziekenhuis Bernhoven.

Waarde herkennen

Het initiatief in Noord-Brabant staat niet op zichzelf. Steeds meer ROS’en herkennen de waarde van ‘big data’. Caransscoop, dat afgelopen zomer met Progez samensmolt tot Proscoop, werpt zich sinds 2013 samen met enkele collega-ROS’en op als een voortrekker. Dat leidde in de Achterhoek tot een concept waarvan de naam – Data-dialoog-doen – nu ook wordt gebruikt door het CBB/ROS-Netwerk.

Karin van der Steen is adviseur bij Prosoop én medebedenker van Data-dialoog-doen. Zij vertelt: “Voor de Achterhoek geldt hetzelfde als voor de rest van het land: de zorg is goed, maar het kan altijd beter. Drie jaar geleden achtten we het in de Achterhoek noodzakelijk niet langer vooral te denken vanuit ziektebeelden, maar vanuit de veranderende populatie en haar behoeften op wijkniveau. Onze redenering: door data uit verschillende bronnen samen te voegen, de cijfers en uitkomsten overzichtelijk weer te geven en de resultaten met elkaar te verbinden, ontstaat samenspraak tussen de partijen. Dat was volgens ons nodig om de vraag te beantwoorden wat inwoners van de Achterhoek nodig hebben om volwaardig deel te nemen aan de maatschappij.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier: