Erik Dannenberg, Divosa: “Door te denken vanuit de levensroute van de burger kunnen we problemen voor zijn”

Wat mankeert onze samenleving dat niet iedereen kan meedoen? Volgens Erik Dannenberg is dat een veel logischer vraag dan de vraag die we in zorg en welzijn gewend zijn te stellen aan mensen die buiten de boot vallen: wat mankeert u? Door de decentralisaties is ruimte ontstaan voor een brede wijkaanpak, die mensen juist aan boord houdt. Lokaal ontstaan veelbelovende initiatieven, maar het verankeren van een ‘inclusieve aanpak’ vereist volgens Dannenberg meer fundamentele veranderingen.

“In de inclusiemaatschappij hoort iedereen erbij, doet iedereen ertoe en doet iedereen mee”, legt hij uit. “Het oude verzekeringsstelsel had het ongewenste neveneffect dat we mensen gingen ‘labelen’ op hun beperking. Doordat we alles benaderen vanuit een soort medische vakjargon, wordt de groep die iets mankeert steeds groter. We zijn doorgeschoten in het plaatsen van mensen in categorale voorzieningen.”

De inclusiemaatschappij is het alternatief voor die categorale aanpak. “De crux daarvan is dat mensen met een beperking gebruikmaken van de eerstelijnszorg in de wijk, reguliere scholen bezoeken en aan de slag gaan bij werkgevers in de buurt en dat zij daar de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben.”

Blikverbreding

Mede dankzij de decentralisaties ziet Dannenberg dit steeds meer gebeuren. “Door de decentralisaties zijn we bevrijd uit aanbod gestuurde wetgeving en is er ruimte om meer vanuit het individu of het gezin te redeneren.”

Categorale oplossingen maken in toenemende mate plaats voor een persoonsgerichte aanpak vanuit gemeenten en sociaal domein, in samenwerking  met eerstelijnszorg, onderwijs, werkgevers, familie en anderen rondom het individu. In hoeverre weten partijen elkaar al te vinden? “Het is aan het ontstaan. Er wordt meer met elkaar gepraat dan ooit tevoren”, constateert Dannenberg. “Gemeenten kwamen vroeger pas in actie als een uitkering werd aangevraagd. Door die blikverbreding wordt sneller gekeken naar signalen die zijn gemist. Wat zijn voorspellende factoren voor het niet zelf kunnen vinden van werk of huisvesting? Door te denken vanuit de levensroute van de burger kunnen we problemen voor zijn.“

Gemeente en eerste lijn

Het wijkteam legt de verbinding tussen gemeente en eerste lijn, die met POH’s en de inrichting van anderhalvelijnszorg een steeds bredere rol krijgt in de wijk. Van Dannenberg mag dat nog verder gaan. “Ik zie mooie kansen voor het inrichten van echte wijkgezondheidscentra. Het succes van Welzijn op Recept laat zien dat de huisarts een grote toegevoegde waarde kan hebben bij leefstijlinterventies.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Succesvolle samenwerking tussen Service Apotheek en thuiszorg

Wijkverpleging en thuiszorg zijn belangrijke stakeholders voor apothekers. Voor sommige patiënten zijn zij de ‘ogen en oren’ van de apotheek als het gaat om therapietrouw of bijwerkingen. Andersom kan een apotheker thuiszorgmedewerkers of verpleegkundigen bijstaan als het gaat om kwaliteitsaspecten en medicatieveiligheid. Samenwerking loont dus. Maar hoe geef je dat goed vorm? Kernbegrippen zijn fysieke nabijheid, informeel contact en projectmatig werken.

In een groene wijk in Ede ligt het nieuwe Medisch Centrum Veluwse Poort waar de Edesche Apotheek nu al bijna drie jaar een mooie behuizing heeft. Naast huisartsen, fysiotherapeuten, GGD Gelderland Midden, logopedisten en tandartsen huisvest het gezondheidscentrum twee thuiszorgorganisaties: Buurtzorg Ede Oost en thuiszorgorganisatie Opella. De organisaties in Medisch Centrum Veluwse Poort willen door efficiënte samenwerking maatwerk bieden voor patiënten. ‘Samen proberen wij als zorgverleners elkaar op de hoogte te houden van de beschikbare kennis en mogelijkheden, zodat u de best mogelijke zorg krijgt’, staat op de website. En dat loopt soepel tussen de Edesche Apotheek, Buurtzorg en Opella, vertelt apotheker Liesbeth van Ree.

Korte lijntjes

De smeerolie van de samenwerking is het informele contact, zegt Van Ree. Want dat gaat makkelijk als je in hetzelfde gebouw zit. “Je loopt zo even bij thuiszorg naar binnen, bijvoorbeeld om een medicatierol te brengen of een uitdraai van de toedieningslijst. Dan is er meteen ruimte voor overleg. Als iemand zijn medicijnen niet uit de strip krijgt, kun je thuiszorg vragen om dit mee te nemen in de dagelijkse zorg. Of we passen als dat mogelijk is de tijden aan op de medicatierol, zodat de medicijnuitgifte beter past in het ritme van de thuiszorgmedewerker.” De fysieke nabijheid maakt het makkelijk om dit soort momenten te zoeken. Daardoor is structureel overleg niet nodig.

Valpreventie

Daarnaast werken de Edesche Apotheek, Buurtzorg Ede Oost, Opella en andere eerstelijnszorgverleners samen in specifieke projecten. Vorig jaar is het project ondervoeding gestart, vertelt Liesbeth van Ree, waarbij thuiszorg, huisartsen en apothekers de patiënten screenen en kennis en informatie delen. “Zo kunnen we makkelijk een programma voor betere voeding opstarten en evalueren.” Begin dit jaar is het project valpreventie bij ouderen gestart, waarbij ook fysio-, ergo- en podotherapeuten zijn betrokken. Van Ree: “Van tevoren wordt er een nulmeting gedaan door middel van een balansproef. Wij screenen op medicatie die van invloed kan zijn op bewegen en mogelijk vallen. En thuiszorg signaleert of er valincidenten voorkomen. Na een paar maanden evalueren we met alle partijen.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Consumenten verleiden tot een gezonde keuze

Kunnen we ervoor zorgen dat klanten van de supermarkt gezondere producten in hun winkelwagentje leggen? Twee eerstelijnsgezondheidscentra en een PLUS-vestiging in Nieuwegein sloegen hiertoe vorig jaar de handen ineen, daarbij geadviseerd en geobserveerd door het RIVM.

Gezonde voeding en een goede leefstijl zijn belangrijke wapens in de strijd tegen overgewicht en chronische ziekten – en daarmee tegen werkdruktoename en kostenstijging in de gezondheidszorg. Dit bewustzijn bracht twee eerstelijnsgezondheidscentra in Nieuwegein op een idee. De Roerdomp en EMC Nieuwegein zochten contact met de plaatselijke PLUS-supermarkt. Konden ze met z’n drieën proberen de voedselvaardigheid van klanten te verbeteren?

Aan de voorkant

Begin 2017 ging het project Gezondheid met een PLUS van start. Directeur Jan Joost Meijs van De Roerdomp: “In de supermarkt gaven we workshops over gezond koken. Verder verzorgden diëtisten voorlichtingssessies over gezond eten en minder zout eten. Ook is een speciale kortingskaart ontwikkeld voor gezonde producten. Die brachten we onder meer via Facebook onder de aandacht, samen met gezonde recepten. Tot slot hebben we klanten door middel van ‘nudging’ verleid om gezonde keuzes te maken.”

Uitkomsten

Zijn de uitkomsten succesvol? “Ja en nee”, zegt Meijs. “We zijn er nog niet in geslaagd de voedselvaardigheid te verbeteren, maar de gezondheidscentra en de supermarkt hebben wel veel geleerd. Dit jaar hopen we ons voordeel te doen met de geconstateerde verbeterpunten.”

Het RIVM adviseert, observeert en evalueert het project. “Het zou mooi zijn als het slaagt en als gezondheidsorganisaties en winkels elders in het land soortgelijke initiatieven nemen”,  zegt Mattijs Lambooij, wetenschappelijk onderzoeker Kwaliteit van Zorg en Gezondheidseconomie. Hij constateert dat het MKB en de zorg deels dezelfde belangen hebben. “Er is voldoende overlap in de ambities om gezond gedrag te stimuleren: beide willen bijvoorbeeld dat mensen meer groenten en fruit kopen.”

Voeding en leefstijl in opleiding Geneeskunde

Voeding en leefstijl komen vrijwel dagelijks aan bod in de huisartsenpraktijk. Toch is nog niet één procent van de curricula Geneeskunde gewijd aan voeding, leefstijl en motiverende gespreksvoering, constateerde Dianne van Dam-Nolen. Zij onderzocht dit ruim een jaar geleden als student geneeskunde in opdracht van het ministerie van VWS. Ze hield enquêtes onder bijna 900 coassistenten en 150 huisartsen die de voorliggende drie jaar hun opleiding hadden afgerond. Eén op de zeven respondenten vond zichzelf niet competent genoeg om een goed gesprek met de patiënt te voeren over voeding en leefstijl.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Stappen naar een ouderenvriendelijke samenleving

‘Zorg voor ouderen gaat ons allemaal aan’, staat in het Pleidooi voor een ouderenvriendelijke samenleving dat op initiatief van de Patiëntenfederatie tot stand kwam. Ouderenzorg raakt onze naasten en onszelf. Logisch dus dat het voor veel maatschappelijke reuring zorgt. In de praktijk komt een steeds groter deel van de zorg voor rekening van de eerste lijn.

De initiatieven en projecten voor ouderen worden als versnipperd ervaren. Het gaat nog te veel over aandoeningen en te weinig over het welbevinden, de zelfredzaamheid en wensen van ouderen zelf. Dat blijkt uit het Rapport kwetsbare ouderen dat de Patiëntenfederatie een klein jaar geleden opstelde op basis van een meldactie onder ouderen, hun naasten en hulpverleners. Reden voor twintig organisaties, waaronder InEen, LHV, ActiZ en V&VN, om onder aanvoering van de Patiëntenfederatie een coalitie te vormen die kennis, projecten en programma’s verbindt. In november 2017 vroegen zij met het Pleidooi voor een ouderenvriendelijke samenleving een actieve rol van de landelijke en lokale overheid op het gebied van passende zorg, informele zorg, samenhang en afstemming en het woonaanbod.

Visie huisartsenzorg

De visie Huisartsenzorg voor ouderen, ontwikkeld door NHG, Laego en LHV met medewerking van InEen, sluit goed aan bij het pleidooi. De ambitie van de beroepsgroep is om huisartsenzorg voor ouderen proactief, persoonsgericht en samenhangend te organiseren, gericht op het ondersteunen van een goede kwaliteit van leven. Daar is wel wat voor nodig. Denk aan voldoende tijd en middelen, goede lokale netwerkpartners en voorzieningen (opnamecapaciteit!) en voldoende personeel met de juiste competenties.

Faal- en succesfactoren

Regionaal wordt op allerlei manieren invulling gegeven aan die ambitie. Onderzoeksbureau ARGO deed in opdracht van het Bestuurlijk Overleg eerste lijn in 2016 een inventarisatie onder 120 samenwerkingsverbanden en analyseerde faal- en succesfactoren. Persoonlijke betrokkenheid en enthousiasme van de participanten, met name van de huisartsen – blijkt cruciaal voor het succes van de samenwerking. Financiering en gegevensuitwisseling werden het vaakst genoemd als belemmerende factor.

Plan van aanpak

Naar aanleiding van het rapport kwamen de landelijke partijen tot aanbevelingen voor doorontwikkeling van de zorg voor kwetsbare ouderen. Met die aanbevelingen zijn de landelijke organisaties aan de slag gegaan, vertelt Frederik Vogelzang, programmamanager bij InEen. “Om de regio’s een steuntje in de rug te geven, heeft het Bestuurlijk Overleg eerste lijn in samenwerking met Actiz en VNG het Plan van aanpak Zorg voor kwetsbare ouderen ontwikkeld.” Door veertien koepels, waarvan een deel participeert in het Bestuurlijk Overleg eerste lijn, is een projectgroep gevormd. Van daaruit gaan werkgroepen aan de slag met de uitvoering van de thema’s uit het Plan van aanpak.

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Pharos: Laaggeletterden en zorgverleners werken samen aan passende zorg

Laaggeletterden lopen tegen barrières aan in de zorg en in de samenleving, die voor veel hoger opgeleiden ondenkbaar zijn. Adviezen van zorgverleners en informatie over gezondheid en zorg zijn voor deze mensen vaak te complex of het aanbod is niet bekend. Verwijzingen lopen vast in administratieve rompslomp of medicatie wordt niet juist gebruikt. Terwijl deze groep juist vaker kampt met chronische aandoeningen als overgewicht, diabetes en hart- en vaatziekten en zeven jaar eerder overlijdt.

Om te komen tot effectievere zorg voor laaggeletterden, begeleiden Vilans en Pharos  in drie gezondheidscentra (Utrecht, Kerkrade en Arnhem) een pilot waarin laaggeletterde patiënten zelf een belangrijke rol hebben. Via multidisciplinaire teams met zowel professionals als laaggeletterde patiënten wordt bekeken hoe zorg, ondersteuning en leefstijlinterventies, beter kunnen aansluiten op de vaardigheden en leefwereld van laaggeletterde patiënten.

Meer begrip

Laaggeletterden weten de huisarts goed te vinden. Maar laaggeletterdheid en beperkte gezondheidsvaardigheden worden in de huisartsenpraktijk vaak niet (tijdig) herkend. Communicatie, materialen en praktijkorganisatie zijn meestal niet afgestemd op deze doelgroep.

Op de drie pilotlocaties leidt de samenwerking met laaggeletterde patiënten nu al tot meer begrip voor laaggeletterden en het maakt blinde vlekken zichtbaar.

Participatieve aanpak

De aanpak is geïnspireerd op de Participatory Learning and Action4 methode en op Design Thinking. De ervaringen en kennis van alle betrokkenen staan centraal en zijn gelijkwaardig. Dit  helpt het gat te dichten tussen wat patiënten willen en wat zorgorganisaties en zorgverleners doen. In het eerste projectjaar vonden meerdere bijeenkomsten plaats waarin steeds één onderwerp centraal stond, zoals het herkennen van laaggeletterdheid of de verwachtingen die laaggeletterden hebben van de zorg. Een duo van huisarts en praktijkondersteuner zorgt per praktijk voor het opvolgen van de acties die voortkomen uit de bijeenkomsten.

Eerste opbrengsten  

Uit de evaluatieronde blijkt dat de zorgverleners alerter zijn op laaggeletterdheid onder hun eigen patiënten. Ze stellen vaker gerichter vragen om laaggeletterdheid te achterhalen en registreren dit, in goed overleg met de patiënt, vaker in het dossier. Deelnemende patiënten vinden het fijn dat ze mee mogen denken en hebben het gevoel serieus te worden genomen. De meeste patiënten zijn gedurende het traject mondiger geworden en spreken soms zorgverleners direct aan op hoe zij het doen.

De begeleiding vanuit Vilans en Pharos loopt nog tot november 2018 en wordt gevolgd met onderzoek.

Auteurs: Karen Hosper, Jeanny Engels, Jeroen Havers, Maria van den Muijsenbergh

Download het volledige artikel hier:

“Succesvolle medisch-sociale samenwerking start bij de inwoners van de wijk”

Patiënten die zeggen beter te worden gehoord. Professionals die stellen meer te bereiken en hun werkdruk beter te kunnen reguleren. Zorggebruik en -kosten die afnemen. Het mag duidelijk zijn: ‘Krachtige basiszorg’ in het Utrechtse Overvecht is een lichtend voorbeeld voor andere achterstandswijken en beleidsmakers.

“Onaangekondigd kwam een patiënt binnengestormd die gisteren ook op mijn spreekuur was geweest. Ze sprong van de hak op de tak. Ze vreesde voor een hartinfarct, haar hondje was dood en ze had ruzie gemaakt met haar dochter. In zo’n situatie red je het als huisarts niet met oorzaak-gevolg-denken. Nadat ik de kans op een hartinfarct had uitgesloten, maakte ik een nieuwe afspraak met haar. Bij het tweede bezoek hebben we ons 4-Domeinenmodel ofwel 4D-model gehanteerd: lichaam, geest, sociaal en maatschappelijk. Zo kwam ik erachter dat mevrouw laaggeletterd was, haar zoon in detentie zat en dat ze schulden had. In een gesprek samen met het buurtteam sociaal hebben we de situatie in kaart gebracht en besproken waar ze zelf aan wilde en kon werken. Dat bleek de schuldenproblematiek te zijn. Dat heeft het buurtteam met haar opgepakt.”

Jacqueline van Riet, huisarts en praktijkhouder van Huisartsenkliniek Overvecht én huisartsbestuurder van het eerstelijnssamenwerkingsverband Overvecht Gezond, maakt met één patiëntcase veel duidelijk over Krachtige basiszorg. Dit is een integrale wijkaanpak op het vlak van zorg, welzijn, preventie: álle professionals en hun organisaties zijn hierbij betrokken, óver de domeinen heen. Zij vormen samen ‘de Gezonde Wijk Alliantie’.

Integrale aanpak

Van Riet en vele eerstelijnscollega’s besloten tien jaar geleden ‘het anders te gaan doen’. Zij ontwikkelden het samenwerkings- en gespreksmodel waarin de vier domeinen zijn geïntegreerd. Inmiddels hanteren honderden professionals het. Buurtteamorganisatie Sociaal bijvoorbeeld. Ontwikkelaar Ingrid Horstik: “We hebben alle buurtteammedewerkers geschoold in het werken met het 4D-model. We gebruiken het in de samenwerking om tot afstemming te komen met andere disciplines. Het 4D-model fungeert als een gezamenlijke ‘taal’ en is daarmee de basis van de integrale aanpak.”

Petra van Wezel, manager binnen Overvecht Gezond, noemt een belangrijk uitgangspunt van de aanpak. “Wij beginnen bij de inwoners van de wijk en organiseren maatwerk op basis van gezamenlijke analyse. Dat is een wezenlijk andere insteek dan starten vanuit het eigen domein of de eigen discipline en van dááruit de samenwerking zoeken.”

Dalende kosten

De professionals in Overvecht ervaren dat zij betere resultaten boeken met cliënten en dat ze meer grip hebben op hun werkdruk. Cliënten tonen zich ook tevreden. Bovendien dalen dankzij Krachtige basiszorg de kosten, zo bleek uit een onderzoek samen met NIVEL, ROS Raedelijn en zorgverzekeraar Zilveren Kruis.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Verschil doet ertoe

Adele (35) brengt regelmatig een bezoek aan haar huisarts. Haar gewrichtsklachten nemen toe en haar suiker raakt slecht onder controle. Adele heeft alleen basisonderwijs gevolgd. Ze is al enige tijd haar baan kwijt, zit in de schuldsanering en is eenzaam. Ze wordt depressief en krijgt steeds meer overgewicht. De dreigende huisuitzetting die Adele door huurachterstand boven het hoofd hangt, is niet bekend bij haar huisarts.

Adele is één van de vele voorbeelden van patiënten die dagelijks zorgen voor ‘hoofdbrekers’ voor huisartsen, vooral in wijken waar veel sociaal economische achterstand is. Ze hoort tot de groep mensen die gemiddeld 7 jaar korter leeft en maar liefst 19 jaar minder gezonde levensjaren ervaart dan hoogopgeleide Nederlanders. De overheid wil deze sociaal economische gezondheidsverschillen verminderen dan wel stabiliseren. Dit voorjaar werd bekend dat de GIDS-gelden die gemeenten hiervoor ontvangen, ook de komende vier jaar beschikbaar zijn voor gemeenten. Wat betekent dit voor de eerstelijnszorg?

“Sociaal-economische gezondheidsverschillen hebben meerdere oorzaken; niet alleen gedrag, maar ook economische omstandigheden, fysieke en sociale leefomgeving en milieu spelen een rol. Het terugdringen van gezondheidsachterstanden vraagt om een brede aanpak waarbij meerdere domeinen, inwoners zelf én de eerste lijn betrokken zijn”, aldus Monica van Berkum, directeur van Pharos, expertisecentrum gezondheidsverschillen. Met kennis uit binnen en buitenland ontwikkelde Pharos het stimuleringsprogramma Gezond in… dat samen met Platform31, gemeenten adviseert bij de aanpak van gezondheidsachterstanden.

GIDS-gelden

Sinds 2014 ontvangen 164 gemeenten via de decentralisatie-uitkering Gezond in de Stad (GIDS) van het ministerie van VWS, financiële steun voor aanpak in wijken waarin grote gezondheidsachterstanden voorkomen. Van Berkum: “Een betere gezondheid kan vaak worden bereikt door ook aan andere knoppen te draaien dan we gewend zijn. Het bevorderen van een gezonde leefstijl is één van die knoppen, maar de aanpak van armoede, schulden, het begeleiden naar werk en het voorkomen van laaggeletterdheid, schooluitval en eenzaamheid zijn minstens zo belangrijk. Vandaar dat we gemeenten een brede aanpak adviseren die veel verder reikt dan het domein van Volksgezondheid en Sport.” Dat de GIDS-financiering en het stimuleringsprogramma Gezond in… de komende vier jaar worden voortgezet, stemt Van Berkum gelukkig: “Dit geeft ons de kans samen met gemeenten nog vier jaar al doende te leren. Een goede aanpak vergt tijd en een lange adem. Gelukkig gebeurt er al veel onder andere samen met wijkteams en de eerste lijn. De overtuiging dat we iets aan de gezondheidsachterstanden moeten en kunnen doen, groeit.”

Auteur: Pharos

Download het volledige artikel hier:

Multidisciplinaire aanpak armoedebestrijding in Hoorn

Armoede maakt levens kapot. In de Hoornse wijk Kersenboogerd kiezen ze daarom voor een bijzondere manier van armoedebestrijding. Met het project Stand-by helpen buurtbewoners medebewoners met financiële problemen. Het leidt tot meer zelfredzaamheid en sociale participatie van bewoners, ook op langere termijn. En het bespaart de gemeente Hoorn veel geld.

Dertien procent van de 22.000 inwoners van de wijk Kersenboogerd in Hoorn leeft onder de armoedegrens. Daar moest iets aan gebeuren, vonden Joke Brouwer, oud-bestuurder van gezondheidscentrum Kersenboogerd, en Maria van Nuland, sociaal werker bij de Hoornse welzijnsorganisatie Stichting Netwerk.

In 2015 startten Stichting Netwerk, gezondheidscentrum Kersenboogerd en budgetcoach Jacqueline Raven het project Stand-by, een bijzondere manier van armoedebestrijding in Kersenboogerd. Bewoners die in armoede leven, krijgen een buurtbewoner als maatje om hen te helpen, maximaal voor een half jaar. Niet de zorgprofessional, maar de buurvrouw drie straten verderop helpt de alleenstaande moeder om haar financiën op de rails te krijgen.

Planmaatjes en buurmaatjes

Dat werkt, vertelt Brouwer. “Sommige van de deelnemers aan Stand-by zijn zorgmijders. Zorgprofessionals komen bij hen niet binnen, maar hun maatje wel.” Stand-by werkt met planmaatjes en buurmaatjes, vult Van Nuland aan. “De planmaatjes helpen deelnemers bij hun financiën en thuisadministratie. De buurmaatjes zijn er voor de sociale dingen.” De maatjes krijgen coaching van een team professionals. Van Nuland: “Alle maatjes krijgen een basistraining in communicatie. Hoe kun je het beste contact maken met de deelnemers? De planmaatjes krijgen daarnaast training van onze budgetcoach.”

Zelfredzaamheidsmonitor

Stand-by gaat nu het derde jaar in. Het eerste jaar werden tien gezinnen begeleid, het tweede en derde 25. Uit de zelfredzaamheidsmonitor van de gemeente Hoorn blijkt dat de zelfredzaamheid van deelnemers een jaar na afloop nog altijd groter is. De gemeente heeft een bijdrage voor vier jaar toegezegd en daarvan zijn er nog twee te gaan. Het maatjesproject bespaart ook geld. Brouwer: “Onze ondersteuning van de eerste 35 gezinnen heeft de gemeente en de woningbouwvereniging samen 40.000 euro opgeleverd. Bijvoorbeeld doordat we een aantal gezinnen uit de schuldsanering hebben weten te houden. En drie huisontruimingen hebben weten te voorkomen.”

Multidisciplinair

De kracht van Stand-by, daar zijn Brouwer en Van Nuland het over eens, zit in de multidisciplinaire aanpak. Brouwer: “Dit is een samenwerkingsproject van verschillende organisaties die veel met elkaar samenwerken. We bouwen voort op een reeds bestaand sterk netwerk. Dat is een succesfactor van Stand-by.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Ondersteunde zelfzorg: zo doe je dat

Binnen drie jaar op grote schaal ondersteunde zelfzorg implementeren. Dat was de doelstelling waarmee coöperatie Zelfzorg Ondersteund! (kortweg: ZO!) in 2013 van start ging. Het bleek een aanstekelijke ambitie: inmiddels zijn 62 van de 94 zorggroepen in ons land ermee aan de slag gegaan.

Voor mensen met een chronische aandoening is het belangrijk kwaliteit van leven te behouden en eigen regie te blijven ervaren. Ze krijgen slechts één procent van de tijd ondersteuning van professionele zorgverleners, voor de andere 99 procent van de tijd moeten ze zelf een manier vinden om hun aandoening te managen. Ondersteunde zelfzorg is daarbij essentieel. Begrijpelijk dus dat patiëntenverenigingen, zorgaanbieders en zorgverzekeraars elkaar hebben gevonden in ZO!. “Om te achterhalen hoe realistisch onze ambitie was, moesten we eerst in beeld krijgen wat er al gebeurde op het gebied van ondersteunde zelfzorg”, zegt Pieter Jeekel, trekker van ZO!. “We ontdekten dat 42 zorggroepen ermee aan de slag waren, maar slechts een paar echt effectief. Er waren twintig leveranciers van ondersteunende technische platforms. Slechts twee daarvan bleken te voldoen aan de eisen op het gebied van functionaliteit, koppeling en beveiliging die wij daarvoor opstelden.”

Geïntegreerde aanpak nodig

Werk aan de winkel dus. Aan de zijde van de zorgaanbieders moest sprake zijn van een geïntegreerde aanpak in ondersteunde zelfzorg. Jeekel: “Dat houdt in dat de patiënt goed geïnformeerd wordt over wat zijn chronische ziekte inhoudt en wat hij kan doen om daar zo goed mogelijk mee om te gaan. Ook vraagt het om coachende professionals, die tijd en kennis hebben om op basis van motivational interviewing met de patiënt op zoek te gaan naar wat hem motiveert om tot zelfzorg te komen. Verder vraagt het om de juiste ondersteuning in eHealth. En om de juiste incentives voor zorgprofessionals om hiermee aan de slag te gaan.”

Ook aan de technische platforms moeten eisen worden gesteld. Jeekel: “Een technisch platform heeft waarde als het de patiënt ondersteunt in zelfmanagement. Als het die patiënt dus informatie en educatie biedt, hij ermee kan communiceren met zijn zorgverlener en als de doelen en plannen van de ondersteunde zelfzorg kunnen worden verwerkt in het individuele zorgplan van de patiënt.”

Langs beide lijnen is gewerkt aan professionalisering. Met succes: het aantal aanbieders van technische platforms dat voldoet aan de ZO!-eisen steeg van twee naar zes. En het aantal zorggroepen dat een geïntegreerde aanpak voor ondersteunde zelfzorg ontwikkelde overeenkomstig de doelstellingen van ZO! groeide naar 62.

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Samenwerking gemeenten en huisartsenpraktijken is maatwerk

Zorggroep ZIO (Zorg in Ontwikkeling) is sinds 2011 betrokken bij de ontwikkelingen rond de gemeentelijke zorgtaken. ZIO ziet het als haar taak om huisartsenpraktijken te ondersteunen in de samenwerking met gemeenten rondom jeugdzorg, wijkteams en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het tot stand brengen van een goede verbinding tussen huisartsen en gemeente staat daarbij centraal.

ZIO constateerde in 2010 dat samenwerking tussen huisartsenpraktijken en gemeente (Wmo) binnen de Keten Ouderenzorg een knelpunt was. De zorggroep legde daarop de eerste contacten met de gemeente Maastricht, wat leidde tot de uitvoering van een project waarin een vaste Wmo-contactpersoon gekoppeld werd aan twee huisartsenpraktijken. De ervaringen waren positief, maar de gemeentelijke prioriteiten lagen op dat moment op een ander gebied, waardoor verdere uitrol stokte. Wel ontstond door dit project een intensieve samenwerking tussen ZIO en de gemeenten in Maastricht-Heuvelland. Ook andere partners sloten bij deze samenwerking aan.

Invoering van de nieuwe Jeugdwet leidde in 2014 tot een nieuwe impuls voor de samenwerking tussen huisartsen en het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) in Maastricht. Er werd een experiment gestart waarin vijf samenwerkingsvormen met CJG-medewerkers in vijf huisartsenpraktijken werden beproefd. Alle pilotvormen leidden tot betere samenwerking, maar er bleek geen blauwdruk te zijn voor optimale samenwerking tussen huisartsen en jeugdzorg. Maatwerk is noodzakelijk.

Nieuwe knelpunten

Per 1 januari 2015 veranderde er veel door nieuwe wetgeving op het gebied van Wmo en Jeugd. Nieuwe knelpunten kwamen bovendrijven en ZIO ging daarmee aan de slag. Samen met de gemeenten werden voor huisartsen en praktijkondersteuners bijeenkomsten georganiseerd over de gemeentelijke ontwikkelingen. En op verzoek van ZIO wezen de gemeenten een Wmo– en jeugdcontactpersoon per huisartsenpraktijk aan. Daarnaast is met de huisartsen een visie ontwikkeld over de positionering van de huisartsen in de regio bij de inrichting van de gemeentelijke stelselwijzigingen. Ook werd een aanvraagformulier ontwikkeld waarmee gemeenten (Wmo en Jeugd) gerichte medische informatie over een cliënt bij de huisarts kunnen opvragen. Momenteel onderzoeken de partijen de mogelijkheden voor het inzetten van een ICT-systeem voor multidisciplinaire samenwerking en veilige digitale informatie-uitwisseling.

Samenwerking nader onderzocht

Hoe wordt de samenwerking tussen huisarts en gemeente in het kader van Wmo en Jeugdwet nu ervaren? En wat kan nog beter? Dat liet ZIO in de eerste helft van 2016 onderzoeken. Huisartsen en gemeente blijken op een aantal punten anders tegen de samenwerking aan te kijken. Er zijn bijvoorbeeld cultuurverschillen en de gemeente, huisartsen en zorgverzekeraar hebben een andere kijk op de rol die de huisarts moet spelen. Hoewel de samenwerking nog pril is, bestaat bij alle partijen wel de wil om de samenwerking te verbeteren en toekomstbestendig te maken.

Auteurs:

Ingeborg Wijnands, senior beleidsadviseur, ZIO

Thijs Leuven, student geneeskunde, Universiteit Maastricht

Sanne Stauder, beleidsmedewerker gemeentelijke ontwikkelingen, ZIO

Mariëlle Kroese, senior onderzoeker, Universiteit Maastricht

Anna Huizing, coördinator chronische zorg en onderzoek, ZIO en Universiteit Maastricht

Download het volledige artikel hier: