Wetsvoorstel: cliëntenraad bij meer dan 25 zorgverleners

Een cliëntenraad voor eerstelijnsorganisaties met meer dan 25 zorgverleners. Misschien wordt dit wettelijk verplicht in 2019. Waarop moeten bijvoorbeeld huisartsenposten, kraamzorginstellingen en grote fysiotherapiepraktijken bedacht zijn?

Eerstelijnsorganisaties zijn tot dusver in de praktijk niet verplicht een cliëntenraad in te stellen. Geheel in de tijdgeest van ‘meer patiëntbetrokkenheid en transparantie’ wil minister Bruno Bruins voor Medische Zorg en Sport dit veranderen. In november 2018 wist de bewindvoerder in de Tweede Kamer een meerderheid te vinden voor een wet die de positie van cliëntenraden moet verstevigen en van grotere eerstelijnsorganisaties eist dat ze zo’n orgaan opzetten. De naam: de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) 2018. Nieuw aan de al bestaande wetsnaam is de toevoeging ‘2018’.

Senatoren aan zet

“De belangrijkste wijziging voor eerstelijnsorganisaties is dat ze over een cliëntenraad moeten beschikken als er meer dan 25 zorgverleners werkzaam zijn. Baliemedewerkers worden bijvoorbeeld niet meegeteld.” Dat zegt mr. Linda Koeslag-Meijer. Zij is kandidaat-notaris bij De Eerstelijns partner Gietema Wevers notarissen. “Maar de wet wordt pas van kracht als er ook een meerderheid voor is in de Eerste Kamer.”

Vooralsnog is het ongewis of meer dan de helft van de senatoren voorstander is. Sterker, in theorie is het in het uiterste geval mogelijk dat de door de minister voorgestelde wet niet ter stemming wordt voorgelegd aan de Eerste Kamer. Koeslag-Meijer: “De Eerste Kamercommissie voor VWS verricht nu voorbereidend onderzoek naar de wet. Op 15 januari is er voor het eerst over vergaderd. In de komende periode wordt duidelijk wat het vervolg is. Zijn er bijvoorbeeld wijzigingen gewenst?”

Vraagtekens

Tijdens de plenaire vergadering op 20 november plaatsten sommige leden van de Tweede Kamer al vraagtekens bij onder meer thema’s waarover cliëntenraden advies- en soms ook instemmingsrecht zouden krijgen, zoals begrotingen, jaarrekeningen, wijzigingen van doelstellingen en voorstellen tot fusies.

Koeslag-Meijer: “Je kunt je afvragen of cliënten niet liever willen meepraten over onderwerpen als bereikbaarheid en rolstoeltoegankelijkheid. Daar komt bij dat cliëntenraden van eerstelijnsorganisaties de wettelijke plicht zouden krijgen om vragen en behoeften van cliënten te inventariseren en hen vervolgens ook te informeren over de uitkomsten. Dat is best heftig: hoe gaat een cliëntenraad dit praktisch organiseren?”

Ook strategische vraagstukken

Tom Schoen is manager Eerste lijn & Langdurige Zorg bij Patiëntenfederatie Nederland. Hij meent ook dat cliëntenraden vooral zouden moeten meedenken en adviseren over praktische onderwerpen. “Ik denk onder meer aan online dienstverlening. Of bereikbaarheid van praktijken op piekmomenten. Maar het is ook belangrijk de raad te betrekken bij meer strategische vraagstukken. Wat is de toekomstvisie van de organisatie op zorg? Komt die overeen met wat cliënten zien gebeuren?”

Auteur: Gerben Stolk

Download hier het artikel.

Cliëntenraden in de eerstelijnszorg

Regelmatig krijgt Gietema Wevers notarissen de vraag of organisaties in de eerstelijnszorg verplicht zijn tot instelling van een cliëntenraad. Deze vraag is helaas niet met een eenvoudig ‘ja’ of ‘nee’ te beantwoorden. Het wetsvoorstel Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 maakt het er niet eenvoudiger op. Notarissen Oskar Gietema en Linda Koeslag-Meijer geven enkele handvatten voor de praktijk.

De cliëntenraad is geregeld in de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz). Op grond van de Wmcz zijn instellingen in de zin van de Wet toelating zorginstellingen (WTZi) verplicht tot instelling van een cliëntenraad. In de eerste lijn is de WTZi onder meer van toepassing op huisartsenpraktijken, verloskundigenpraktijken, tandartsenpraktijken, paramedische praktijken, huisartsenposten en gezondheidscentra. Hiermee zijn die organisaties naar de letter van de wet verplicht tot instelling van een cliëntenraad.

Standpunt NZa

In de praktijk zien wij dat eerstelijnszorgorganisaties meestal geen formele cliëntenraad hebben ingesteld en dat zij hiertoe ook niet worden verplicht door toezichthoudende instanties, zoals de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De NZa stelt zich in meerdere openbare fusiebesluiten in het kader van de zorgspecifieke concentratietoets bij fusies tussen eerstelijnszorgorganisaties op het standpunt dat onder meer instellingen voor huisartsenzorg, verloskundige zorg, kraamzorg, mondzorg, paramedische zorg en farmaceutische zorg, niet verplicht zijn om een cliëntenraad te hebben. Dit standpunt is gebaseerd op de wetsgeschiedenis van de Wmcz.

Nieuwe koers

Op 20 december 2017 is echter het wetsvoorstel ‘Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018’ ingediend bij de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel stelt een cliëntenraad ook verplicht voor de meeste eerstelijnszorgorganisaties, ongeacht de rechtsvorm. Iedere rechtspersoon, organisatorisch verband en natuurlijke persoon die bedrijfsmatig zorg verleent of doet verlenen als bedoeld bij of krachtens de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), én waar in de regel meer dan tien natuurlijke personen zorg verlenen, is op grond van het wetsvoorstel verplicht om een cliëntenraad te hebben (met de mogelijkheid om uitzonderingen vast te stellen). Hiermee lijkt de wetgever een andere koers te willen gaan varen.

Auteur: Linda Koeslag-Meijer, Oskar Gietema (Gietema Wevers Notarissen)

Download het volledige artikel hier:

Nieuwe Governancecode Zorg ook van belang voor georganiseerde eerste lijn

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Governancecode Zorg van kracht. Deze code vervangt de Zorgbrede Governancecode uit 2010. De Governancecode Zorg geldt als lidmaatschapsverplichting voor leden van de Brancheorganisaties Zorg (BoZ). Organisaties in de eerstelijnszorg zijn daar in de regel geen lid van. Toch is het ook voor bestuurders en commissarissen in de georganiseerde eerstelijnszorg aan te raden om kennis te nemen van de nieuwe code. Waarom? En wat zijn de uitgangspunten van de nieuwe Governancecode Zorg?

Op dit moment bestaat er geen wettelijke verplichting voor zorgorganisaties om de code toe te passen. Governance in de zorgsector heeft echter al een aantal jaren de aandacht van de minister van VWS. In 2013 kondigde de inmiddels demissionair minister Schippers nog een specifiek wetsvoorstel voor Goed bestuur in de zorg aan. Hier heeft zij in 2015 bij brief vanaf gezien, met als kernreden dat ‘good governance’ moeilijk in wet- en regelgeving te vatten is en op gespannen voet kan staan met de eigen verantwoordelijkheid van bestuurders en commissarissen zelf. Zij stelt: ‘Een cultuur van goed bestuur is niet te vatten in afvinklijstjes’.

In diezelfde brief uit 2015 wordt duidelijk dat de Governancecode Zorg zich wat het ministerie betreft niet beperkt tot BoZ-leden: ‘Heel duidelijk wordt de lijn dat de Zorgbrede Governancecode ook voor zorgaanbieders die niet bij de BoZ zijn aangesloten geldt. Hiermee wordt bereikt dat de verplichtingen in de code ook gelden voor zorgaanbieders die geen lid zijn van de BoZ, zoals verschillende groepen aanbieders in de eerstelijnszorg. Dit vereist mogelijk wel een verbreding van de basis voor een dergelijke code.’

Minder regel gedreven

Onder de code uit 2010 was dit standpunt moeilijk voor te stellen, omdat die code behoorlijk regel gedreven was en een raad van commissarissen (in de code: raad van toezicht) bij een zorgorganisatie als vanzelfsprekend leek te zien. Met name bij zorgaanbieders in de eerstelijnszorg is dit lang niet altijd een vanzelfsprekendheid en wordt een raad van commissarissen gelet op de omvang vaak als ‘te zwaar’ ervaren. In de nieuwe Governancecode Zorg is hier goed op ingespeeld, omdat die code minder regel gedreven is, het hebben van een raad van commissarissen niet als uitgangspunt stelt en een aparte paragraaf kent voor kleine organisaties.

Ook vanuit andere hoeken verschijnt de Governancecode steeds meer in de georganiseerde eerstelijnszorg. Lees in het volledige artikel wat de belangrijkste punten zijn uit de Governancecode Zorg.

Auteurs: Oskar Gietema en Linda Koeslag-Meijer, Gietema Wevers notarissen

Download het volledige artikel hier:

Wettelijk kader voor toezichthoudend orgaan van stichting

Is uw organisatie een stichting met een toezichthoudend orgaan? Dan is belangrijk om te weten dat er een nieuwe wet in voorbereiding is: de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen. De minister van Veiligheid en Justitie heeft op 8 juni 2016 een wetsvoorstel uitgebracht dat in behandeling is bij de Tweede Kamer. Dit voorstel zal waarschijnlijk – anders dan enkele recente wetsvoorstellen in de zorgsector die zijn ingetrokken – wel wet worden. Wat houdt het in?

Het voorstel geldt voor stichtingen en andere rechtspersonen in alle sectoren en voorziet in de maatschappelijke behoefte om een reeds lange tijd geconstateerde leemte in de wet in te vullen. Op dit moment voorziet de wet namelijk alleen voor de coöperatie, de BV, de NV en de onderlinge waarborgmaatschappij in een toezichthoudend orgaan: de raad van commissarissen. Voor de stichting en de vereniging is in de wet geen basis voor een toezichthoudend orgaan opgenomen. In de praktijk bestaan er al jaren met name veel stichtingen met een toezichthoudend orgaan. Dat orgaan is dan in de statuten van de stichting gecreëerd en wordt in de gezondheidszorg meestal “raad van toezicht” genoemd, maar soms ook ‘raad van commissarissen’. Doordat er geen wettelijke basis voor het toezichthoudend orgaan van een stichting of vereniging bestaat, is er regelmatig onduidelijkheid over de regels die daarop van toepassing zijn. Dit wetsvoorstel brengt een einde aan die onduidelijkheid.

Het wetsvoorstel bevat uitgebreide algemene bepalingen die van toepassing zijn op besturen van stichtingen, verenigingen, coöperaties, BV’s en NV’s. Daarnaast opent het wetsvoorstel voor al die rechtspersonen de mogelijkheid om een raad van commissarissen in te stellen. De term ‘raad van toezicht’ verdwijnt hiermee. Ook voor de raad van commissarissen bevat het wetsvoorstel een uitgebreide set regels. Hiermee gelden voor alle stichtingen, verenigingen, coöperaties, BV’s en NV’s dan dezelfde basisregels aangaande bestuur en toezicht.

Advies

Vooruitlopend op de invoering van het wetsvoorstel adviseert Gietema Wevers Notarissen stichtingen (en verenigingen) met een toezichthoudend orgaan om dit onderwerp te agenderen voor de eerstvolgende vergadering van bestuur en raad van toezicht.

Auteurs: Oskar Gietema en Linda Koeslag-Meijer (Gietema Wevers Notarissen)

Download het volledige artikel hier:

Informeer de vakbonden bij een fusie of overname in de zorg

Per 1 oktober 2015 is het toepassingsbereik van de SER-Fusiegedragsregels uitgebreid naar de zorgsector. Bij een fusie van een bepaalde omvang moeten op grond van die regels de vakbonden en de Sociaal-Economische Raad (SER) worden geïnformeerd. Doel is bescherming van de belangen van de werknemers. Wanneer zijn de gedragsregels van toepassing en wat houden ze in?

De SER-Fusiegedragsregels zijn niet alleen van toepassing op juridische fusies, maar ook op andere situaties waarin de zeggenschap over een onderneming of een onderdeel daarvan overgaat, en op het vormen van een samenstel van ondernemingen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een overname, het oprichten van een gezamenlijke organisatie of een bestuurlijke fusie. Uiteraard zijn de gedragsregels niet van toepassing wanneer het een ‘interne’ structuurwijziging betreft, zoals een juridische fusie tussen twee B.V.’s. binnen één en dezelfde organisatie.

Er zijn twee drempels die de werkingssfeer van de SER-Fusiegedragsregels beperken. Naleving is verplicht wanneer:

  1. bij ten minste één van de betrokken ondernemingen of het samenstel waarvan de onderneming deel uitmaakt in de regel 50 of meer personen werkzaam zijn;
  2. bij de onderneming waarin de zeggenschap overgaat in de regel ten minste 10 personen werkzaam zijn.

In de praktijk houdt dit veelal in dat bij ten minste één van de betrokken organisaties een ondernemingsraad dient te zijn ingesteld om onder het toepassingsbereik te vallen.

Wanneer de gedragsregels van toepassing zijn, moeten de betrokken organisaties de betreffende vakbonden en de SER in kennis stellen van de voorbereiding van de fusie en de inhoud daarvan. De vakbonden mogen hun oordeel geven over de fusie vanuit het belang van de werknemers. Uitgangspunt is dat het oordeel van wezenlijke invloed moet kunnen zijn op het al dan niet tot stand komen van de fusie en de kernelementen daarvan.

Download het volledige artikel hier:

Goed bestuur in de eerstelijnszorg

Op dit moment zijn bepalingen omtrent goed bestuur in de zorg opgenomen in de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) en de Zorgbrede Governancecode. De WTZi zou met enkele andere zorgwetten worden vervangen door de Wet Cliëntenrechten Zorg. Dat wetsvoorstel van 2010 is echter in 2013 weer ingetrokken. Vervolgens werd door de minister van VWS een wetsvoorstel inzake goed bestuur in de zorg aangekondigd. Bij brief van 22 januari 2015 heeft de minister aangegeven af te zien van een separaat wetsvoorstel goed bestuur. Wel heeft zij enkele andere wijzigingen aangekondigd. De stand van zaken. 

In de eerste lijn is de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) onder andere van toepassing op huisartsenposten, trombosediensten, ggz-praktijken, gezondheidscentra en zorggroepen. De WTZi verplicht die organisaties, meestal afhankelijk van het aantal werknemers, tot instelling van een onafhankelijk toezichthoudend orgaan. Aan de inrichting van de taken en bevoegdheden van het bestuur en het toezichthoudend orgaan worden door de WTZi geen eisen gesteld. De Zorgbrede Governancecode bevat juist uitgebreide bepalingen over goed bestuur en goed toezicht.

De code verklaart zichzelf van toepassing op zorgorganisaties, maar alleen leden van de Brancheorganisaties Zorg zijn verplicht de code na te leven. Daarnaast wordt naleving van de code in de praktijk soms verlangd door zorgverzekeraars of de IGZ. Al met al zijn organisaties in de eerstelijnszorg op dit moment niet wettelijk verplicht de Zorgbrede Governancecode na te leven.

Download het volledige artikel hier:

Zorggroepen zetten structuur om in coöperatie

De eerste huisartsenzorggroepen in Nederland bestaan tien jaar. De rechtsvorm en juridische structuur van zorggroepen is divers: zo zien wij bijvoorbeeld coöperaties, maatschappen en stichtingen. Ook een zorggroep als B.V. met daarboven een STAK (Stichting Administratiekantoor) komt regelmatig voor. Het STAK blijkt aan populariteit in te boeten ten gunste van de coöperatie aan het hoofd van de structuur. Welke overwegingen spelen hierbij een rol en waar loopt men tegenaan bij een dergelijke structuurverandering?

In het verleden zijn zorggroepen met aan het hoofd een STAK opgezet om slagvaardig van start te kunnen gaan en de huisartsen te binden door mogelijk financieel gewin. De aangesloten huisartsen zijn certificaathouder van de B.V. en het STAK is de aandeelhouder. De zeggenschapsrechten verbonden aan de aandelen berusten bij het bestuur van het STAK. De inspraak van de huisartsen is over het algemeen beperkt tot de benoeming van de bestuurders van het STAK. Voor het overige hebben zij in de regel geen inspraak en is het bestuur van het STAK ook niet verplicht om jaarlijks verantwoording af te leggen aan de certificaathouders.

De certificaathouders zijn gerechtigd tot de financiële rechten verbonden aan de aandelen. Dit betekent dat een eventuele uitkering van winst uit de B.V. toekomt aan de certificaathouders. Winstuitkeringen komen echter niet veel voor. Wel zien wij dat huisartscertificaathouders die met pensioen gaan de mogelijkheid wordt geboden hun certificaten aan de zorggroep te verkopen tegen de intrinsieke waarde van die certificaten.

Download het volledige artikel hier:

Zorgfusietoets: nieuwe regeling bij samengaan zorgorganisaties

Op 1 januari 2014 is de zorgfusietoets ingevoerd. Voor de praktijk betekent dit dat in verschillende situaties waarbij zorgorganisaties samengaan, zoals fusies, overnames of de oprichting van een gezamenlijke onderneming, de goedkeuring benodigd is van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Alertheid is geboden aangezien het niet naleven van de zorgfusietoets tot een boete kan leiden. 

De zorgfusietoets is van toepassing op eerste- en tweedelijnszorgorganisaties. Daarnaast is de goedkeuring van de NZa vereist voor het samengaan van een zorgaanbieder met een andere organisatie die niet werkzaam is in de zorg. De zorgfusietoets is een nieuwe regeling en staat los van de bestaande meldingsplicht bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De ACM toetst of organisaties te veel macht krijgen door het samengaan. Een melding bij de ACM is alleen verplicht als de organisaties gezamenlijk in een jaar een omzet van meer dan 55 miljoen euro behalen en minstens twee van de organisaties binnen Nederland een jaaromzet van ten minste 10 miljoen euro behalen.

Het doel van de zorgfusietoets is ervoor zorgen dat de overheid haar verantwoordelijkheid kan nemen wanneer de kwaliteit of de bereikbaarheid van de zorg in gevaar komt door schaalvergroting. De zorgfusietoets is dan ook niet ingegeven vanuit mededingsrechtelijke aspecten, maar vanuit kwaliteitsoverwegingen.

Download het volledige artikel hier:

B.V., coöperatie of stichting; toezicht de baas?

In de eerstelijn zien wij de laatste jaren een toename van het aantal toezichthoudende organen. Het instellen van een onafhankelijk toezichthoudend orgaan is in veel gevallen verplicht op grond van de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi). Sinds enige tijd zien wij echter ook dat zorgverzekeraars van eerstelijns organisaties steeds vaker instelling van een toezichthoudend orgaan verlangen. Daarnaast wensen verschillende organisaties vanuit het oogpunt van good governance een toezichthoudend orgaan in te stellen. In de praktijk signaleren wij dat de uiteindelijke zeggenschap door instelling of wijziging van de samenstelling van een toezichthoudend orgaan soms in min of meerdere mate verschuift van de achterban naar onafhankelijke derden. Het is in dat kader goed om te weten dat de B.V. en de coöperatie meer mogelijkheden bieden tot behoud van zeggenschap dan de stichting.

Lees hier het volledige artikel