Praktijkervaringen met de implementatie van eHealth

Is eHealth de oplossing voor het toenemend aantal ouderen met een zorgvraag, het toenemend aantal mensen met een chronische aandoening en het afnemend aantal zorgverleners? In het eLabEL-project wordt met gezondheidscentra, bedrijven, patiënten én kennisinstituten onderzocht hoe eHealth succesvol kan worden neergezet in de eerste lijn. Een goede financiële basis, praktische ondersteuning en geïntegreerde toepassingen lijken belangrijke componenten.

Implementatie van eHealth gaat niet vanzelf: terwijl het bij drie op de vijf huisartsen mogelijk is om via e-mail een vraag te stellen (bron: NICTIZ-NIVEL eHealthmonitor 2015), blijkt uit NIVEL Zorgregistraties eerste lijn dat er per 1000 ingeschreven patiënten maar zeventien eConsulten plaatsvinden (bron: NIVEL Zorgregistraties eerste lijn (www.nivel.nl/node/4350)). Succesvolle pilots op het gebied van eHealth zijn vaak moeilijk te borgen. Om de volwaardige potentie van eHealth vast te stellen, is het belangrijk dat die borging wel plaatsvindt. Maar er zijn belangrijke hindernissen. De ontwikkeling van eHealth vindt vaak los van de zorgcontext plaats. Daarnaast zijn eHealth-toepassingen vaak niet geïntegreerd: ze werken als losse applicaties. Deze analyse was in 2013 de aanleiding voor het eLabEL-project (www.caretechnologyresearch.nl/elabel), gefinancierd door het Innovative Medical Devices Initiative van ZonMW en uitgevoerd binnen het Centre for Care Technology Research (CCTR), een samenwerkingsverband van Universiteit Maastricht, Universiteit Twente, TNO en NIVEL en bedrijven als Sananet, ENGIE Services, Cubigo, Roessingh Research & Development, Maastricht Instruments en Zoem Europe.

eLabEL Living Labs

De belangrijkste pilaren van eLabEL zijn:

1) ‘Living Labs’ (afbeelding 1): samenwerkingsverbanden tussen patiënten, zorgverleners, bedrijven die eHealth aanbieden en kennisinstituten
2) integratie en implementatie van verschillende eHealth-diensten
3) evaluatie

Partijen stellen gezamenlijk vast welke bestaande eHealth-toepassingen nuttig zijn en hoe deze in de praktijk geïmplementeerd kunnen worden. Reguliere zorg wordt zo omgebogen naar ‘door technologie ondersteunde’ zorg waarbij zorg door meerdere soorten (internet-)technologie wordt ondersteund. Gelijktijdig wordt kennis opgedaan over de impact die dit heeft in de praktijk en belemmerende en bevorderende factoren rondom de implementatie en op technisch vlak.

Uit onderzoek komt naar voren dat een goede financiële basis essentieel is om inbedding van eHealth in de zorg voor elkaar te krijgen. Praktijken geven bovendien aan dat zij behoefte hebben aan mensen, intern, die de kennis en tijd hebben om alle processen goed te begeleiden, maar ook aan expertise van buiten. Zorgverleners benadrukken dat er vooral behoefte is aan ondersteuning van zelfmanagement bij patiënten met een chronische aandoening én dat ze geen behoefte hebben aan verschillende toepassingen met aparte registratie- en inloggegevens. eLabEL houdt daar rekening mee.

Auteur: Ilse Swinkels, Martine Huygens Lex van Velsen & Yvonne Jansen

Download het volledige artikel hier:

NIVEL: zorgdata huisarts nog niet geschikt voor kwaliteitsindicatoren

Huisartsen leggen gegevens over de verleende zorg routinematig vast in elektronische patiëntendossiers. Deze zijn in toenemende mate een waardevolle bron voor het genereren van informatie over de kwaliteit van geleverde zorg. Het NIVEL onderzocht in samenwerking met Zorginstituut Nederland in hoeverre deze routinematige registratie bruikbaar is voor het berekenen van vergelijkbare en betrouwbare kwaliteitsinformatie.

Zorgverleners moeten vaak dezelfde gegevens meermalen vastleggen ten behoeve van verschillende kwaliteitsregistraties. Daarbij moeten ze de gegevens vaak net weer anders vastleggen en aanleveren. Deze huidige praktijk van parallelle registratie is geen basis voor een toekomstbestendig kwaliteitsbeleid. Daarom heeft Zorginstituut Nederland in samenwerking met Nictiz een visie opgesteld om te komen tot een stelsel van duurzame kwaliteitsregistraties van hoge kwaliteit dat beheersbaar is in aantal, financiering en administratieve lasten. Een belangrijk standpunt daarin is, dat er zoveel mogelijk gewerkt wordt volgens het principe ‘eenmalig registreren, meervoudig gebruik’. Dit houdt in dat er optimaal gebruik moet worden gemaakt van gegevens die al in het primaire proces worden vastgelegd.

Huisartsen leggen de gegevens voor de directe zorgverlening vast in het huisartseninformatiesysteem (HIS). In theorie kunnen daar veel van de gevraagde kwaliteitsindicatoren uit worden afgeleid. Voorwaarde is wel dat ze die gegevens op de juiste plek en met de juiste codes vastleggen. Neem bijvoorbeeld de kwaliteitsindicator ‘% diabetespatiënten bij wie de nierfunctie is gemeten’. De gegevens die huisartsen moeten vastleggen om uiteindelijk de indicator nierfunctie goed te berekenen zijn:
(1) de patiënt moet geregistreerd zijn als vaste patiënt en met de juiste diagnosecode,
(2) het hoofdbehandelaarschap van deze diabeet moet zijn vastgelegd (in dit geval ‘de huisarts’),
(3) de nierfunctiewaarde moet op de juiste plek met de juiste code in het systeem worden gezet.

Dit voorbeeld maakt duidelijk dat kwaliteitsinformatie gebaseerd is op verschillende categorieën gegevens: patiëntenpopulatie, medicatie en diagnostische bepalingen in het HIS. NIVEL heeft de kwaliteit van de registratie van deze gegevens nader onderzocht. Hiervoor is gebruikgemaakt van de gegevens van huisartspraktijken die deelnemen aan NIVEL Zorgregistraties eerste lijn, aangevuld met interviews met (ervarings)deskundigen. Doel was na te gaan in hoeverre huisartsen in staat zijn om betrouwbare en vergelijkbare kwaliteitsinformatie over de chronische zorg te genereren.

Download het volledige artikel hier:

Symposium over big data in lokaal gezondheidszorgbeleid

Lokaal gezondheidszorgbeleid is steeds meer een zaak van zowel gemeenten als van eerstelijns voorzieningen. Om dat beleid te voeden is informatie nodig. Eén van de mogelijke informatiebronnen is NIVEL Zorgregistraties eerste lijn, een landelijk representatieve onderzoeksinfrastructuur, met gegevens uit elektronische patiëntendossiers van eerstelijns voorzieningen. In het middagsymposium over big data dat 21 maart 2016 plaatsvindt, staat de vraag centraal welke mogelijkheden NIVEL Zorgregistraties biedt om in de benodigde informatie te voorzien. Noteer de datum alvast in de agenda!

NIVEL Zorgregistraties kan ondersteuning bieden bij het in kaart brengen van effecten van het veranderde zorgstelsel in Nederland. Deze middag willen wij van u horen wat de informatiebehoefte van bestuurders en beleidsmakers is om het lokale zorgbeleid en -uitvoering te kunnen ondersteunen. NIVEL Zorgregistraties zal laten zien wat wij te bieden hebben om veranderingen binnen de zorg te beschrijven, verklaren en monitoren, waarmee beleid getoetst en aangepast kan worden. De middag zal daarom een interactief karakter hebben waarbij aanbod en behoefte aan informatie elkaar afwisselen.

NIVEL Zorgregistraties eerste lijn verzamelt op continue basis routinematig in elektronische patiëntendossiers vastgelegde gegevens in eerstelijns zorgvoorzieningen: huisartspraktijken, organisaties van huisartsenposten, fysiotherapiepraktijken, oefentherapiepraktijken, diëtetiekpraktijken, eerstelijns psychologen en apotheken. Het gaat daarbij om grote hoeveelheden gegevens die koppelbaar zijn aan weer andere zorggegevens. De dataverzameling omvat onder meer gegevens van ruim vijfhonderd huisartsenpraktijken, met een totale populatie van ongeveer 1,6 miljoen individuen.

Download het volledige artikel hier:

Nog veel ruimte voor verbetering in contractering blijkt uit enquête NIVEL

Voor zorggroepen en gezondheidscentra is de contractering dit jaar erg onbevredigend geweest. Meerjarencontracten en meer innovatieruimte kunnen zorgen dat het volgend jaar beter gaat.

Het NIVEL brengt al enkele jaren in opdracht van InEen een jaarrapport uit over de ervaringen van zorggroepen, dit jaar zijn ook de ervaringen van gezondheidscentra onderzocht. In het licht van alle huidige veranderingen werd naar het rapport van dit jaar extra uitgekeken. Het geeft een goed beeld van hoe deze partijen tegen de contractering aankijken, zowel voor ketenzorgcontracten als voor de module geïntegreerde eerstelijnszorg (GEZ-module). De ervaringen van zorggroepen en gezondheidscentra zijn in kaart gebracht in het licht van de spelregels voor contractering van zorggroepen en het Bestuurlijk Akkoord. Die spelregels zijn opgesteld door InEen, ondertekend door de helft van de grote zorgverzekeraars en zijn bedoeld om de contractering van zorggroepen soepeler te laten verlopen. Ze richten zich op het proces van contractering, de inhoud van contracten en de financiële aspecten van contractering. Het Bestuurlijk Akkoord bevat afspraken over de financiering van huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg in het licht van de verslechterde overheidsfinanciën en de wens tot versterking en ontwikkeling van de eerste lijn.

In het Bestuurlijk Akkoord is afgesproken dat er tussen 2015 en 2017 per jaar ruimte is voor een groei van het budgettaire kader van 2,5 procent, waarvan één procent voor reguliere groei en 1,5 procent voor substitutie en vernieuwing. Deze afspraken zijn niet terug te zien in de tarieven. Toch is vijftig procent tevreden over de afspraken over de tarieven in ketenzorgcontracten. Maar slechts dertig procent is te spreken over de tarieven in de GEZ-modules. Tachtig procent van de gezondheidscentra maakt zich zorgen over de toekomst met als belangrijkste reden de ontwikkeling van de GEZ-tarieven.

Over de hele linie valt geen stelselmatige verbetering te bespeuren, constateert programmamanager Judith van Duren van InEen. ‘Het is dit jaar minder goed gegaan dan vorig jaar’, zegt ze. Ze wijt dit voor een belangrijk deel aan de nieuwe bekostigingssystematiek voor de huisartsenzorg en de multidisciplinaire zorg. In die systematiek zaten onderdelen die onduidelijk waren en die de zorgaanbieders en zorgverzekeraars daarom verschillend interpreteerden. Wel verbaast ze zich over het feit dat het stroeve verloop niet past bij de afspraken in het Bestuurlijk Akkoord voor versterking van de eerste lijn. Zorgverzekeraars zijn veel kritischer geworden in het contracteren van projecten.

Download het volledige artikel hier:

Goede verwijsinformatie van nut bij monitoring substitutie

Jaarlijks publiceert het NIVEL landelijk representatieve verwijscijfers, dit jaar voor het eerst op basis van gegevens uit ZorgDomein. Deze cijfers kunnen huisartspraktijken inzicht geven in hun eigen verwijsgedrag ten opzichte van het landelijke beeld. Maar er is nog veel meer mogelijk met deze gegevens: het kan bijvoorbeeld ook van nut zijn bij het monitoren van de substitutie van de zorg.

Het landelijke zorgbeleid is er op gericht meer zorg in de eerste lijn te laten plaatsvinden en minder in de tweede lijn. Om substitutie te kunnen monitoren, is informatie nodig over zorggebruik in de tweede lijn én in de eerste lijn. Voor welke klachten en aandoeningen verwijst de huisarts naar de tweede lijn en wordt dit inderdaad minder? En welke veranderingen vinden er plaats sinds de invoering van de nieuwe bekostiging van de huisartsenzorg in 2015? Plaatsen huisartsen zelf nog spiraaltjes, of verwijzen ze hiervoor door naar de gynaecoloog nu het tarief voor deze verrichting omlaag is gegaan van 55 euro naar 18 euro, in ruil voor een verhoging van het inschrijftarief? NIVEL Zorgregistraties is mede opgezet om deze vragen te kunnen beantwoorden. In dit artikel beschrijven we welke gegevens verzameld worden om substitutie in de zorg te kunnen monitoren.

Substitutie kan worden gemonitord door declaratiegegevens van zorgverzekeraars te combineren met zorggegevens van huisartsen. In een recent verschenen artikel in Huisarts en Wetenschap nr. 58 (2015) wordt op deze manier gekeken naar variatie tussen huisartspraktijken in het zorggebruik van astmapatiënten in de tweede lijn. Om te bepalen of patiënten behandeld werden in de tweede lijn, zijn declaratiegegevens van DBC’s (diagnose-behandelcombinaties) gebruikt. Die declaratiegegevens lopen echter achter bij de werkelijkheid, omdat declaraties pas na afsluiting van een DBC kunnen worden ingediend. Een alternatief is gebruik te maken van gegevens over verwijzingen. Patiënten die worden verwezen, zullen die verwijzing immers meestal ook gebruiken. Het voordeel van het gebruik van verwijsgegevens is dat deze veel sneller beschikbaar zijn dan declaratiegegevens.

Download het volledige artikel hier:

NIVEL Zorgregistraties: het lerend gezondheidszorgsysteem in de praktijk

Met NIVEL Zorgregistraties worden routinematig vastgelegde gegevens uit de eerste lijn gebruikt voor onderzoek. Eerstelijns zorgverleners kunnen hun voordeel doen met de spiegelinformatie uit de zorgregistraties. De informatie kan bijvoorbeeld een goede basis vormen om de huisartsenpost onder de loep te nemen en een discussie te starten over de kwaliteit van de zorg.

NIVEL Zorgregistraties brengt het idee van een lerend gezondheidszorgsysteem in de praktijk. Routinematig vastgelegde gegevens uit de eerste lijn worden gebruikt voor onderzoek. Dat leidt tot kennis. Die kennis komt op twee manieren ten goede aan de zorgverleners. Ten eerste via wetenschappelijke publicaties en beleid. En ten tweede via spiegelinformatie aan de zorgverleners. Figuur 1 laat zien hoe het lerend gezondheidszorgsysteem in elkaar zit.

Alle 28 deelnemende huisartsendienstenstructuren (HDS’en, zie kader) hebben onlangs de spiegelinformatie over 2014 ontvangen. De spiegelinformatie voor huisartsenposten omvat onder andere informatie over de frequentie van contact, de urgentie van contacten, de gezondheidsproblemen waarvoor mensen contact zoeken met de huisartsenpost en welke geneesmiddelen worden voorgeschreven. De eigen HDS wordt daarbij steeds vergeleken met het gemiddelde over alle deelnemende HDS’en en vergeleken met een fictieve HDS met een vergelijkbare patiëntenpopulatie. Daarmee krijgt de HDS inzicht in bijvoorbeeld het feitelijke zorggebruik versus het verwachte zorggebruik.

Vorig jaar hebben de Samenwerkende Huisartsendiensten Rijnland (SHR) de spiegelinformatie gebruikt om de eigen praktijk onder de loep te nemen. De NIVEL terugrapportage over 2013 bracht een aantal opvallende zaken aan het licht. In vergelijking met de referentie:

  1. had de bevolking van SHR meer contacten (met name consulten) met de huisartsenpost.
  2. was de urgentie van de contacten van SHR over het algemeen hoger (meer U2 en U3 en minder U4 en U5).
  3. werden bij SHR vaker antibiotica voorgeschreven.

Deze cijfers vormden de kern van de discussie tijdens een avondsymposium voor huisartsen, triagisten en andere medewerkers van SHR. Een mogelijke verklaring voor het hogere aantal consulten zou kunnen zijn dat er met ziekenhuizen in de buurt (LUMC en Rijnland) afspraken zijn over het doorsturen van patiënten die zich rechtstreeks gemeld hebben bij de SEH, de zogenaamde “binnenlopers”. Deze worden getrieerd door de triageverpleegkundige op de SEH en bij lage urgentie doorverwezen naar de huisartsenpost. Gemiddeld worden er per jaar 8000 consulten van de SEH naar de huisartsenpost doorgesluisd. Je zou daarom denken dat de SEH, gezien de bevolkingssamenstelling, juist minder contacten heeft dan je zou verwachten, maar het is onduidelijk of dat zo is.

Download het volledige artikel hier:

Onderzoek naar elektronische patiëntendossiers in de huisartsenpraktijk

Een deel van de bekostiging van de huisartsenzorg in 2013 en 2014 is afhankelijk gemaakt van de kwaliteit van de registratie in elektronische patiëntendossiers. Deze aanpak bleek in 2013 succesvol. De kwaliteit van die dossiers verbeterde significant. Het NIVEL heeft onderzocht of de dossiers dit jaar nog verder verbeterden.

Een complete, gestructureerde en uniforme registratie in de huisartsenpraktijk is essentieel voor de kwaliteit van zorg en de patiëntveiligheid. In 2005 is de NHG-richtlijn Adequate Dossiervorming met het EPD (ADEPD) opgesteld die aanwijzingen geeft voor een goede, uniforme registratie. Zo is het nodig om bij ieder consult een conclusie met diagnosecode of symptoomcode te registreren, allergieën bij te houden en het medicatiedossier volledig te houden. Maar nog niet alle huisartsen registreren volgens deze richtlijn, waardoor belangrijke informatie ontbreekt.

In 2013 en 2014 is daarom een deel van de bekostiging van de huisartsenzorg (de zogenoemde variabiliseringsgelden) afhankelijk gemaakt van de kwaliteit van de registratie in elektronische patiëntendossiers. Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en de LHV hebben gezamenlijk afspraken gemaakt waaraan praktijken moesten voldoen. Dat deze aanpak zinvol is, was te zien in 2013. In dat jaar moesten praktijken minstens zeventig procent van hun consulten voorzien van een betekenisvolle diagnose- of symptoomcode. In een voormeting registreerden 85 procent van de huisartspraktijken bij meer dan zeventig procent van de consulten een betekenisvolle code, bij de nameting (zomer 2013) deed maar liefst 99 procent van de praktijken dat.

Maar er was nog wel verdere verbetering mogelijk. Een deel van de praktijken had de registratie van episodes nog niet op orde, terwijl het gebruik van episodes in de ADEPD-richtlijn de methode voor vastlegging is. Een episode is een chronologische verzameling van verschillende soorten medische gegevens over één gezondheidsprobleem van één patiënt. Dit vergroot het overzicht van het dossier aanzienlijk.

Download het volledige artikel hier:

NIVEL: Vraag Aanbod Analyse Monitor eerstelijnszorg

De vele transformaties in de eerstelijnszorg en het sociale domein beogen betere zorg en ondersteuning voor lagere kosten. Daarvoor is het nodig om zorg en ondersteuning in de buurt te organiseren en af te stemmen op de zorgvraag van bewoners. In de praktijk blijkt dat een lastige klus waar veel partijen mee gemoeid zijn. De Vraag Aanbod Analyse Monitor van het NIVEL is een internetapplicatie die dit proces kan ondersteunen door het presenteren van buurtgegevens over zorg en gezondheid.

De Vraag Aanbod Analyse Monitor (VAAM) wordt sinds 2005 door het NIVEL ontwikkeld voor de eerste lijn. Volgens de toenmalige minister van VWS zou de eerste lijn een steeds prominentere rol moeten krijgen om de zorg betaalbaar en van hoge kwaliteit te houden. Ook nu is deze visie actueel. De eerstelijnszorg moet daarom in de buurt georganiseerd worden en afgestemd zijn op de zorgbehoeften van de mensen die er wonen. Maar het blijkt een moeilijke taak om de eerste lijn af te stemmen op de zorgbehoefte van iedere buurt. Zeker omdat de zorgbehoefte sterk verschilt tussen buurten en er nauwelijks buurtgegevens over zorg en gezondheid voorhanden zijn.

De VAAM is een internetapplicatie die initiatieven en veranderingen in de eerste lijn rond de afstemming tussen vraag en aanbod in buurten wil ondersteunen door te voorzien in zorggegevens over vraag en aanbod op buurtniveau. Gegevens over de vraag naar zorg en gezondheid zijn alleen niet altijd voorhanden op buurtniveau. Voor de VAAM is daarom een methodiek ontwikkeld om, op basis van de sociaal- demografische samenstelling van een buurt, de vraag naar eerstelijnszorg en de gezondheid van een populatie te schatten. Gegevens uit allerlei bronnen zoals NIVEL Zorgregistraties eerste lijn, de Nationale en Lokale Monitor gezondheid van de GGD’en en gegevens van het CBS worden bewerkt, geanalyseerd en verrijkt tot schattingen op buurtniveau.

Geschatte zorgvraaggegevens worden op de VAAM getoond voor huisartsenzorg, farmaceutische zorg, fysiotherapie, oefentherapie, diëtetiek, verloskundige zorg en mondzorg. Daarnaast wordt de vraag naar zorg ook uitgesplitst naar ziekteclusters, chronische aandoeningen en voor hulp en verpleging. Recentelijk is de VAAM uitgebreid met gegevens over gezondheid en gezondheidsdeterminanten. Per buurt wordt de gezondheid in kaart gebracht en worden bijvoorbeeld het aantal rokers en zware drinkers gepresenteerd op basis van de bevolkingssamenstelling. De laatste uitbreiding van de VAAM betreft gegevens over zorg op huisartsenposten. Hierdoor brengt de VAAM niet alleen de geschatte vraag naar huisartsenzorg op de dag weer, maar ook tijdens avond-, nacht- en weekenduren.

Download het volledige artikel hier:

 

Helft Nederlanders heeft moeite met regie over gezondheid, ziekte en zorg

Een op de twee Nederlanders heeft moeite om zelf de regie te voeren over gezondheid, ziekte en zorg. Het ontbreekt hen aan kennis, motivatie en zelfvertrouwen. Drie op de tien volwassen Nederlanders beschikt over onvoldoende functionele lees- en rekenvaardigheden en onvoldoende vermogen om (gezondheids-)informatie te vinden en te verwerken. Maar gezondheidsvaardigheden zijn te leren en te ontwikkelen en ook zorgaanbieders en instellingen kunnen leren beter met mensen met lage gezondheidsvaardigheden om te gaan.

Van Nederlandse burgers en patiënten wordt steeds meer verwacht dat zij over de vaardigheden beschikken om een actieve rol op zich nemen in de zorg voor hun eigen gezondheid en ziekte en die van hun naasten. Niet iedereen is daar echter even goed toe in staat. Gezondheidsvaardigheden worden op verschillende manieren gedefinieerd. In meer beperkte definities ligt de nadruk op functionele lees- en rekenvaardigheden en het vermogen om informatie te vinden en te verwerken (health literacy). Bredere definities omvatten aspecten zoals zelfvertrouwen, motivatie, kritisch vermogen en sociale vaardigheden. In de kennissynthese ‘Gezondheidsvaardigheden: Niet voor iedereen vanzelfsprekend’ van het NIVEL wordt de stand van de kennis over gezondheidsvaardigheden opgemaakt.

Gezondheidsuitkomsten
Gezondheidsvaardigheden houden verband met het niveau van kennis en informatie, en hebben invloed op de leefstijl, het zorggebruik en toegang tot de zorg, communicatie met de zorgverlener, zelfmanagement en medicijngebruik. Lage gezondheidsvaardigheden hangen samen met slechtere gezondheidsuitkomsten: een minder goede gezondheid en een grotere kans op overlijden. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) beschouwt gezondheidsvaardigheden als dé centrale determinant van ongelijkheid in gezondheid. Door de grote verschillen in gezondheid en ziekte tussen mensen met een verschillende sociaaleconomische achtergrond en de steeds grotere rol en verantwoordelijkheid van burgers voor hun eigen gezondheid, neemt de aandacht voor gezondheidsvaardigheden zowel in Nederland als Europa toe.

Vaardigheden leren
Uit met name Amerikaans onderzoek blijkt dat gezondheidsvaardigheden competenties zijn die je kan leren en ontwikkelen. In de VS zijn verschillende interventies ontwikkeld om gezondheidsvaardigheden te bevorderen. Volgens NIVEL-onderzoeker Jany Rademakers loopt Europa enigszins achter. “We kunnen veel leren van dat Amerikaanse onderzoek, maar niet alles is te generaliseren naar de Nederlandse situatie.” Daarom is er volgens Rademakers meer Nederlands onderzoek nodig naar gezondheidsvaardigheden. “Interventies voor de bevordering van gezondheidsvaardigheden moeten worden ontwikkeld en geëvalueerd, zowel voor de klinische setting als voor preventie en gezondheidszorg.” Over sommige aspecten, bijvoorbeeld de gezondheidsvaardigheden van allochtonen, ontbreekt Nederlands onderzoek totaal. Rademakers pleit verder voor onderzoek naar de problemen die door zorgverleners en organisaties ervaren worden bij de implementatie van beleid, inzichten en hulpmiddelen op het gebied van gezondheidsvaardigheden. “Deels ontbreekt het nog aan bewustzijn voor de problemen van mensen met lage gezondheidsvaardigheden.”

Kennissyntheses
De kennissynthese ‘Gezondheidsvaardigheden: Niet voor iedereen vanzelfsprekend’ is gebaseerd op eigen wetenschappelijk onderzoek en internationale wetenschappelijke literatuur. Deze is onderdeel van de serie overzichtstudies en kennisvragen van het NIVEL. Hierin geeft het NIVEL inzicht in de stand van de kennis, toegesneden op een gerichte beleidsvraag en in de thema’s die op dit moment van belang zijn. Dit jaar zijn onder meer de overzichtstudies ‘Ouderen van de toekomst’ en ‘De wijkverpleegkundige van vandaag en morgen’ verschenen.

Klik hier voor het hele rapport van Nivel

Meer zorggebruik bij minder zelfmanagement

Diabetespatiënten die moeite hebben met ‘zelfmanagement’ – het zelf zorgen voor je gezondheid – gebruiken tussen de 1500 en 2000 euro per jaar meer aan zorg. Ze zijn minder tevreden over de zorg en hebben meer klachten van de diabetes. Dat blijkt uit het onderzoek ‘Minder zelfmanagementvaardigheden, dus meer zorggebruik? De relatie tussen patiënt activatie van mensen met diabetes en hun zorggebruik, zorgkosten, ervaringen met de zorg en diabetes-gerelateerde klachten’ van Nivel.

Een kwart van alle Nederlanders heeft één of meer chronische ziekten en nu we steeds ouder worden zal dit aantal de komende jaren verder toenemen. Om ervoor te zorgen dat voor iedereen kwalitatief goede zorg betaalbaar blijft, wil de overheid patiënten een steeds grotere rol geven in de zorg voor hun eigen gezondheid. Voor chronisch zieken speelt dit nog veel sterker. Van hen worden ‘zelfmanagement’ en ‘eigen regie’ verwacht, wat wil zeggen dat zij zelf hun gezondheid en klachten in de gaten houden, actief deelnemen aan de besluitvorming over de behandeling en zelf hun zorg coördineren. Niet alle chronisch zieken kunnen dat even goed. Sommigen missen hiervoor de kennis, het zelfvertrouwen of de vaardigheden. Zij hebben dus extra ondersteuning nodig.

Patient Activiation Measure (PAM)

Sinds 2012 is in Nederland een instrument beschikbaar waarmee je verschillende groepen patiënten kan onderscheiden naar hun ‘zelfmanagementvaardigheden’: de Patient Activation Measure (PAM). Deze vragenlijst meet hoe patiënten hun kennis en vaardigheden inschatten om met hun ziekte te kunnen omgaan en hun vertrouwen daarin. Met deze uitkomsten kun je groepen patiënten vervolgens zorg en preventie op maat bieden. Zorgverzekeraar Achmea zou het instrument graag benutten om meer inzicht te krijgen in het zorggebruik van groepen verzekerden. Om dit inzicht te krijgen, koppelde het NIVEL (Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg) de PAM-score van mensen met diabetes aan gegevens van Achmea over hun zorggebruik, de zorgkosten, de door hen ervaren kwaliteit van zorg en de klachten die met de diabetes samenhangen.

Meer klachten en hogere kosten

Het onderzoek bevestigt de verwachting dat mensen die laag scoren – die dus moeite hebben met zelfmanagement – meer professionele zorg gebruiken, met hogere kosten, de kwaliteit van zorg minder vinden en meer last van de diabetes hebben. Vooral mensen met de laagste scores steken ongunstig af tegen andere groepen. Ze gebruiken tussen de 1500 en 2000 euro per jaar meer aan zorg.

Identificeren

De PAM-score toont een samenhang met demografische kenmerken: ouderen, mensen met een lage opleiding, uit een lagere sociale klasse, met meerdere beperkingen en aandoeningen en een slechtere gezondheid blijken minder in staat tot zelfmanagement. NIVEL-onderzoeker Michelle Hendriks: “De PAM kan helpen die groepen mensen te identificeren die extra ondersteuning nodig hebben bij zelfmanagement. De lijst bestaat uit slechts 13 vragen en is makkelijk toe te passen. Mensen met het laagste PAM-niveau kunnen extra aandacht gebruiken. Zelfmanagementondersteuning binnen deze groep zou hen vooral moeten helpen in te zien dat ze een belangrijke rol kunnen spelen in hun eigen zorg en ze motiveren deze rol ook op te pakken.”

De inzichten uit het onderzoek zijn voor Achmea aanleiding de ondersteunde zelfzorg voor het laagste PAM-niveau prioriteit te geven om de zorg te verbeteren.