Neem de regie in lokale en regionale samenwerking

Een jaar na de introductie van de financieringssystematiek voor Organisatie & Infrastructuur, blijkt dat er van deze bekostigingsvorm relatief nog maar mondjesmaat gebruik wordt gemaakt. Een pleidooi voor regionaal leiderschap in de eerste lijn.

Over tien jaar zal een substantieel deel van de zorg die nu in het ziekenhuis plaatsvindt, door professionals in de eerste lijn worden verleend, incidenteel of op afstand bijgestaan door de medisch specialist. En met de transitie in het sociaal domein zijn er sinds 2015 heel wat thuiswonende ouderen bijgekomen in de eerste lijn.

‘Zorg van de toekomst’ bepalen

Eerstelijnsinstellingen, vindt BDO Nederland, moeten zich dan ook veel prominenter gaan bemoeien met de vraag hoe de zorg van de toekomst wordt bepaald. En om gehoor te vinden, dienen ze zich regionaal te verbinden. Met elkaar, maar ook met andere instellingen in de zorgketen en met organisaties in het sociaal domein.

Dat vindt de overheid ook en daarom heeft ze in 2018 de nieuwe bekostiging voor Organisatie & Infrastructuur (O&I) tot stand gebracht. Die maakt financiering door de zorgverzekeraars mogelijk, omtrent initiatieven waarmee domein-overstijgende samenwerking gestimuleerd wordt en resultaatgerichte afspraken tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars over extra investeringen in de organisatie en infrastructuur in de eerste lijn worden versterkt.

O&I-bekostiging

Negen maanden na introductie van de O&I-bekostiging blijkt echter dat er nog maar mondjesmaat van deze systematiek gebruik wordt gemaakt. Gevraagd naar redenen daarvoor, wijzen velen naar de zorgverzekeraars. Mogelijk niet onterecht. Maar het zijn ook de eerstelijnsorganisaties zelf die handelingsverlegen lijken te zijn.

Hét moment voor leiderschap

Wat ons betreft staat vast: wie een rol wil spelen in de vorming van de netwerken die de zorg gaan bepalen, zal nu al leiderschap moeten tonen en de regie moeten pakken om te komen tot een nieuw – als het goed is met anderen in de regio gedeeld – businessmodel.

Download hier het hele artikel

Ketenzorg, hoe nu verder?

Persoonsgericht, integraal en verantwoordelijkheid. Dat worden de komende jaren de belangrijkste thema’s bij de verdere ontwikkeling van programmatische zorg, zo is de conclusie van de ongeveer tachtig uitgenodigde deelnemers aan de Invitational Conference ‘De ketenzorg voorbij’, georganiseerd door InEen op 11 februari in Soesterberg.

In ruim tien jaar is de programmatische zorg voor chronische aandoeningen in Nederland goed neergezet. Er is veel ontwikkeld en bereikt, maar we zijn er – zeker in vergelijking met het buitenland – nog lang niet. Niet voor niets is de titel van de conferentie zo dubbelzinnig: het impliceert niet het einde van de ketenzorg, maar juist de vraag ‘hoe nu verder’?

“De opzet van de conferentie was om input te krijgen voor de beleids- en ontwikkelagenda die we gaan opstellen voor programmatische zorg”, zegt Frederik Vogelzang, programmamanager van InEen.

Discussie

Uit de discussie met een panel en de zaal, die voor een deel uit InEen-leden en voor een deel uit andere stakeholders (zorgverzekeraars, patiëntenorganisaties, overheid) bestond, kwamen de kernbegrippen ‘persoonsgericht’, ‘integraal’ en ‘verantwoordelijkheid’ naar voren.  Deze thema’s hadden ook een belangrijke rol in de workshops en de plenaire terugkoppeling daarna.

Centraal staat de kwaliteit van leven van de patiënt, en dat vraagt om persoonsgerichte zorg. Maar de transitie daarnaartoe is een proces van jaren, dat moet de tijd krijgen. Het heeft ook gevolgen voor de praktijkvariatie. Persoonsgerichte zorg vraagt om maatwerk. Moet je dan meer pluriformiteit toestaan? Of willen we sterker inzetten op het beteugelen van ongewenste praktijkvariatie? En hoe dan? Om daar antwoord op te kunnen geven is nog meer spiegelinformatie nodig. Niet alleen medisch inhoudelijk, maar ook op het gebied van patiëntervaringen, zorgverlenerstevredenheid en kosten.

Persoonsgerichte zorg

“Deze thema’s en conclusies sluiten aan bij de onderwerpen waar we bij InEen ook mee bezig zijn en die zorgen voor een verdieping die behulpzaam is bij de verdere uitwerking”, concludeert Frederik Vogelzang. Als sterkste voorbeeld noemt hij het plan van aanpak voor de implementatie en opschaling van persoonsgerichte zorg dat werd vastgesteld in de laatste ledenvergadering.

Verder heeft InEen een Taskforce Praktijkvariatie in het leven geroepen, die binnenkort met een eindrapportage komt. Aanleiding voor de taskforce was het terugdringen van ongewenste verschillen in de inclusie van patiënten in zorgprogramma’s voor chronische aandoeningen.

Auteur: Leendert Douma

Download hier het hele artikel

Succesvolle samenwerking huisartsenzorg en generalistische basis-ggz

Adequate psychische hulpverlening in de huisartsenpraktijk. Relevante verwijzingen naar de generalistische basis-ggz (gb-ggz). Tevreden patiënten. Onderzoek door InEen bevestigt dat samenwerking tussen huisartsenzorg en gb-ggz lóónt.

In een groeiend aantal regio’s hebben huisartsenzorg en gb-ggz elkaar weten te vinden in de afgelopen jaren. Het doel: een soepele samenwerking en overgang binnen de ggz-keten, zodat mensen worden ondersteund in hun eigen omgeving, dicht bij huis.

Zowel patiënten als de professionals beoordelen de samenwerking tussen huisarts, POH-ggz enketenpartners binnen de gb-ggzals zeer positief.  Althans, in het merendeel van de acht regio’s waar InEen vorig jaar de kansen en mogelijkheden inventariseerde en evalueerde. Begin dit jaar zijn de bevindingen bekendgemaakt.

De belangrijkste? Omdat er kortere lijnen ontstaan tussen professionals, kennen ze elkaar beter en kunnen ze elkaars expertise beter benutten. Dit draagt bij aan het onderlinge vertrouwen. Professionals voelen zich dankzij de samenwerking gesterkt hun werk goed te doen en kunnen op elkaar terugvallen wanneer  het moeilijk wordt.

POH-ggz

“De geïnterviewde organisaties en professionals in bijna alle regio’s ervaren de samenwerking tussen huisartsenzorg en gb-ggz als een succes”, zegt Renske Neumann, beleidsmedewerker multidisciplinaire en acute zorg bij InEen. “De POH-ggz is daarbij een succesfactor. Met ondersteuning van de POH-ggz kan de huisarts goede psychische hulpverlening bieden en wordt, als het nodig is, verwezen naar een gz-psycholoog werkzaam in de gb-ggz.”

En de patiënt? Die zegt eveneens garen te spinnen bij de samenwerking. Neumann: “Persoonsgericht, zeer toegankelijk en dicht bij huis. Met die termen beoordelen patiënten de zorg in de huisartsenpraktijk. Bovendien ervaren deze patiënten minder een stigma wanneer zij worden behandeld in de huisartsenpraktijk.”

Geen gouden standaard

Een gouden standaard voor geslaagde samenwerking tussen huisartsenzorg en gb-ggz bestaat niet, zo wijst het onderzoek uit. Neumann: “We hebben uiteenlopende initiatieven bekeken. Bijvoorbeeld kleinschalige samenwerking, waarbij één huisarts een beroep doet op één POH-ggz die het sociale netwerk in één gemeente goed kent. En aan de andere kant geoliede ketenorganisaties met gestructureerde zorgprocessen en financiering en met scholing en ontmoetingen op regionaal niveau van huisartsen, POH’s-ggz en gz-psychologen werkzaam in de gb-ggz. Beide vormen werpen vruchten af.”

Ze voegt toe: “Wel ervaren huisartsen de meerwaarde van ondersteuning bij de samenwerking met de gb-ggz en biedt dit meer mogelijkheden voor het voeren van kwaliteitsbeleid.”

Auteur: Gerben Stolk

Download hier het hele artikel

Betekenisvolle communicatie dankzij Zorginformatie Bouwstenen

Er voltrekt zich een onzichtbare revolutie in de zorg, waarvan we straks allemaal de vruchten plukken. Die revolutie bevindt zich nog achter de ICT-systemen. Daar wordt gewerkt aan zorginhoudelijke standaarden die de basis vormen voor het verbinden van de verschillende zorgtoepassingen: de Zorginformatie Bouwstenen (ZiB’s). Deze gestandaardiseerde elementen van gegevens zorgen ervoor dat informatie eenduidig vast te leggen en uit te wisselen is tussen alle betrokken zorgverleners en de patiënt zelf.

Dat de behoefte daaraan groot is, bleek in oktober tijdens een demonstratie van dossieruitwisseling op basis van ZiB’s. De aanwezigen raakten meteen enthousiast: ‘Dit is wat we willen’. Want hoe anders is de praktijk vandaag de dag: gegevens worden geprint en weer gescand, gefaxt en op allerlei verschillende manieren in het eigen systeem ingevoerd.

Eenheid

Als je alleen op je eilandje werkt, zou dat misschien niet eens zo’n probleem hoeven zijn, maar zorg is per definitie een kwestie van samenwerken. En dat vraagt wat van informatievoorziening. “De informatiebehoefte in de zorg explodeert want het aantal overdrachtsmomenten neemt enorm toe”, constateert Manon Kuilboer, productmanager huisartsen bij VZVZ. “Je ziet het onder andere bij het medisch tuchtrecht: de helft van de zaken heeft te maken met problemen tijdens de overdracht van verantwoordelijkheden en informatie.” Dat laatste komt onder andere doordat informatie in verschillende systemen op een andere manier wordt vastgelegd of een andere betekenis krijgt. Zorgverleners moeten vervolgens zoeken en interpreteren. Dat kost tijd en geeft risico op fouten. Het antwoord hierop is eenheid in semantiek. En dat is precies waar de ZiB’s voor zorgen.

Gelijke betekenis

De exacte betekenis van de uit te wisselen informatie wordt centraal vastgelegd, waardoor de verschillende autonome systemen informatie eenduidig kunnen vastleggen en deze eenvoudig kunnen uitwisselen, waarbij de betekenis gelijk blijft. Kuilboer: “ZiB’s zijn niks meer of minder dan beschrijvingen van wat er in informatie elementen moet staan. Daarna ga je kijken hoe je dat verpakt, verzendt en ontvangt.” Die informatie elementen kunnen bijvoorbeeld NAW-gegevens zijn, meetwaarden, lab-bepalingen, medicatieafspraken en verstrekkingsverzoeken, of afspraken over behandelgrenzen in de palliatieve zorg. “De kracht van het systeem is dat deze manier van kijken naar standaardisatie fundamenteel anders is dan hoe voorheen standaarden tot stand kwamen. Voorheen werd meer gekeken naar technologie die werd gebruikt om informatie van het ene naar het andere systeem te krijgen, zonder dat daarbij aandacht was voor wat de betekenis van de over te dragen informatie was.”

Auteur: Leendert Douma

Download hier het artikel.

POH-GGZ Jeugd in Midden-Brabant

Overal in Nederland ontstaan samenwerkingen tussen gemeenten en huisartsen rondom jeugdproblematiek, meestal in de vorm van een POH-GGZ Jeugd. De samenwerking wordt op verschillende manieren ingericht. Iedere vorm heeft voor- en nadelen. Ook landelijk is er nog geen eenduidig beleid. In Midden-Brabant ontwikkelde PRO-RCH in samenwerking met onder andere de gemeente Tilburg en zorgverzekeraar CZ een succesvolle aanpak.

“Er is een interessante werkwijze en businesscase tot stand gebracht”, zo stelt Rudolf Keijzer, directeur PRO-RCH en PRO Praktijksteun. “Er is een bewezen samenwerking ontstaan, waarover de patiënt, huisarts, POH-GGZ Jeugd en ook de gemeente en zorgverzekeraar zeer positief zijn, zowel inhoudelijk als financieel.”

Zorgprogramma

In Midden-Brabant draait al een zorgprogramma GGZ via PRO-RCH (een samenwerking tussen PRO Praktijksteun en Zorggroep RCH). “Binnen dit zorgprogramma wordt gewerkt vanuit een regionale visie, waarin huisarts, POH-GGZ en de basis GGZ zorg leveren vanuit één gezamenlijke netwerkorganisatie”, vertelt Keijzer. “Vanuit de netwerkorganisatie draaien we verschillende pilots, die allen de samenwerking bevorderen. Een goed voorbeeld hiervan is de POH-GGZ Jeugd.”

Pilot

De pilot POH-GGZ Jeugd heeft twee doelen: psychische of psychosociale problematieken bij jeugdigen tijdig signaleren én de samenwerking verbeteren tussen de huisartsenzorg, jeugdartsen, GGZ en voorzieningen in het sociaal domein. Hiermee wordt beoogd dat zorg voor jeugdigen dichtbij en snel geboden kan worden en worden onnodige doorverwijzingen naar de basis en specialistische GGZ voorkomen. Gezien de regionale en landelijke ervaringen, waren alle partijen bij aanvang van de pilot al overtuigd van de toegevoegde waarde van de POH-GGZ Jeugd. Er is dan ook vooral onderzocht hoe dit ingezet kan worden op een passende wijze zonder dat dit extra taken of kosten meebrengt. Myra Lennarts, beleidsontwikkelaar zorg Gemeente Tilburg: “We zagen kansen om het aanbod aan jeugd- en opvoedhulp, dat al beschikbaar is vanuit de gemeente, meer inzichtelijk en toegankelijk te maken voor de huisartsen(zorg), onder andere door de inzet van de POH-GGZ Jeugd in de praktijk.” Casper Besters, zorginkoper huisartsenzorg CZ, vult aan: “Een belangrijke meerwaarde van deze POH-GGZ Jeugd is de verbinding tussen de huisartsenzorg en het sociaal domein. Een jeugdige kan nu geholpen worden met alles waar diegene in het dagelijkse leven tegenaan loopt.”

Model

In deze pilot is gekozen om te financieren vanuit de Zorgverzekeringswet (50 procent) en de Jeugdwet (50 procent). “Door de pilot op deze vorm te financieren vallen de jeugdigen niet meer tussen wal en schip”, vertelt Keijzer. “Op zowel inhoud als financiën wordt samengewerkt vanuit het model dat de LHV in 2016 als ‘Praktijkkaart Jeugd’ publiceerde.” Dit model is vertaald naar de praktijk.

Auteurs: Wiesje van Woerkum, Marieke Couwenberg

Download hier  het artikel.

Gecombineerde leefstijlinterventies in de praktijk

Sinds 1 januari worden drie gecombineerde leefstijlinterventies (GLI) vergoed uit het basispakket van de zorgverzekering. Zorggroep Zorroo heeft er in samenwerking met zorgverzekeraar CZ al goede ervaring mee opgebouwd. En Hadoks Chronische zorg bv (voorheen ELZHA) kan rekenen op groot enthousiasme van de zorgverzekeraars.

Bij de huisartsenpraktijken die zijn aangesloten bij Zorggroep Zorroo in Oosterhout en omstreken klonk al geruime tijd de vraag: kunnen we niet iets betekenen voor onze patiënten op het gebied van leefstijl? De huisartsenpraktijken boden hiervoor geen ruimte, dus ging Zorroo op verzoek van zorgverzekeraar CZ in gesprek over een aanpak die wel haalbaar en betaalbaar kon zijn. “Dan kom je al snel uit bij leefstijlcoaches”, zegt coördinator leefstijl Adriënne van den Bosch. “Die opleiding bestond toen net en wij hebben de eersten gecontracteerd die van die opleiding afkwamen.”

Dat dit gebeurd is, is een uitvloeisel van de pilot die CZ met medewerking van onder andere Zorroo  heeft gedaan om de waarde van de GLI te toetsen aan de praktijk. Bij Zorroo bestond direct belangstelling voor het idee. “Er waren al studies over gepubliceerd en Zorginstituut Nederland had geconcludeerd dat de gecombineerde aanpak werkte”, zegt Madelon Johannesma, programmamanager zorginnovatie bij CZ. “De toenmalige minister, Edith Schippers, wees het af vanwege de kosten en het volume. Wij zagen het maatschappelijk probleem van overgewicht, en gingen daarom op zoek naar een opzet die financierbaar kon zijn. Op die manier is CooL ontstaan, de eerste van de drie GLI’s die nu binnen het pakket van de basisverzekering vallen. Voor de financierbaarheid was het een voorwaarde een aantal competenties in één persoon te gieten, de leefstijlcoach dus.”

Samenwerking

De pilot verliep goed. De nauwe samenwerking met de huisarts – essentieel voor de doorverwijzing – was hierbij cruciaal. “De resultaten koppelen we altijd terug naar de huisartsen, dat is belangrijk voor ze”, zegt Van den Bosch. “De patiënten vertellen de huisartsen ook hoe enthousiast ze zijn over de GLI. Maar ook de samenwerking met de buurtsportcoach, de diëtist en de fysiotherapeut is belangrijk. We geven patiënten naast het CooL-programma ook de mogelijkheid om een afspraak te maken met deze disciplines, mits daartoe een medische indicatie bestaat. De patiënten geven aan dat ze dit een goede aanvulling vinden op de GLI. De conclusie uit de pilot was dat de GLI gedragsverandering en gewichtsverlies oplevert en dat de patiënt zijn doelen behaalt.”

Praktische problemen

Ondanks het succes van de pilot, bleken er in de praktijk toch nog wel wat hobbels te nemen om de GLI breder uit te rollen. Bij de start van de contractering was een deel geslecht, maar er bleef nog onduidelijkheid over de indicatoren en over de ICT, vertelt Johannesma.

Auteur: Frank van Wijck

Download hier het artikel

Samen met leden verder bouwen op de stevige basis die is gelegd

Vijf jaar InEen: verder bouwen op een stevige basis

InEen viert zijn eerste lustrum. In de eerste vijf jaar is InEen erin geslaagd een serieuze partij te worden in bestuurlijk overleg over de ontwikkeling van de georganiseerde eerstelijnszorg, stellen voorzitter Martin Bontje en directeur Anoeska Mosterdijk. De opdracht voor de komende jaren is die ontwikkeling optimaal verder vorm te geven.

Bestaat InEen vijf jaar? Het lijkt al veel langer, vinden Bontje en Mosterdijk. Wat is er bereikt? “Het belangrijkste is dat we processen hebben versneld. Zowel als het gaat om het vormgeven van samenwerking tussen eerstelijnszorgaanbieders als het bij elkaar brengen van meerdere disciplines”, zegt Bontje. “Ketenzorg, gezondheidscentra, avond-, nacht- en weekendzorg, op allerlei terreinen is veel gebeurd in de afgelopen vijf jaar.” Mosterdijk: “We zien steeds betere regionale ondersteuning van de huisartsen. Die ondersteuning is bijna een vanzelfsprekendheid geworden, met als gevolg dat zaken als informatievoorziening en de contacten met de zorgverzekeraars steeds beter kunnen worden opgepakt.”

Onderhandelingspartij

De hoofdlijnenakkoorden die de overheid heeft gesloten met de veldpartijen in de zorg hebben heel veel extra aandacht gegeven aan de noodzakelijke ontwikkelingen in de eerste lijn, stelt Bontje. “We zitten nu aan tafel. We kunnen op landelijk niveau meepraten over die ontwikkelingen. Hierdoor hebben we een bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van een hoofdlijnenakkoord dat het belang van een georganiseerde eerste lijn duidelijk onderstreept en dat ook aangeeft dat dit vraagt om voldoende financiële middelen.”

Toch blijft het daadwerkelijk effectueren van de afspraken lastig, stelt hij, omdat de individuele zorgverzekeraars zich niet altijd houden aan de uitgangspunten van het hoofdlijnenakkoord voor de huisartsenzorg.

Omgaan met veranderingen

Het meerjarenbeleid 2018-2020 dat op de website van InEen staat, maakt duidelijk dat niet alleen veel is bereikt, maar dat ook nog veel moet gebeuren. “Sommige dingen kunnen wij als InEen niet beïnvloeden”, zegt Bontje, “de toename van het aantal ouderen en chronisch zieken bijvoorbeeld, een dreigend huisartsentekort en de overige personeelstekorten. Het gaat erom hoe we ermee omgaan. Het besef dat er veel verandert en dat de financiële middelen beperkt zullen blijven, is er bij onze achterban. En de overtuiging dat meer kan worden bereikt als de zorg goed wordt georganiseerd, is er ook.”

Zowel in de ANW-zorg als in de dagzorg ziet InEen veel voorbeelden van hoe de zorg anders en efficiënter georganiseerd kan worden, vertelt Mosterdijk. Er is volgens haar beslist een sense of urgency. “Onze leden zien heel goed dat we het niet redden als we blijven werken zoals we dit in het verleden deden. Zij zullen samen met hun achterban de noodzakelijke veranderingen moeten doorvoeren. Onze rol is de leden hierbij te ondersteunen, bijvoorbeeld door best practices te delen en mensen met elkaar in contact te brengen.”

Auteur: Frank van Wijck

Download hier het artikel.

 

PharmaPartners geeft gas op eHealth en OPEN

Vanaf 1 januari 2019 heeft PharmaPartners een nieuwe bedrijfspoot die zich volledig richt op de doorontwikkeling van eHealth en de ondersteuning van het programma Ontsluiten van Patiëntgegevens uit de Eerstelijnszorg in Nederland (OPEN). “We gaan huisartsen helpen om de ruim 7 miljoen dossiers in Medicom te ontsluiten. Daarbij willen we onze klanten volledig ontzorgen, zodat zij per juli 2020 kunnen voldoen aan de aangescherpte wetgeving”, vertelt Piet Hein Knoop, managing director van de nieuwe unit eHealth.

Hoe PharmaPartners dat precies gaat doen, wordt op dit moment uitgewerkt. Knoop: “We hebben onze gebruikersraden gevraagd wat zij in het kader van OPEN van ons verwachten. De boodschap was duidelijk: zij willen volledig ondersteund en ontzorgd worden en voldoen aan wet- en regelgeving door implementatie van onze eHealth-oplossing voor OPEN. Het traject moet zo worden ingericht, dat zij met een druk op de knop subsidie kunnen aanvragen. Vervolgens willen zij kunnen werken met een oplossing die de informatie uit het dossier conform de richtlijnen van OPEN beschikbaar stelt aan patiënten, zonder dat dit extra handelingen vergt. De informatie moet voor patiënten makkelijk te benaderen zijn, zodat het straks geen vragen regent bij zorgverleners. Dat gaan we regelen. Tijdens de eHealth-week, van 21 tot en met 26 januari, laten we zien hoe.”

Nu is de tijd

Een klein tipje van de sluier wil Knoop wel vast oplichten: het patiëntenplatform MijnGezondheid.net en de patiëntenapp MedGemak vormen de basis van de oplossing. “Hier sorteren we al jaren op voor. We zijn ervan overtuigd dat een goede informatievoorziening naar patiënten de zorg drastisch kan verbeteren. XIS-onafhankelijke platforms, ofwel Persoonlijke GezondheidsOmgevingen, moeten de informatie van de verschillende zorgverleners ontsluiten naar patiënten. Dat was tien jaar geleden al het uitgangspunt bij het ontwerp van MijnGezondheid.net. We zullen via MGn ook apps van derden ontsluiten die waarde toevoegen voor de behandelrelatie tussen zorgverlener en patiënt. De zorgsector is er klaar voor en dankzij OPEN ligt er een programmatisch plan en financiering om het waar te maken. Nu is de tijd!”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Een nieuwe vorm van zorg

Samenwerking is noodzakelijk om goede integrale zorg te leveren aan complexe patiënten. Daar is iedereen van overtuigd. Toch komt dat in de praktijk nog lastig van de grond. Hoe brengen we de samenwerking in de regio een stap verder? Dat was het onderwerp van het jaarlijkse seminar dat Portavita begin november heeft gehouden. Portavita faciliteert met haar Health Management Platform de samenwerking tussen zorgpartners in de regio’s.

Zorgverleners bieden steeds vaker zorg vanuit multidisciplinaire samenwerkingsverbanden en stemmen deze af met elkaar en met professionals uit andere vakgebieden. Maar er is meer nodig: een fundamentele verandering van de inrichting en organisatie van de zorg. De zorg-ICT kan dat nieuwe model mogelijk maken en ondersteunen. “Er gebeurt veel, maar we missen overzicht. Iedereen bouwt aan een stukje. Dat maakt het moeilijk om een goede keuze te maken en de juiste investeringen te doen. Het ontbreekt in elke regio aan een regionale organisatie die probleemeigenaar en opdrachtgever is”, verklaart Aloys Langemeyer, directeur Sales & Services van Portavita.

Echt samenwerken

Om goed en echt te kunnen samenwerken, moeten zorgverleners de informatie over hun patiënt of cliënt in samenhang kunnen zien. Vorig jaar bracht het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) een visiedocument uit over de ICT-ondersteuning van multidisciplinaire samenwerking in de eerste lijn. Dat bevat het model van de virtuele overlegtafel. Dit beschrijft een systeem naast het HIS (huisartsen), AIS (apothekers), FIS (fysiotherapeuten) en andere informatiesystemen, waarin ook andere relevante en actuele informatie samenkomt.

“Het NHG-document bevat bouwstenen die aansluiten bij onze visie dat alleen informatie uitwisselen onvoldoende is voor het ondersteunen van een samenwerkingsproces. Wij hebben daarom een regionaal samenwerkingsplatform ontwikkeld en geïmplementeerd. Het Health Management Platform bevat functionaliteiten als het Individueel Zorgplan, het Multidisciplinair Overleg, een samenvatting van patiëntgegevens uit verschillende bronnen, consultatie, een berichtenmodule en een data-analysetool die onder meer gebruikt kan worden voor casefinding. Dit kan de regionale samenwerking faciliteren”, legt Edo Westerhuis, COO van Portavita, uit.

Zet de eerste stap

Bedrijfskundige Ber Damen bevestigt dat de noodzaak tot samenwerking niet wordt betwist. “Maar het is niet eenvoudig om je weg te vinden, omdat er sprake is van partijen die verschillen qua omvang en belangen.” Zijn advies is: “Ga niet zitten wachten tot de ander een stap doet, maar zet zelf de eerste stap en zoek elkaar op. Benut het netwerk, want je hebt elkaar nodig. Maak samen een vuist en zoek een oplossing. En bedenk: de kosten gaan voor de baat uit.”

Auteur: Corina de Feijter

Download het volledige artikel hier:

“Goede zorg leveren we met elkaar”

In het ziekenhuis komen mensen op de polikliniek die vaak beter op een plek buiten het ziekenhuis voor controle hadden kunnen komen. Misschien hoeven zij zelfs helemaal geen fysieke locatie te bezoeken, maar kunnen zij prima online worden begeleid. En bij huisartsen blijven patiënten soms te lang onder behandeling, omdat verwijzing niet zinvol wordt geacht. De werkdruk in de huisartsenpraktijk neemt hierdoor verder toe. Een onwenselijke situatie. We praten erover met Renée van Snippenburg, longarts en specialist transmurale diagnostiek bij Saltro.

“Het denken in eerste en tweede lijn als afzonderlijke domeinen houdt verandering en optimalisering tegen. Pas als je verder kijkt dan je eigen spreekkamer kun je de ontwikkelingen en veranderingen zien aankomen,” zo begint zij haar betoog. “Het komt steeds vaker voor dat juist de mensen met de grootste ziektelast thuis zitten. Zij zijn niet mobiel en hebben in veel gevallen geen sociaal vangnet. Om hen te helpen moet de zorgprofessional zijn spreekkamer uit en naar de patiënt toe. Wat je ook vaak ziet is dat mensen de weg kwijtraken in de zorg: Wie moeten ze waarvoor hebben? En als het misgaat, wie moeten ze dan bellen? De zorg is op dit moment nog per lijn ingericht, op basis van de werkprocessen van de zorgprofessional. Dat is achterhaald! De zorgvráger moet centraal staan en de benodigde zorg dichtbij kunnen krijgen.”

Beter voor iederéén

In hoeverre gaat de zorgprofessional er hiermee op vooruit? Renée van Snippenburg: “De werkdruk in de zorg wordt de komende jaren door alle demografische, sociologische en technologische ontwikkelingen alleen maar hoger. Niet alleen de patiënt is er dus bij gebaat de juiste zorg op de juiste plek te krijgen. Ook de zorgprofessional zal dankzij een betere afstemming en intensievere samenwerking, over alle lijnen heen, gunstige effecten ondervinden. Iedereen die bij de zorg is betrokken is dan goed geïnformeerd en kan zich bezighouden met dat waarin hij goed is. Processen worden efficiënter, patiënten krijgen meer aandacht en zo brengen we met elkaar de kwaliteit van de zorg omhoog. Resultaat: een goed geholpen, tevreden patiënt.”

Samen zorg leveren

Hoe gaan we dat bereiken? Van Snippenburg: “Het begint ermee dat de zorgverleners in de eerste en tweede lijn elkaars expertise kennen en respecteren. Samenwerkingsinitiatieven zoals de wijkspecialist of bijvoorbeeld het ontwikkelen van regionale transmurale afspraken (RTA’s), dragen hier positief aan bij. Mijn visie is dat transmurale zorg álle processen betreft in het continuüm waarbinnen de patiënt zich begeeft. Van thuis tot aan opname in een instelling.”

Auteur: Cherelle de Graaf

Download het volledige artikel hier: