Samen werken aan gezondheid

Proactieve zorg waarbij gezondheid en vitaliteit voorop staat. Gezonde en gelukkige burgers die met de juiste aandacht geholpen worden. Gezondheidsgegevens die 24/7 beschikbaar zijn voor iedereen. The Care Society gelooft in een digitaal zorglandschap waarin zorgverleners zonder obstakels kennis en gegevens uitwisselen en de burger inzicht heeft in zijn eigen gezondheid. Zij weet ook dat dit alleen kan door de juiste samenwerking. En dat kan per regio verschillen.

Niet gebonden aan een leverancier, product of technologie en daardoor flexibel in het bedenken en samenbrengen van IT-oplossingen, bouwen Ruud Beuman en Danny van Neer van The Care Society samen met zorgorganisaties, samenwerkingspartners en burgers

een goed werkend zorgsysteem. Danny van Neer: “Regio’s verschillen onderling. Wij zoeken per regio de beste samenwerkingspartners binnen ons netwerk: de Partner Society.” In samenwerking met SAP en Phoqus bijvoorbeeld, kan The Care Society oplossingen bieden, waarmee relevante informatie kan worden gedeeld, zodat de burger samen met de professional zijn eigen zorgplan kan opstellen.”

Handleiding overbodig

“SAP ontwikkelt technologische bouwstenen en zorgt dat toepassingen altijd werken en naadloos op elkaar aansluiten,” vertelt Cefas Dam, business development manager Healthcare bij SAP. “Wij kunnen data van verschillende zorgsystemen met elkaar verbinden. Omdat veel data opgesloten zit in een systeem, zijn er problemen met automatisering. Nieuwe technologieën maken het mogelijk oude systemen te verbinden en processen te integreren. Technologie kan ook eenvoud brengen. Het werkt hetzelfde als een app: je hebt geen handleiding meer nodig, het spreekt voor zich.”

Lijnen verbinden

Phoqus heeft de kennis en ervaring om klantvragen te vertalen naar praktische oplossingen. Zij begeleiden regio’s bij de implementatie en borging in de organisatie. John Koole, directeur van Phoqus: “Sinds 2005 ontwikkelt Phoqus frontend-oplossingen en portals waarmee informatiesystemen eenvoudiger én meer eindgebruiker gericht worden. De oplossingen die wij ontwikkelen met SAP-technologie zijn vooral in gebruik in de tweede lijn. Door politieke en maatschappelijke ontwikkelingen op het ge bied van informatiedeling in de keten, is er vraag naar systemen die deze integratie mogelijk maken. Wij maken het voor de eerste lijn mogelijk om ook met SAP-oplossingen te gaan werken. Zo kan er een verbinding worden gemaakt tussen eerstelijns- en tweedelijnszorg.”

“Juist in de zorgsector is dit relevant”, legt Ruud Beuman van The Care Society uit. “De zorg moet beter worden afgestemd op het individu. In een netwerk moeten alle partners bij elkaar gebracht worden. Door onze samenwerking kunnen wij partijen met elkaar verbinden.”

Auteur: Ingrid Hendrikx

Download het volledige artikel hier:

Zorggroep neemt afscheid van keteninformatiesysteem

‘’De rol van zorggroepen verandert. Wij willen de huisartsenpraktijken faciliteren en ondersteunen.’’ stelt Martine Groot Zevert. In haar baan als praktijkconsulent bij Ketenzorg Arnhem, onderdeel van huisartsenorganisatie Onze Huisartsen in de regio Arnhem, had ze de rol van projectleider tijdens het vervangen van het keteninformatiesysteem (KIS) vorig jaar.

‘’Huisartsen en praktijkondersteuners ervaren een hoge werkdruk en wij willen helpen deze te verminderen. Daarvoor moet je, naast goed luisteren naar hun wensen, zaken uitzoeken, toetsen en uitvoeren’’, aldus Groot Zevert. De faciliterende rol van Onze Huisartsen kwam goed tot zijn recht tijdens de vervanging van het KIS.

Groot Zevert: “Begin 2016 gaf onze KIS-leverancier aan met het KIS te stoppen. Ze boden wel een alternatief: VIPLive van Calculus. Dat is geen KIS maar een virtueel systeem om het HIS heen, waarin informatie te vinden is over zorg geleverd aan ketenzorgpatiënten. Ook verwijzing naar- en communicatie met ketenpartners is mogelijk.’’

De zorggroep was niet direct enthousiast over die suggestie, omdat het voor de zorgverleners andere werkwijzen met zich meebrengt. ‘‘Een KIS is voor de praktijkondersteuner, die veelal geprotocolleerd werkt, een prettig en overzichtelijk systeem. Daar tegenover staat dat de huisartsen het liefst alleen in het HIS werken en de meesten VIPLive al kenden als declaratiesoftware. Zij hadden hier goede ervaringen mee. Dit maakte dat praktijken open stonden voor dit alternatief.’’

Inventarisatie

‘’We zijn gaan praten met andere zorggroepen die al voor deze oplossing hadden gekozen. Voor- en nadelen zijn geïnventariseerd en gedeeld met het bestuur en de Raad van Afgevaardigden. We kwamen tot de conclusie dat we met VIPLive een nieuwe service voor de praktijken toevoegen. Door het HIS weer als bronsysteem te nemen wordt de kwaliteit van de registratie verbeterd.’’

Meenemen in verandering

Toen medio 2016 besloten werd het KIS te vervangen, heeft Ketenzorg Arnhem een projectplan gemaakt. Belangrijk was dat alle praktijken persoonlijk bezocht zouden worden om goed uitleg te geven. Medewerkers van Calculus en praktijkconsulenten van Ketenzorg Arnhem bezochten de praktijk samen. Groot Zevert: ‘’Daardoor anticipeerden we goed op vragen vanuit de praktijk.’’ Zowel voor als na de implementatie organiseerde de zorggroep scholingen voor praktijkondersteuners, huisartsen en ketenpartners. “Vanuit de trainingsavonden weten we dat het belangrijk is om mensen voor een dergelijke verandering goed te informeren en mee te nemen. Weerstand tegen verandering kan voortkomen uit onzekerheid.”

Auteur: Ludo de Boo

Download het volledige artikel hier:

“Specialisten moeten huisartsen-minded zijn”

Na minister Schippers zet ook het nieuwe kabinet in op verschuiving van tweede- naar eerstelijnszorg om kosten te beheersen en de kwaliteit van zorg te verbeteren. Hoe werkt substitutie in de praktijk? Wat levert het op? In de proeftuinen MijnZorg en Anders Beter werken huisartsen en specialisten al een tijd samen vanuit een anderhalvelijnscentrum of via anderhalvelijnsproducten. “Belangrijkste  voorwaarde voor succes is dat specialisten huisartsen-minded zijn”, aldus Bem Bruls, directeur van Huisartsen Oostelijk Zuid-Limburg (HOZL).  

Al in 2014 startte in Heerlen het anderhalvelijnscentrum PlusPunt MC binnen de proeftuin MijnZorg. HOZL, Zuyderland Medisch Centrum, zorgverzekeraar CZ en patiëntenorganisatie Huis voor de Zorg trekken binnen deze proeftuin samen op om de Triple Aim doelstelling te realiseren: betere zorg en een betere algemene gezondheid tegen lagere kosten.

PlusPunt MC focuste de eerste twee jaar op het specialisme cardiologie met als doel een snelle, one stop shop diagnostiek van patiënten met hartklachten. Diagnostiek in PlusPunt MC valt onder eerstelijnszorg en heeft geen consequenties voor het eigen risico. Begin 2016 zijn de specialismen KNO, dermatologie, laagcomplexe chirurgie en interne geneeskunde aan het PlusPunt toegevoegd. Orthopedie en ouderengeneeskunde volgen.

Eerlijkheid gebiedt HOZL-medisch directeur en huisarts Bem Bruls te zeggen: “Het PlusPunt is maatwerk en succes verschilt per specialisme. Belangrijke voorwaarde is dat een specialisme zich goed leent voor substitutie van tweede- naar eerstelijnszorg. De betrokken specialisten moeten huisartsen-minded zijn.”

Onderzoek

De vraag is of substitutie zorgkosten ook écht afremt en de kwaliteit van zorg en gezondheid aantoonbaar verbetert. Maastricht UMC brengt de effecten in beeld, zodat tussentijds kan worden bijgestuurd. Gevraagd naar de ervaren kwaliteit van zorg scoort de interventiegroep van PlusPunt op 25 van de 27 variabelen voorlopig hoger dan de controlegroep. “Maar conclusies over kosten vergen longitudinaal onderzoek”, aldus gezondheidswetenschapper-epidemioloog Dirk Ruwaard in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Dat neemt niet weg dat huisartsen op lokaal niveau wel degelijk spreken over verschuivingen. Het aantal verwijzingen naar de tweede lijn is volgens Bem Bruls duidelijk verminderd.

Meer anderhalvelijnsproducten

Ook in de proeftuin Anders Beter in de Westelijke Mijnstreek zijn volgens Zuyderland MC-internist Mariëlle Krekels en huisarts Paul Bergmans succesvolle ‘anderhalvelijnsproducten’ ontwikkeld om laagcomplexe zorg in de eerste lijn te houden. Krekels en Bergmans zijn tevens directeur van MMC Omnes, een regionale organisatie die onder meer samenwerking tussen huisartsen en specialisten bevordert. Gevraagd naar de eerste successen van substitutie noemen zij onder meer e-meedenkconsulten, het osteoporosespreekuur en tele-dermatologische consulten.

Auteur: Ingrid Beckers

Download het volledige artikel hier:

Op weg naar een regionaal samenwerkingsplatform

Op 12 oktober 2017 hield Portavita het derde seminar over regionale samenwerking in buitenplaats Mereveld in Utrecht. Thema van het symposium: hoe kunnen innovatieve ICT-platforms de regionale samenwerking tussen zorgpartners versterken en ondersteunen? Vertegenwoordigers van regionale samenwerkingsverbanden, trombosediensten en betrokkenen waren aanwezig.

Betere zorguitkomsten per gespendeerde euro kunnen alleen gerealiseerd worden door een constructieve samenwerking over de hele keten van preventie, zorg en welzijn. Makkelijker gezegd dan gedaan, zo blijkt uit onderzoek van dr. Pim Valentijn, adjunct-directeur Essenburgh Training & Advies en senior-onderzoeker bij Maastricht University en Maastricht MUMC+. “Het succes van regionale samenwerking is de optelsom van de inzet van alle betrokken partijen. Toch blijkt juist samenwerking tussen zorggroepen en ziekenhuizen het grootste struikelblok op weg naar betere regionale uitkomsten. Gedeelde verantwoordelijkheid over de zorgkwaliteit, de kosten en het nieuwe integrale verdienmodel is een andere, veel genoemde uitdaging.”

Ook de juiste functionele randvoorwaarden, zoals integrale ICT-platforms, zijn onmisbaar om regionale samenwerking duurzaam te verankeren, constateert Valentijn. “Juist op het gebied van deze functionele randvoorwaarden valt in Nederland nog een wereld te winnen.”

Multidimensionaal

Jos van Berkel, specialist Ouderengeneeskunde in Gelders Rivierenland, werkt in een netwerk van regionale samenwerking met huisarts, thuiszorg, regionaal ziekenhuis, vrijwilligers, patiënten en hun mantelzorgers. Gezondheid is multidimensioneel, stelt hij, met zowel fysieke, psychische als sociale componenten. Alleen door multidisciplinaire samenwerking kunnen problemen van kwetsbare ouderen behandeld worden. “Dat betekent dat je kennis deelt en multidisciplinaire behandelafspraken maakt. Dat kan alleen als je alle informatie voor iedereen toegankelijk maakt. Samen met Portavita hebben we daarom een zorgpad Kwetsbare ouderen op het Portavita-platform ingericht. Alle informatie komt daar samen. Je kunt erin lezen wie wat doet, wat de behandelafspraken zijn, noem maar op. Alle zorgverleners hebben er toegang toe.”

Een drempel is wel dat iedere zorgverlener daarnaast met het ICT-systeem van de eigen organisatie werkt. “Dat is niet optimaal, maar wel de realiteit. We moeten onze ICT-systemen dus goed op elkaar laten aansluiten.”

Regionale overlegtafel

Van Berkel is niet de enige zorgverlener die hiermee worstelt. Het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) schreef er recent een visiedocument over: De regionale overlegtafel. Edo Westerhuis, COO van Portavita begrijpt het probleem. “Zorgverleners gebruiken het ICT-platform van hun eigen organisatie, maar willen tegelijkertijd ook kunnen werken met een functionaliteit waarmee ze met andere zorgverleners kunnen samenwerken. Het Portavita Platform heeft de bouwstenen om zo’n regionale overlegtafel tot een succes te maken.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

ICT-bouwstenen voor nieuwe patiëntenzorg geplaatst

De Stichting Automatisering Huisartsen (SAH) bezint zich op een naamsverandering. “De oude naam sluit niet meer aan op ons werkgebied”, zegt voorzitter Maarten Vermeulen. “Wij zijn er niet specifiek voor huisartsen, maar voor iedereen die werkzaam is in de zorg. We streven naar geïntegreerde ICT voor de hele zorg, zowel de eerste lijn als de tweede lijn.” De naamsverandering is exemplarisch voor het veranderende zorglandschap. Er is een ontwikkeling naar regionale, geïntegreerde zorgnetwerken. Die staat of valt met open communicatie binnen een landelijke infrastructuur. De eerste concrete stappen worden nu genomen.

Pita van Arkel is directeur van Promedico. Michiel Boerkamp is directeur van Care2U, sinds 2015 onderdeel van de Promedico Groep. De aandelen van Promedico zijn voor honderd procent in handen van de SAH. “Omdat we een stichting zijn, hebben we geen winstoogmerk. Al het geld dat wij genereren steken we weer in ontwikkeling van state-of-the-art zorgtoepassingen”, verduidelijkt Maarten Vermeulen. “We zijn dus ‘van’ en ‘voor’ de zorg, met als belangrijkste doel het bedienen van de patiënt of cliënt.” Vanuit die basis heeft Promedico een strategie ontwikkeld om antwoord te bieden op de veranderingen en pijnpunten in het hedendaagse zorglandschap, vertelt Pita van Arkel. De kern van die strategie is: open samenwerken op regionaal niveau.

Alles komt samen

“Geïntegreerde zorg is geen stip op de horizon”, zegt Pita van Arkel. “De eerste oplossingen worden al opgeleverd.” Zij doelt bijvoorbeeld op de communicatie tussen huisartsenpraktijk (HIS) en apotheek (AIS), die wordt voorzien door Promedico-ASP en Apro. En een ‘KIS in HIS’ oplossing die communicatieproblemen bij ketenintegratie aanpakt. De derde component is zelfzorg. Promedico integreert MijnGezondheidsplatform (MGP) voor patiënten en bouwt de mogelijkheden van het portaal verder uit.

“Dit zijn de eerste bouwstenen, waarmee de basis staat”, vervolgt Van Arkel. Van daaruit kan verder worden gewerkt aan de regionalisering van het zorglandschap. “De markt is in beweging. Zorggroepbesturen zien de toegevoegde waarde van regionale samenwerking, én de shared savings.”

“Vroeger was je als huisarts autonoom, tegenwoordig is zorg iets dat je met elkaar doet”, vat Maarten Vermeulen samen. Maar besturen willen dat vanuit een eigen ICT-keuze doen en dat betekent dat systemen het moeten toestaan. Een belangrijke voorwaarde hiervoor is een landelijke infrastructuur. Daarom hebben Promedico en Care2U het initiatief genomen voor het realiseren van centrale voorzieningen. Een organisch, open systeem waarbij alle leveranciers samen verantwoordelijk zijn voor gemeenschappelijke tussenliggende componenten die de verschillende informatiesystemen van de verschillende zorgverleners met elkaar verbinden.

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

TeleGGZ in Zeeland

De Zeeuwse Huisartsen Coöperatie, actief op de Bevelanden, Schouwen-Duiveland en Walcheren, en Nucleus Zorg, de huisartsencoöperatie in Zeeuws-Vlaanderen, gingen een paar jaar geleden onafhankelijk van elkaar op zoek naar goede online ondersteuning voor GGZ. Inmiddels lopen er gemiddeld ruim zeventig TeleGGZ-trajecten per normpraktijk. Daarmee lopen ze voorop in Nederland.

“Voor veel mensen biedt TeleGGZ een goede manier om met hun klacht aan de slag te gaan. Wij wilden in die behoefte voorzien. Tegelijkertijd kan de screening en verwijsondersteuning helpen om te bepalen wie de beste zorg kan leveren”, zegt huisarts Guus Jaspar van huisartsenpraktijk Triniteit in Terneuzen. Als bestuurslid van Nucleus Zorg was hij nauw betrokken bij de implementatie van TeleGGZ in Zeeuws-Vlaanderen. De POH’s-GGZ waren in de ‘lead’ bij de keuze van het systeem. “De keuze viel op KSYOS omdat deze screening, verwijsondersteuning en eHealth-modules voor patiënten combineert. Maar ook de toegankelijkheid, de manier van werken en de service scoorden hoog.”

Janet Miedema, manager eerstelijns GGZ en POH bij de Zeeuwse Huisartsen Coöperatie (ZHCO), deed in Utrecht al ervaring op met KSYOS TeleGGZ. “Daar hebben we alle systemen uitgebreid met elkaar vergeleken. De nadruk lag daarbij op digitale beslisondersteuning op basis van de VierDimensionale KlachtenLijst (4DKL), maar echt fijn is de combinatie met de consultatiemogelijkheid en eHealth-modules. Daarmee kun je mensen iets aanbieden waardoor ze met het onderwerp bezig blijven buiten het half uurtje dat je als POH voor ze hebt.”

De praktijk

Miedema vertelt hoe de inzet van TeleGGZ in de regel verloopt. “Wanneer een patiënt met psychische klachten bij de huisarts komt, kan de huisarts de digitale vragenlijst laten invullen. Je krijgt een indicatie van de mate waarin er sprake is van angst, depressie, somatisatie en stress. Het systeem geeft daarbij ook aan op welke plek in de GGZ de patiënt het beste behandeld kan worden.”

Consultatie

Wanneer er twijfel is over de indicatie, kunnen de POH’s van ZHCO gebruikmaken van consultatie. Ze vragen dan online advies aan de psycholoog of een andere deskundige. Zo wordt onnodige doorverwijzing naar de tweede lijn voorkomen en dat scheelt tijd en geld. Zowel voor de patiënt zelf, als voor de zorg in het algemeen.

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

“BeterDichtbij biedt ons ook kansen”

Sinds eind 2016 werkt een aantal regionale ziekenhuizen met de app BeterDichtbij. Daarmee kunnen patiënten direct vragen stellen aan specialisten of het ziekenhuis en onderzoekuitslagen ontvangen. Sommige eerstelijnsorganisaties vreesden gevolgen voor de poortwachtersfunctie van de huisarts. Het Eerstelijns Centrum Tiel (ECT) niet. Deze zomer intensiveerde het de samenwerking met Ziekenhuis Rivierenland door dezelfde app te implementeren.

Het ECT telt twintig samenwerkende disciplines en een multidisciplinaire zorggroep waarin eerste- en tweedelijnszorgaanbieders samenwerken aan de kwaliteit van zorg voor patiënten met chronische aandoeningen. Samen met onder andere de regionale huisartsen en Ziekenhuis Rivierenland zijn programma’s opgezet voor diabetes, COPD, astma, hart- en vaatziekten, kwetsbare ouderen en GGZ. “Dat kon hier ook makkelijk. We zitten in een heel duidelijke regio, met maar één ziekenhuis”, zegt Rob Edelbroek, huisarts en bestuursvoorzitter.

Betrokkenheid

Het Tielse ziekenhuis is lid van de Samenwerkende Algemene Ziekenhuizen (SAZ). Die club van dertig regionale ziekenhuizen heeft onder meer als doel om de betrokkenheid in de omgeving te versterken, legt Paul Verploegen uit. Hij is voorzitter van de raad van bestuur van Ziekenhuis Rivierenland. “BeterDichtbij is daar een prima middel voor. Ziekenhuis Rivierenland was van begin af aan bij de ontwikkeling betrokken.” Het ziekenhuis gebruikt de app voor een aantal specialismen. De bedoeling is om goed advies en veilig contact tussen patiënt en arts mogelijk te maken en uitslagen te delen. Het gaat vaak om kleine, praktische vragen, bijvoorbeeld over de voeding van de baby na ontslag of aanvullende vragen aan een gynaecoloog van een patiënt die behandeld wordt voor een fertiliteitsprobleem.

Kansen

In Nederland werken nu zeven regionale ziekenhuizen met de app. Het ECT is de eerste eerstelijnsorganisatie die instapte, vertelt Rob Edelbroek. “Dat was na lang wikken en wegen. Wij zochten naar manieren om klantvriendelijk te communiceren en die biedt BeterDichtbij.” Maar is het nu een bedreiging of een kans voor de eerstelijnszorg? “Na een paar goede gesprekken zijn de bedenkingen weggenomen. Wij zien vooral kansen.” Want deze app kan de functies van de eerstelijnszorg helemaal niet overnemen, aldus Paul Verploegen. “Als iemand pijn in de borststreek heeft, dan zou hij of zij de neiging kunnen hebben om meteen een cardioloog te appen, of een dermatoloog bij eczeem. Maar dan word je via BeterDichtbij eerst doorverwezen naar de huisarts. De app ondersteunt het proces.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Eerstelijnszorg voor houdings- en bewegingsapparaat

Patiënten met klachten aan het houdings- en bewegingsapparaat moeten vanwege de oplopende wachttijden soms lang wachten voor ze in zorg komen bij de orthopeed in het ziekenhuis. In Friesland doen ze daar wat aan. Huisarts Jan Waling Huisman ziet in zijn anderhalvelijnspraktijk veel van deze patiënten. Doordat zij snel bij hem terechtkunnen, ontlast hij de orthopeed én bespaart hij de zorgverzekeraar veel geld.

Geen eigen risico, korte wachttijden, snelle behandeling, Jan Waling Huisman, huisarts van huisartsenpraktijk Blok-Huisman in Harlingen, hoeft niet lang na te denken over wat zijn kracht is als huisarts/kaderhuisarts gespecialiseerd in de diagnostiek en behandeling van aandoeningen van het houdings- en bewegingsapparaat. Sinds twee jaar neemt Huisman als kaderhuisarts een deel van de tweedelijnszorg over van de radiologen en orthopeden van Medisch Centrum Leeuwarden (MCL). Collega-huisartsen verwijzen patiënten met klachten aan het bewegingsapparaat niet langer alleen door naar het MCL, maar ook naar hem.

Scheve gezichten

In het begin keken radioloog en orthopeed wel met scheve gezichten naar wat Huisman aan het doen was. “Zouden ze door mijn werk nog wel voldoende patiënten krijgen? Bovendien vroegen ze zich af of ik voldoende competent zou zijn.” De scheve gezichten hebben inmiddels plaatsgemaakt voor enthousiasme. “Ze zien dat ik geen patiënten van ze afneem, maar ervoor zorg dat hun soms wekenlange wachttijden minder lang zijn. En competent ben ik ook. Ik heb als huisarts twee jaar de kaderopleiding Houdings- en bewegingsapparaat en sportgeneeskunde gedaan aan het ErasmusMC in Rotterdam. Ik weet waarover ik het heb. Daarbij ken ik mijn grenzen. Is een klacht te complex, of kom ik er niet uit, dan verwijs ik alsnog door.”

Tenminste 50 procent van de patiënten moest Huisman zelf behandelen, de andere 50 mocht hij doorverwijzen. Dat was een voorwaarde van zorgverzekeraar De Friesland om het substitutieproject te mogen starten. “De cijfers vielen uiteindelijk veel beter uit dan dat. 83 procent van de patiënten die collega-huisartsen naar mij doorverwijzen behandel ik zelf. Slechts 17 procent gaat naar radioloog of orthopeed. Dat lage cijfer haal ik ook doordat ik zelf echografisch onderzoek doe. Ik heb de opleiding echografie gedaan en alle echoapparatuur aangeschaft. Ik hoef patiënten daarvoor niet door te sturen naar het MCL. Dat scheelt tijd en geld.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Vroeg zicht op boezemfibrilleren

Huisartsen in Friesland hebben in de afgelopen twee jaar 140 keer vroegtijdig boezemfibrilleren helpen constateren. Daarmee is de kans op een beroerte voorkomen en zorg in de tweede lijn vermeden. Initiatiefnemer Geert Tjeerdsma, cardioloog in ziekenhuis Tjongerschans te Heerenveen, vertelt.

Wat was de aanleiding voor het project Atriumfibrilleren Eerstelijns Diagnostiek (AED)?

“Soms is er sprake van boezemfibrilleren, maar is dat onbekend omdat de persoon in kwestie niet of nauwelijks de bijbehorende klachten heeft. Dit wordt ‘stil boezemfibrilleren’ genoemd. Onderzoek heeft een aantal jaren geleden uitgewezen dat huisartsen hierdoor dikwijls de diagnose niet stellen. Dit wekte mijn nieuwsgierigheid en leidde tot een ambitie: ik wilde proberen huisartsen te faciliteren om wél boezemfibrilleren te kunnen diagnosticeren, zodat tijdig kan worden overgegaan tot behandeling.”

Binnen het project wordt de ‘Mydiagnostick’ gebruikt. Wat is dat precies?

“Een staaf-achtig voorwerp dat de patiënt ongeveer twee minuten in beide handen vasthoudt. Het heeft hetzelfde principe als een elektrocardiogram (ECG). Ook hier wordt een hartfilmpje gemaakt, maar dan met behulp van slechts één kanaal: de staaf tussen de handen. Als de stick rood kleurt, is er een groot risico op boezemfibrilleren. De huisarts kan de verzamelde data via de PC digitaal doorsturen ter beoordeling van de cardioloog.”

Als de symptomen van boezemfibrilleren vaak niet aan de oppervlakte komen, hoe weet de huisarts dan bij wie hij een hartfilmpje moet maken?

“Door alert te zijn bij mensen met risicofactoren. Stil boezemfibrilleren komt relatief vaak voor bij 65-plussers met diabetes, een hoge bloeddruk, eerder hartfalen, een eerder hartinfarct of een eerdere beroerte. Dat werd bevestigd tijdens een pilot die we eind 2014 deden bij een Friese huisarts. Tijdens een griepvaccinatieavond gaven we de stick aan 400 mensen. Bij twintig toonde het apparaat boezemfibrilleren aan. Van tien van hen was dat al bekend, maar van de tien anderen niet.”

Na die bevestiging kon de volgende stap worden gezet?

“Toen zijn we daadwerkelijk van start gegaan met het project. Veertig huisartsen uit de regio Heerenveen, Joure, Wolvega en Akkrum gingen begin 2015 werken met de Mydiagnostick.

Zowel in 2015 als in 2016 stuurden huisartsen ongeveer honderd keer een rode uitslag naar een cardioloog. Bij zeventig procent, ofwel 140 patiënten, bleek het na analyse door de cardioloog daadwerkelijk om stil boezemfibrilleren te gaan.”

Wat zijn de voordelen voor de patiënt?

“Een snellere diagnose. Dat is belangrijk, want soms manifesteert de ritmestoornis zich wel en soms niet. Het is mogelijk dat een patiënt zich een paar dagen of weken na de klachten in het ziekenhuis meldt en dat een ECG dan niets ernstigs aan het licht brengt. Er is ook een financieel voordeel voor de patiënt. De huisarts blijft hoofdbehandelaar, dus de zorg gaat niet ten koste van het eigen risico.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

“Apro stelt patiënt centraal, niet het doosje”

“We zijn eigenlijk verkenners, dat is meteen ook het leuke”, zegt Geert Struik. Hij is apotheker bij Apotheek It Noard en Apotheek Postma in Sneek. Apotheek It Noard is de eerste in Nederland die het farmaceutisch zorgsysteem Apro van softwareleverancier Promedico in gebruik heeft. Ze werken er nu ruim een maand mee. De overstap was spannend, maar het levert de apotheek veel op.

Promedico, van oorsprong leverancier van huisartseninformatiesystemen, kondigde in 2015 aan dat het een systeem voor apotheken ging ontwikkelen. De bestaande ICT-systemen waren niet meegegroeid in de ontwikkeling van de rol van apotheker, waarin voorlichting, uitleg en welzijn- en gezondheidsaspecten centraal staan. “We hebben Apro daarom van de grond af opgebouwd”, zegt product owner Martin Pruijsers van Promedico. “Dat betekent dat er veel ontwikkeltijd in ging zitten. Het voordeel is dat we het geheel naar eigen inzicht konden doen, in nauwe samenwerking met gebruikers waardoor het gebruik intuïtief is. What you see is what you need, veel is achter de schermen geautomatiseerd. Nu dit eenmaal staat kunnen we heel snel verbeteringen en koppelingen doorvoeren. Iedere twee maanden komen we met nieuwe functionaliteiten. Daar ben ik best trots op.” In oktober wordt de volgende versie – oftewel Apro 1.1 – opgeleverd. Centraal daarin staan proactief herhalen, gds, central/smartfilling en track & trace, zo geeft Pruijsers aan.

Samenwerking

Waarin verschilt Apro van de huidige apotheekinformatiesystemen? Het begint al bij de filosofie erachter, legt Pruijsers uit. “De oude systemen zijn gericht op het volgen van het medicijndoosje. Apro is daarentegen gericht op het complete proces van zorgverlening aan de patiënt.” Dat betekent dat het systeem een goed overzicht van de patiënt geeft en natuurlijk zorgt het ervoor dat distributie en declaratie van medicatie makkelijk verloopt. De logistiek loopt soepeler én papierloos. Receptbriefjes zijn voortaan verleden tijd als het aan Pruijsers en Promedico ligt. “Want allerlei briefjes met geeltjes eroverheen, dat is de opmaat om gegevens kwijt te raken.”

Maar het belangrijkst is: Apro maakt samenwerking met andere zorgverleners makkelijk. Dat komt door de makkelijke koppeling met andere systemen voor zorgverleners. Apro zorgt voor naadloze uitwisseling van gegevens met een HIS of een KIS. Iedereen heeft zo de relevante patiëntgegevens. Hierdoor komt een digitaal multidisciplinair overleg (MDO) bijvoorbeeld binnen handbereik. Patiënten kunnen binnenkort ook makkelijk bij hun medicatieoverzicht via een app of via een portaal als MijnGezondheidsplatform (MGP).

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier: