Samen sterk voor online inzagerecht patiënt

Iedere patiënt heeft vanaf 1 juli 2020 het recht online zijn of haar persoonlijke medische gegevens in te zien. Dit vraagt nogal wat van de huisarts. In de regio Rijnmond zet de ICT Huisartsenraad in op zoveel mogelijk samenwerking.  

“Patiëntendossiers écht goed bijhouden is een ingewikkelde klus. Het is tijdrovend om dossiers van bestaande patiënten op orde te krijgen en houden. Daarnaast komen er nieuwe patiënten bij met een oud dossier van hun vorige huisarts. Een eindeloos verhaal. Maar wat nu als die patiënt zelf meekijkt in dat dossier en constateert: Dokter, die medicijnen slik ik al lang niet meer. Of hij merkt op: Hé, ik zie dat mijn allergie er niet bij staat.”

Wimmo van Geldrop, ICT-manager van Huisartsenpost Rijnmond, schetst een voorbeeld van wat er in de toekomst kan gebeuren. Hopelijk zál gebeuren, want het online inzagerecht is een middel om meer grip te krijgen op de eigen gezondheid.

Regie behouden

De meeste huisartsenpraktijken hebben nog veel werk te verzetten voor het zover is. Startpunt is het inrichten van een veilig en toegankelijk digitaal patiëntenportaal per huisartsenpraktijk. Samenwerking is hierbij cruciaal, vertelt huisarts Maarten Timmers, werkzaam in het Rotterdamse stadsdeel Charlois.

“Je moet het regionaal oppakken om te voorkomen dat iedereen het wiel gaat uitvinden. Samen optrekken richting ICT-leveranciers, subsidieverstrekkers en patiënten. Op die manier ontlast je de individuele huisarts en behoud je de regie op ICT-gebied. Zonder samenwerking krijgen ICT-leveranciers het voor het zeggen en wordt het heel moeilijk om oplossingen goed op elkaar aan te laten sluiten.”

‘Wereld haalt ons in’

Eind maart organiseerde de ICT Huisartsenraad de eerste regiobijeenkomst over gegevensuitwisseling met patiënten. Er kwamen honderd belangstellenden op af; merendeels huisartsen en daarnaast praktijkmanagers en -assistentes.

De belangrijkste boodschap aan de huisartsen was: er is een brede samenwerking waar alle relevante partijen in zitten. Een club die zich druk maakt over wat eraan zit te komen en, via het traject van OPEN (Ontsluiten Patiëntgegevens uit de Eerstelijnszorg in Nederland), toegang kan krijgen tot subsidiegeld om huisartsen op weg te helpen.

“De bijeenkomst heeft drempels, weerstanden en verwarring verminderd”, blikt Timmers terug. “Er is nu meer bewustwording en gevoel van urgentie. Huisartsen zien in dat ze rondom automatisering tien jaar hebben stilgestaan. De wereld haalt ons in.”

Auteur: José van der Waerden

Lees hier het hele artikel.

 

Alle acute zorgvragen naar één regionaal loket

Een regionaal loket dat alle acute zorgvragen ontvangt en beoordeelt en daarna de best passende zorgverlening inzet. Het zorgcoördinatiecentrum leidt tot de juiste zorg, door de juiste zorgverlener, op het juiste moment, op de juiste locatie. InEen en Ambulancezorg Nederland (AZN) ambiëren de start van minstens drie pilots volgend jaar. 

Gezamenlijk optrekken om de druk in de acute-zorgketen te verminderen. Dat is een van de belangrijke doelen van het initiatief, vertelt AZN-directeur Koos Reumer.

Wat is een zorgcoördinatiecentrum?
“Het concept zorgcoördinatie is niet nieuw, het komt al elders in de zorg voor. Evenmin speelt het in op exclusieve problematiek van ambulancevoorzieningen. Zorgcoördinatie kan juist een antwoord zijn op ontwikkelingen die breed worden gevoeld in de acute zorgketen. Het is iets wat we in gezamenlijkheid zouden moeten vormgeven. In eerste instantie met huisartsenposten, thuiszorgorganisaties en de acute ggz. Maar later ook met de verloskundige zorg en ziekenhuizen.

Zorgcoördinatie is het 24/7 gezamenlijk organiseren en coördineren van alle acute zorgvragen op regionale schaal. Hierdoor ontstaat inzicht en samenhang. Het gaat hierbij om alle activiteiten die zijn gericht op het regisseren, afstemmen en bewaken van de organisatie en de uitvoering van de zorgverlening aan de patiënt met een acute zorgvraag.”

Wat is het voordeel voor patiënten en zorgverleners?
“De patiënt kan terecht bij één loket waarachter de acute zorgverleners probleemloos samenwerken. Het gemeenschappelijke doel van de betrokken zorgorganisaties is dat de patiënt met een acute zorgvraag de juiste zorg, door de juiste zorgverlener, op het juiste tijdstip, op de juiste plek ontvangt. Pluspunt voor zorgverleners is dat zij meer worden ontzorgd. Zij zoeken contact met het centrale punt waar altijd actuele informatie beschikbaar is, over bijvoorbeeld capaciteit van ziekenhuisbedden en medisch specialistische zorg. Niet langer hoeven vele telefoongesprekken te worden gewijd aan de vervolgzorg.”

Welke stappen moeten worden gezet op weg naar de beoogde pilots in 2020?
“Er is actie nodig op landelijk en regionaal niveau. Wat betreft de regio’s: AZN stimuleert Regionale Ambulancevoorzieningen om dit jaar in gesprek te gaan met HAP’s. En InEen wijst HAP’s op de mogelijkheden. Samen zouden partijen moeten nadenken over centrale triage en concentratie van vervolgzorg. Het heeft de voorkeur dat ook acute ggz en wijkverpleging betrokken worden. Op dit moment worden al gesprekken gevoerd in een aantal regio’s.”

Auteur: Gerben Stolk

Download hier het hele artikel.

Komt een verwarde patiënt bij de huisartsenpost…

Lange wachttijden, weinig overleg, gebrek aan begrip voor elkaars werk: er valt veel te verbeteren in de samenwerking tussen Huisartsenposten (HAP’s) en de acute ggz. De Handreiking Samenwerking HAP en acute ggz, die sinds begin dit jaar beschikbaar is, heeft als doel dit te realiseren.

Betere ggz-hulpverlening buiten kantoortijden, en betere samenwerking tussen HAP’s en acute psychiatrie. Dat is dé inzet van de Handreiking Samenwerking HAP en acute ggz die sinds begin 2019 beschikbaar is. De Handreiking is een initiatief van InEen, en kwam tot stand in samenwerking met GGZ Nederland en WijzijnMIND, de belangenorganisatie voor mensen met psychische en psychiatrische klachten.

Meer begrip
“De Handreiking is een tool voor HAP’s, huisartsen en crisisdiensten die streven naar betere samenwerking en meer begrip voor elkaars werk,” legt Astrid Scholl uit, programmamanager Acute zorg bij InEen. “Zeker in tijden van drukte hebben zowel huisartsen als crisisdienst-medewerkers snel het gevoel dat de ander problemen over de schutting gooit. Als je echter snapt wat die ander doet, krijg je daar meer begrip voor. Dat bevordert de samenwerking.”

De Handreiking vormt tevens een leidraad voor huisartsen en triagisten in de HAP’s over wat te doen wanneer ze een patiënt met psychische klachten aan de telefoon of op de post krijgen. “Wat doe je als zich een verwarde patiënt op de HAP meldt? Welke afwegingen maak je dan? Wat kun je als huisarts zelf, wanneer vraag je telefonisch consult bij de crisisdienst, wanneer verwijs je? In de Handreiking staan inspirerende voorbeelden over hoe je dat met elkaar kunt aanpakken. Het zijn concrete praktijkvoorbeelden, gebaseerd op interviews met vertegenwoordigers van patiënten, en professionals werkzaam op de HAP en in de acute ggz.”

Kader en eisen kwaliteit
Huisartsen en HAP’s hebben behoefte aan zo’n Handreiking, weet Scholl. “De ggz wordt steeds ambulanter en het aantal ggz-instellingen blijft krimpen. In de afgelopen jaren zijn de HAP-medewerkers daardoor steeds meer patiënten met psychische problemen gaan zien. Huisartsen zitten vaak met de handen in het haar over wat ze met deze groep kunnen doen. We hopen dat deze Handreiking daarbij kan helpen.”

Auteur: Michel van Dijk

Download hier het hele artikel.

Gespreks- en rekentool integrale zorg kwetsbare ouderen

Succesvolle zorg voor kwetsbare ouderen is gebaat bij een integrale aanpak. Maar hoe zit het dan met de kosten en opbrengsten? Mogelijk biedt een gespreks- en rekentool daarvoor handvatten, zo blijkt uit de eerste pilots. 

De aanleiding: een integrale aanpak reikt verder dan het behandelen van aandoeningen. Het draait vooral ook om welbevinden, zelfredzaamheid, preventie en wat ouderen zelf willen: lekker leven. Dat gaat veel meer partijen aan dan alleen de eerste lijn. Nu ligt de financiering vanuit de Zorgverzekeringswet, Wmo en Wlz op losse onderdelen al lastig, laat staan de financiering en opbrengsten bij een integrale aanpak.

Kennismaken en vertrouwen
Als zorggroepen, professionals uit het sociale domein, gemeenten en zorgverzekeraars om tafel gaan om te spreken over zorg voor kwetsbare ouderen, waar lopen zij dan tegenaan? Hoe zitten alle stakeholders in het spel? Hoe komen zij van mooie ambitie tot concrete activiteiten? Hoe worden de kosten verdeeld? Het lastige is vaak: als de ene partij bespaart of investeert, voelt een andere partij de winst. Geen wonder dat partners koudwatervrees hebben bij integrale bekostiging van de zorg voor kwetsbare ouderen.

“Sommige spelers op het integrale toneel kennen elkaar nog niet, maar ze zijn wel tot elkaar veroordeeld. Het begint dus met kennismaken en elkaar leren vertrouwen”, zegt Jochum Deuten. Als zelfstandig onderzoeker ontwikkelt hij de gespreks- en rekentool kwetsbare ouderen samen met Marian Schoone van TNO. “Meer nog dan op de cijfers, ligt de nadruk bij deze tool op de dialoog”, zegt Deuten. Het gesprek moet leiden tot een onderbouwd plan, met draagvlak bij de betrokken partners.

Werksessies
Het instrument bestaat uit twee werksessies, met een ‘tussenbereiding’ voor de tweede sessie. “Per regio zijn er zo’n twintig deelnemers”, vertelt Deuten. Uiteindelijk komen zij tot een optelsom van zachte en harde factoren. Bij het eerste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan maatschappelijk belang of kwaliteit van leven, bij het tweede aan uren, mankracht en geld.

Deuten: “En dan is het aan iedere individuele partij om de afweging te maken: wil ik hierbij aansluiten en welke rol wil ik dan met mijn organisatie spelen? Iedereen moet daarin zijn eigen businesscase vinden. Partijen kunnen elkaar daarbij helpen.”

Auteur: Leendert Douma

Download hier  het hele artikel.

Neem de regie in lokale en regionale samenwerking

Een jaar na de introductie van de financieringssystematiek voor Organisatie & Infrastructuur, blijkt dat er van deze bekostigingsvorm relatief nog maar mondjesmaat gebruik wordt gemaakt. Een pleidooi voor regionaal leiderschap in de eerste lijn.

Over tien jaar zal een substantieel deel van de zorg die nu in het ziekenhuis plaatsvindt, door professionals in de eerste lijn worden verleend, incidenteel of op afstand bijgestaan door de medisch specialist. En met de transitie in het sociaal domein zijn er sinds 2015 heel wat thuiswonende ouderen bijgekomen in de eerste lijn.

‘Zorg van de toekomst’ bepalen

Eerstelijnsinstellingen, vindt BDO Nederland, moeten zich dan ook veel prominenter gaan bemoeien met de vraag hoe de zorg van de toekomst wordt bepaald. En om gehoor te vinden, dienen ze zich regionaal te verbinden. Met elkaar, maar ook met andere instellingen in de zorgketen en met organisaties in het sociaal domein.

Dat vindt de overheid ook en daarom heeft ze in 2018 de nieuwe bekostiging voor Organisatie & Infrastructuur (O&I) tot stand gebracht. Die maakt financiering door de zorgverzekeraars mogelijk, omtrent initiatieven waarmee domein-overstijgende samenwerking gestimuleerd wordt en resultaatgerichte afspraken tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars over extra investeringen in de organisatie en infrastructuur in de eerste lijn worden versterkt.

O&I-bekostiging

Negen maanden na introductie van de O&I-bekostiging blijkt echter dat er nog maar mondjesmaat van deze systematiek gebruik wordt gemaakt. Gevraagd naar redenen daarvoor, wijzen velen naar de zorgverzekeraars. Mogelijk niet onterecht. Maar het zijn ook de eerstelijnsorganisaties zelf die handelingsverlegen lijken te zijn.

Hét moment voor leiderschap

Wat ons betreft staat vast: wie een rol wil spelen in de vorming van de netwerken die de zorg gaan bepalen, zal nu al leiderschap moeten tonen en de regie moeten pakken om te komen tot een nieuw – als het goed is met anderen in de regio gedeeld – businessmodel.

Download hier het hele artikel

Ketenzorg, hoe nu verder?

Persoonsgericht, integraal en verantwoordelijkheid. Dat worden de komende jaren de belangrijkste thema’s bij de verdere ontwikkeling van programmatische zorg, zo is de conclusie van de ongeveer tachtig uitgenodigde deelnemers aan de Invitational Conference ‘De ketenzorg voorbij’, georganiseerd door InEen op 11 februari in Soesterberg.

In ruim tien jaar is de programmatische zorg voor chronische aandoeningen in Nederland goed neergezet. Er is veel ontwikkeld en bereikt, maar we zijn er – zeker in vergelijking met het buitenland – nog lang niet. Niet voor niets is de titel van de conferentie zo dubbelzinnig: het impliceert niet het einde van de ketenzorg, maar juist de vraag ‘hoe nu verder’?

“De opzet van de conferentie was om input te krijgen voor de beleids- en ontwikkelagenda die we gaan opstellen voor programmatische zorg”, zegt Frederik Vogelzang, programmamanager van InEen.

Discussie

Uit de discussie met een panel en de zaal, die voor een deel uit InEen-leden en voor een deel uit andere stakeholders (zorgverzekeraars, patiëntenorganisaties, overheid) bestond, kwamen de kernbegrippen ‘persoonsgericht’, ‘integraal’ en ‘verantwoordelijkheid’ naar voren.  Deze thema’s hadden ook een belangrijke rol in de workshops en de plenaire terugkoppeling daarna.

Centraal staat de kwaliteit van leven van de patiënt, en dat vraagt om persoonsgerichte zorg. Maar de transitie daarnaartoe is een proces van jaren, dat moet de tijd krijgen. Het heeft ook gevolgen voor de praktijkvariatie. Persoonsgerichte zorg vraagt om maatwerk. Moet je dan meer pluriformiteit toestaan? Of willen we sterker inzetten op het beteugelen van ongewenste praktijkvariatie? En hoe dan? Om daar antwoord op te kunnen geven is nog meer spiegelinformatie nodig. Niet alleen medisch inhoudelijk, maar ook op het gebied van patiëntervaringen, zorgverlenerstevredenheid en kosten.

Persoonsgerichte zorg

“Deze thema’s en conclusies sluiten aan bij de onderwerpen waar we bij InEen ook mee bezig zijn en die zorgen voor een verdieping die behulpzaam is bij de verdere uitwerking”, concludeert Frederik Vogelzang. Als sterkste voorbeeld noemt hij het plan van aanpak voor de implementatie en opschaling van persoonsgerichte zorg dat werd vastgesteld in de laatste ledenvergadering.

Verder heeft InEen een Taskforce Praktijkvariatie in het leven geroepen, die binnenkort met een eindrapportage komt. Aanleiding voor de taskforce was het terugdringen van ongewenste verschillen in de inclusie van patiënten in zorgprogramma’s voor chronische aandoeningen.

Auteur: Leendert Douma

Download hier het hele artikel

Succesvolle samenwerking huisartsenzorg en generalistische basis-ggz

Adequate psychische hulpverlening in de huisartsenpraktijk. Relevante verwijzingen naar de generalistische basis-ggz (gb-ggz). Tevreden patiënten. Onderzoek door InEen bevestigt dat samenwerking tussen huisartsenzorg en gb-ggz lóónt.

In een groeiend aantal regio’s hebben huisartsenzorg en gb-ggz elkaar weten te vinden in de afgelopen jaren. Het doel: een soepele samenwerking en overgang binnen de ggz-keten, zodat mensen worden ondersteund in hun eigen omgeving, dicht bij huis.

Zowel patiënten als de professionals beoordelen de samenwerking tussen huisarts, POH-ggz enketenpartners binnen de gb-ggzals zeer positief.  Althans, in het merendeel van de acht regio’s waar InEen vorig jaar de kansen en mogelijkheden inventariseerde en evalueerde. Begin dit jaar zijn de bevindingen bekendgemaakt.

De belangrijkste? Omdat er kortere lijnen ontstaan tussen professionals, kennen ze elkaar beter en kunnen ze elkaars expertise beter benutten. Dit draagt bij aan het onderlinge vertrouwen. Professionals voelen zich dankzij de samenwerking gesterkt hun werk goed te doen en kunnen op elkaar terugvallen wanneer  het moeilijk wordt.

POH-ggz

“De geïnterviewde organisaties en professionals in bijna alle regio’s ervaren de samenwerking tussen huisartsenzorg en gb-ggz als een succes”, zegt Renske Neumann, beleidsmedewerker multidisciplinaire en acute zorg bij InEen. “De POH-ggz is daarbij een succesfactor. Met ondersteuning van de POH-ggz kan de huisarts goede psychische hulpverlening bieden en wordt, als het nodig is, verwezen naar een gz-psycholoog werkzaam in de gb-ggz.”

En de patiënt? Die zegt eveneens garen te spinnen bij de samenwerking. Neumann: “Persoonsgericht, zeer toegankelijk en dicht bij huis. Met die termen beoordelen patiënten de zorg in de huisartsenpraktijk. Bovendien ervaren deze patiënten minder een stigma wanneer zij worden behandeld in de huisartsenpraktijk.”

Geen gouden standaard

Een gouden standaard voor geslaagde samenwerking tussen huisartsenzorg en gb-ggz bestaat niet, zo wijst het onderzoek uit. Neumann: “We hebben uiteenlopende initiatieven bekeken. Bijvoorbeeld kleinschalige samenwerking, waarbij één huisarts een beroep doet op één POH-ggz die het sociale netwerk in één gemeente goed kent. En aan de andere kant geoliede ketenorganisaties met gestructureerde zorgprocessen en financiering en met scholing en ontmoetingen op regionaal niveau van huisartsen, POH’s-ggz en gz-psychologen werkzaam in de gb-ggz. Beide vormen werpen vruchten af.”

Ze voegt toe: “Wel ervaren huisartsen de meerwaarde van ondersteuning bij de samenwerking met de gb-ggz en biedt dit meer mogelijkheden voor het voeren van kwaliteitsbeleid.”

Auteur: Gerben Stolk

Download hier het hele artikel

Betekenisvolle communicatie dankzij Zorginformatie Bouwstenen

Er voltrekt zich een onzichtbare revolutie in de zorg, waarvan we straks allemaal de vruchten plukken. Die revolutie bevindt zich nog achter de ICT-systemen. Daar wordt gewerkt aan zorginhoudelijke standaarden die de basis vormen voor het verbinden van de verschillende zorgtoepassingen: de Zorginformatie Bouwstenen (ZiB’s). Deze gestandaardiseerde elementen van gegevens zorgen ervoor dat informatie eenduidig vast te leggen en uit te wisselen is tussen alle betrokken zorgverleners en de patiënt zelf.

Dat de behoefte daaraan groot is, bleek in oktober tijdens een demonstratie van dossieruitwisseling op basis van ZiB’s. De aanwezigen raakten meteen enthousiast: ‘Dit is wat we willen’. Want hoe anders is de praktijk vandaag de dag: gegevens worden geprint en weer gescand, gefaxt en op allerlei verschillende manieren in het eigen systeem ingevoerd.

Eenheid

Als je alleen op je eilandje werkt, zou dat misschien niet eens zo’n probleem hoeven zijn, maar zorg is per definitie een kwestie van samenwerken. En dat vraagt wat van informatievoorziening. “De informatiebehoefte in de zorg explodeert want het aantal overdrachtsmomenten neemt enorm toe”, constateert Manon Kuilboer, productmanager huisartsen bij VZVZ. “Je ziet het onder andere bij het medisch tuchtrecht: de helft van de zaken heeft te maken met problemen tijdens de overdracht van verantwoordelijkheden en informatie.” Dat laatste komt onder andere doordat informatie in verschillende systemen op een andere manier wordt vastgelegd of een andere betekenis krijgt. Zorgverleners moeten vervolgens zoeken en interpreteren. Dat kost tijd en geeft risico op fouten. Het antwoord hierop is eenheid in semantiek. En dat is precies waar de ZiB’s voor zorgen.

Gelijke betekenis

De exacte betekenis van de uit te wisselen informatie wordt centraal vastgelegd, waardoor de verschillende autonome systemen informatie eenduidig kunnen vastleggen en deze eenvoudig kunnen uitwisselen, waarbij de betekenis gelijk blijft. Kuilboer: “ZiB’s zijn niks meer of minder dan beschrijvingen van wat er in informatie elementen moet staan. Daarna ga je kijken hoe je dat verpakt, verzendt en ontvangt.” Die informatie elementen kunnen bijvoorbeeld NAW-gegevens zijn, meetwaarden, lab-bepalingen, medicatieafspraken en verstrekkingsverzoeken, of afspraken over behandelgrenzen in de palliatieve zorg. “De kracht van het systeem is dat deze manier van kijken naar standaardisatie fundamenteel anders is dan hoe voorheen standaarden tot stand kwamen. Voorheen werd meer gekeken naar technologie die werd gebruikt om informatie van het ene naar het andere systeem te krijgen, zonder dat daarbij aandacht was voor wat de betekenis van de over te dragen informatie was.”

Auteur: Leendert Douma

Download hier het artikel.

POH-GGZ Jeugd in Midden-Brabant

Overal in Nederland ontstaan samenwerkingen tussen gemeenten en huisartsen rondom jeugdproblematiek, meestal in de vorm van een POH-GGZ Jeugd. De samenwerking wordt op verschillende manieren ingericht. Iedere vorm heeft voor- en nadelen. Ook landelijk is er nog geen eenduidig beleid. In Midden-Brabant ontwikkelde PRO-RCH in samenwerking met onder andere de gemeente Tilburg en zorgverzekeraar CZ een succesvolle aanpak.

“Er is een interessante werkwijze en businesscase tot stand gebracht”, zo stelt Rudolf Keijzer, directeur PRO-RCH en PRO Praktijksteun. “Er is een bewezen samenwerking ontstaan, waarover de patiënt, huisarts, POH-GGZ Jeugd en ook de gemeente en zorgverzekeraar zeer positief zijn, zowel inhoudelijk als financieel.”

Zorgprogramma

In Midden-Brabant draait al een zorgprogramma GGZ via PRO-RCH (een samenwerking tussen PRO Praktijksteun en Zorggroep RCH). “Binnen dit zorgprogramma wordt gewerkt vanuit een regionale visie, waarin huisarts, POH-GGZ en de basis GGZ zorg leveren vanuit één gezamenlijke netwerkorganisatie”, vertelt Keijzer. “Vanuit de netwerkorganisatie draaien we verschillende pilots, die allen de samenwerking bevorderen. Een goed voorbeeld hiervan is de POH-GGZ Jeugd.”

Pilot

De pilot POH-GGZ Jeugd heeft twee doelen: psychische of psychosociale problematieken bij jeugdigen tijdig signaleren én de samenwerking verbeteren tussen de huisartsenzorg, jeugdartsen, GGZ en voorzieningen in het sociaal domein. Hiermee wordt beoogd dat zorg voor jeugdigen dichtbij en snel geboden kan worden en worden onnodige doorverwijzingen naar de basis en specialistische GGZ voorkomen. Gezien de regionale en landelijke ervaringen, waren alle partijen bij aanvang van de pilot al overtuigd van de toegevoegde waarde van de POH-GGZ Jeugd. Er is dan ook vooral onderzocht hoe dit ingezet kan worden op een passende wijze zonder dat dit extra taken of kosten meebrengt. Myra Lennarts, beleidsontwikkelaar zorg Gemeente Tilburg: “We zagen kansen om het aanbod aan jeugd- en opvoedhulp, dat al beschikbaar is vanuit de gemeente, meer inzichtelijk en toegankelijk te maken voor de huisartsen(zorg), onder andere door de inzet van de POH-GGZ Jeugd in de praktijk.” Casper Besters, zorginkoper huisartsenzorg CZ, vult aan: “Een belangrijke meerwaarde van deze POH-GGZ Jeugd is de verbinding tussen de huisartsenzorg en het sociaal domein. Een jeugdige kan nu geholpen worden met alles waar diegene in het dagelijkse leven tegenaan loopt.”

Model

In deze pilot is gekozen om te financieren vanuit de Zorgverzekeringswet (50 procent) en de Jeugdwet (50 procent). “Door de pilot op deze vorm te financieren vallen de jeugdigen niet meer tussen wal en schip”, vertelt Keijzer. “Op zowel inhoud als financiën wordt samengewerkt vanuit het model dat de LHV in 2016 als ‘Praktijkkaart Jeugd’ publiceerde.” Dit model is vertaald naar de praktijk.

Auteurs: Wiesje van Woerkum, Marieke Couwenberg

Download hier  het artikel.

Gecombineerde leefstijlinterventies in de praktijk

Sinds 1 januari worden drie gecombineerde leefstijlinterventies (GLI) vergoed uit het basispakket van de zorgverzekering. Zorggroep Zorroo heeft er in samenwerking met zorgverzekeraar CZ al goede ervaring mee opgebouwd. En Hadoks Chronische zorg bv (voorheen ELZHA) kan rekenen op groot enthousiasme van de zorgverzekeraars.

Bij de huisartsenpraktijken die zijn aangesloten bij Zorggroep Zorroo in Oosterhout en omstreken klonk al geruime tijd de vraag: kunnen we niet iets betekenen voor onze patiënten op het gebied van leefstijl? De huisartsenpraktijken boden hiervoor geen ruimte, dus ging Zorroo op verzoek van zorgverzekeraar CZ in gesprek over een aanpak die wel haalbaar en betaalbaar kon zijn. “Dan kom je al snel uit bij leefstijlcoaches”, zegt coördinator leefstijl Adriënne van den Bosch. “Die opleiding bestond toen net en wij hebben de eersten gecontracteerd die van die opleiding afkwamen.”

Dat dit gebeurd is, is een uitvloeisel van de pilot die CZ met medewerking van onder andere Zorroo  heeft gedaan om de waarde van de GLI te toetsen aan de praktijk. Bij Zorroo bestond direct belangstelling voor het idee. “Er waren al studies over gepubliceerd en Zorginstituut Nederland had geconcludeerd dat de gecombineerde aanpak werkte”, zegt Madelon Johannesma, programmamanager zorginnovatie bij CZ. “De toenmalige minister, Edith Schippers, wees het af vanwege de kosten en het volume. Wij zagen het maatschappelijk probleem van overgewicht, en gingen daarom op zoek naar een opzet die financierbaar kon zijn. Op die manier is CooL ontstaan, de eerste van de drie GLI’s die nu binnen het pakket van de basisverzekering vallen. Voor de financierbaarheid was het een voorwaarde een aantal competenties in één persoon te gieten, de leefstijlcoach dus.”

Samenwerking

De pilot verliep goed. De nauwe samenwerking met de huisarts – essentieel voor de doorverwijzing – was hierbij cruciaal. “De resultaten koppelen we altijd terug naar de huisartsen, dat is belangrijk voor ze”, zegt Van den Bosch. “De patiënten vertellen de huisartsen ook hoe enthousiast ze zijn over de GLI. Maar ook de samenwerking met de buurtsportcoach, de diëtist en de fysiotherapeut is belangrijk. We geven patiënten naast het CooL-programma ook de mogelijkheid om een afspraak te maken met deze disciplines, mits daartoe een medische indicatie bestaat. De patiënten geven aan dat ze dit een goede aanvulling vinden op de GLI. De conclusie uit de pilot was dat de GLI gedragsverandering en gewichtsverlies oplevert en dat de patiënt zijn doelen behaalt.”

Praktische problemen

Ondanks het succes van de pilot, bleken er in de praktijk toch nog wel wat hobbels te nemen om de GLI breder uit te rollen. Bij de start van de contractering was een deel geslecht, maar er bleef nog onduidelijkheid over de indicatoren en over de ICT, vertelt Johannesma.

Auteur: Frank van Wijck

Download hier het artikel