De paarse krokodil: ervaringen van twee doktersassistenten

Welke onnodige bureaucratie ervaar je? En wat zijn oplossingsrichtingen om vorm te geven aan een duurzame, toekomstbestendige verantwoording over geleverde zorg en resultaten? In elk nummer van De Eerstelijns schrijft een zorgprofessional hierover. Ditmaal: leidinggevend doktersassistente Inge Baas en doktersassistente Sandra Buijtenhuis van Gezondheidscentrum De Bilt.

Wij roepen collega-zorgverleners op niet altijd de regels te volgen, maar zich ertegen te verzetten als ze – om het zo maar te zeggen – krankzinnig zijn. Laten we ons nu niet horen, dan zijn er straks nóg meer regels die onnodig tijd opslurpen in het dagelijks werk.

Een voorbeeld? Onlangs had een terminale, thuiswonende patiënt katheterisatiemateriaal nodig. Het moest dezelfde dag worden afgeleverd. Doktersassistente Sandra bestelde het materiaal bij de apotheek. Later belde de apotheek terug: de patiënt was verzekerd bij CZ. Deze zorgverzekeraar heeft sinds een paar jaar als beleid dat katheterisatiemateriaal alleen wordt vergoed als het wordt besteld bij een groothandel en dus niet bij de apotheek.
Niet praktisch
Daarop belde Sandra met de groothandel. Eerst zat ze een tijd in de wacht, daarna werd ze doorverbonden met een verpleegkundige, aan wie ze het hele verhaal uit de doeken deed. ‘Ik moet eerst een intake doen met de patiënt’, zei de verpleegkundige. Uiteindelijk wist Sandra haar te overtuigen dat dit niet bepaald praktisch was gezien de terminale toestand waarin de patiënt verkeerde. Er was spoed bij. Al met al vergde het een half uur om de zaken naar wens geregeld te krijgen: aan het begin van de avond kreeg de patiënt het materiaal bezorgd.

Tegenstrijdig
Het is tegenstrijdig: aan de ene kant willen verzekeraars dat wij patiënten binnen twee minuten telefonisch te woord staan, aan de andere kant worden we gedwongen tot dit soort onnodig tijdrovende klussen. Gelukkig werken wij met een aantal doktersassistentes, maar in een solopraktijk is het eerste niet te verenigen met het tweede.

Auteurs: Inge Baas en Sandra Buijtenhuis, leidinggevend doktersassistente en doktersassistente Gezondheidscentrum De Bilt

Download hier het hele artikel.

Praktijkvariatie verminderen én ervan leren

Praktijkvariatie is een complex fenomeen. De leer- en verbetermogelijkheden vragen daarom om een langetermijnstrategie en inbedding in het kwaliteitsbeleid, blijkt uit onderzoek van InEen. 

Nodig daarvoor zijn doorontwikkeling van bestaande indicatoren, een andere manier van kijken naar de resultaten van bestaande indicatoren én het gebruikmaken van andere beschikbare bronnen van spiegelinformatie. Noodzakelijk zijn ook betere methoden voor analyse van praktijkvariatie, met helderder onderscheid tussen (on)verklaarde en gewenste praktijkvariatie enerzijds en ongewenste praktijkvariatie aan de andere kant. Deze benadering sluit aan bij het Kwaliteitsbeleid op maat van InEen, waardoor praktijkvariatie een bouwsteen wordt om aan kwaliteit te werken.

Dit zijn de belangrijkste strategische aanbevelingen in het verslag van het project ‘Verminderen van ongewenste praktijkvariatie’. InEen publiceerde het in april. Het project startte begin vorig jaar.

Gewenst en ongewenst
Het kostte niet veel moeite om het eens te worden over de definitie van ‘praktijkvariatie’, legt projectleider Hans Vlek uit. Dit is de mate waarin zorgaanbieders verschillen in frequentie en wijze van zorg en in patiëntuitkomsten. Dat kan gewenst zijn als die verklaard wordt door verschillen in patiënten en patiëntenpopulatie en hun voorkeuren. Ongewenste praktijkvariatie kan niet goed worden verklaard door prevalentieverschillen. In het project wordt onderscheid gemaakt tussen drie niveaus waarop praktijkvariatie kan voorkomen: tussen zorggroepen, tussen praktijken en tussen dokters.

Vlek: “De inter-zorggroepvariatie blijkt uit de jaarlijkse benchmarks. De redactiecommissie en de auteurs van het benchmarkrapport van InEen roepen op hieraan meer aandacht te schenken in het kwaliteitsbeleid.”

Twee kanten dezelfde medaille
Gaandeweg het project bleek dat het steeds meer aansloot bij de beweging ‘Kwaliteitsbeleid op maat’ binnen InEen, vertelt Vlek. Daarom werd besloten het een draai te geven: praktijkvariatie wordt nu gezien als bouwsteen binnen dat kwaliteitstraject.

“Het is een output-parameter om aan kwaliteit te werken”, zegt Vlek. “En dat is wat anders dan het willen tegengaan van het overschrijden van de norm. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Dat vraagt ook om een gedifferentieerde aanpak van de zorggroepen. Je wilt ook leren van praktijkvariatie. Dat vraagt om een andere houding dan terugdringen. Daarin zullen de zorggroepen balans moeten aanbrengen.”

Auteur: Leendert Douma

Download hier het hele artikel.

Gezondheidsbewuste professionals, gezondheidsbewuste inwoners

Twee vliegen in één klap: zorgprofessionals met een gezondere leefstijl én zorgprofessionals die daardoor beter in staat zijn patiënten aan te zetten tot beweging en zelfmanagement. Dat is het resultaat van het project ‘Gezond Werken’ bij Leidsche Rijn Julius Gezondheidscentra in Utrecht.

“Dankzij de stappenteller kwam ik erachter dat ik onvoldoende bewoog tijdens werkdagen. Sindsdien fiets ik elke dag naar het werk: een half uur heen en een half uur terug. Inmiddels is het een routine.”

Dat vertelt Karolien van den Brekel-Dijkstra, nota bene zélf initiatiefnemer van het project dat haar dit nuttige inzicht opleverde: ‘Gezond Werken’ bij Leidsche Rijn Julius Gezondheidscentra (LRJG). Zij is er huisarts en intern consulent preventie/gezonde wijk. Samen met twee collega’s – fysiotherapeut Suze Toonders en hoofd academische werkplaats fysiotherapie Martijn Pisters – bracht Van den Brekel-Dijkstra de resultaten in kaart.

Waarom is ‘Gezond Werken’ opgezet?

Van den Brekel-Dijkstra: “In eerste instantie was het onderdeel van een gezamenlijk sportimpuls-project met de gemeentelijke sportorganisatie ‘SportUtrecht’ om beweging en vitaliteit binnen organisaties te stimuleren. Tegelijkertijd is er binnen LRJG een ontwikkeling waarin we meer gezondheidsgericht werken. Wij willen graag dat de professionals in onze gezondheidscentra met de patiënt het gesprek kunnen aangaan over een gezonde leefstijl en zelfmanagement. Ons uitgangspunt bij ‘Gezond werken’ was: practice what you preach. Zorgprofessionals die zich bewust zijn van hun eigen gezondheid, zullen eerder in staat zijn hierover een goed gesprek te voeren met degene die tegenover hen zit.”

Wat is de kern van ‘Gezond Werken’?

Suze Toonders: “Zorgprofessionals hebben de kans laagdrempelig inzicht te krijgen in hun leefstijl. Na drie maanden wordt het resultaat van de interventie nagegaan aan de hand van een vragenlijst en, steekproefsgewijs, vijftien interviews.”

Welke resultaten heeft ‘Gezond Werken’ opgeleverd?

Toonders: “Bij 60% van de geïnterviewde deelnemers steeg het gemiddeld aantal stappen. De helft van de interviewrespondenten gaf aan dat hun leefstijl op het gebied van gezond gedrag en beweging is veranderd door de deelname. Vóór het project dachten ruim negen van de tien collega’s voldoende te bewegen. Na het eerste gebruik van de stappenteller bleken dit er in werkelijkheid maar zes op de tien te zijn. Dit bewustzijn geeft inzicht in hoe dit principe waarschijnlijk ook zal gelden voor anderen, zoals patiënten. Zorgprofessionals vinden het belangrijk – gemiddeld 7,8 op een schaal van 0-10, om leefstijlfactoren in relatie met gezondheid ter sprake te brengen bij patiënten.”

Auteur: Gerben Stolk

Download hier het hele artikel

Lange adem gewenst na investering eHealth voor zelfzorg

De opbrengsten op het conto van de maatschappij als geheel, maar de investering vooral uit de portemonnee van de eerste lijn. Dat is vaak het beeld bij de ontwikkeling van eHealth voorzelfzorg bij chronisch zieke mensen, zo blijkt uit een analyse in opdracht van Zelfzorg Ondersteund (ZO!).

Toch roept Esther Talboom-Kamp zorggroepen op zich hierdoor niet te laten ontmoedigen. “Op de korte termijn is er weliswaar geen efficiencywinst voor de huisartsenpraktijk, maar uiteindelijk rendeert de investering ook binnen de eerste lijn.”

Talboom-Kamp is onder meer bestuurder bij ZO! Deze organisatie werkt vanuit de gedachte dat zelfmanagement belangrijk is voor mensen met een chronische ziekte en dat de eerste lijn patiënten hierin dient te ondersteunen.

“Vijf jaar geleden is ZO! – een groep vertegenwoordigers van zorgverzekeraars, patiëntenverenigingen en zorgorganisaties in de eerste lijn – gestart met het ontwikkelen van een programma om zelfmanagement met eHealth te implementeren in huisartsenpraktijken. Het doel is om mensen met een chronische ziekte te faciliteren om het gezondste uit zichzelf te halen.”

375.00 patiënten

Vanuit de programma’s van ZO! werden huisartsen en POH’s door deskundigen getraind in en ondersteund bij consultvaardigheden om patiënten te begeleiden bij zelfmanagement. Inmiddels werken duizend huisartsen in 62 zorggroepen met vormen van ondersteunde zelfzorg. En ongeveer 375.000 mensen met een chronische aandoening gebruiken een goedgekeurd zelfzorgplatform met informatie, educatie, meetgegevens en online communicatiemogelijkheden met de huisartsenpraktijk.

Maatschappelijke meerwaarde

ZO! heeft de maatschappelijke meerwaarde van de programma’s in beeld laten brengen. Hieruit blijkt onder meer dat chronisch zieke mensen met zelfzorg ondersteund door eHealth een betere kwaliteit van leven ervaren. “Ook zien we een afname van zorgkosten – door verminderd medicijngebruik en minder verwijzingen naar de tweede lijn – met een maatschappelijke winst van 4,9 euro op iedere geïnvesteerde euro”, vertelt Talboom-Kamp.

Dat klinkt positief. Toch is er een ‘maar’. De SROI-analyse constateert dat vooral zorggroepen en -professionals investeren in zelfmanagement voor patiënten. Zij moeten immers opgeleid worden en een andere werkwijze aanleren. Dat kost tijd en geld. Talboom-Kamp: “De voorspelling is, dat het werken met zelfmanagement met eHealth pas na vier/vijf jaar efficiencywinst zal opleveren voor de huisartsenpraktijk. Als patiënten zichzelf monitoren en afspraken maken, kan dat tijd op het spreekuur schelen.”

Haar advies aan zorggroepen en -verzekeraars: “Het is een kwestie van lange adem voordat de investering rendeert, maar laat dit geen belemmering zijn zelfzorgprogramma’s op te zetten. De patiënt krijgt meer regie over zijn gezondheid, wat uiteindelijk een daling van zorginzet en -kosten oplevert.”

Auteur:Betty Rombout

Download hier het hele artikel

POH-GGZ Jeugd in Midden-Brabant

Overal in Nederland ontstaan samenwerkingen tussen gemeenten en huisartsen rondom jeugdproblematiek, meestal in de vorm van een POH-GGZ Jeugd. De samenwerking wordt op verschillende manieren ingericht. Iedere vorm heeft voor- en nadelen. Ook landelijk is er nog geen eenduidig beleid. In Midden-Brabant ontwikkelde PRO-RCH in samenwerking met onder andere de gemeente Tilburg en zorgverzekeraar CZ een succesvolle aanpak.

“Er is een interessante werkwijze en businesscase tot stand gebracht”, zo stelt Rudolf Keijzer, directeur PRO-RCH en PRO Praktijksteun. “Er is een bewezen samenwerking ontstaan, waarover de patiënt, huisarts, POH-GGZ Jeugd en ook de gemeente en zorgverzekeraar zeer positief zijn, zowel inhoudelijk als financieel.”

Zorgprogramma

In Midden-Brabant draait al een zorgprogramma GGZ via PRO-RCH (een samenwerking tussen PRO Praktijksteun en Zorggroep RCH). “Binnen dit zorgprogramma wordt gewerkt vanuit een regionale visie, waarin huisarts, POH-GGZ en de basis GGZ zorg leveren vanuit één gezamenlijke netwerkorganisatie”, vertelt Keijzer. “Vanuit de netwerkorganisatie draaien we verschillende pilots, die allen de samenwerking bevorderen. Een goed voorbeeld hiervan is de POH-GGZ Jeugd.”

Pilot

De pilot POH-GGZ Jeugd heeft twee doelen: psychische of psychosociale problematieken bij jeugdigen tijdig signaleren én de samenwerking verbeteren tussen de huisartsenzorg, jeugdartsen, GGZ en voorzieningen in het sociaal domein. Hiermee wordt beoogd dat zorg voor jeugdigen dichtbij en snel geboden kan worden en worden onnodige doorverwijzingen naar de basis en specialistische GGZ voorkomen. Gezien de regionale en landelijke ervaringen, waren alle partijen bij aanvang van de pilot al overtuigd van de toegevoegde waarde van de POH-GGZ Jeugd. Er is dan ook vooral onderzocht hoe dit ingezet kan worden op een passende wijze zonder dat dit extra taken of kosten meebrengt. Myra Lennarts, beleidsontwikkelaar zorg Gemeente Tilburg: “We zagen kansen om het aanbod aan jeugd- en opvoedhulp, dat al beschikbaar is vanuit de gemeente, meer inzichtelijk en toegankelijk te maken voor de huisartsen(zorg), onder andere door de inzet van de POH-GGZ Jeugd in de praktijk.” Casper Besters, zorginkoper huisartsenzorg CZ, vult aan: “Een belangrijke meerwaarde van deze POH-GGZ Jeugd is de verbinding tussen de huisartsenzorg en het sociaal domein. Een jeugdige kan nu geholpen worden met alles waar diegene in het dagelijkse leven tegenaan loopt.”

Model

In deze pilot is gekozen om te financieren vanuit de Zorgverzekeringswet (50 procent) en de Jeugdwet (50 procent). “Door de pilot op deze vorm te financieren vallen de jeugdigen niet meer tussen wal en schip”, vertelt Keijzer. “Op zowel inhoud als financiën wordt samengewerkt vanuit het model dat de LHV in 2016 als ‘Praktijkkaart Jeugd’ publiceerde.” Dit model is vertaald naar de praktijk.

Auteurs: Wiesje van Woerkum, Marieke Couwenberg

Download hier  het artikel.

Toekomstbestendig bouwen en verbouwen in de eerste lijn

De behoefte aan meer betaalbare zorg, het langer thuis blijven wonen van ouderen, meer chronische zieken. Deze veranderingen vragen om een andere kijk op de praktijkvoering. De weg naar een nieuw gezondheidscentrum voor de eerste- en anderhalve lijn of uitbreiding van de bestaande praktijk, is een tijdrovend en complex traject, waarbij de duurzaamheid van de huisvesting steeds belangrijker wordt.

Het ontwikkelen van huisvesting, alleen of in samenwerking met andere (eerstelijns)zorgverleners, vraagt veel tijd en energie. Zorgverleners willen de patiënt maximaal comfort geven, wat eisen stelt aan het ontwerp van het gebouw. Het geheel moet echter ook financieel haalbaar zijn. De zorgverlener heeft veel deskundigheid in het bieden van comfort vanuit de zorginhoud, maar heeft soms onvoldoende expertise om comfort zoals behaaglijkheid en sfeer te realiseren vanuit de huisvesting.

Keuzes maken

Huisvestingsvraagstukken zijn door een lage rente op onroerend goed tegenwoordig vaak direct gekoppeld aan de afweging koop of huur. Hierbij zien we dat de belangen van de eigenaar van het vastgoed en de gebruiker ervan niet altijd overeenkomen. Welke variant het ook wordt, de gebruiker wil graag invloed uitoefenen op de exploitatiekosten van de bedrijfsvoering. De huisvestingslasten vormen, naast de personeelskosten, immers een belangrijk deel van de totale bedrijfskosten. Bij de realisatie van gezondheidscentra is het maken van keuzes op het gebied van comfort, werkomgeving van de zorgverlener en het welzijn van patiënt in relatie tot de investeringskosten een complex proces.

Afhankelijk van de situatie koop of huur, zal met de eigenaar of met medezorgverleners de juiste verhouding moeten worden gezocht tussen vormgeving, comfort, functionaliteit en optimale investering.

Comfort en duurzaamheid

Het comfort in een gebouw wordt mede bepaald door bijvoorbeeld een goede lichtintensiteit. Voldoende daglicht en gedoseerde verlichting bij het voeren van een patio gesprek en juist intensieve verlichting wanneer onderzoek wordt verricht. Comfort betekent ook je behaaglijk voelen, een aangename temperatuur in de winter of lekker koel in de zomer. Comfort betekent echter vaak een hogere investering met bijhorende exploitatiekosten.

We zien dat het realiseren van comfort regelmatig hand in hand gaat met duurzaamheid. Dit maakt vaak de investering wel de moeite waard. Waar vroeger bijvoorbeeld de radiator tocht en kou op moest vangen bij ramen, kan het isoleren van de spouw en toepassen van isolatieglas energieverspilling tegengaan en tevens leiden tot een aangenamer binnenklimaat.

Auteur: Benno van Bergen

Download hier het artikel.

Eerstelijns congres Slimme bedrijfsvoering inspireert

Het congres over slimme bedrijfsvoering eind november in ’s-Hertogenbosch had een brede scoop: van systeem naar praktijk en van verbeteren naar vernieuwen. De belangrijkste uitkomsten en inzichten op een rij.

Design goeroe Jeroen van Erp memoreerde: “Je kunt een huis niet blijven verbouwen, op een bepaald moment moet je besluiten om te verhuizen”. Hij duidde op ons zorgsysteem en daagde uit om een conceptcar te ontwikkelen: een futuristisch model van de werkelijkheid dat inspireert en richting geeft en inspeelt op de toekomstige klantbehoefte.

De oproep tot een systeemverandering werd versterkt door Anna van Poucke die als partner van KPMG Health een heldere analyse gaf van de internationale positie van Nederland. We staan niet in de top 10 als de verschillende lijstjes gecombineerd worden en we blijven zelfs achter als we kijken naar de transformatiekracht van het Nederlandse systeem. Dat terwijl de noodzaak door een combinatie van stijgende zorgvraag, historisch ontwikkelde knellende zorginfrastructuur, arbeidsmarkttekorten en oplopende collectieve lasten hoog is.

Door de ziekenhuissector terug te brengen tot dertig centers of excellence en laagcomplexe integratie van specialistische zorg, eerstelijnszorg en kortdurende care dicht bij de burgers te effectueren, kan Nederland zich weer gaan onderscheiden.

Eerstelijnszorg

De situatie van de eerstelijnszorg werd door Jan Erik de Wildt virtueel samengevat in een serie cartoons. De conclusie: de eerstelijnszorg, met name de wijkverpleegkundigen en de huisartsen, worden overvraagd. Het initiatief Zorg Op de Juiste Plek kan niet worden uitgevoerd op de fundamenten van dit historische bouwwerk. Er wordt onvoldoende in geïnvesteerd en de eerstelijnszorg zelf is onvoldoende georganiseerd. De O&I-module biedt hierin perspectief, maar dan moet de eerstelijnszorg lef en leiderschap tonen en moeten zorgverzekeraars echt investeren.

Geïnspireerd

Joep de Groot pleitte voor standaardisatie en gebruik van artificial intelligence, die bij sommige diagnoses tot betere resultaten leiden dan de medisch specialist en huisarts. Over de wijze waarop tandartsen in zeven jaar getransformeerd zijn van solopraktijken tot internationale franchiseconcepten, zoals DentConnect, vertelde Peter Polderdijk. Die ook uitlegde hoe professionele autonomie hand in hand kan gaan met bedrijfsmatige standaardisatie. Van tekenboek naar praktijk. Dat was de kern van het verhaal van Makkie Metsemaker, die uitlegde dat standaardisatie bij professionals vaak niet mogelijk is, omdat de uitkomst van het proces onvoorspelbaar is. De faciliteiten, zoals ICT, telefonie of gebruiksartikelen, kunnen daarentegen wel worden gestandaardiseerd. Oftewel: we moeten koersen op professionele autonomie en bedrijfsmatige standaardisatie.

Hoe je dat tot stand kan brengen, leerde Jan Achterberg, universitaire hoofddocent bij de Universiteit van Nijmegen.

Auteurs: Maarten Klomp, Jan Erik de Wildt

Download hier het artikel

Gezondheidscentra Nijkerk schept randvoorwaarden voor persoonsgerichte zorg

In januari 2017 startte Gezondheidscentra Nijkerk het programma ‘Samen Gezond!’. Doel was het versnellen en implementeren van persoonsgerichte zorg en dat is gelukt, luidt de conclusie in het evaluatierapport, dat half oktober verscheen. Persoonsgerichte zorg wordt actief toegepast in het gesprek tussen zorgverlener en patiënt. Hoe kijken initiatiefnemers en deelnemers terug op het programma en wat is voor hen de grootste winst?

Willy Oldenburger, directeur Gezondheidscentra Nijkerk:

“Persoonsgerichte zorg is een van de speerpunten uit onze visie. Van daaruit is het programma ‘Samen Gezond!’ ontstaan. Dat bestond uit een leertraject voor zorgverleners, inzet van de NCSI door praktijkondersteuners, patiëntenparticipatie, Gezondheidspunten en een digitaal multidisciplinair samenwerkingsplatform inclusief patiëntomgeving. Het leertraject heeft zorgverleners geholpen om de omslag van protocollair naar persoonsgericht werken te maken. We hadden gemerkt dat inzet van een tool als NCSI niet voldoende is om dat te borgen. Ook aandacht voor de achterliggende attitude en competenties van de zorgverlener is belangrijk. En je hebt de medewerking van de patiënt nodig en ruimte in het werkproces. Om patiënten mee te nemen, hebben we bijeenkomsten met het ‘Zet een stap’-spel geïntroduceerd en – in samenwerking met de bibliotheek en welzijnsorganisatie – Gezondheidspunten. Dit zijn workshops en lezingen die gaan over thema’s die mensen aandragen, zoals slaap, voeding en rouw/verlies. Ook zijn er in samenwerking met Zorgbelang dialooggesprekken georganiseerd tussen patiënten en zorgverleners.

Een belangrijke stap in het creëren van de randvoorwaarden voor persoonsgerichte zorg, is het implementeren van het digitale multidisciplinaire samenwerkingsplatform. Om het ‘vinken’ te voorkomen, hebben we daarbij de verplichte registratie zo ver mogelijk teruggebracht. Zo creëren we ruimte voor een persoonsgerichte aanpak. Als onderdeel van een breder onderzoek naar de voorwaarden voor persoonsgericht werken, heb ik in kaart gebracht welke competenties POH’s nodig hebben. Die heb ik gedeeld met de huisartsen en POH’s, zodat zij dit kunnen meenemen in het jaargesprek. Het programma is voor mij succesvol omdat iedereen in onze organisatie op een of andere manier bezig is met persoonsgericht werken. Met name de POH’s hebben de omslag gemaakt.

Het programma krijgt ook een vervolg. Videofeedback en intervisie voor zorgverleners krijgen een vaste plek in de organisatie. Dat willen we ook voor dialooggesprekken tussen patiënten en zorgverleners. Daarnaast zijn er plannen voor een verdiepende training voor zorgverleners over oplossingsgericht werken.“

Download het volledige artikel voor het lezen van de ervaringen van Vilans-adviseur Jeroen Havers, POH Remona van Ruitenbeek en patiënt Terese van Dasselaar.

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Chronische zorgprogramma’s op de schop

Krimpende budgetten en minder personeel leiden tot het veranderen van de zorg- en bedrijfsprocessen in de eerstelijnszorg. Daarnaast bieden technische applicaties de mogelijkheid om de inbreng van patiënten te vergroten. In dit artikel doen de auteurs een voorzet voor herontwerp van de chronische zorgprogramma’s, zoals diabetes, COPD, CVRM of astma.

De chronische zorgprogramma’s zijn ontwikkeld nadat in het begin van deze eeuw werd geconstateerd dat de coördinatie en afstemming in de diabetesketen niet goed georganiseerd was. De zorg was met name hierdoor niet adequaat. Er werd een Zorgstandaard Diabetes opgesteld en geïmplementeerd. Voor COPD en CVRM werd eenzelfde pad gevolgd. Het zorgprogramma Astma is later in een aantal regio’s als pilot toegevoegd. De extra aandacht voor betere samenwerking en coördinatie in deze chronische zorg heeft ertoe geleid dat Nederland qua zorguitkomsten in internationaal perspectief goed scoort. Tegelijk is vrijwel iedereen het erover eens dat de zorgstandaarden verworden zijn tot standaardzorg en wordt er steeds meer ingezet op persoonsgerichte zorg. Ook is duidelijk geworden dat wanneer er voor één patiënt meerdere zorgprogramma’s en eventueel nog andere relevante NHG- of andere richtlijnen worden ‘gestapeld’, dit niet automatisch tot de beste zorg leidt. Daarom is ingezet op persoonsgerichte zorg op basis van een individueel zorgplan.

Maatschappelijke veranderingen

In de afgelopen tien jaar is er nogal wat veranderd. We zien dat:

–          het aantal chronisch zieken blijft stijgen;

–          substitutie van budget uit de ziekenhuizen niet (voldoende) is gelukt;

–          De macro-economische zorgkosten blijven stijgen;

–          De technische mogelijkheden door inzet van eHealth en ICT-applicaties toenemen;

–          Het tekort aan arbeidskrachten verontrustende vormen aanneemt;

–          (een deel van de) patiënten meer betrokken wil worden in het zorgproces en 24/7 toegankelijkheid verwacht.

In aansluiting op deze veranderingen, moet er een nieuw perspectief worden geschetst voor de chronische zorgprogramma’s diabetes, COPD (en astma) en CVRM. Een concept dat ook toepasbaar is bij andere diagnoses, zoals GGZ of chronische beweegzorg. De auteurs schetsen een nieuwe opzet, waarbij een verschuiving plaatsvindt van standaard chronische zorg naar andere vormen van zorg. Daarbij wordt steeds meer gebruikgemaakt van zelfmanagement en ICT. Hierdoor kan de productiviteit van de professionele zorgaanbieder toenemen en worden ingezet voor patiënten die niet in staat zijn om digitaal te participeren in het zorgproces of waarbij fysieke consulten noodzakelijk zijn.

Auteurs: Jan Erik de Wildt, Ellen Huijbers, Renate Jansink, Jorien Sjoerdsma, Nathalie Eikelenboom (DOH)

Download het volledige artikel hier:

InEen Tweedaagse: inspiratie voor duurzame inzetbaarheid van werknemers

In deze tijd van hoge werkdruk en krapte en vergrijzing op de arbeidsmarkt zijn eerstelijnszorgorganisaties doordrongen van de noodzaak te sturen op duurzame inzetbaarheid van personeel. Hoe doe je dat op een goede manier? Bezoekers van de InEen Tweedaagse lieten zich vorige maand inspireren. Twee verhalen uitgelicht.

Meer tevreden medewerkers. Minder personeelsverloop en ziekteverzuim. Geen klachten meer over een top-downbenadering en een gebrek aan informatie. Arts en Zorg werkt aan een culturele transformatie. Sylvia Mulder is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de aangesloten gezondheidscentra. Tijdens de InEen Tweedaagse vertelde zij over de uitdaging die Arts en Zorg drie jaar geleden aanging. Ze maakte ook de balans op. “Onze interne organisatie heeft zich positief  ontwikkeld, zowel qua mensen als cultuur. Bovendien is er meer verbinding ontstaan binnen de teams. Collega’s zijn nu meer in dialoog met elkaar.”

Grote groei

Arts en Zorg is in korte tijd enorm gegroeid. “In die periode lag de nadruk meer op zaken als financiën en techniek dan op cultuur en organisatie”, vertelt Mulder. “In 2015 besloot het management dat moest worden gestreefd naar verandering. Het vertrekpunt werd gevormd door story telling-sessies.”

Waarom heb jij ooit gekozen voor de gezondheidszorg? Waarom ben je gaan werken bij Arts en Zorg? Wat wil je bereiken met je werk? Arts en Zorg organiseerde de bijeenkomsten om de intrinsieke motivatie van collega’s én hun frustraties helder te krijgen. Het leverde een schat aan informatie op. Met die informatie is Arts en Zorg aan de slag gegaan. Er is een culturele transformatie in gang gezet op basis van drie programmaonderdelen: lean, hospitality 2.0 en zelforganisatie.

Maximale regelvrijheid

Die ‘zelforganisatie’ komt ook terug bij Stichting Georganiseerde eerstelijnszorg Zoetermeer. Directeur André Louwen: “Ik ben als algemeen directeur weliswaar formeel de baas bij de Stichting Georganiseerde eerstelijnszorg Zoetermeer (SGZ), maar bij ons is iedereen eigenaar van de organisatie. Daarbij hoort onder meer een maximale regelvrijheid. Een voorbeeld: we leggen geen uniforme openings- en lunchtijden op voor de aangesloten huisartsenpraktijken. Ze bepalen dat zelf. En als een huisartsen- of fysiotherapiepraktijk of een apotheker het jaar afsluit met een positief saldo, beslissen ze zelf wat hiermee wordt gedaan. Ze hebben de ruimte om naar eigen inzicht te ondernemen en innoveren.”

Dit eigenaarschap is een van de redenen dat SGZ het keurmerk ‘Beste werkgever 2017/2018’ kreeg van Effectory, gespecialiseerd in het inzichtelijk maken van de feedback en ideeën van medewerkers. De resultaten van het medewerkers-tevredenheidsonderzoek vorig jaar waren de aanleiding. SGZ scoorde boven de benchmark.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier: