DOAC’s veranderen trombosezorg

De trombosezorg is met de komst van directe orale anticoagulantia (DOAC”s) als alternatief voor vitamine K antagonisten (cumarinederivaten) ingrijpend veranderd. De patiënt is hierdoor niet meer afhankelijk van de Trombosedienst, maar kan gewoon naar de huisarts. Dit blijft niet zonder gevolgen, stelt dr. Geert-Jan Geersing, huisarts in huisartsenpraktijk Buitenhof en assistant professor bij Julius Centrum.

Cumarinederivaten zijn ontdekt in de jaren veertig van de vorige eeuw toen koeien na het eten van bedorven klaver (rijk aan cumarinederivaten) massaal overleden aan inwendige bloedingen. Hiermee is meteen duidelijk waarom trombosepatiënten die ze gebruiken afhankelijk zijn van de Trombosedienst om goed ingesteld te worden en te blijven. “En dat luistert nauwkeurig”, zegt Geersing, “want cumarinederivaten remmen het vitamine K-metabolisme en hoeveel je ervan nodig hebt, hangt onder andere af van de hoeveelheid vitamine K die je via je voeding binnen krijgt. De benodigde dosering kan dan ook van dag tot dag verschillen.” Het betekent dus nogal wat dat zowel cardiologen als internisten in hun richtlijnen hebben opgenomen dat DOAC’s de voorkeur hebben boven vitamine K antagonisten. Geersing: “DOAC’s remmen heel gericht de werking van één specifiek stollingseiwit. De werking ervan is daarmee veel voorspelbaarder, waarmee de noodzakelijkheid van zorgvuldig titreren wegvalt. Alleen de leeftijd, nierfunctie en het gewicht van de patiënt spelen een rol in de dosering.”

Belangrijke voordelen

Dit betekent dat trombosepatiënten die gebruik kunnen maken van DOAC’s niet meer naar de Trombosedienst hoeven, maar gewoon naar hun eigen huisarts kunnen. Toch hebben huisartsen hierop aanvankelijk terughoudend gereageerd. “Terwijl de cardiologen en internisten dus al hun voorkeur voor DOAC’s boven vitamine K antagonisten uitspraken”, zegt Geersing. “Het belangrijkste argument daarvoor is dat DOAC’s net zo effectief zijn als vitamine K antagonisten, terwijl het risico op een hersenbloeding met vijftig procent te reduceren is. Met een half tot één procent van de patiënten een zeldzame complicatie weliswaar, maar we hebben het wel over 300.000 trombosepatiënten op jaarbasis. Ook de overall mortaliteit is bij DOAC’s lager dan bij vitamine K antagonisten. Maag- en darmbloedingen komen daarentegen juist twintig tot dertig procent vaker voor bij DOAC’s. En onduidelijk is nog of de voordelen van DOAC’s ook gelden bij kwetsbare ouderen. Vanuit het Julius Centrum hebben we hiernaar een onderzoek opgezet.” (zie www.noaconderzoek.nl, red.) Inmiddels beginnen huisartsen wel steeds vaker DOAC’s voor te schrijven.

Kennisdeling

De uitdaging voor nu is kennisdeling, stelt Geersing. Hij legt uit: “Omdat zo’n grote rol was weggelegd voor de Trombosedienst, heeft de trombosezorg zich grotendeels buiten ons blikveld ontwikkeld. Nu gaan we daar wel een grote rol in spelen en dit vraagt om aandacht voor het onderwerp in FTO’s en nascholingen. Gelukkig zien we dat die op gang begint te komen. Dat is nodig, want ook al betekent de komst van DOAC’s een enorme vooruitgang, het blijven toch bloedverdunners. We weten uit de HARM-studie naar geneesmiddel gerelateerde ziekenhuisopnamen dat die tot de meest gevaarlijke geneesmiddelen behoren.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Waardegedreven zorg: van hype naar hoop

Value-based healthcare (VBHC) en Triple Aim zijn dé buzz-woorden in de Nederlandse gezondheidszorg. Maar wat ligt nu eigenlijk ten grondslag aan deze hypes? En met welk concept moet je als zorggroep, gezondheidscentrum of huisartsenpost aan de slag gaan? Lees in dit artikel de theoretische uitgangspunten van VBHC en Triple Aim én welk concept het beste toepasbaar is in de eerstelijnszorg.

Toekomstige businessmodellen in de zorg zullen zich steeds meer richten op meervoudige waardecreatie, waarin economische, klinische en psychosociale waarden met elkaar in evenwicht zijn. Dus geen nadruk op enkel kosten besparen of bovenmatige aandacht voor ervaringsverhalen, maar een evenwicht waarin het draait om het realiseren van de beste zorg en gezondheid voor de patiënt, tegen de laagst mogelijke kosten. Hiervoor is een netwerk van organisaties nodig. In Nederland spreken we in dit verband meestal van waardegedreven zorg. Value-based healthcare (VBHC) en Triple Aim zijn uit de Verenigde Staten komen overwaaien en worden vaak in één adem genoemd onder de noemer waardegedreven zorg. Zowel VBHC als Triple Aim gaan over waarde toevoegen, maar beide met een compleet andere focus.

Value-based healthcare

In het boek ‘Redefining Health Care’ beschrijft managementexpert Micheal Porter dat VBHC gaat over het realiseren van de beste uitkomst voor de patiënt tegen de laagst mogelijke zorgkosten. Porter geeft aan dat het zorgpad van een patiënt als uitgangspunt genomen moet worden, zodat de toegevoegde waarde van de verschillende disciplines kan worden bepaald. Het concept van VBHC is eigenlijk een uitgewerkte kosteneffectiviteitsmethode uit de gezondheidseconomie. Het vernieuwende wat Porter naar voren brengt is een implementatiemodel om de kloof te overbruggen van een volume gestuurd naar een waarde gestuurd gezondheidszorgsysteem. Het VBHC-implementatiemodel model bestaat uit zes onderling samenhangende bouwstenen.

Triple Aim

De Triple Aim aanpak gaat een stap verder dan VBHC en stelt dat een populatieaanpak en multi-stakeholder samenwerking nodig zijn om waarde te creëren. Donald Berwick beschrijft dat de Triple Aim draait om een drieledige doelstelling die gelijktijdig moet worden nagestreefd. Ten eerste het verbeteren van de ervaren kwaliteit van zorg. Als tweede draait het om het verbeteren van de gezondheid van een populatie. Het derde doel is het verlagen van de zorgkosten. De organisatie van zorg is gericht op het hele netwerk van preventie, zorg en welzijn en richt zich op de behoefte en zorgvraag van een specifieke (deel)populatie. Het doel van deze integrale samenwerking is een optimale uitkomst te behalen op het gebied van kwaliteit, gezondheid en kosten (Triple Aim).

In Nederland worden beide concepten toegepast. Hoe verloopt dat en welke past het beste bij de eerstelijnszorg? Valentijn en De Wildt geven in dit artikel antwoord op deze vragen.

Auteur: Pim Valentijn, Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Relevante schakel naar ondernemende en onderscheidende eerstelijnszorg

Van een bank verwachten we getallen en ratio´s. Maar ABN AMRO Medische en Vrije Beroepen geeft de klant meer. Gesprekken met de eerstelijnszorg gaan over ondernemerschap. En wel het onderscheidend vermogen, dat alleen mogelijk is met een heldere strategie en keuzes.

ABN AMRO is sinds dit jaar kennispartner van De Eerstelijns in de financiële sector. We zijn in gesprek met Peter de Klerk en Rob Boelens, sectorspecialisten Medische & Vrije Beroepen voor de groep huisartsen en apotheken, om te achterhalen wat de toegevoegde waarde van de bank is voor de eerste lijn. Boelens omschrijft het als volgt: “Schakelde de arts in het verleden de bank in, dan vroegen we om de jaarrekening en zeiden vervolgens ‘ja’ of ‘nee’. Nu gaan we eerst in gesprek over zijn toekomst. Wat is zijn visie? Pas dan pas halen we de jaarrekening erbij.”

Sparring partner

De Klerk: “Wij zijn een relevante schakel naar een goed gezondheidscentrum. Met het medische deel bemoeien we ons niet. Wel praten we bijvoorbeeld met fysiotherapeuten, huisartsen en apotheek over samenwerken. Wat komt daarbij kijken en welke experts kunnen zij in de hand nemen om de beren op de weg te verdrijven? Of eerstelijnszorgverleners willen een centrum kopen, maar een ontwikkelaar heeft hen benaderd om het te huren. Wij kijken dan mee; wat past het beste bij deze praktijk, het type mensen en hun privésituatie? In feite zijn we sparring partner en ontzorgen we hen.”

Ondernemen met strategie

Een ondernemende medicus is succesvol, vervolgt Rob Boelens. “Want die is toekomstbestendig. Een huisarts in loondienst met een negen tot vijf mentaliteit zal de praktijk van morgen niet draaien. Wel degene die onderneemt, die vanuit zijn passie optimale zorg wil verlenen. Let wel, ondernemen is iets anders dan commercieel bezig zijn. Ondernemen betekent dat je denkt in innovatie en mogelijkheden voor vandaag en voor de toekomst.”

Aan ondernemerschap geen gebrek in de eerstelijnszorg, maar de strategie ontbreekt vaak, constateren de sectorspecialisten. Peter de Klerk: “Eerstelijnszorgaanbieders zijn geneigd om alles te doen en houden daardoor de ballen amper in de lucht.” Boelens vult aan: “Huisartsen zijn al blij als ze al hun patiënten op een dag goed hebben geadviseerd of behandeld. Het ontbreekt hen aan tijd om aan de dag van morgen te denken. Maar dat is juist nodig voor het ontwikkelen van een strategie. De tijd die je daarin steekt, verdien je dubbel en dwars terug.”

Auteur: Betty Rombout

Download het volledige artikel hier:

Brancheverenigingen toetsen scenario’s voor toekomstbestendige ANW-zorg

Hoe kan de werkdruk op de huisartsenpost worden verminderd? InEen, LHV en VPhuisartsen zetten veelbelovende pilots op. Voorbeelden zijn strengere triage op de post, digitale zelftriage door patiënten en één loket voor basis-spoedeisende zorg.

Een toename, ook van patiënten met een complexe zorgvraag. Huisartsen zijn er in de afgelopen jaren mee geconfronteerd, zowel in hun eigen praktijk overdag als op de huisartsenpost (HAP) in de avond, nacht en weekenden (ANW). Zózeer zelfs, dat menigeen zegt dat het water hem aan de lippen staat. Leden van InEen, LHV en VPhuisartsen vroegen hun organisaties daarom vorig jaar de handschoen op te pakken en gezamenlijk op te trekken bij vermindering en ombuiging van de patiëntenstroom.

Erkenning problematiek

De hieruit voortgekomen gezamenlijke projectgroep ‘Werkdruk in de ANW’ volgt drie sporen. Jeroen van der Noordaa is sinds een half jaar de coördinator van de projectgroep. Hij vertelt hierover: “Allereerst hebben we op bestuurlijk niveau contact gezocht met ketenpartners in de acute zorg. Die toenadering heeft geleid tot de erkenning dat niet alleen de SEH overloopt, maar ook de HAP. Iedereen realiseert zich dat het een gedeeld probleem is binnen de keten van de acute zorg, we moeten er sámen iets tegen doen. De volgende stap is dat we hierover concrete afspraken maken.”

Daarnaast vroegen de brancheverenigingen aan huisartsen in praktijken en op HAP’s naar maatregelen die zij hebben getroffen om een daling van de werkdruk te realiseren. De vele nuttige en inspirerende reacties zijn gebundeld in een online ‘gereedschapskist’ met praktijkvoorbeelden uit de ANW, die via de LHV-website te vinden is.

Systeemveranderingen

Tegelijkertijd houden de drie brancheverenigingen de toekomstbestendigheid van het klassieke model van de HAP in bestaande ANW-zorg tegen het licht. Zijn er interventies en systeemveranderingen in de keten denkbaar die de huisartsenzorg toekomstbestendiger maken? Tijdens een gezamenlijke ledenvergadering hebben de brancheverenigingen eind vorig jaar de notitie ‘Naar een toekomstbestendige ANW-zorg’ vastgesteld. Er zijn mogelijke toekomstscenario’s opgesteld. In de vorm van pilots wordt een aantal scenario’s getoetst in de praktijk. Van der Noordaa licht drie pilots toe die vóór de zomer van start moeten gaan: strengere triage op de post, digitale zelftriage door patiënten en één loket voor basis-spoedeisende zorg.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Een ontwikkelingsmodel voor organisaties

Eerstelijnshuisartsenorganisaties zijn relatief jong. Na gezondheidscentra, huisartsenposten en zorggroepen ontstaan er steeds meer samengestelde organisaties. Door de module Organisatie & infrastructuur en generatiewisselingen binnen de organisatie zullen steeds meer organisaties de komende jaren gaan herstructureren. DOH in Eindhoven heeft daar al een start mee gemaakt. Vertrekpunt is het groeimodel voor organisaties van Greiner.

Het groeimodel van Greiner beschrijft de ontwikkeling van organisaties. Het heeft een chronologische fasering, maar bepaalde fases kunnen worden overgeslagen of zeer snel worden doorlopen.

Model in vogelvlucht

In de startfase is creativiteit van de oprichters nodig om het eerstelijnsbedrijf te positioneren. In de eerstelijnszorg waren dit bevlogen huisartsen, die zich organisch ontwikkelden rond een inhoudelijk thema. In de tweede fase groeit de organisatie, de complexiteit neemt toe. De leiding moet gaan professionaliseren en vaak komt er een buitenstaander bij voor de bedrijfsvoering. In de derde fase groeit de organisatie door. Er worden steeds meer staffunctionarissen verwelkomd, die verantwoordelijkheid krijgen voor operationele processen. De aansluiting tussen de strategische koers en de uitvoering wordt lastiger. Er wordt geklaagd over afstand. Om de coördinatie te verbeteren – fase vier – worden meer regels opgesteld; er ontstaat noodzakelijke en zinvolle bureaucratie. Om dat op te lossen, gaan verschillende bedrijfsonderdelen samenwerken, dit is fase vijf. Vaak ontstaat er een matrixorganisatie. In de laatste fase ontwikkelt de organisatie zich steeds meer als netwerkorganisatie in samenwerking met andere organisaties. In de eerste lijn zal de module Organisatie & infrastructuur (O&i) de komende jaren als een externe stuwende kracht fungeren om tot deze netwerkorganisaties te komen.

Generaties bij DOH

De huidige huisartsenorganisaties hebben te maken met langdurige relaties. De meeste huisartsen vestigen zich immers en blijven tientallen jaren actief op een vaste locatie. Nu de organisaties enkele decennia bestaan, wordt generatiemanagement van belang. De oprichters van het eerste uur moeten op een bepaald moment plaatsmaken voor de volgende generatie. Hoe pak je dat aan? Zorggroep DOH uit Eindhoven deelt zijn ervaringen.

Auteurs: Anniek Sonnenschein, Christiaan de Groot, Jan Erik de Wildt (DOH)

Download het volledige artikel hier:

Zorg voor asielzoekers: meer regie over eigen leven

De zorginkoop en de zorg aan asielzoekers is per 1 januari 2018 overgegaan van Menzis COA Administratie (MCA) en Gezondheidscentrum voor Asielzoekers (GCA) naar RMA en GZA (dochterondernemingen van Arts en Zorg). In de vorige editie van De Eerstelijns spraken we de zorgverzekeraar over de lessons learnedqua zorginkoop. We spreken hen weer. Dit keer over het zorgconcept. Hoe werkt het, zodat we hierop kunnen voortborduren?

Om de zorg aan asielzoekers in goede banen te leiden, richtte Menzis in 2009 het GCA op. Het centrale kantoor met staf, ondersteuning en praktijklijn bevond zich in Wageningen. De uitvoering van de zorg was aan de zorgteams, die zich in de AZC’s (asielzoekerscentra) in Nederland bevinden. Arts en Zorg neemt het model zorgconcept voor een groot deel over. Echter in een eigen jasje. Een deel van de GCA-medewerkers zet het werk onder de nieuwe werkgever voort. “Ik ben blij dat onze kennis en kunde voortgaat”, zegt Annefieke Booij. Ze werkte de laatste jaren als manager zorg voor GCA en is nu programmanager afbouw.

Op het centrum

Binnen het zorgconcept van GCA heeft elk AZC een zorgteam, bestaande uit praktijkassistenten, praktijkverpleegkundigen, huisartsen en GGZ-consulenten. Booij: “In de morgen vindt een inloopspreekuur plaats. De praktijkassistent ontvangt de asielzoeker en voert een triage uit en eenvoudige behandelingen. De praktijkverpleegkundige heeft zodoende meer tijd om de ‘ingewikkeldere’ medische hulp te geven. Blijkt de medische vraag complex, dan komt de asielzoeker in de planning van de huisarts te staan. Deze werkwijze maakt het mogelijk, dat de huisarts beperkt op de locatie is. De consulten worden na afloop altijd met de huisarts doorgesproken. Deze accordeert ook digitaal de activiteiten van de praktijkassistent en praktijkverpleegkundige.”

GGZ-consulent

Een belangrijk persoon binnen het zorgteam is de GGZ-consulent. Booij: “Destijds kende de GGZ lange wachtlijsten, terwijl asielzoekers juist veel psychosomatische en psychische problematiek kennen. Ze zijn vaak getraumatiseerd en gebaat bij snelle, directe hulp dichtbij. We hebben daarom GGZ-consulenten ingezet, die een luisterend oor bieden, handvatten geven bij problemen en zich richten op de zelfredzaamheid van asielzoekers. Uit de pilot bleek dat de doorverwijzing naar de tweede lijn hierdoor met 36 procent is gedaald.”

Wat kan beter? Booij: “Bovenal kunnen we er nog alerter op zijn, niet in de modus te geraken van ‘wij zorgen voor asielzoekers’. We moeten er juist voor zorgen dat ze meer zelf kunnen. Bijvoorbeeld door hen te leren digitale middelen te gebruiken voor afspraken. Meer regie over eigen leven, daar gaat het ook bij asielzoekers om.”

Auteur: Betty Rombout

Download het volledige artikel hier:

Verpleegkundig specialist of physician assistant op de huisartsenpost

Kan de inzet van verpleegkundig specialisten en physician assistants de werkdruk van dokters verlagen op de huisartsenpost? Een onderzoek vorig jaar in Oost-Brabant* wijst in elk geval uit dat het in het weekeinde overdag mogelijk is te werken met een team van drie huisartsen en een verpleegkundig specialist én een team van twee huisartsen en twee verpleegkundig specialisten.

In de provincie Groningen zijn de ervaringen al positief sinds 2006. “Wij zijn destijds begonnen om op spoedposten en ook in dagpraktijken huisartsen te ontlasten door inzet van een verpleegkundig specialist (VS) of physician assistant (PA)”, zegt directeur-bestuurder Ine Scholten van Doktersdienst Groningen, een bundeling van zeven huisartsenspoedposten. “Dat doel is bereikt. In 2017 hebben de VS’en en PA’s ruim 10.000 verrichtingen gedaan op de vier posten.”

Huisarts Bram Luteijn: “De huisartsen hebben het nog steeds druk, maar zonder de VS’en en PA’s zouden we nog meer mopperen. In deze regio zijn nu 300 huisartsen, veertien VS’en en evenzoveel PA’s.” Tot eind vorig jaar was Luteijn voorzitter van de Raad van Afgevaardigden van Doktersdienst Groningen.

Wonden hechten

In het vorige decennium duurde het ongeveer een jaar voordat alle huisartsen waren overtuigd. Scholten: “Er was best veel weerstand. Huisartsen kregen te maken met zorgverleners die dingen deden waarvan ze meenden dat ze die zelf het best konden en die ze ook leuk vonden. Voor menigeen was het bijvoorbeeld vervelend dat hij niet of nauwelijks meer wonden hechtte. Tegenwoordig missen huisartsen de VS of PA juist als die er een keer niet is.”

Team

De waardering van huisartsen voor de VS en PA groeide toen na het eerste jaar een duidelijk omschreven taakverdeling tot stand kwam. Scholten: “De VS’en en PA’s zien geen patiënten met koorts of een hoge mate van comorbiditeit of polyfarmacie. Wel kijken ze bijvoorbeeld naar klachten op het gebied van KNO, dermatologie en het bewegingsapparaat.” Luteijn: “Mijn boodschap: zorg ervoor dat de VS en PA samen met de huisarts en arts-assistent een team vormen. Laat als huisarts de ander meekijken of vragen stellen. Als de VS of PA volwaardig teamlid is, voorkom je bijvoorbeeld dat deze een patiënt naar het ziekenhuis stuurt terwijl je achteraf als huisarts denkt: ik had die patiënt ook kunnen helpen.”

Physician assistant Heleen Rosing onderschrijft het belang van teamvorming. “Onlangs twijfelde ik over een dermatologische klacht. Ik vroeg een huisarts naar zijn oordeel. Samen kwamen we tot de conclusie dat een verwijzing naar het ziekenhuis nodig was.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Handen ineen voor goede kankerzorg dicht bij huis

De zorg voor oncologische patiënten vindt meer en meer binnen de eerste lijn plaats. Een goede manier om dat te organiseren is binnen oncologische netwerken. Dat gebeurt sinds kort ook in Apeldoorn, waar de netwerken inmiddels uit de opstartfase zijn.

Het karakter van de oncologiezorg in Nederland en daarbuiten, wordt bepaald door een aantal ontwikkelingen. Het aantal patiënten met een vorm van kanker stijgt. De levensverwachting van patiënten neemt toe. Kanker krijgt steeds meer de vorm van een chronische ziekte. En steeds meer mensen genezen van kanker dankzij succesvolle behandelingen. De overlevingskansen zijn gestegen. Tegenwoordig is meer dan de helft van de patiënten tien jaar na de eerste diagnose nog in leven.

Warm bad of zwart gat?

Dit heeft directe gevolgen voor de zorg en nazorg, met name in de eerste lijn. Zo hoeven nacontroles niet altijd door een specialist te worden uitgevoerd. Kankerpatiënten krijgen soms jaren na hun behandeling nog te maken met gevolgen van hun ziekte. Ze komen dan in de eerste lijn terecht. Patiënten blijven het grootste deel van hun ziekteproces thuis en zullen bij zorgvragen een beroep doen op de eerste lijn. En toch is er een groot contrast tussen de oncologische zorg in het ziekenhuis en de zorg thuis. “Je hoort het vaak van patiënten: de behandeling en begeleiding in het ziekenhuis voelt als een warm bad en eenmaal thuis val je in een zwart gat”, zegt fysiotherapeut Karen Keus, eigenaar van Fysiotherapie Jansen Apeldoorn. Zij is een van de initiatiefneemsters en nu ‘kartrekker’ van oncologienetwerk Apeldoorn Noord-West. Zo’n netwerk is een multidisciplinair samenwerkingsverband tussen eerstelijnszorgverleners, zoals fysiotherapeuten, diëtisten, ergotherapeuten, wijkverpleegkundigen, psychologen, apotheken, huisartsen, maar ook reïntegratie-coaches en huidtherapeuten. Gezamenlijk organiseren ze de zorg dicht bij huis, dus zoveel mogelijk op wijkniveau.

Begeleiding

Er zijn vorig jaar in Apeldoorn zes van die oncologische eerstelijnsnetwerken van start gegaan. ROS Proscoop begeleidt de netwerken in de intensieve en vaak wat ‘taaie’ opstartfase, zo legt Liesbeth Zwanepol, projectleider van Proscoop, uit. Uitgangspunt is de werkwijze in Arnhem, waar al negen netwerken actief zijn, Bemmel en Huissen – die ook worden ondersteund door Proscoop. “Wij bieden organisatorische en beleidsmatige ondersteuning waar deelnemers dat niet gewend zijn of de kennis niet in huis hebben”, zegt Liesbeth Zwanepol. De organisatie van de Apeldoornse netwerken staat nu en zij presenteren zichzelf aan zowel verwijzers als patiënten op www.oncologienetwerkapeldoorn.nl.

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Volop ontwikkeling in praktijkaccreditering

NHG-Praktijkaccreditering bestaat twaalf jaar, maar NPA (NHG Praktijk Accreditering bv) zit niet stil. Integendeel. Op basis van feedback van deelnemers en klanttevredenheidsonderzoek houdt NPA de praktijkaccreditering regelmatig kritisch tegen het licht. Dit leidde de afgelopen jaren tot een aantal fikse aanpassingen. In 2018 zet NPA in op verdere verlichting van de administratieve last voor de deelnemers. Daarnaast ontwikkelde NPA een certificering voor zorggroepen en wordt gewerkt aan een certificering voor huisartsenposten en regio’s. Het uitgangspunt bij de ontwikkelingen is altijd de vraag uit het veld en ook de ontwikkeling vindt plaats samen met het veld.

In het kader van de actie ‘Het roer moet om’ is in vele facetten van de zorg gekeken naar de mogelijkheden voor vermindering van administratieve lasten. Ook praktijkaccreditering kwam aan bod. “Het was geen verrassing voor ons dat huisartsen de werkbelasting als groot ervaarden”, zegt Marc Eyck, directeur van NPA. “Maar wat nu zo mooi is, is dat inmiddels tachtig procent van onze deelnemers zegt: ik ga een andere huisarts ook aanraden om deel te nemen. De afgelopen twee jaar is het aantal deelnemers met 23 procent gegroeid, zeventig procent van alle huisartsen neemt nu deel aan NPA.”

Kritisch blijven

Toch gaat NPA in 2018 met de stofkam door het accrediteringsproces. “Je kunt het meer lean maken door overbodige zaken eruit te halen, die er in twaalf jaar natuurlijk wel in sluipen”, vertelt van Eyck. Dit voorkomt niet dat na een jaar of vijf accrediteren de praktijk wel op orde is en het enthousiasme afneemt. “Dat ondervangen we door thema-audits aan te bieden”, vertelt Eyck, “over palliatieve zorg bijvoorbeeld, samenwerken of diagnostiek aanvragen. Die thema’s zijn we nu in rap tempo aan het doorontwikkelen. Dan kun je eens per drie jaar een grote audit doen en in de tussenliggende jaren met thema’s werken.”

NPA-Certificering Zorggroep

NPA biedt al een aantal jaar certificering voor zorggroepen. Eyck: “We deden dit eerst per individuele chronische aandoening. Om overlap te voorkomen zijn we nu overgestapt op één certificering voor chronische zorg.” In vervolg op de certificering voor zorggroepen kwam vanuit de zorggroepen de vraag of NPA ook het faciliterende deel van hun werk kan certificeren. “Dat zijn we nu samen aan het ontwikkelen”, zegt Eyck. “En er is alweer een nieuwe vervolgstap, want we hebben nu ook de vraag gekregen of we een certificering voor huisartsenposten kunnen ontwikkelen. Daar gaan we dit voorjaar mee aan de slag.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Persoonsgerichte zorg in hele ZEL-regio

In het gebied tussen Rotterdam en Den Haag moet iets bijzonders gebeuren in de tweede helft van dit jaar. Een groot deel van de ongeveer 1200 eerstelijnszorgverleners is dan geschoold in persoonsgerichte zorg en verbetert voor zichzelf de wijze waarop die wordt gegeven. De volgende stap is dit gezamenlijk te doen, vanuit hetzelfde referentiekader. Dan wordt ‘de geïntegreerde en persoonsgerichte zorg’ geïntroduceerd.

“Voor zover wij weten, is het de eerste keer in Nederland dat huisartsen, apothekers, diëtisten, fysiotherapeuten, logopedisten, oefentherapeuten en vrijgevestigde GZ-psychologen sámen gaan optrekken in persoonsgerichte zorg.” Dat vertelt Daniëlle Vissers, programmanager bij Zorgorganisatie Eerste Lijn (ZEL). ZEL besloot twee jaar geleden na een aantal succesvolle pilots vol in te zetten op persoonsgerichte zorg.

Menselijke maat verloren

Sietske Herder, directeur-bestuurder van ZEL: “In 2006 is onze regio begonnen met ketenzorg voor diabetes, COPD en hart- en vaatziekten. Maar in de loop der tijd vernamen we steeds vaker van huisartsen dat het geprotocolleerd werken veelal niet goed past bij de menselijke maat. Daarnaast hebben deze chronisch zieke patiënten vaak multiproblematiek. Het stapelen van ketenprogramma’s is niet wenselijk, een benadering op maat wel. Daarom hebben we ons voorgenomen deze benadering op de voorgrond te plaatsen.”

Aan de slag

ZEL heeft in eerste instantie ingezet op twee parallelle sporen. Het eerste is bedoeld voor huisartsen, praktijkondersteuners en doktersassistenten van de ruim 120 huisartsenpraktijken in de regio. Die hebben sinds 2017 de kans persoonsgerichte zorg steeds beter in de vingers te krijgen. Huisarts Natasja van den Ende, aandachtsfunctionaris persoonsgerichte zorg bij ZEL: “Een programmateam heeft scholingen ontwikkeld en georganiseerd. Na het volgen van de eerste scholing vullen alle medewerkers een zelfmanagementscan in. Op basis van de uitkomsten maken de praktijken een verbeterplan. Elke praktijk krijgt vanuit ZEL een praktijkbegeleider die de praktijk ondersteunt bij het opstellen en uitvoeren van dit plan van aanpak.”

Ambassadeurs

In het voorjaar van 2017 is de aanzet gegeven voor een tweede ontwikkeltraject gericht op de ongeveer duizend andere eerstelijnszorgverleners in de regio: apothekers, diëtisten, fysiotherapeuten, logopedisten, oefentherapeuten en vrijgevestigde GZ-psychologen.

Voor elke beroepsgroep is bij ZEL een ambassadeur aangesteld die namens en voor de eigen beroepsgroep een plan van aanpak opstelt. Het doel: persoonsgerichte zorg bij de eigen achterban onder de aandacht brengen en de vakbroeders en -zusters begeleiden bij een verbetertraject persoonsgericht zorg.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier: