Een ontwikkelingsmodel voor organisaties

Eerstelijnshuisartsenorganisaties zijn relatief jong. Na gezondheidscentra, huisartsenposten en zorggroepen ontstaan er steeds meer samengestelde organisaties. Door de module Organisatie & infrastructuur en generatiewisselingen binnen de organisatie zullen steeds meer organisaties de komende jaren gaan herstructureren. DOH in Eindhoven heeft daar al een start mee gemaakt. Vertrekpunt is het groeimodel voor organisaties van Greiner.

Het groeimodel van Greiner beschrijft de ontwikkeling van organisaties. Het heeft een chronologische fasering, maar bepaalde fases kunnen worden overgeslagen of zeer snel worden doorlopen.

Model in vogelvlucht

In de startfase is creativiteit van de oprichters nodig om het eerstelijnsbedrijf te positioneren. In de eerstelijnszorg waren dit bevlogen huisartsen, die zich organisch ontwikkelden rond een inhoudelijk thema. In de tweede fase groeit de organisatie, de complexiteit neemt toe. De leiding moet gaan professionaliseren en vaak komt er een buitenstaander bij voor de bedrijfsvoering. In de derde fase groeit de organisatie door. Er worden steeds meer staffunctionarissen verwelkomd, die verantwoordelijkheid krijgen voor operationele processen. De aansluiting tussen de strategische koers en de uitvoering wordt lastiger. Er wordt geklaagd over afstand. Om de coördinatie te verbeteren – fase vier – worden meer regels opgesteld; er ontstaat noodzakelijke en zinvolle bureaucratie. Om dat op te lossen, gaan verschillende bedrijfsonderdelen samenwerken, dit is fase vijf. Vaak ontstaat er een matrixorganisatie. In de laatste fase ontwikkelt de organisatie zich steeds meer als netwerkorganisatie in samenwerking met andere organisaties. In de eerste lijn zal de module Organisatie & infrastructuur (O&i) de komende jaren als een externe stuwende kracht fungeren om tot deze netwerkorganisaties te komen.

Generaties bij DOH

De huidige huisartsenorganisaties hebben te maken met langdurige relaties. De meeste huisartsen vestigen zich immers en blijven tientallen jaren actief op een vaste locatie. Nu de organisaties enkele decennia bestaan, wordt generatiemanagement van belang. De oprichters van het eerste uur moeten op een bepaald moment plaatsmaken voor de volgende generatie. Hoe pak je dat aan? Zorggroep DOH uit Eindhoven deelt zijn ervaringen.

Auteurs: Anniek Sonnenschein, Christiaan de Groot, Jan Erik de Wildt (DOH)

Download het volledige artikel hier:

Zorg voor asielzoekers: meer regie over eigen leven

De zorginkoop en de zorg aan asielzoekers is per 1 januari 2018 overgegaan van Menzis COA Administratie (MCA) en Gezondheidscentrum voor Asielzoekers (GCA) naar RMA en GZA (dochterondernemingen van Arts en Zorg). In de vorige editie van De Eerstelijns spraken we de zorgverzekeraar over de lessons learnedqua zorginkoop. We spreken hen weer. Dit keer over het zorgconcept. Hoe werkt het, zodat we hierop kunnen voortborduren?

Om de zorg aan asielzoekers in goede banen te leiden, richtte Menzis in 2009 het GCA op. Het centrale kantoor met staf, ondersteuning en praktijklijn bevond zich in Wageningen. De uitvoering van de zorg was aan de zorgteams, die zich in de AZC’s (asielzoekerscentra) in Nederland bevinden. Arts en Zorg neemt het model zorgconcept voor een groot deel over. Echter in een eigen jasje. Een deel van de GCA-medewerkers zet het werk onder de nieuwe werkgever voort. “Ik ben blij dat onze kennis en kunde voortgaat”, zegt Annefieke Booij. Ze werkte de laatste jaren als manager zorg voor GCA en is nu programmanager afbouw.

Op het centrum

Binnen het zorgconcept van GCA heeft elk AZC een zorgteam, bestaande uit praktijkassistenten, praktijkverpleegkundigen, huisartsen en GGZ-consulenten. Booij: “In de morgen vindt een inloopspreekuur plaats. De praktijkassistent ontvangt de asielzoeker en voert een triage uit en eenvoudige behandelingen. De praktijkverpleegkundige heeft zodoende meer tijd om de ‘ingewikkeldere’ medische hulp te geven. Blijkt de medische vraag complex, dan komt de asielzoeker in de planning van de huisarts te staan. Deze werkwijze maakt het mogelijk, dat de huisarts beperkt op de locatie is. De consulten worden na afloop altijd met de huisarts doorgesproken. Deze accordeert ook digitaal de activiteiten van de praktijkassistent en praktijkverpleegkundige.”

GGZ-consulent

Een belangrijk persoon binnen het zorgteam is de GGZ-consulent. Booij: “Destijds kende de GGZ lange wachtlijsten, terwijl asielzoekers juist veel psychosomatische en psychische problematiek kennen. Ze zijn vaak getraumatiseerd en gebaat bij snelle, directe hulp dichtbij. We hebben daarom GGZ-consulenten ingezet, die een luisterend oor bieden, handvatten geven bij problemen en zich richten op de zelfredzaamheid van asielzoekers. Uit de pilot bleek dat de doorverwijzing naar de tweede lijn hierdoor met 36 procent is gedaald.”

Wat kan beter? Booij: “Bovenal kunnen we er nog alerter op zijn, niet in de modus te geraken van ‘wij zorgen voor asielzoekers’. We moeten er juist voor zorgen dat ze meer zelf kunnen. Bijvoorbeeld door hen te leren digitale middelen te gebruiken voor afspraken. Meer regie over eigen leven, daar gaat het ook bij asielzoekers om.”

Auteur: Betty Rombout

Download het volledige artikel hier:

Verpleegkundig specialist of physician assistant op de huisartsenpost

Kan de inzet van verpleegkundig specialisten en physician assistants de werkdruk van dokters verlagen op de huisartsenpost? Een onderzoek vorig jaar in Oost-Brabant* wijst in elk geval uit dat het in het weekeinde overdag mogelijk is te werken met een team van drie huisartsen en een verpleegkundig specialist én een team van twee huisartsen en twee verpleegkundig specialisten.

In de provincie Groningen zijn de ervaringen al positief sinds 2006. “Wij zijn destijds begonnen om op spoedposten en ook in dagpraktijken huisartsen te ontlasten door inzet van een verpleegkundig specialist (VS) of physician assistant (PA)”, zegt directeur-bestuurder Ine Scholten van Doktersdienst Groningen, een bundeling van zeven huisartsenspoedposten. “Dat doel is bereikt. In 2017 hebben de VS’en en PA’s ruim 10.000 verrichtingen gedaan op de vier posten.”

Huisarts Bram Luteijn: “De huisartsen hebben het nog steeds druk, maar zonder de VS’en en PA’s zouden we nog meer mopperen. In deze regio zijn nu 300 huisartsen, veertien VS’en en evenzoveel PA’s.” Tot eind vorig jaar was Luteijn voorzitter van de Raad van Afgevaardigden van Doktersdienst Groningen.

Wonden hechten

In het vorige decennium duurde het ongeveer een jaar voordat alle huisartsen waren overtuigd. Scholten: “Er was best veel weerstand. Huisartsen kregen te maken met zorgverleners die dingen deden waarvan ze meenden dat ze die zelf het best konden en die ze ook leuk vonden. Voor menigeen was het bijvoorbeeld vervelend dat hij niet of nauwelijks meer wonden hechtte. Tegenwoordig missen huisartsen de VS of PA juist als die er een keer niet is.”

Team

De waardering van huisartsen voor de VS en PA groeide toen na het eerste jaar een duidelijk omschreven taakverdeling tot stand kwam. Scholten: “De VS’en en PA’s zien geen patiënten met koorts of een hoge mate van comorbiditeit of polyfarmacie. Wel kijken ze bijvoorbeeld naar klachten op het gebied van KNO, dermatologie en het bewegingsapparaat.” Luteijn: “Mijn boodschap: zorg ervoor dat de VS en PA samen met de huisarts en arts-assistent een team vormen. Laat als huisarts de ander meekijken of vragen stellen. Als de VS of PA volwaardig teamlid is, voorkom je bijvoorbeeld dat deze een patiënt naar het ziekenhuis stuurt terwijl je achteraf als huisarts denkt: ik had die patiënt ook kunnen helpen.”

Physician assistant Heleen Rosing onderschrijft het belang van teamvorming. “Onlangs twijfelde ik over een dermatologische klacht. Ik vroeg een huisarts naar zijn oordeel. Samen kwamen we tot de conclusie dat een verwijzing naar het ziekenhuis nodig was.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Handen ineen voor goede kankerzorg dicht bij huis

De zorg voor oncologische patiënten vindt meer en meer binnen de eerste lijn plaats. Een goede manier om dat te organiseren is binnen oncologische netwerken. Dat gebeurt sinds kort ook in Apeldoorn, waar de netwerken inmiddels uit de opstartfase zijn.

Het karakter van de oncologiezorg in Nederland en daarbuiten, wordt bepaald door een aantal ontwikkelingen. Het aantal patiënten met een vorm van kanker stijgt. De levensverwachting van patiënten neemt toe. Kanker krijgt steeds meer de vorm van een chronische ziekte. En steeds meer mensen genezen van kanker dankzij succesvolle behandelingen. De overlevingskansen zijn gestegen. Tegenwoordig is meer dan de helft van de patiënten tien jaar na de eerste diagnose nog in leven.

Warm bad of zwart gat?

Dit heeft directe gevolgen voor de zorg en nazorg, met name in de eerste lijn. Zo hoeven nacontroles niet altijd door een specialist te worden uitgevoerd. Kankerpatiënten krijgen soms jaren na hun behandeling nog te maken met gevolgen van hun ziekte. Ze komen dan in de eerste lijn terecht. Patiënten blijven het grootste deel van hun ziekteproces thuis en zullen bij zorgvragen een beroep doen op de eerste lijn. En toch is er een groot contrast tussen de oncologische zorg in het ziekenhuis en de zorg thuis. “Je hoort het vaak van patiënten: de behandeling en begeleiding in het ziekenhuis voelt als een warm bad en eenmaal thuis val je in een zwart gat”, zegt fysiotherapeut Karen Keus, eigenaar van Fysiotherapie Jansen Apeldoorn. Zij is een van de initiatiefneemsters en nu ‘kartrekker’ van oncologienetwerk Apeldoorn Noord-West. Zo’n netwerk is een multidisciplinair samenwerkingsverband tussen eerstelijnszorgverleners, zoals fysiotherapeuten, diëtisten, ergotherapeuten, wijkverpleegkundigen, psychologen, apotheken, huisartsen, maar ook reïntegratie-coaches en huidtherapeuten. Gezamenlijk organiseren ze de zorg dicht bij huis, dus zoveel mogelijk op wijkniveau.

Begeleiding

Er zijn vorig jaar in Apeldoorn zes van die oncologische eerstelijnsnetwerken van start gegaan. ROS Proscoop begeleidt de netwerken in de intensieve en vaak wat ‘taaie’ opstartfase, zo legt Liesbeth Zwanepol, projectleider van Proscoop, uit. Uitgangspunt is de werkwijze in Arnhem, waar al negen netwerken actief zijn, Bemmel en Huissen – die ook worden ondersteund door Proscoop. “Wij bieden organisatorische en beleidsmatige ondersteuning waar deelnemers dat niet gewend zijn of de kennis niet in huis hebben”, zegt Liesbeth Zwanepol. De organisatie van de Apeldoornse netwerken staat nu en zij presenteren zichzelf aan zowel verwijzers als patiënten op www.oncologienetwerkapeldoorn.nl.

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Volop ontwikkeling in praktijkaccreditering

NHG-Praktijkaccreditering bestaat twaalf jaar, maar NPA (NHG Praktijk Accreditering bv) zit niet stil. Integendeel. Op basis van feedback van deelnemers en klanttevredenheidsonderzoek houdt NPA de praktijkaccreditering regelmatig kritisch tegen het licht. Dit leidde de afgelopen jaren tot een aantal fikse aanpassingen. In 2018 zet NPA in op verdere verlichting van de administratieve last voor de deelnemers. Daarnaast ontwikkelde NPA een certificering voor zorggroepen en wordt gewerkt aan een certificering voor huisartsenposten en regio’s. Het uitgangspunt bij de ontwikkelingen is altijd de vraag uit het veld en ook de ontwikkeling vindt plaats samen met het veld.

In het kader van de actie ‘Het roer moet om’ is in vele facetten van de zorg gekeken naar de mogelijkheden voor vermindering van administratieve lasten. Ook praktijkaccreditering kwam aan bod. “Het was geen verrassing voor ons dat huisartsen de werkbelasting als groot ervaarden”, zegt Marc Eyck, directeur van NPA. “Maar wat nu zo mooi is, is dat inmiddels tachtig procent van onze deelnemers zegt: ik ga een andere huisarts ook aanraden om deel te nemen. De afgelopen twee jaar is het aantal deelnemers met 23 procent gegroeid, zeventig procent van alle huisartsen neemt nu deel aan NPA.”

Kritisch blijven

Toch gaat NPA in 2018 met de stofkam door het accrediteringsproces. “Je kunt het meer lean maken door overbodige zaken eruit te halen, die er in twaalf jaar natuurlijk wel in sluipen”, vertelt van Eyck. Dit voorkomt niet dat na een jaar of vijf accrediteren de praktijk wel op orde is en het enthousiasme afneemt. “Dat ondervangen we door thema-audits aan te bieden”, vertelt Eyck, “over palliatieve zorg bijvoorbeeld, samenwerken of diagnostiek aanvragen. Die thema’s zijn we nu in rap tempo aan het doorontwikkelen. Dan kun je eens per drie jaar een grote audit doen en in de tussenliggende jaren met thema’s werken.”

NPA-Certificering Zorggroep

NPA biedt al een aantal jaar certificering voor zorggroepen. Eyck: “We deden dit eerst per individuele chronische aandoening. Om overlap te voorkomen zijn we nu overgestapt op één certificering voor chronische zorg.” In vervolg op de certificering voor zorggroepen kwam vanuit de zorggroepen de vraag of NPA ook het faciliterende deel van hun werk kan certificeren. “Dat zijn we nu samen aan het ontwikkelen”, zegt Eyck. “En er is alweer een nieuwe vervolgstap, want we hebben nu ook de vraag gekregen of we een certificering voor huisartsenposten kunnen ontwikkelen. Daar gaan we dit voorjaar mee aan de slag.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Persoonsgerichte zorg in hele ZEL-regio

In het gebied tussen Rotterdam en Den Haag moet iets bijzonders gebeuren in de tweede helft van dit jaar. Een groot deel van de ongeveer 1200 eerstelijnszorgverleners is dan geschoold in persoonsgerichte zorg en verbetert voor zichzelf de wijze waarop die wordt gegeven. De volgende stap is dit gezamenlijk te doen, vanuit hetzelfde referentiekader. Dan wordt ‘de geïntegreerde en persoonsgerichte zorg’ geïntroduceerd.

“Voor zover wij weten, is het de eerste keer in Nederland dat huisartsen, apothekers, diëtisten, fysiotherapeuten, logopedisten, oefentherapeuten en vrijgevestigde GZ-psychologen sámen gaan optrekken in persoonsgerichte zorg.” Dat vertelt Daniëlle Vissers, programmanager bij Zorgorganisatie Eerste Lijn (ZEL). ZEL besloot twee jaar geleden na een aantal succesvolle pilots vol in te zetten op persoonsgerichte zorg.

Menselijke maat verloren

Sietske Herder, directeur-bestuurder van ZEL: “In 2006 is onze regio begonnen met ketenzorg voor diabetes, COPD en hart- en vaatziekten. Maar in de loop der tijd vernamen we steeds vaker van huisartsen dat het geprotocolleerd werken veelal niet goed past bij de menselijke maat. Daarnaast hebben deze chronisch zieke patiënten vaak multiproblematiek. Het stapelen van ketenprogramma’s is niet wenselijk, een benadering op maat wel. Daarom hebben we ons voorgenomen deze benadering op de voorgrond te plaatsen.”

Aan de slag

ZEL heeft in eerste instantie ingezet op twee parallelle sporen. Het eerste is bedoeld voor huisartsen, praktijkondersteuners en doktersassistenten van de ruim 120 huisartsenpraktijken in de regio. Die hebben sinds 2017 de kans persoonsgerichte zorg steeds beter in de vingers te krijgen. Huisarts Natasja van den Ende, aandachtsfunctionaris persoonsgerichte zorg bij ZEL: “Een programmateam heeft scholingen ontwikkeld en georganiseerd. Na het volgen van de eerste scholing vullen alle medewerkers een zelfmanagementscan in. Op basis van de uitkomsten maken de praktijken een verbeterplan. Elke praktijk krijgt vanuit ZEL een praktijkbegeleider die de praktijk ondersteunt bij het opstellen en uitvoeren van dit plan van aanpak.”

Ambassadeurs

In het voorjaar van 2017 is de aanzet gegeven voor een tweede ontwikkeltraject gericht op de ongeveer duizend andere eerstelijnszorgverleners in de regio: apothekers, diëtisten, fysiotherapeuten, logopedisten, oefentherapeuten en vrijgevestigde GZ-psychologen.

Voor elke beroepsgroep is bij ZEL een ambassadeur aangesteld die namens en voor de eigen beroepsgroep een plan van aanpak opstelt. Het doel: persoonsgerichte zorg bij de eigen achterban onder de aandacht brengen en de vakbroeders en -zusters begeleiden bij een verbetertraject persoonsgericht zorg.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Persoonsgericht consult in de chronische zorg

Zorggroep DOH in Eindhoven is al enkele jaren actief bezig met de omslag naar meer persoonsgerichte zorg. Toch viel er nog wat te verbeteren aan de consultvoering in de chronische zorg. In samenwerking met de huisartsopleidingen in de regio werd een project gestart om het zelf ontwikkelde consultmodel Persoonsgerichte Chronische Zorg tussen de oren te krijgen van praktijkondersteuners, huisartsen en huisartsen in opleiding. Met succes.

Steeds vaker valt de term persoonsgerichte zorg, ook in de regio Eindhoven. Ervaringen met het SeMaS-project bij zorggroep DOH leerden dat de consultvoering in de chronische zorg nog persoonsgerichter kan. De juiste inzet van consultvaardigheden kan hieraan bijdragen. Bovendien bleek dat een chronisch consult anders is dan een regulier huisartsconsult, doordat er meestal geen directe hulpvraag is bij de patiënt. Dat was aanleiding voor een project waarbij niet alleen praktijkondersteuners, maar ook huisartsen en huisartsen in opleiding werden getraind in het persoonsgericht werken binnen het chronisch consult. Daarbij werd gebruikgemaakt van het consultmodel Persoonsgerichte Chronische Zorg, dat in de regio is ontwikkeld. Dit was een gezamenlijk project van zorggroep DOH en de huisartsopleidingen Nijmegen en Maastricht, die beiden een dependance in Eindhoven hebben.

Een win-win situatie

Het betrekken van zowel huisartsen (in opleiding) als praktijkondersteuners stimuleert het interprofessioneel leren en samenwerken in de praktijk. In het project volgden de zorgverleners een zogenaamde interprofessionele training en vervolgens deden zij twee videofeedbacksessies op de eigen praktijk in een periode van een jaar. Dit gebeurde onder leiding van een docent van de huisartsopleiding Eindhoven. Tussen de sessies door konden de huisartsen (in opleiding) en praktijkondersteuners activiteiten ondernemen om kennis over consultvoering en chronische zorg uit te wisselen en zo van elkaar te leren.

Resultaten

Een ruime meerderheid van de deelnemers gaf na het project aan dat de consultvoering binnen de chronische zorg is veranderd. Veranderingen zijn onder andere het opstellen van een gezamenlijke agenda aan het begin van het consult en het meer uitgaan van wat voor de patiënt belangrijk is. Zestig procent van de deelnemers gebruikt het consultmodel regelmatig. Het reflecteren op de eigen consultvoering in een veilige setting blijkt zeer waardevol. Leerzaam was ook dat huisartsen konden zien op welke manier hun praktijkondersteuner te werk ging in de spreekkamer en andersom. Hoe de deelnemers deze interprofessionele manier van leren en samenwerking hebben ervaren is middels focusgroepen onderzocht door het Radboudumc. Deze resultaten worden begin 2018 verwacht.

Auteurs: Petra Wopereis (huisartsopleiding Radboudumc), Nathalie Eikelenboom (DOH)

Download het volledige artikel hier:

Incident melden over muren heen

Heeft een huisarts niet vanuit het ziekenhuis vernomen dat de medicatie voor een patiënt is gewijzigd sinds de opname? In Utrecht kunnen zorgverleners dit soort – mogelijk riskante – zaken kenbaar maken via transmuraal incident melden. Het doel: leren van elkaar en zo komen tot betere en veiligere zorg.

Van de tien patiënten die de overgang maken van de eerste naar de tweede lijn of vice versa, is er bij twee tot vijf sprake van een transmuraal incident. Deze zorgwekkende cijfers worden bevestigd in nog lopend onderzoek door de afdeling Huisartsgeneeskunde van het UMC Utrecht in het Transmuraal Incident Preventie Programma (TIPP). Een van de interventies hierbinnen was het instellen van transmuraal incident melden (TIM), dat van start ging in 2016. De initiatiefnemers zijn het UMC Utrecht, het Diakonessenhuis en de coöperatie Huisartsen Utrecht Stad (HUS). Het TIM-proces is geautomatiseerd en geborgd met behulp van een applicatie die is ontwikkeld in samenwerking met softwareleverancier The Patient Safety Company. Angelien Borgdorff, bij HUS actief als programmamanager ouderen- en transmurale zorg, is een van de grondleggers. Zij heeft er ook de functie van TIM-regisseur.

Leren van incidenten

Borgdorff: “Het hoofddoel van TIM is dat de patiënt betere en veiligere zorg krijgt. Als bijvoorbeeld een huisarts of apotheker meldt dat hij geen geactualiseerd medicatieoverzicht heeft ontvangen na het ziekenhuisontslag van een patiënt, kunnen we actie ondernemen om ervoor te zorgen dat hij er voortaan wél van op de hoogte wordt gebracht door het ziekenhuis. We willen leren van incidenten en op basis van stuurinformatie komen tot betere zorgkwaliteit.”

HUS is in januari 2016 begonnen met meldingen door huisartsen en praktijkondersteuners over incidenten tussen ziekenhuis en thuis. Later is dat uitgebreid met VVT-instellingen, apothekers en een huisartsenlaboratorium. Sinds dit jaar hebben ook zorgverleners uit ziekenhuizen de mogelijkheid meldingen te doen.

Hoe werkt het?

Een zorgverlener in de eerste lijn is ongeveer vijf minuten kwijt aan het doen van een digitale melding. Als TIM-regisseur bij HUS ontvangt Angelien Borgdorff de melding, waarna zij een samenvatting maakt en deze doorstuurt naar de TIM-regisseur van de betreffende zorginstelling. Afhankelijk van het risico van de melding wordt bepaald of een analyse nodig is. Laag-risico-meldingen worden gebruikt voor trendanalyses; op hoog risico-meldingen wordt een analyse uitgevoerd.

Zijn er al resultaten te melden? Borgdorff: “Het is te vroeg om te beoordelen of TIM leidt tot betere en veiligere zorg. Maar we kunnen al wel zeggen dat het bewustzijn vergroot is onder zorgverleners.”

Auteurs: Gerben Stolk

Klik hier voor de link naar TPSC

Download het volledige artikel hier:

Vilans: Met patiënten werken aan betere zorg

In de wijk Kersenboogerd in Hoorn wonen relatief veel laaggeletterden en mensen uit verschillende culturen. Daar kun je geen standaard aanpak op loslaten. De beste weg naar betere zorg is een persoonsgerichte aanpak, besloot het managementteam van het gelijknamige gezondheidscentrum halverwege 2015. Met ondersteuning van Vilans en ZONH werd een driejarig project opgetuigd, dat nu zijn vruchten begint af te werpen.

De basis voor het project in Hoorn is het ‘Huis van Persoonsgerichte Zorg’. Een model dat kenniscentrum Vilans ontwikkelde om persoonsgerichte zorg voor mensen met chronische ziekten systematisch op te zetten. De essentie ervan is dat je met meer aspecten tegelijk aan de slag moet om persoonsgerichte zorg tot een succes te maken. “Je moet patiënten helpen om meer regie te nemen en professionals helpen om het in te passen in de dagelijkse drukte. Tegelijkertijd moet je de organisatie zo inrichten dat de nieuwe werkwijze wordt gefaciliteerd”, vat Joris Arts, bestuurder van het gezondheidscentrum, samen. Er zijn inmiddels twee jaar verstreken en mede dankzij een subsidie van zorgverzekeraar VGZ en de inzet van Paulien Vermunt van Vilans en Will Molenaar van ZONH is er veel bereikt.

Eerste stappen

“In 2015 zijn eerst de ervaringen en belangrijke thema’s voor verandering opgehaald bij alle betrokkenen: zorgverleners, managers, patiënten en mantelzorgers. In de tweede fase zijn we gaan kijken welke overstijgende thema’s we daaruit konden halen”, vertelt Paulien Vermunt. “Die zijn tegen de pijlers van het Huis van Persoonsgerichte Zorg gelegd en op basis daarvan zijn werkgroepen ingericht.”

Een van de werkgroepen ging aan de slag met het thema ‘naar één digitaal portaal’. Arts: “We hebben met behulp van het Vilans-project ‘Ken je klant’ in kaart gebracht wat de wensen zijn. Daarbij is met patiënten van verschillende leeftijden gesproken. Zowel zorgverleners als patiënten vonden het belangrijk dat relevante informatie makkelijk en veilig kan worden gedeeld tussen alle betrokkenen. De conclusie was dat we naar één systeem moeten waar alle zorgverleners en de patiënt makkelijk op kunnen inloggen. Een afvaardiging van patiënten en zorgverleners heeft inmiddels een platform gekozen waarmee we op kleine schaal gaan experimenteren.”

Kritisch durven kijken

De belangrijkste winst van het project tot dusver is volgens Vermunt dat professionals kritisch durven kijken naar hun eigen werkproces. “Het enthousiasme waarmee iedereen aan de slag ging met de vraag wat anders kan en hoe, was opvallend. Er is nog veel te doen, maar de wil om te veranderen is er.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Kernteam rondom kwetsbare oudere in West-Brabant

Het doel is mooi: ervoor zorgen dat 27.000 kwetsbare ouderen in West-Brabant op een prettige manier thuis kunnen blijven wonen zolang dit mogelijk en wenselijk is. Het middel is veelbelovend: een huisarts, praktijkondersteuner, wijkverpleegkundige en specialist ouderengeneeskunde die zich rondom een senior scharen en zo een ‘kernteam ouderenzorg’ vormen.

“Omdat wij het gaan dóen. Omdat we geen tijd te verliezen hebben. De spoedposten en huisartsenposten lopen hier vol met kwetsbare ouderen. Het is de hoogste tijd om de zaken preventief nét wat beter te regelen en de druk te verlichten.”

Dominiek Rutters klinkt resoluut wanneer haar wordt gevraagd waarom de zorg voor kwetsbare ouderen in West-Brabant binnen afzienbare tijd snel en grootschalig zal zijn gestroomlijnd. “Natuurlijk, ‘de kwetsbare oudere centraal’ en ‘professionals die hun werkzaamheden op elkaar afstemmen in het belang van de senior’ zijn ideeën die elders in het land ook worden uitgevoerd”, zegt de programmamanager van Verbonden in Zorg. “Maar vaak gaat het om relatief kleinschalige initiatieven en blijkt het lastig te zijn om grote stappen te zetten. In West-Brabant heeft zich afgelopen zomer een groot aantal partijen achter één uniforme programmatische werkwijze geschaard (zie ook www.verbondeninzorg.nl, red.). Daarom hebben we er vertrouwen in dat het ons gaat lukken. Over anderhalf jaar willen we een groot deel van de kwetsbare ouderen – uit een totale populatie van 27.000 75-plussers – goed in beeld hebben en de benodigde ondersteuning en zorg bieden via een kernteam ouderenzorg.”

Overzicht bij één persoon

Evenals elders in het land is er in West-Brabant een sterke behoefte aan een slagvaardig netwerk van zorg en welzijn rondom kwetsbare en thuiswonende ouderen. Rutters: “Voor de hulp aan kwetsbare ouderen is deskundigheid nodig van verschillende organisaties en professionals. Wij streven ernaar dat die zorg niet versnipperd is, maar één geheel vormt. Een oudere niet te merken dat veel verschillende mensen voor hem zorgen. Neem de huisarts. Die is vaak primair verantwoordelijk voor de medisch-inhoudelijke zorg, maar iemands eenzaamheid kan hij niet oplossen. Het aanbod hiervoor wordt elders vanuit de wijk verzorgd, bijvoorbeeld via de gemeente. Eén persoon moet het overzicht hebben over de behoeften van een kwetsbare oudere én het beschikbare aanbod, om daarna in overleg met de anderen alles aan elkaar knopen.”

Die ene persoon is vaak de wijkverpleegkundige, doorgaans in dienst bij een organisatie die thuiszorg biedt. Soms kan het ook de praktijkondersteuner van de huisarts zijn. Samen met een huisarts en specialist ouderengeneeskunde vormen zij het kernteam ouderenzorg rondom een kwetsbare oudere.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier: