Berichten

Chronische zorgprogramma’s op de schop

Krimpende budgetten en minder personeel leiden tot het veranderen van de zorg- en bedrijfsprocessen in de eerstelijnszorg. Daarnaast bieden technische applicaties de mogelijkheid om de inbreng van patiënten te vergroten. In dit artikel doen de auteurs een voorzet voor herontwerp van de chronische zorgprogramma’s, zoals diabetes, COPD, CVRM of astma.

De chronische zorgprogramma’s zijn ontwikkeld nadat in het begin van deze eeuw werd geconstateerd dat de coördinatie en afstemming in de diabetesketen niet goed georganiseerd was. De zorg was met name hierdoor niet adequaat. Er werd een Zorgstandaard Diabetes opgesteld en geïmplementeerd. Voor COPD en CVRM werd eenzelfde pad gevolgd. Het zorgprogramma Astma is later in een aantal regio’s als pilot toegevoegd. De extra aandacht voor betere samenwerking en coördinatie in deze chronische zorg heeft ertoe geleid dat Nederland qua zorguitkomsten in internationaal perspectief goed scoort. Tegelijk is vrijwel iedereen het erover eens dat de zorgstandaarden verworden zijn tot standaardzorg en wordt er steeds meer ingezet op persoonsgerichte zorg. Ook is duidelijk geworden dat wanneer er voor één patiënt meerdere zorgprogramma’s en eventueel nog andere relevante NHG- of andere richtlijnen worden ‘gestapeld’, dit niet automatisch tot de beste zorg leidt. Daarom is ingezet op persoonsgerichte zorg op basis van een individueel zorgplan.

Maatschappelijke veranderingen

In de afgelopen tien jaar is er nogal wat veranderd. We zien dat:

–          het aantal chronisch zieken blijft stijgen;

–          substitutie van budget uit de ziekenhuizen niet (voldoende) is gelukt;

–          De macro-economische zorgkosten blijven stijgen;

–          De technische mogelijkheden door inzet van eHealth en ICT-applicaties toenemen;

–          Het tekort aan arbeidskrachten verontrustende vormen aanneemt;

–          (een deel van de) patiënten meer betrokken wil worden in het zorgproces en 24/7 toegankelijkheid verwacht.

In aansluiting op deze veranderingen, moet er een nieuw perspectief worden geschetst voor de chronische zorgprogramma’s diabetes, COPD (en astma) en CVRM. Een concept dat ook toepasbaar is bij andere diagnoses, zoals GGZ of chronische beweegzorg. De auteurs schetsen een nieuwe opzet, waarbij een verschuiving plaatsvindt van standaard chronische zorg naar andere vormen van zorg. Daarbij wordt steeds meer gebruikgemaakt van zelfmanagement en ICT. Hierdoor kan de productiviteit van de professionele zorgaanbieder toenemen en worden ingezet voor patiënten die niet in staat zijn om digitaal te participeren in het zorgproces of waarbij fysieke consulten noodzakelijk zijn.

Auteurs: Jan Erik de Wildt, Ellen Huijbers, Renate Jansink, Jorien Sjoerdsma, Nathalie Eikelenboom (DOH)

Download het volledige artikel hier:

Domeinoverstijgend samenwerken in een wijk, kan dat?

Nederland staat voor de uitdaging om adequate zorg en ondersteuning te bieden aan een groeiende groep kwetsbare ouderen met chronische, complexe zorgvragen. Een holistische blik is nodig om de kwaliteit van leven van de oudere centraal te stellen. Goede en efficiënte afstemming tussen huisartsen en andere zorgverleners is daarom van groot belang. Het faciliteren van een integraal aanbod van zorg en welzijn vereist een goed functionerend interprofessioneel team in wijk of dorp. Lessen uit het Zuid-Limburgse dorp Elsloo. 

In Elsloo is vijf jaar geleden een samenwerkingsverband opgericht tussen huisartsen, paramedici, apotheek, thuiszorg en verpleeghuiszorg. Samen met de gemeente Stein en zorgverzekeraar CZ hebben we als zorgteam teruggekeken op de lessen van de afgelopen jaren.

Uitdaging 1: De juiste contactpersoon

De eerste uitdaging voor het systematisch verbeteren van domeinoverstijgend samenwerken op wijkniveau, is het vinden van de juiste contactpersonen voor de verbinding tussen zorgteam, gemeente en zorgverzekeraar. Binnen het zorgteam is iemand nodig die tijd en aandacht inzet om het zorgteam te vertegenwoordigen en die geïnformeerd blijft over ontwikkelingen bij de externe partners. Vaak ligt deze rol bij de huisarts.

Uitdaging 2: Faciliteren van projecten

De tweede uitdaging bij het ontwikkelen van een zorgteam is concreet met elkaar aan de slag gaan met kwaliteitsverbetering. In Elsloo hebben we bijvoorbeeld gewerkt aan een gezamenlijke aanpak bij ouderen met onrustig gedrag. Het luisteren naar elkaars ervaringen en het bespreken van knelpunten door huisartsen, verzorgenden en wijkverpleegkundigen hielp om elkaar beter te begrijpen. Op basis van de ervaringen en behoeften in het netwerk hebben we materialen kunnen ontwikkelen, specifiek gericht op overdracht en communicatie en passend bij de situatie in Elsloo.

Uitdaging 3: Financiering op wijkniveau

Zorgverzekeraars hebben een voorkeur voor projecten met een regionale insteek, vanwege de mogelijkheden om effecten op de kwaliteit en efficiëntie van zorg meetbaar te maken en  het aantal gesprekspartners te beperken. De kleine aantallen patiënten per wijk, de heterogeniteit van problemen binnen de doelgroep en een beperkte meetperiode maken het nagenoeg onmogelijk  om op wijkniveau zichtbaar te maken in hoeverre een investering in lokale samenwerking leidt tot betere of goedkopere zorg. Bovendien moeten we hier rekening houden met het feit dat degene die investeert in interprofessioneel samenwerken niet per sé de partij is die van de eventuele winst profiteert. Het opstellen van een business case in samenwerking met TNO maakte dit inzichtelijk.

Samen lerend verder

Vijf jaar na de start bestaat het zorgnetwerk nog steeds. Als zorgteam, gemeente en verzekeraar concluderen we dat de huidige financiering van zorg onvoldoende is ingericht op het faciliteren van domeinoverstijgende samenwerking in de ouderenzorg. Gezamenlijk pleiten wij voor een lerende opstelling van alle partners.

Auteurs: Dr. Anneke van Dijk–de Vries, Drs. Lynn Rulkens, Mr. Hub Janssen, Dr. Loes van Bokhoven

Download het volledige artikel hier:

Patiëntervaringen onderdeel van kwaliteitscyclus chronische zorg

De ervaring van patiënten met hun zorgverlening was lange tijd een ondergeschoven kindje voor zorggroepen. Daar komt verandering in. Steeds meer zorggroepen starten met de PREM Chronische zorg, een korte en gevalideerde vragenlijst over patiëntervaringen. Die krijgen daarmee een belangrijke plek binnen het kwaliteitsbeleid van de zorggroepen.

Bij hoeveel diabetespatiënten in de huisartsenpraktijken is de bloeddruk gemeten, bij hoeveel van hen is het HbA1c-gehalte op het gewenste niveau? Dat zijn belangrijke proces- en uitkomstindicatoren voor zorggroepen en huisartsenpraktijken, weet Nout Willems, manager Zorgprogramma’s van zorggroep PoZoB (Praktijkondersteuning Zuidoost-Brabant en Noord-Limburg). Zo’n 150 huisartsenpraktijken in de regio zijn daarbij aangesloten.

Toch is dat niet voldoende om optimale kwaliteit van zorg te leveren voor patiënten met een chronische aandoening, vervolgt hij meteen. “We willen als zorggroep zorg op maat bieden voor onze patiënten. Dat lukt alleen als we meer doen dan sturen op een optimale bloeddruk- of bloedsuikerwaarde. Voor patiënten zijn andere zaken minstens zo belangrijk. Hoe ga ik als diabetes- of COPD-patiënt om met mijn sociale relaties, hoe geef ik antwoord op bepaalde zingevingsvragen? Dat zijn andere dimensies van kwaliteit. We willen die eveneens een plek geven in ons kwaliteitsbeleid, om onze zorg verder te verbeteren.”

Dat is ook nodig, stelt Willems. “We praten met z’n allen over Triple Aim: onze zorg moet gericht zijn op betere gezondheid, minder kosten én een betere patiëntervaring. Het zorgveld heeft zich de afgelopen jaren vooral gericht op betere gezondheid en beperking van de zorgkosten. We hadden echter onvoldoende aandacht voor de patiëntervaringen. Dat geldt niet alleen voor zorgverleners, maar ook voor zorgverzekeraars. In hun zorginkoopbeleid besteden zij nauwelijks aandacht aan patiëntervaringen. Het zit niet in hun inkoopkaders. Ik confronteer zorginkopers daar wel mee. Ze hebben dan geen antwoord.”

Nieuwe dimensie kwaliteit

Om ervaringen van patiënten met chronische aandoeningen op te nemen in het kwaliteitsbeleid, is PoZoB in samenwerking met Qualizorg in 2018 begonnen met de PREM-pilot (patient reported experience measurement) Chronische zorg. Dat is een overzichtelijke en gevalideerde vragenlijst om ervaringen van patiënten met hun behandeling en bejegening in de chronische ketenzorg te verzamelen, te analyseren én te laten meewegen in de kwaliteitscyclus van de zorggroep [zie kadertekst]. Twintig huisartsenpraktijken van PoZoB doen mee aan de pilot. In de loop van dit jaar wordt die afgerond.

Auteurs: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Hoe waarderen patiënten het chronische zorgprogramma?

SGE en zorggroep DOH hebben in 2016 een integraal klantervaringsonderzoek uitgevoerd onder chronische patiënten. Dat aspect wordt wel de missing link genoemd binnen Triple Aim.

Kwaliteit, kosten en klantervaringen zijn de pijlers onder Triple Aim. En hoewel het begrip niet meer weg te denken is in de Nederlandse gezondheidszorg, is een kritische beschouwing op zijn plaats.

Kwaliteit

De kwaliteit meten SGE en DOH al bijna tien jaar. Hoewel er soms wijzigingen zijn in de indicatoren, bestaat er over het algemeen een goed beeld van de kwaliteit van de zorgprogramma’s diabetes, COPD, astma en CVRM. De Eindhovense zorgorganisaties nemen ook deel aan de landelijke benchmark van InEen.

Kosten

Het onderdeel kosten is minder ver ontwikkeld. De zorggroepen hebben zicht op hun eigen kosten, maar niet op de integrale kosten van de verschillende patiëntgroepen.

Klantervaringen

Klantervaringen zullen met de voortschrijdende persoonsgerichte zorg wellicht de ultieme resultaatsparameter worden. Tot op heden wordt echter door weinig organisaties de klanttevredenheid binnen de huisartsen- en multidisciplinaire zorg, structureel gemeten.

In samenwerking met InEen, kennisinstituut IQ Healthcare (Radboudumc), Stichting Miletus en Qualizorg hebben SGE en DOH een nieuwe vragenlijst ontwikkeld, getest en onderzocht. Bij DOH zijn twee verschillende antwoordcategorieën getest, bij SGE het verschil tussen het laatste contact en de klanttevredenheid gedurende het gehele zorgprogramma. De meting is volledig digitaal uitgevoerd.

Resultaten

Uit het onderzoek blijkt dat de vragenlijst geschikt is voor toepassing in de praktijk. Bij zorggroep DOH heeft bijna 30 procent van de patiënten de vragenlijst ingevuld. De feedbackrapporten laten de ervaringen zien van de patiënten in de praktijken en per type zorgverlener. De net promotor score (NPS) toont de klantloyaliteit. Met een NPS van 20 over het totaal heeft DOH een prima score. In de resultaten wordt een verbeterpotentieel per praktijk weergegeven in vergelijking met de drie hoogst scorende praktijken.

Bij SGE was de respons 21 procent. De NPS over het laatste contact lag op niveau van het gezondheidscentrum tussen de 13 en de 36. De NPS over het gehele zorgprogramma lag op het niveau van het gezondheidscentrum tussen de -2 en 18. De resultaten worden teruggekoppeld naar de afzonderlijke gezondheidscentra.

Hoe verder?

Hoewel er nu naast inzicht in kwaliteit en (in mindere mate) kosten ook inzicht bestaat in de klantervaringen, is het hieraan verbinden van uitkomsten nog een brug te ver. Dat komt omdat de onderzoekspopulatie niet dezelfde is. Toch is het waardevol. Bij DOH zal in ieder geval in 2017 eenzelfde meting plaatsvinden om te kunnen vergelijken. Voor de toekomst wordt continue meting overwogen.

SGE heeft nog niet besloten over het vervolg, maar dat er kwaliteitswinst te behalen is met het meten van klantervaringen staat voor beide zorgorganisaties vast.

Auteurs: Jessica Werther (DOH) en Marian Gersen (SGE)

Download het volledige artikel hier:

Zelfmanagement bij chronische ziekten

In acht artikelen verkennen we verschillende aspecten van zelfmanagement. ZonMw deelt hierin de resultaten van onderzoek en ontwikkelprojecten. In deel drie is NIVEL-onderzoeker Monique Heijmans aan het woord, een van de pioniers in het onderzoek naar zelfmanagement. Zij kijkt vooral vanuit het perspectief van patiënten en is projectleider van het Nationaal Panel Chronisch Zieken en Gehandicapten.

De twee wetenschappers die eerder in deze serie aan het woord kwamen, Jaap Trappenburg en Yvonne Heerkens, constateerden dat de hoge verwachtingen rond zelfmanagement slechts ten dele waargemaakt worden. Heijmans sluit zich daarbij aan. “Op medische aspecten als bloedsuikerwaarden, bloeddruk en longfunctie zien we een duidelijk positief effect. Die betere klinische waarden zijn een vrij hard gegeven. Maar leidt zelfmanagement er ook toe dat mensen zich in het dagelijkse leven beter staande kunnen houden? Vallen ze minder snel uit op hun werk? Maken ze minder gebruik van zorg? Dat weten we niet, want dat is nog onvoldoende onderzocht of de bewijzen zijn niet eenduidig.”

Heijmans vindt dat zelfmanagement breder is dan alleen medisch management. De kern is het inpassen van ziekte en beperkingen in het leven als geheel. “Het gaat er vooral om hoe mensen hun ziekte een plek geven in hun leven en welke zorg ze daarbij zelf willen inzetten en hoe ze omgaan met de langetermijngevolgen en veranderde toekomstverwachtingen.” Waarom dat de ene mens beter lukt dan de andere, is een vraag die de NIVEL-onderzoeker al twintig jaar intrigeert.

Patiëntprofielen

De effectiviteit van zelfmanagement zou niet alleen afgemeten moeten worden aan medische criteria, maar ook aan maatstaven die de patiënt als belangrijk ervaart. “Zelfmanagement op maat ontbreekt nog. Aan de hand van patiëntprofielen probeert men tegenwoordig binnen de grote groep chronisch zieken verschillende factoren te onderscheiden die de individuele verschillen tussen mensen verklaren. Als je dat weet, kun je subgroepen onderkennen en weet je ook welke groepen meer baat hebben bij zelfmanagementondersteuning dan andere. Zo kun je zelfmanagementondersteuning gerichter, efficiënter en effectiever inzetten. Die differentiatie gebeurt nog veel te weinig.”

Investeringen

Aantonen dat zelfmanagement werkt, hoe ingewikkeld dat ook is, vindt Heijmans noodzakelijk. “Zelfmanagement komt moeizaam van de grond in de zorgpraktijk. Professionals en bestuurders twijfelen, want het vraagt een andere manier van handelen en dat vergt investeringen in opleiding en scholing en op korte termijn in extra personeel en materiaal. Om hen over de streep te trekken, moet duidelijk worden dat het werkt en dat het zich op de lange duur vertaalt in positieve effecten en kostenbesparing.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Zelfmanagement en arbeidsparticipatie

In acht artikelen verkennen we verschillende aspecten van zelfmanagement. ZonMw deelt hierin de resultaten van onderzoek en ontwikkelprojecten. In deel twee staat het groeiend aantal werknemers met een chronische ziekte centraal. Waar lopen ze tegenaan? En hoe kunnen ze optimaal meedoen op de arbeidsmarkt? Yvonne Heerkens onderzoekt hoe zelfmanagement kwetsbare mensen kan helpen om met plezier aan het werk te blijven, nu en in de toekomst.

In het eerste artikel over zelfmanagement vertelde UMCU-onderzoeker Jaap Trappenburg hoe het concept zelfmanagement omstreeks de eeuwwisseling uit Amerika kwam overwaaien. Ook het lectoraat Arbeid & Gezondheid van de HAN richtte de blik op Amerika. Aan Stanford University ontwikkelde Kate Lorig een zelfmanagementprogramma voor mensen met een chronische aandoening. Het lectoraat pakte dit programma op en paste het aan voor werkenden met een chronische ziekte en later specifiek voor mensen met klachten van arm, nek en schouder onder de naam Grip op KANS. Momenteel wordt het programma verbreed naar kwetsbare werkenden met andere aandoeningen. Zo deed BijnierNET, een platform van en voor mensen met ziekten aan de bijnieren, een beroep op Heerkens. Het platform kreeg signalen dat werkenden met een chronische endocriene ziekte te maken krijgen met (zorg)professionals die onvoldoende zicht hebben op de specifieke problemen die zij op hun werk ervaren. BijnierNET heeft ook een project voor jongeren die op de drempel van volwassenheid merken dat hun bijnierziekte opleiding en werk in de weg staat. In het onderzoek van het lectoraat gaat veel aandacht uit naar stress. Stress kan ontstaan door het werk, door privéomstandigheden of door een combinatie van beide. Ervaren stress kan grote invloed hebben op het werk.

Uitval voorkomen

Momenteel zijn er 5,3 miljoen Nederlanders met een chronische ziekte, onder wie 2,3 miljoen werkenden. Eén op de vijf werkenden heeft een of meer chronische ziekten. Het in maart 2016 uitgebrachte SER-advies Werk: van belang voor iedereen, stelt de actuele vraag hoe je mensen aan het werk houdt nu werkenden met een chronische ziekte steeds langer actief blijven. Het wegwerken van obstakels is huiswerk voor alle betrokkenen, luidt het antwoord. In de eerste plaats voor de werkende zelf. Maar hoe? Heerkens legt uit dat zelfmanagement een belangrijk hulpmiddel kan zijn. “De werknemer moet de symptomen begrijpen, hoe die zijn werk kunnen beïnvloeden en omgekeerd: hoe het werk van invloed kan zijn op de symptomen.” Door zelfmanagement krijgen mensen niet zozeer minder klachten, zegt Heerkens, maar weten ze beter hoe ze ermee om moeten gaan.

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Iedere patiënt een eigen zorgplan en zelfmanagementondersteuning op maat

Er is ontegenzeglijk kwaliteitswinst geboekt met het protocollair uitvoeren van chronische zorg op basis van zorgstandaarden. Maar patiënten zijn niet standaard, dus moet er in ketenzorg ook ruimte zijn voor individuele afwijkingen. Zorggroep DOH zet sinds begin 2016 een veelbelovende trend in naar meer persoonsgerichte zorg.

Dit jaar is DOH begonnen met meer persoonsgerichte zorg op basis van zorgzwaarte en patiëntkenmerken en -voorkeuren. Nathalie Eikelenboom, stafmedewerker zelfmanagement & eHealth, vat de essentie samen van wat de zorggroep beoogt. “Ketenzorg heeft veel positiefs teweeggebracht: de multidisciplinaire zorg gebeurt vaker zoals de richtlijnen het voorschrijven en ook de uitkomsten zijn aantoonbaar beter. Nu is er echter behoefte aan doorontwikkeling. Door het protocol wat meer los te laten, komt er ruimte voor het gesprek. Juist in de persoonsgerichte zorg kun je differentiëren. Een patiënt die wat meer begeleiding nodig heeft, die extra zorg ook geven. En een patiënt die minder behoefte aan zorg heeft, stimuleren tot zelfmanagement in de mate die hij aankan en prettig vindt.”

Eikelenboom geeft een voorbeeld: “Mensen met diabetes komen standaard vier keer per jaar op controle. Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat voor goed ingestelde patiënten twee keer voldoende is, dat leidt niet tot extra complicaties. Iemand daarentegen die net de diagnose gehoord heeft en zich onzeker voelt, zal misschien wat vaker willen komen. We houden er bijvoorbeeld ook rekening mee dat een patiënt met GGZ-klachten zich misschien beter voelt in groepsverband dan in een-op-een-contact. De volgende vraag is dan hoe we ons aanbod daarop kunnen afstemmen. Zo bieden we in de GGZ-zorg Minddistrict (digitale zorg) en groepscursussen, die gecombineerd kunnen worden met face-to-face-contact. Op deze wijze kan de patiënt, samen met zijn zorgverlener, op basis van zijn voorkeuren een zorgplan opstellen.”

Zelfmanagement

Soms is het wennen voor patiënten. “Als iemand al vijf jaar komt om de uitslagen van het bloedprikken te bespreken en dan gewoontegetrouw zijn jas weer aantrekt, is het een hele verandering als er plots een meer actieve inbreng verwacht wordt. Zo’n gesprek vraagt voorbereiding, zowel van de praktijkondersteuner als van de patiënt. Natuurlijk zijn er patiënten voor wie zo’n actieve rol te veel gevraagd is. Variaties zijn mogelijk, daar is het persoonsgerichte zorg voor.”

Kitty van Gorp van de Patiëntenadviesraad van DOH is warm voorstander van de persoonsgerichte benadering: “De zorgverlener wil dat alles volgens het boekje verloopt en daar is wat voor te zeggen, maar de mens achter de chronische patiënt wil gehóórd worden en zelf bepalen hoe hij zijn leven inricht. Ik ben blij dat er meer ruimte komt voor zorg op maat.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier: