Berichten

Anoeska Mosterdijk van InEen over 2016 en 2017

Steeds meer regionale huisartsen- en eerstelijnsorganisaties voelen de noodzaak tot verandering. Ze zijn niet meer alleen gericht op ketenzorg, maar hebben ook oog voor bijvoorbeeld GGZ-patiënten en kwetsbare ouderen. Daarbij ontstaan soms nieuwe organisatie- en samenwerkingsvormen. Anoeska Mosterdijk spreekt onder meer hierover in haar terugblik op 2016 en vooruitblik op het nieuwe jaar.

Belangrijk in 2016 was volgens Mosterdijk onder meer het project Keten Acute Zorg, gericht op meer samenhang en samenwerking in de keten. “Dat is afgerond en heeft nuttige producten opgeleverd. Denk aan aanbevelingen voor betere samenwerking tussen de hap, de acute GGZ en de ambulancezorg. Nu is het zaak dat die producten worden geïmplementeerd. Dat kan ook bijdragen aan het verminderen van de druk op de huisartsenpost.” Daarvoor loopt ook een traject in samenwerking met de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV). Dat moet in 2017 tot concrete resultaten leiden.

Ook het project Organisatie & Infrastructuur moet vermeld worden. “InEen heeft samen met de LHV, zorgverzekeraars en VWS heel hard gewerkt aan de contouren van een nieuwe financiering van lokale en regionale organisatie & infrastructuur. Tegelijkertijd hebben we binnen InEen, met de betrokken ledengroepen, gediscussieerd over de toekomstige rollen van regionale huisartsen- en eerstelijnsorganisaties. Dat bleek heel goed bij elkaar aan te sluiten. De visienotitie die hieruit is voortgekomen, hopen we dit voorjaar vast te kunnen stellen met de leden. Verder werken we de resultaten van het O&I- project nader uit, met als doel introductie per 2018.”

Organisatie- en samenwerkingsvormen

Samen met de ROS’en startte InEen vorig jaar het onderzoek ‘Regio in Beeld’. In maart 2017 moet zijn geïnventariseerd wat er in de regio gebeurt qua organisatie en samenwerkingsverbanden. Wat is wel en niet succesvol gebleken en waarom? Wat zijn goede voorbeelden voor organisaties die ook nieuwe samenwerkingsverbanden willen aangaan? Maar InEen ziet nu al een aantal ontwikkelingen. Mosterdijk: “Regionale huisartsen- en eerstelijnsorganisaties zijn veelal opgericht om de ketenzorg bij diabetes en andere chronische aandoeningen vorm te geven. Maar inmiddels zien we dat ze in toenemende mate ook andere activiteiten oppakken. Denk aan het ondersteunen van zorgverleners met ICT-diensten, administratie, scholing en kwaliteitsbeleid. Deze ondersteuning geeft ruimte in de zorgpraktijk en daardoor meer tijd voor de patiënt. Maar denk ook aan het organiseren van zorg rondom kwetsbare groepen, zoals ouderen, GGZ-patiënten en jeugd, en het versterken van de driehoek huisartsenzorg, wijkverpleging, sociaal domein. Dit vergt samenwerking met partijen die specifieke expertise in huis hebben en met lokale organisaties zoals gezondheidscentra en wijknetwerken. Dit zal naar verwachting leiden tot andere samenwerkingsmodellen en netwerkstructuren. Hier zullen we de komende tijd veel aandacht aan besteden.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Verkiezingsprogramma’s over de (eerstelijns)zorg

PVV, VVD, CDA, SP, D66, GroenLinks, 50PLUS en PvdA zijn volgens de peilingen van december 2016 na de verkiezingen in maart de grootste partijen. Wat zijn hun plannen voor de zorg? De Eerstelijns analyseert de paragraaf (gezondheids)zorg uit de verkiezingsprogramma’s, met specifieke aandacht voor de eerstelijnszorg.

Bij het lezen van de verkiezingsprogramma’s van de PVV, VVD, CDA, SP, D66, GroenLinks, 50PLUS en PvdA valt op dat er grote verschillen zijn in stijl en benadering. De meeste woorden besteedt D66 aan de paragraaf zorg of gezondheid (5466), de minste de PVV (16). Bij de beoordeling is daarom telkens een gewogen gemiddelde gebruikt.

Algemeen

Het zorgstelstel aanpassen en omvormen tot een Nationaal ZorgFonds. Dat is de wens van de SP, GroenLinks en 50PLUS. Het CDA, PvdA en PVV geven aan het zorgstelsel op onderdelen te willen veranderen. De VVD wil het stelsel behouden en D66 wil het stelsel verbeteren. Ook als het gaat om het eigen risico is de inzet verdeeld. PVV, PvdA, SP, GroenLinks en 50PLUS willen het afschaffen. De VVD en D66 willen het behouden en het CDA wil het bedrag verlagen.

Aandachtspunten per partij

Elk van deze acht partijen besteedt aandacht aan de zorg. Per partij wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste kenmerken op basis van door De Eerstelijns opgestelde criteria. Het gaat daarbij om de omvang van de zorgparagraaf in relatie tot het gehele verkiezingsprogramma én om het aantal keren dat de volgende woorden, begrippen of synoniemen hiervan worden gebruikt in het programma: eerstelijnszorg, wijkverpleegkundige, huisarts, paramedici, psycholoog, apotheek of gezondheidscentra.

Daarnaast is beoordeeld of er beleid is op het gebied van:

  • substitutie, anderhalvelijnszorg
  • Positieve Gezondheid
  • eHealth/innovatie
  • mantelzorg/informele zorg
  • preventie

En tot slot is beoordeeld wat het standpunt is ten aanzien van de ziekenhuissector en medisch-specialistische zorg. De uitkomst van de optelsom van deze aspecten leest u in dit artikel.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Zelfmanagement ontrafeld

In acht artikelen verkennen we verschillende aspecten van zelfmanagement. ZonMw deelt hierin de resultaten van onderzoek en ontwikkelprojecten. In deel één ontrafelt Jaap Trappenburg het begrip. Hij legt uit dat zelfmanagement geen haarlemmerolie is en signaleert toekomstige ontwikkelingen. Trappenburg is senior onderzoeker bij het Julius Centrum Utrecht en projectleider van de onderzoekslijn TASTE (Tailored Self-management & eHealth).

Een jaar of vijftien vormt zelfmanagement al de rode draad in het onderzoek van Jaap Trappenburg en het onderwerp intrigeert hem nog altijd. “Amerikaanse gedragswetenschappers hebben het concept zelfmanagement ontwikkeld. Het programma (Stanford Chronic Disease Self-management Program) bleek in Amerika zeer succesvol. Vervolgens zijn in verschillende landen aan de lokale zorgcontext aangepaste versies ontwikkeld. In Canada bijvoorbeeld, bleek Living Well With COPD zeer succesvol. In Nederland, rond het millennium, had het programma echter beduidend minder effect. Hoe kan dat? Die vraag vormt de aanleiding voor de ‘ontrafelende’ onderzoekslijn TASTE.”

Herschikking

Als je uitspraken wilt doen over de meerwaarde, moet je wel weten wáár je het over hebt, zegt Trappenburg. Dat is lastig, want interpretaties en perspectieven buitelen over elkaar heen. Beleidsmakers en overheid die zelfmanagement omarmen, interpreteren het volgens de onderzoeker vaak als verschuiving in verantwoordelijkheid. Taken die eerst door een zorgverlener of andere partij uitgevoerd worden, gaan naar de patiënt. Niet zozeer omdat dat goed is voor de patiënt, maar om de zorg betaalbaar te houden. “Tegelijkertijd sluit zelfmanagement goed aan bij de tijdgeest. Burgers vinden het fijn om meer autonomie en eigen regie te hebben.”

Maar, die interpretatie is niet in lijn met het oorspronkelijke Amerikaanse concept, benadrukt Trappenburg. “Daar ging het primair om het actief bevorderen van competenties en kennis bij de chronische patiënt om zijn eigen ziekte te managen. Vanuit een therapeutische stimulus.”

Massale investering

Iedereen doet aan zelfmanagement, maar niemand is automatisch een goede zelfmanager van zijn ziekte. Dat moet je van anderen leren, benadrukt Trappenburg. “Wanneer ik een aandoening krijg, moet ik in een leertraject competenties en kennis opdoen om mijn ziekte te monitoren en mijn leven met de ziekte in goede banen te leiden. Onderschat dit niet! Ik durf te stellen dat een groot deel van de Nederlandse chronisch zieken bij dit leerproces suboptimaal begeleid is.”

Het is een van de redenen waarom de vraag of zelfmanagement wérkt zo moeilijk te beantwoorden is. “Zelfmanagementprogramma’s waarbij patiënten zes maanden lang een didactische ‘stootkuur’ krijgen met multidisciplinaire ondersteuning om alles te leren wat ze nodig hebben om zelfmanagend te kunnen zijn, blijken in de literatuur en in experimentele settings effectief. Maar die programma’s komen in de dagelijkse praktijk niet voor.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Zorgstelsel begint zich te bewijzen

Als we de zorg betaalbaar en van goede kwaliteit willen houden, dan is het huidige zorgstelsel geen slechte keuze, stelt bijzonder hoogleraar betaalbaarheid van zorg Patrick Jeurissen (faculteit der medische wetenschappen UMCN). “We zien substitutie van zorg, we zien de ontwikkeling van geïntegreerde eerstelijnszorg tot stand komen en we zien dat het stelsel voldoende flexibel lijkt om de veranderingen die nog nodig zijn mogelijk te maken.”

Wie roept dat het huidige zorgstelsel heeft gezorgd voor een kostenexplosie, heeft ongelijk. “De cijfers tonen aan dat tussen 2000 en 2012 sprake is geweest van een harde kostenstijging”, zegt Jeurissen, “Van zes jaar voor tot zes jaar na de introductie van dit stelsel in 2006 dus. Maar de cijfers laten ook zien dat die stijging sinds 2012 sterk is afgevlakt en dat we het de laatste paar jaar beter doen dan andere Europese landen. Jeurissen concludeert op basis van feiten dat gereguleerde competitie en betaalbaarheid goed kunnen samengaan. “Het stelsel heeft de zorg niet duurder gemaakt”, zegt hij, “het heeft orde gebracht ten opzichte van het oude stelsel. Natuurlijk wordt de zorg op termijn duurder, maar dat is stelselonafhankelijk en wordt vooral bepaald door autonome groei van de zorgvraag. Het is daarom belangrijk goed beleid te blijven voeren, maar feitelijk staat of valt het succes van ieder stelsel daarmee.”

Eerste lijn groeit

Een van de belangrijke trends binnen het huidige stelsel is substitutie van zorg: zowel in de curatieve zorg als in de GGZ verschuift veel zorg van de tweede naar de eerste lijn. “Het proces loopt en dat is een belangrijke constatering”, zegt Jeurissen. “We zien in de ziekenhuizen én in de GGZ dat het aantal patiënten in de tweede lijn daalt. Dat is precies wat we willen. Er gebeurt inmiddels al meer in de eerste lijn en in de basis-GGZ en dat zijn dan ook bijna de enige zorgsectoren die nog groeien in patiëntenaantallen. Natuurlijk werpt die groei de vraag op of ze wel in huis hebben wat nodig is om inhoud te geven aan de chronische en electieve zorg die op hen afkomt. Wat dat betreft moet er inderdaad nog wel wat gebeuren. De scheidslijn in de zorg ligt steeds minder tussen de eerste en tweede lijn, maar steeds meer tussen chronische, electieve en complexe zorg, omdat steeds minder patiënten worden opgenomen. Dat is een fundamentele verandering in patiëntenstromen die vraagt om coördinatie en om een infrastructuur waarin diagnostiek, behandeling en taakherschikking op basis van deze nieuwe werkelijkheid een plaats krijgen.” Een proces dat duidelijk vraagt om een geïntegreerde eerste lijn en een daarbij passende bekostiging en wet- en regelgeving, stelt Jeurissen.

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Handen ineen rondom kindermishandeling

Rondom preventie, signalering en aanpak van kindermishandeling is soepel samenspel nodig. Bijvoorbeeld tussen huisarts en jeugdgezondheidszorg. Maar ook tussen kinderarts, vertrouwensarts en Veilig Thuis. De nieuwe, herziene Landelijke Eerstelijns Samenwerkingsafspraak (LESA) Kindermishandeling inspireert deze beroepsgroepen tot een goede organisatie.

Sinds zes jaar geleden de LESA Kindermishandeling werd opgesteld, is er heel wat veranderd voor zorgverleners die met dit onderwerp te maken krijgen. Zo wordt sinds 2013 de nieuwe Wet verplichte meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld gehanteerd. Een jaar later vertaalde de KNMG de wet in een KNMG-Meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld, met een bijbehorend stappenplan kindermishandeling voor artsen. In 2015 volgden de nieuwe Jeugdwet, de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheid van gemeenten voor de organisatie van de jeugdzorg én tot slot de totstandkoming van sociale wijkteams.

Mede met het oog op deze veranderingen heeft het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) de LESA geactualiseerd. De rode draad: geoliede samenwerking tussen de vele partijen die kindermishandeling kunnen tegenkomen. “We zien bijvoorbeeld nog vaak dat de afstemming tussen huisarts, jeugdarts, jeugdverpleegkundige, kinderarts, vertrouwensarts en Veilig Thuis voor verbetering vatbaar is”, zegt Laura de Vries. Zij is wetenschappelijk medewerker bij het NHG en coördinator van de LESA Kindermishandeling. “De herziening van de LESA was een omvangrijk project. Alle relevante beroepsgroepen zijn erbij betrokken”

Adviesvraag

Een voorbeeld van een gewenste verbetering? De Vries: “De LESA stimuleert dat huisartsen en vertrouwensartsen van Veilig Thuis hun kennis en expertise bundelen. De kracht van de huisarts is dat hij het gezin en het kind kent, hun vertrouwen geniet en laagdrempelig hulp kan inzetten. Stel nu dat een huisarts een vermoeden heeft van een situatie van kindermishandeling. Dan wil je daar graag de expertise van de vertrouwensarts aan toevoegen, want die is specialist op het gebied van kindermishandeling. De LESA geeft zorgverleners dan ook nadrukkelijk de aanbeveling om via Veilig Thuis een adviesvraag te stellen aan de vertrouwensarts.”

Gestroomlijnd proces

Nu gemeenten sinds 2015 verantwoordelijk zijn voor de jeugdzorg, moeten meer spelers samen werken rondom kind en gezin. De Vries: “Het is lang niet altijd eenvoudig om elkaar te zoeken en te vinden, de werkzaamheden op elkaar af te stemmen en te komen tot een gestroomlijnd proces. Juist daarmee helpt de LESA.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

De sleutel naar het sociale domein

Hoe kan de wijkverpleegkundige soepel samenwerken met de sociale wijkteams van de gemeente? Hoe wordt bijvoorbeeld snel en effectief het gewenste aanbod voor een kwetsbare oudere georganiseerd? Over goede ervaringen én verbeterpunten in West-Brabant.

“Dát kan beter”, schoot coördinerend wijkverpleegkundige Hanneke van Gorps onlangs door het hoofd toen een gemeente een keukentafelgesprek aanging met een 80-jarige man met cognitieve problemen. Zij had meneer en zijn echtgenote bezocht in het kader van het zorgprogramma ‘Kwetsbare ouderen’ en in overleg met de huisarts en de specialist ouderengeneeskunde waren verschillende interventies gepleegd. De gemeente heeft weinig gebruikgemaakt van haar bevindingen. “Het echtpaar werd werd opnieuw belast en het traject van indicatiestelling duurde bijna drie maanden. Ik begrijp heel goed dat de gemeente een goed beeld moet krijgen van de zorgsituatie, maar we moeten voorkomen dat we in de valkuil stappen dat we als verschillende spelers allemaal zelf thuis gaan kijken.”

Verbinding leggen

Samen met de huisarts vormt de wijkverpleegkundige de toegang tot de professionele eerstelijnszorg. Bovendien speelt ze een steeds grotere rol in het samenspel met sociale wijkteams van de gemeente. Haar taak: verbinding leggen tussen het medische en sociale domein. Overal in het land proberen wijkverpleegkundigen en hun werkgevers dit nu zo goed mogelijk in te vullen. De ene keer verloopt het gemakkelijker dan de andere, zo illustreert het verhaal van Hanneke van Gorp. Ze is in dienst van Groenhuysen, één van de vijf thuiszorgorganisaties die behalve coördinerende wijkverpleegkundigen ook specialisten ouderengeneeskunde inbrengt voor multidisciplinaire overleggen met huisartsen en hun praktijkondersteuners. Het gaat om de 42 huisartsen in West-Brabant die zijn aangesloten bij Zorggroep Het Huisartsenteam. De besprekingen gaan over kwetsbare ouderen.

“In 2014 is de samenwerking rondom kwetsbare ouderen begonnen tussen huisartsen, POH’ers, specialisten ouderengeneeskunde en wijkverpleegkundigen”, vertelt Christianne Joossen, coördinator Ouderenzorg en GGZ van Het Huisartsenteam. “Het gaat om een structureel multidisciplinair overleg per huisartsenpraktijk. De huisarts heeft de regie en de wijkverpleegkundige is de verlengde arm van de huisarts. De samenwerking tussen georganiseerde eerstelijnszorg en wijkverpleging stáát inmiddels. Nu zijn we zorgvuldig aan het bekijken hoe welzijn hierbij steeds beter kan aansluiten.”

Wilt u zich laten inspireren door samenwerkingstrajecten tussen eerste lijn, wijkverpleging en sociaal domein? Bezoek dan op donderdag 15 september de door InEen georganiseerde bijeenkomst in de Domus Medica te Utrecht. Tijdstip: 17.00 – 19:30. U kunt zich hier aanmelden.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Spreekuurondersteuner Huisartsenzorg brengt rust tijdens piekmomenten

Mensen die met relatief kleine (spoed)klachten binnenlopen bij de huisartsenpost kunnen de tijdsdruk behoorlijk doen toenemen. Voor Leerpunt KOEL in Zwijndrecht aanleiding om doktersassistenten op te leiden tot Spreekuurondersteuner Huisartsenzorg (SOH), waarbij ze de anamnese leren afnemen, onderzoek doen en vijftien veelvoorkomende kleine letsels zelfstandig leren behandelen. Dit geeft verlichting voor de huisarts tijdens piekmomenten in het spreekuur en een aantrekkelijke functieverbetering voor de doktersassistent.

Bij de huisartsenpost (hap) en tijdens het spreekuur in de huisartsenpraktijk kunnen onaangekondigde ‘binnenlopers’ met relatief klein letsel het spreekuur behoorlijk onder druk zetten. Dit moest toch beter kunnen, vonden in 2010 de huisartsenposten in Vlaardingen en Rijnmond. Daarop ontstond het idee om doktersassistenten en triagisten te leren om zelfstandig een anamnese af te nemen en vijftien veelvoorkomende kleine klachten te leren behandelen. De opleiding tot Spreekuurondersteuner Huisartsenzorg (SOH) was daarmee een feit.

“Natuurlijk heb je wel solide theoretische- en basiskennis nodig”, vertelt Geert van Dijk, huisarts en adviseur bij Leerpunt KOEL en betrokken bij de opleiding. “Daarom hebben we een protocollenhandboek voor doktersassistenten gemaakt, samen met vijf huisartsen van KOEL en inmiddels ook met onze samenwerkingspartner DOKh uit Alkmaar.”

Het handboek is gebaseerd op NHG-Standaarden en andere protocollen, zoals het brandwondenprotocol van CBO. Het biedt afgebakende taakomschrijvingen en geeft antwoord op belangrijke vragen. Het beschrijft welk onderzoek de SOH dient te doen, mogelijke valkuilen, welke instructies er meegegeven moeten worden en in welke situaties overleg met de huisarts noodzakelijk is. Kinderen onder de twaalf jaar mogen niet door de SOH behandeld worden en in situaties van twijfel overlegt de SOH altijd met de huisarts. De huisarts moet de behandeling door de SOH structureel binnen een uur autoriseren. Zo behoudt de huisarts altijd de controle.

De SOH in de praktijk

Sinds 2011 zijn er 365 SOH’s opgeleid, twaalf daarvan werken bij de hap in Doetinchem. Een van hen is Emmy Barink. Zij vertelt: “Per weekend zijn er vier SOH-diensten, dus gemiddeld werk je één keer in de drie weken een weekend als SOH. Ik kijk welke mensen op de hap in het spreekuur van de huisarts zijn ingepland met klachten die ik mag behandelen, zoals een wond aan de teen of sinusitis. Die haal ik uit het spreekuur van de huisarts. Voor deze klachten maakt het niet uit of de patiënt een uur of twintig minuten moet wachten, maar voor de patiënt zelf natuurlijk wel! Het is dus service. En tegelijkertijd verminderen we voor huisartsen de druk tijdens piekmomenten, zodat zij zich kunnen focussen op complexere letsels en klachten.”

Auteur: Betty van Wijngaarden

Download het volledige artikel hier:

Een generieke ziektelastmeter voor alle chronische patiënten

Leuk dat geëxperimenteer met individuele zorgplannen. Maar de echte stap voorwaarts in de zorg aan chronische patiënten zal pas worden gemaakt als de generieke ziektelastmeter er ligt. “Over vier jaar werkt elke huisarts daarmee”, stelt gepensioneerd kaderhuisarts COPD Philippe Salomé.

Er is nog altijd geen bewijs dat het werken met individuele zorgplannen (IZP’s) meerwaarde heeft. Dat is één van de conclusies van het recente NIVEL-rapport ‘Het gebruik van individuele zorgplannen in de zorg voor mensen met een chronische ziekte’. “Voor de COPD-ziektelastmeter, die de afgelopen jaren door onderzoekster Annerika Slok in Maastricht is onderzocht, lijkt wel een meerwaarde te bestaan”, steekt de recentelijk gepensioneerde huisarts Philippe Salomé van wal. “Het onderzoek is afgerond en de resultaten zien er heel goed uit. Er is aangetoond dat de kwaliteit van leven bij de patiënten in de experimentele groep significant beter is. De kwaliteit van de zorg werd ook als beter ervaren. Meer in algemene zin waren zowel zorgverleners als zorggebruikers enthousiast over dit middel dat de daadwerkelijke ziektelast bij mensen met COPD in kaart brengt.”

Grafiek met ballonnen

De COPD-ziektelastmeter is mede gebaseerd op de gevalideerde COPD Clinical Questionnaire. “Patiënten vullen de vragenlijst in en geven daarbij aan welke klachten zij ervaren en hoeveel ze bewegen. De praktijkondersteuner voegt toe of de patiënt rookt, overgewicht heeft, wat de longfunctie is en hoe vaak er exacerbaties zijn. Dit alles verwerkt de ziektelastmeter in een grafiek met ballonnen. Groene ballonnen die ver van de X-as staan, betekenen dat het op die punten redelijk goed gaat. Lage rode ballonnen geven aan dat de patiënt daar dringend aan zou moeten werken. Juist door dit visuele aspect is het voor zorgverleners makkelijker om concreet over leefstijlverandering te praten, gezamenlijk met de patiënt een individueel zorgplan op te stellen en daarin persoonlijke streefdoelen op te nemen.” Het komt er volgens Philippe Salomé nu op aan de COPD-ziektelastmeter breed geïmplementeerd te krijgen.

Auteur: Elwin Lammers

Download het volledige artikel hier:

Samenwerken begint bij samen opleiden

Door de toenemende complexiteit van de zorgvraag, veranderingen in de organisatie van de zorg en de groeiende behoefte aan gezamenlijke besluitvorming door zorgverleners en patiënten, wordt samenwerken steeds belangrijker in de zorg. En ingewikkelder. Om hier als professionals op een goede manier invulling aan te kunnen geven, moet er tijdens de opleiding al aandacht zijn voor goed samenwerken. Tussen disciplines en over lijnen heen.

Veranderingen in de zorg maken dat de zorgbehoefte steeds complexer wordt. Om kwalitatief goede, geïntegreerde en persoonsgerichte zorg te geven, is samenwerking tussen professionals meer dan ooit van groot belang. Die noodzaak wordt versterkt doordat het beeld van de arts-patiënt relatie verandert, waarbij er meer behoefte is aan gezamenlijke besluitvorming. Tegelijkertijd wordt in het nieuwe zorgstelsel een omslag van aanbod- naar vraaggestuurde zorg beoogd. Deze ontwikkelingen vragen om meer samenwerking met patiënten en tussen professionals. In die samenwerking is het essentieel om met en van elkaar te leren en zodoende samen kwalitatief goede zorg te bieden. Om dit zogenaamde ‘interprofessioneel werken’ goed in de vingers te krijgen, moet er al in de opleiding aandacht voor zijn.

Hackathon

Binnen verschillende opleidingen en in diverse academische centra zijn er initiatieven op het gebied van interprofessioneel leren werken. Recent is in dat kader een bijzonder project georganiseerd voor dertien studenten van verschillende (para)medische (vervolg)opleidingen, namelijk een hackathon. Hierbij wordt in een ‘marathonsessie’ van 48 uur een probleem ‘gehackt’. De hackathon was een side event van de European conference on Interprofessional Practice and Education (EIPEN) over interprofessioneel werken en opleiden, dat in 2015 in Nijmegen plaatsvond. Na een workshop over persoonlijkheidstypes zochten de studenten een oplossing voor de problematische ervaringen in de zorg die een mantelzorger met hen deelde. De oplossing presenteerden zij bij de afsluiting van het EIPEN congres. Daarvoor hadden zij twee dagen, vol met onderwijs, discussie en creativiteit.

‘Door frequent en vanaf het begin van (vervolg)opleidingen te starten met interprofessioneel leren, gaan zorgprofessionals elkaars taal begrijpen en verbetert het samenwerkingsproces. De focus komt hierdoor meer te liggen op de rol die je als professional in de interprofessionele samenwerking hebt. Dat is nodig voor een integrale benadering van de patiënt’, oordeelden de studenten na afloop.

Auteur: Sandra Aengevaeren/Marloes Heutmekers/Lia Fluit/Nynke Scherpbier-de Haan

Download het volledige artikel hier:

Hindernissen op de weg naar digitale zorg

Waarom komen digitale zorgvormen als eHealth en blended care in ons land eerder mondjesmaat dan massaal van de grond? Omdat de zorgsector gefragmenteerd is, productie boven gezondheidswinst wordt gesteld en een allesomvattende ICT-infrastructuur ontbreekt.

Dat zijn na bijna twee jaar belangrijke conclusies van ‘De zorg ontzorgd met ICT’. Dit is een van de negen zogeheten Doorbraakprojecten die de Nederlandse overheid heeft opgezet om de digitalisering van de Nederlandse economie en maatschappij te versnellen. Dik Hermans werd twee jaar geleden door de ministeries van Economische Zaken en VWS verzocht aanjager te zijn van het project dat zich focust op de gezondheidszorg. Hij is eveneens bestuurder van VitaValley, een netwerkorganisatie van vijftig partijen die streeft naar implementatie van zorginnovaties.

Drie doelen

Hermans: “Het Doorbraakproject voor de zorg is sterk geïnspireerd door het eHealth-beleid dat minister Schippers en staatssecretaris Van Rijn in 2014 presenteerden aan de Tweede Kamer. Daarin staan drie doelen centraal, die binnen vijf jaar moeten worden gerealiseerd. Eén: tachtig procent van de chronisch zieken moet via de elektronische snelweg kunnen beschikken over zijn medische gegevens. Twee: tachtig procent van de chronisch zieken moet zijn eigen gezondheidstoestand digitaal kunnen monitoren en daarover ook digitaal communiceren met zijn arts. Drie: iedereen moet kunnen beeldbellen met zijn zorgverlener.”

‘De zorg ontzorgd met ICT’ loopt door tot in de herfst, maar in mei werd een tussentijdse balans opgemaakt. Hermans: “Onderdeel van het programma is dat succesvolle initiatieven een financieel zetje krijgen om te kunnen worden opgeschaald. Dat is naar tevredenheid gebeurd met OZOverbindzorg, PAZIO en Livind Leefstijlmonitoring.”

Barrières

De succesvolle initiatieven ten spijt, moet Hermans constateren dat er méér nodig is om te spreken van een ICT-doorbraak in de zorg. “We vragen ons af waarom het over het algemeen moeilijk is ICT te implementeren in de zorg. In samenwerking met de twee departementen en ZonMw zijn we gekomen tot een lijst van barrières.” Hermans noemt de drie belangrijkste. “Ten eerste fragmentatie. De zorgsector is ingewikkeld en gelaagd, er zijn compartimenten op het vlak van beleid, regelgeving, financiering en uitvoering. Die situatie bemoeilijkt investeren in innovatie.” De oplossing zoekt Hermans in netwerkorganisaties, in bundeling van capaciteiten, expertises en perspectieven.

Drempel twee is de financiering. “We betalen we niet voor gezondheidswinst, maar voor productie. Dat remt innovatie en kwaliteitsverbetering”, aldus Hermans. “Er zouden incentives en nieuwe financieringsvormen moeten worden gecreëerd om gezondheidswinst te boeken.” De derde belangrijke hindernis is de afwezigheid van een alomvattende ICT-infrastructuur. Netwerkorganisatie VitaValley heeft samen met een aantal zorgregio’s een aanvraag gedaan om te experimenteren in een field lab.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier: