Berichten

Pilot onderzoekt succesvoorwaarden thuismeten bloeddruk

Patiënten met stabiele laagcomplexe CVRM komen gemiddeld vier keer per jaar op consult, in hoofdzaak om hun bloeddruk te laten meten. Is dat nou zinvol?, vroegen zorgverleners van Gezondheidscentrum Dillenburg in Alphen aan den Rijn zich af. Binnen de proeftuin Gezonde zorg, Gezonde regio startten zij een pilot waarbij patiënten hun bloeddruk zelf meten en delen met huisarts en POH.

Thuismeten scheelt tijd en kosten en de zorgverlener kan focussen op patiënten die wél aandacht nodig hebben, is de conclusie uit de succesvolle pilot. Tegelijkertijd maakt het deelnemers meer bewust van hun bloeddruk en gezondheid. Het succes van de pilot is te danken aan het naleven van een aantal voorwaarden, vertellen huisarts Frank den Heijer en projectleider Huib Hoogendijk van Zorgbelang.

Een van die voorwaarden is draagvlak, zowel bij zorgverleners als bij patiënten. Een tweede voorwaarde is dat de groep deelnemers voldoet aan drie criteria: medisch laagcomplex, digitaal vaardig en sociaal stabiel. De huisartsenpraktijk heeft iets meer dan zevenhonderd CVRM-patiënten. Ongeveer driehonderd voldeden aan de criteria. Die werden in september uitgenodigd voor twee informatieavonden. “We wilden minimaal zestig deelnemers hebben”, legt Huib Hoogendijk uit. “Dan heb je een relevante grootte, zodat je je processen echt moet reorganiseren. Na de informatieavonden wisten we dat het raak was. We kregen honderd aanmeldingen.”

Snelle communicatie

Het programma E-vita zorgt ervoor dat de thuismetingen op de goede manier in het keteninformatiesysteem en huisartsinformatiesysteem terechtkomen en dat patiënten en zorgverleners kunnen communiceren via een portaal. Daarom werd geselecteerd op digitale vaardigheid. Technologie is belangrijk, maar niet doorslaggevend. Het draait vooral om snelle communicatie, betogen Hoogendijk en Den Heijer. “Als patiënten hun metingen en eventuele vragen insturen en het duurt lang voordat er antwoord komt, dan zijn ze binnen no-time afgehaakt”, zegt Frank den Heijer. “Dus moet je iemand vrijmaken die dagelijks metingen en andere meldingen bekijkt en ingaat op vragen van patiënten. Dat is best een investering, maar die betaalt zich op lange termijn uit in tijdwinst.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Blue zones inspiratiebron voor behandeling dementie

Een betere levenskwaliteit voor mensen met dementie? Zorgverleners in de eerste lijn kunnen zich laten inspireren door de kenmerken van de vijf zogeheten ‘blue zones’. Dit zijn gebieden waar mensen gemiddeld een hogere leeftijd bereiken en ook langer verschoond blijven van gezondheidsproblemen dan in de rest van de wereld.

“Wie de zorg heeft over iemand met dementie, moet kwaliteit van leven plaatsen op plek één, twee en drie.” Dat zegt ouderenpsycholoog Frans Hoogeveen. Hij heeft zelf met mensen met dementie te maken bij Florence, een Haagse organisatie die zowel intramurale zorg als thuiszorg levert. Tijdens zijn periode als lector Psychogeriatrie aan de Haagse Hogeschool, tussen 2009 en 2017, boog Hoogeveen zich over verbetering van levenskwaliteit bij dementie. Hij is ervan overtuigd dat hierbij lessen zijn te trekken uit de blauwe zones. “Aan dementie liggen verschillende factoren ten grondslag”, legt hij uit. “Stel, jij hebt erfelijke aanleg voor dementie op oudere leeftijd, dan kan je het moment met de juiste levensstijl misschien een aantal jaren uitstellen. De blauwe zones bieden een recept voor een hoge levensverwachting en meer gezonde jaren. We kunnen hiermee ons voordeel doen, ook op het vlak van dementie.”

Wijs

Uit zijn onderzoek kwam naar voren dat mensen met dementie dezelfde zaken belangrijk vinden als mensen zonder dementie: relaties met naasten, zingeving en eigen regievoering. “In al deze factoren wordt voorzien in de blauwe zones”, vertelt Hoogeveen. Naast gezond – veelal plantaardig – eten en bewegen, is zingeving een belangrijke component van het leven in de blauwe zones. Ouderen worden niet vergeetachtig, maar wijs gevonden. En ze blijven aan het werk. Maar het meest interessant vindt Hoogeveen de sociale factor. “Als je de mensen bij je houdt die je dierbaar zijn, met wie je zaken onderneemt en die jou steunen, blijkt dat levensverlengend te zijn en de gezondheid te bevorderen.”

De hele mens

Hoe kunnen we succesfactoren uit de blauwe zones vertalen naar de eerstelijnszorg? “Kijk naar de héle mens. Denk bij de behandeling van dementie niet alleen aan de medische kant, maar ook aan het psychische verhaal en de gevolgen voor iemands sociale leven. Verdiep je in vragen als: hoe was deze persoon voor zijn ziekte, waar was hij goed in, wat bepaalde zijn identiteit? Op basis daarvan kan worden geprobeerd iemand weer in zijn kracht te zetten, wat aansluit bij de factor zingeving.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Opmaat naar samenhangende zorg in de regio

Een jaar geleden zijn afspraken gemaakt over de financiering van Organisatie & Infrastructuur (O&I). Zorgorganisaties en zorgverzekeraars zijn met elkaar in gesprek om daar voor 2019 invulling aan te geven. Hoe staat het ervoor in het land en hoe krijgt de regionalisering vorm? De Eerstelijns deed een belrondje.

De Zeeuwse Huisartsen Coöperatie (ZHCo) is de samenwerkingsorganisatie van huisartsen in De Bevelanden, Schouwen-Duiveland en Walcheren. De meeste aangesloten huisartsen zijn ook lid van PeriScaldes, dat de ketenzorg organiseert. “We zijn bezig met een fusietraject dat in 2019 zijn beslag zal krijgen”, vertelt Ruud Münstermann, directeur van ZHCo. Hij kijkt ernaar uit: “Vanuit die grotere organisatie kunnen we ons beter naar buiten profileren. Bovendien is het handig dat er straks één telefoonnummer is voor iedereen die iets met de huisartsen boven de Westerschelde wil regelen. En dan zijn er nog schaalvoordelen: we kunnen ons efficiënter organiseren, zodat we toe kunnen met de bestaande middelen. Niet met minder, dat zou een verkeerde beweging zijn.”

Elkaar iets gunnen

Vanuit de ROS Raedelijn houdt strategisch adviseur Marian Kesler zich onder meer bezig met ‘populatiegericht werken’. GezondVeluwe is daar een goed voorbeeld van. Zorgaanbieders, gemeenten, zorgverzekeraars en cliëntenorganisaties werken in Noordwest-Veluwe en Zeewolde samen aan betere zorg. Raedelijn vormt het programmateam. “Ik merk dat er in het veld veel beweging is richting regionalisering en O&I. Voor ons is O&I een middel om regionale samenwerking vorm te geven. Het gaat erom dat partijen over echelons en domeinen heen kijken vanuit het perspectief van inwoner en patiënt en vanuit die waarde de netwerkorganisatie vormgeven.”

Raamwerk

In het Netwerk Zorgorganisaties Leiden en Omstreken (NZLO) werken sinds eind 2016 vijf zorggroepen samen: de Regionale Organisatie van Huisartsen West Nederland, RijnCoepel, Zorggroep Katwijk en Alphen op één lijn en de Samenwerkende GEZ-en Leiden en Omstreken. “Daarmee zijn we prachtig voorgesorteerd op O&I”, zegt voorzitter Henri van der Lugt. Er is een kernteam O&I opgericht, waarin alle zorggroepen vertegenwoordigd zijn en dat het mandaat heeft van de achterban. Het kernteam zet de lijnen uit en gaat in gesprek met vertegenwoordigers van één zorgverzekeraar, namelijk Zorg & Zekerheid. “Zo houden we het werkbaar en overzichtelijk. We hopen voor 15 juli een raamwerk voor de regio te hebben. Op basis daarvan kunnen we op wijkniveau afspraken maken.”

Gemandateerde regio-organisatie

HZD (Huisartsenzorg Drenthe) organiseert ketenzorg, scholingen, ICT- en praktijkondersteuning en bevordert de kwaliteit van de huisartsenzorg in de provincie. Stefan Meinema, directeur bedrijfsvoering, prijst zich gelukkig dat de organisatie van de eerstelijnszorg in het door Duitsland begrensde, rurale gebied vrij overzichtelijk is. “Dat maakt de O&I-discussie makkelijker. Wij hebben te maken met Zilveren Kruis, die kiest voor een regionale aanpak en verlangt een bepaalde schaalgrootte. Zilveren Kruis lijkt iets meer afstand te nemen van de zorginhoud en richt zich meer op de regio, waardoor de regie over de zorginhoud bij de zorgpartijen komt. Dat schept kansen. Onze huisartsen zijn betrokken in het verhaal van Zilveren Kruis en nu is het zaak dat wij samen met de stakeholders een heel goed regioplan in elkaar gaan zetten.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Regierol voor ROAZ in regionale samenwerking acute zorg

In het hele land neemt de druk op de acute zorg toe. Er zijn veel initiatieven om dit te beteugelen – en op sommige plekken stabiliseert de druk inderdaad – maar het blijft een taai probleem. Dat ligt aan de instroom, doorstroom én uitstroom van de acute zorg. Ketenoptimalisatie is dus noodzakelijk. De acute zorg in Nederland is verdeeld in elf regio’s met elk een overkoepelend overleg: het ROAZ (Regionaal Overleg Acute Zorg). Minister Bruno Bruins van Medische Zaken wil dat de ROAZ’en meer de ‘lead’ nemen in de acute zorgketen. Maar hoe moeten ze die rol invullen?

“Meer deelnemers en betere besluitvorming”, zegt Bas Leerink. Hij is voorzitter van de raad van bestuur van ziekenhuis Medisch Spectrum Twente (MST), bestuurder bij ROAZ Acute Zorg Euregio en lid van het dagelijks bestuur van het LNAZ (Landelijk Netwerk Acute Zorg), de overkoepelende organisatie van de elf ROAZ’en. De taken van een ROAZ vloeien voort uit de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi), die wordt vervangen door de Wet Toelating Zorgaanbieders (WTZa). Dus is ook het overleg in de acute zorg toe aan herijking. “Het belang van regie wordt steeds groter”, zegt Leerink. “Daarom is het zaak om nog veel meer partijen in het ROAZ te betrekken. Ik denk vooral aan vertegenwoordigers van organisaties in de ouderenzorg.”

De extramuralisering van de zorg heeft de afgelopen jaren voor dertig procent meer spoedopnames onder ouderen gezorgd, zo blijkt uit onderzoek, en er zijn geen tekenen dat de stroom gaat afnemen. Een belangrijk punt is het organiseren van vervolgzorg, bijvoorbeeld door bedden in een eerstelijnsverblijf of door de inzet van wijkverpleegkundigen of transferverpleegkundigen die zorgen dat ouderen na een bezoek aan de SEH of HAP de juiste zorg thuis krijgen.

Investering

Daarnaast pleit Bas Leerink ervoor om in sommige gevallen verloskundigen en apotheken te betrekken in het ROAZ. Maar levert zo’n breed spectrum aan disciplines niet een onwerkbaar overleg op? “Daarom moeten we het verdelen in domeinen van acute zorg”, zegt Leerink. “Denk aan thema’s als beroerte, hartfalen, GGZ of verloskunde. Dan komen expertteams samen die zijn toegespitst op zo’n domein.” Binnen het ROAZ wordt al veel met zulke groepen gewerkt. De eerste lijn wordt daar nauw bij betrokken, vertelt Leerink. “Huisartsen moeten nadenken hoe ze zich laten vertegenwoordigen in een ROAZ. Dat verschilt per regio. Soms is het een directeur of medisch directeur van een HAP. Soms is het iemand uit een huisartsenkring. Regionale samenwerking vraagt investeringen, maar het levert veel op.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

DOAC’s veranderen trombosezorg

De trombosezorg is met de komst van directe orale anticoagulantia (DOAC”s) als alternatief voor vitamine K antagonisten (cumarinederivaten) ingrijpend veranderd. De patiënt is hierdoor niet meer afhankelijk van de Trombosedienst, maar kan gewoon naar de huisarts. Dit blijft niet zonder gevolgen, stelt dr. Geert-Jan Geersing, huisarts in huisartsenpraktijk Buitenhof en assistant professor bij Julius Centrum.

Cumarinederivaten zijn ontdekt in de jaren veertig van de vorige eeuw toen koeien na het eten van bedorven klaver (rijk aan cumarinederivaten) massaal overleden aan inwendige bloedingen. Hiermee is meteen duidelijk waarom trombosepatiënten die ze gebruiken afhankelijk zijn van de Trombosedienst om goed ingesteld te worden en te blijven. “En dat luistert nauwkeurig”, zegt Geersing, “want cumarinederivaten remmen het vitamine K-metabolisme en hoeveel je ervan nodig hebt, hangt onder andere af van de hoeveelheid vitamine K die je via je voeding binnen krijgt. De benodigde dosering kan dan ook van dag tot dag verschillen.” Het betekent dus nogal wat dat zowel cardiologen als internisten in hun richtlijnen hebben opgenomen dat DOAC’s de voorkeur hebben boven vitamine K antagonisten. Geersing: “DOAC’s remmen heel gericht de werking van één specifiek stollingseiwit. De werking ervan is daarmee veel voorspelbaarder, waarmee de noodzakelijkheid van zorgvuldig titreren wegvalt. Alleen de leeftijd, nierfunctie en het gewicht van de patiënt spelen een rol in de dosering.”

Belangrijke voordelen

Dit betekent dat trombosepatiënten die gebruik kunnen maken van DOAC’s niet meer naar de Trombosedienst hoeven, maar gewoon naar hun eigen huisarts kunnen. Toch hebben huisartsen hierop aanvankelijk terughoudend gereageerd. “Terwijl de cardiologen en internisten dus al hun voorkeur voor DOAC’s boven vitamine K antagonisten uitspraken”, zegt Geersing. “Het belangrijkste argument daarvoor is dat DOAC’s net zo effectief zijn als vitamine K antagonisten, terwijl het risico op een hersenbloeding met vijftig procent te reduceren is. Met een half tot één procent van de patiënten een zeldzame complicatie weliswaar, maar we hebben het wel over 300.000 trombosepatiënten op jaarbasis. Ook de overall mortaliteit is bij DOAC’s lager dan bij vitamine K antagonisten. Maag- en darmbloedingen komen daarentegen juist twintig tot dertig procent vaker voor bij DOAC’s. En onduidelijk is nog of de voordelen van DOAC’s ook gelden bij kwetsbare ouderen. Vanuit het Julius Centrum hebben we hiernaar een onderzoek opgezet.” (zie www.noaconderzoek.nl, red.) Inmiddels beginnen huisartsen wel steeds vaker DOAC’s voor te schrijven.

Kennisdeling

De uitdaging voor nu is kennisdeling, stelt Geersing. Hij legt uit: “Omdat zo’n grote rol was weggelegd voor de Trombosedienst, heeft de trombosezorg zich grotendeels buiten ons blikveld ontwikkeld. Nu gaan we daar wel een grote rol in spelen en dit vraagt om aandacht voor het onderwerp in FTO’s en nascholingen. Gelukkig zien we dat die op gang begint te komen. Dat is nodig, want ook al betekent de komst van DOAC’s een enorme vooruitgang, het blijven toch bloedverdunners. We weten uit de HARM-studie naar geneesmiddel gerelateerde ziekenhuisopnamen dat die tot de meest gevaarlijke geneesmiddelen behoren.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Eerstelijnsakkoord of chaos?

In het Regeerakkoord staat dat er hoofdlijnenakkoorden komen, in de Tweede Kamer is een hoorzitting geweest, er zijn al meerdere bestuurlijke en kantoorloverleggen geweest. Desondanks is nog steeds niet zeker dat er een eerstelijnsakkoord komt. Wat is het probleem?

In 2013 en 2017 zijn hoofdlijnakkoorden gesloten met de eerste lijn. Mooie woorden, veel ambities, financiële kaders, maar deze zijn – op enkele aspecten na – niet gerealiseerd. Sommige zorgverzekeraars hebben zich gedistantieerd van de afspraken die door Zorgverzekeraars Nederland zijn gemaakt. Zij hebben op basis van eigen zorginkoopbeleid regionale contracten gesloten met zorggroepen, gezondheidscentra en huisartsenposten.

Geen onderhandelkracht

Kennelijk hebben zorgverzekeraars geen landelijke akkoorden nodig om te contracteren. Daaruit blijkt dat de onderhandelkracht van eerstelijnspartijen laag is. Dat wordt bevestigd door de (forse) jaarlijkse onderschrijding van het macrobudget in de periode 2014-2017. En door het feit dat – los van enkele best practices – veel organisaties zijn geconfronteerd met niet indexeren, inclusieplafonds, doorbehandelplicht, inzetten van weerstandsvermogen voor structurele zorguitgaven en een lagere vergoeding aan onderaannemers. Kortom; de eerstelijnszorg is niet sterk in onderhandelen en zorgverzekeraars weten dat. Daarom is een nieuw hoofdlijnenakkoord voor hen niet nodig. Echter, de werkdruk en weerstand van professionals in de eerstelijnszorg nemen toe en daarmee de kans op serieuze conflicten.

Onvoorstelbaar

Eigenlijk is het niet voorstelbaar dat er geen akkoord komt. Immers, het akkoord voor medisch-specialistische zorg staat bol van verwijzingen naar de eerste lijn. Het gaat over meer samenhang op gebied van ICT, substitutie, informatie-uitwisseling, afstemming tussen het medisch- en sociaal domein en – als apotheose – een domeinoverstijgend onderzoek van VWS naar de realisatie van de transformatie. De regering heeft hier vol op ingezet. Er is in diverse sectoren een set van afspraken en akkoorden in de maak. Het rapport van de taskforce Zorg op de Juiste plek wordt breed omarmd en biedt een transformatieperspectief. Dat zal toch prevaleren boven individueel inkoopbeleid van zorgverzekeraars?!

Tot slot

De besturen van LHV en InEen zullen in een ledenraadpleging eind mei/begin juni een mogelijk akkoord voorleggen. Huisartsen(prakijken) moeten in georganiseerd verband steeds meer gaan doen. Zonder landelijke kaders komt dit proces niet van de grond. De eerstelijnszorg zal haar verantwoordelijkheid nemen en geen vrijblijvende afspraken maken zonder trekkingsrechten op macrobudgetten, maar wel met terechte claims. De zomer met gegarandeerde continuïteitsproblemen voor kwetsbare groepen staat voor de deur: gaan de zorgverzekeraars en eerstelijnszorg er samen voor of wordt het chaos?

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Parnassia Groep portaal draagt bij aan transparantie in de GGZ

Begin 2017 lanceerde GGZ-aanbieder Parnassia Groep in samenwerking met softwareontwikkelaar Calculus een revolutionair online platform, het ‘Parnassia Groep portaal’, direct vanuit het huisartsinformatiesysteem (HIS). Via dit platform hebben huisartsen onder andere direct inzage in de status van hun patiënt wanneer deze in behandeling is bij een van de onderdelen van Parnassia Groep. Het streven is om de transparantie binnen de GGZ te vergroten.

Jordaan, bestuurder van Indigo (Parnassia Groep), begeleidde de ontwikkeling van het portaal. “Parnassia Groep biedt jaarlijks aan 150.000 patiënten geestelijke gezondheidszorg. Ruim vijfentachtig procent daarvan wordt verwezen via de huisartsen. De huisarts is voor de patiënt en voor ons een belangrijke partner. Wij zijn er om patiënten die zorg nodig hebben zo vroeg en zo licht mogelijk te behandelen. Dat betekent preventie en online zelfhulp voor de patiënt, begeleiding door POH-GGZ of generalistische behandeling door GZ-psycholoog in de basis-GGZ als het kan en meer specialistische zorg als meer nodig is. Goede samenwerking tussen huisartsenzorg en specialist helpt dat te overbruggen. We moeten elkaar in de zorgketen meer opzoeken. Transparantie is daarbij essentieel.”

Directe koppeling HIS

Het ontwikkelen van het portaal was een secuur werk. Jordaan: “We ontwikkelden eerst een bèta versie. Een tweede versie ontwikkelden we samen met softwareontwikkelaar Calculus, bekend van VIPLive. Het voordeel daarvan is dat vrijwel alle huisartsen VIPLive al kennen en er al een directe koppeling met hun HIS is. Ons portaal biedt niet alleen de mogelijkheid tot inzage in de status van een behandeling, maar huisartsen kunnen een psychiater of GZ-psycholoog ook online consulteren of een patiënt direct digitaal verwijzen. Sinds april 2018 kunnen huisartsen bovendien hun patiënten aanmelden voor een online zelfhulpmodule en een preventiecursus.”

Patiënt leidend

Het delen van informatie gebeurt veilig en met inachtneming van de privacywetgeving. “De patiënt is leidend”, zegt Jordaan beslist. “Wanneer de patiënt niet wil, wordt de informatie niet inzichtelijk voor de huisarts.” Huisarts Barbara de Doelder gebruikt het portaal vanaf het begin. “Boven alles is het een prijzenswaardige poging om de GGZ en de huisarts meer bij elkaar te brengen”, zegt ze. “Dat is ook hard nodig. Een landelijk onderzoek in het tijdschrift De Dokter eind vorig jaar wees uit dat contact met GGZ-instellingen door een wezenlijk deel van de ondervraagde huisartsen in Nederland als problematisch wordt ervaren. Parnassia Groep doet daar wat aan.”

Auteur: Ludo de Boo

Download het volledige artikel hier:

Waardegedreven zorg: van hype naar hoop

Value-based healthcare (VBHC) en Triple Aim zijn dé buzz-woorden in de Nederlandse gezondheidszorg. Maar wat ligt nu eigenlijk ten grondslag aan deze hypes? En met welk concept moet je als zorggroep, gezondheidscentrum of huisartsenpost aan de slag gaan? Lees in dit artikel de theoretische uitgangspunten van VBHC en Triple Aim én welk concept het beste toepasbaar is in de eerstelijnszorg.

Toekomstige businessmodellen in de zorg zullen zich steeds meer richten op meervoudige waardecreatie, waarin economische, klinische en psychosociale waarden met elkaar in evenwicht zijn. Dus geen nadruk op enkel kosten besparen of bovenmatige aandacht voor ervaringsverhalen, maar een evenwicht waarin het draait om het realiseren van de beste zorg en gezondheid voor de patiënt, tegen de laagst mogelijke kosten. Hiervoor is een netwerk van organisaties nodig. In Nederland spreken we in dit verband meestal van waardegedreven zorg. Value-based healthcare (VBHC) en Triple Aim zijn uit de Verenigde Staten komen overwaaien en worden vaak in één adem genoemd onder de noemer waardegedreven zorg. Zowel VBHC als Triple Aim gaan over waarde toevoegen, maar beide met een compleet andere focus.

Value-based healthcare

In het boek ‘Redefining Health Care’ beschrijft managementexpert Micheal Porter dat VBHC gaat over het realiseren van de beste uitkomst voor de patiënt tegen de laagst mogelijke zorgkosten. Porter geeft aan dat het zorgpad van een patiënt als uitgangspunt genomen moet worden, zodat de toegevoegde waarde van de verschillende disciplines kan worden bepaald. Het concept van VBHC is eigenlijk een uitgewerkte kosteneffectiviteitsmethode uit de gezondheidseconomie. Het vernieuwende wat Porter naar voren brengt is een implementatiemodel om de kloof te overbruggen van een volume gestuurd naar een waarde gestuurd gezondheidszorgsysteem. Het VBHC-implementatiemodel model bestaat uit zes onderling samenhangende bouwstenen.

Triple Aim

De Triple Aim aanpak gaat een stap verder dan VBHC en stelt dat een populatieaanpak en multi-stakeholder samenwerking nodig zijn om waarde te creëren. Donald Berwick beschrijft dat de Triple Aim draait om een drieledige doelstelling die gelijktijdig moet worden nagestreefd. Ten eerste het verbeteren van de ervaren kwaliteit van zorg. Als tweede draait het om het verbeteren van de gezondheid van een populatie. Het derde doel is het verlagen van de zorgkosten. De organisatie van zorg is gericht op het hele netwerk van preventie, zorg en welzijn en richt zich op de behoefte en zorgvraag van een specifieke (deel)populatie. Het doel van deze integrale samenwerking is een optimale uitkomst te behalen op het gebied van kwaliteit, gezondheid en kosten (Triple Aim).

In Nederland worden beide concepten toegepast. Hoe verloopt dat en welke past het beste bij de eerstelijnszorg? Valentijn en De Wildt geven in dit artikel antwoord op deze vragen.

Auteur: Pim Valentijn, Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Alle huisartsendossiers ontsloten in 2020

Vanaf 2020 zijn alle huisartsenpraktijken en hun ICT-leveranciers in staat om digitaal informatie uit te wisselen met patiënten. Dat is de doelstelling van OPEN (Ontsluiten Patiëntgegevens uit de Eerstelijnszorg in Nederland). Met dit programma willen InEen, LHV en NHG huisartsen en huisartsenorganisaties ondersteunen en ontzorgen bij het voldoen aan hun wettelijke én maatschappelijke verplichting. Kwartiermaker Bart Brandenburg en InEen-bestuurslid Maarten Klomp vertellen hoe.

Bart Brandenburg startte zijn loopbaan als huisarts en ontwikkelde zich tot een voortrekker in innovatie en eHealth. Maarten Klomp is praktiserend huisarts en oud-zorggroepbestuurder en vertegenwoordigt InEen onder meer in het Informatieberaad Zorg. Twee door de wol geverfde heren dus, met een visie op de inzet van eHealth in de huisartsenpraktijk en kennis van de weerbarstige praktijk.

“Informatie-uitwisseling met patiënten is noodzakelijk als je wilt dat patiënten meer verantwoordelijkheid kunnen nemen voor hun gezondheid”, legt Klomp uit. “Daarvoor moeten ze het huisartsdossier kunnen inzien, contact met ons kunnen maken en hun eigen data kunnen samenvoegen met de data die wij in onze huisartsensystemen over hen hebben. Daarbij komt nog dat digitale inzage van patiënten in hun dossier vanaf 2020 verplicht is. Met OPEN willen we huisartsen helpen om hier invulling aan te geven.”

OPEN is de evenknie van het VIPP-programma voor ziekenhuizen (Versnellingsprogramma informatie-uitwisseling patiënt en professional). Gefinancierd door VWS worden sectorale afspraken gemaakt en wordt ondersteuning geboden om ervoor te zorgen dat alle Nederlanders digitaal toegang krijgen tot hun medische gegevens. Ook met de GGZ zijn hierover afspraken gemaakt.

Ambitieus

De doelstelling van OPEN is ambitieus: invoering van digitale informatie-uitwisseling bij honderd procent van de Nederlandse huisartsenpraktijken en gebruik daarvan door minimaal veertig procent van de inwoners van Nederland in 2021. Huisartsenpraktijken en ICT-leveranciers zijn al zeker tien jaar bezig met het ontwikkelen van patiëntenportalen en het opschalen van het gebruik daarvan onder patiënten. En hoewel er meer en meer vraag naar lijkt te zijn, neemt de digitale informatie-uitwisseling tussen huisartsenpraktijken en patiënten nog altijd geen enorme vlucht. Waarom zou dat de komende drie jaar wel gebeuren? “Juist omdat er al veel werk gedaan is door leveranciers en huisartsen”, reageert Klomp. “Nieuw is dat ICT-leveranciers van plan zijn tools in te bouwen op basis van landelijke standaarden en dat wij huisartsen gaan helpen om die tools te integreren in de dagelijkse praktijk en het gebruik door patiënten te stimuleren.” OPEN wil ervoor zorgen dat zowel voor leveranciers als voor huisartsen financiering beschikbaar komt om hier invulling aan te geven.

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

“Je kunt niet in de eerste lijn werken zonder geriatrische kennis”

Hoge tevredenheid van ouderen, partners en mantelzorgers, enorme kostenbesparingen, de eerstelijnsouderenzorg van Ester Bertholet, specialist ouderengeneeskunde in Velp, is een voorbeeld voor de rest van het land. De levensvatbaarheid van haar aanpak staat of valt echter bij de wijze van financiering van de eerstelijnsouderenzorg.

In 2011 was Bertholet de eerste specialist ouderengeneeskunde in Nederland die een zelfstandige praktijk Ouderengeneeskunde oprichtte in de eerste lijn. Haar praktijk, gevestigd in Gezondheidscentrum Velp, biedt zorg aan ouderen met complexe en hoog-complexe problematiek die thuis wonen.

MESO-zorg

Multidisciplinaire ouderenzorg met een specialist ouderengeneeskunde, oftewel MESO-zorg, dat is de naam die ze samen met directeur Herma Barnhoorn voor haar werkwijze heeft bedacht. MESO-zorg kent een aantal succesfactoren. Bertholet heeft deze samengevat in veertien kernpunten. “In het gezondheidscentrum zit ik dicht bij de huisartsen”, licht ze er enkele toe. “Ik kan meteen schakelen als zij een patiënt bij me aanmelden. Binnen twee dagen na verwijzing, nemen we contact op met de patiënt. Daarna gaan we altijd op huisbezoek. Je ziet de patiënt dan in zijn eigen setting en weet wie de partner of mantelzorger is. We nemen ook contact op met de verzorgende of wijkverpleegkundige die bij de zorg is betrokken en maken gebruik van het bestaande zorgnetwerk. Tot slot organiseren we een multidisciplinair overleg met alle betrokken zorgverleners. Vervolgens komen we tot een plan van aanpak.”

De MESO-aanpak scoort hoog op Triple Aim: betere gezondheid, beperking van zorgkosten en betere kwaliteit van leven voor de patiënt.

Directe en indirecte zorg

De kostenbesparingen door de MESO-methodiek zijn enorm, stelt Bertholet. Onder meer doordat opnames in het verpleeghuis worden uitgesteld: 745.000 euro voor 56 patiënten. Daarnaast wordt bespaard op polibezoeken bij de ziekenhuisgeriater of andere tweedelijnsspecialisten.

Door de financiering krijgt de MESO-methodiek nog geen brede navolging in het land. “Wij doen dit met gelden van het Innovatiefonds Zorgverzekeraars, dat we samen met Menzis hebben aangevraagd. Dat stopt eind van het jaar, al hoop ik op een jaar overbrugging tot er een betaaltitel is voor de specialist ouderengeneeskunde. Per 2020 komt onze zorg in de Zorgverzekeringswet en valt onze zorg onder de basisverzekering. Aan de bekostiging van die eerstelijnsouderenzorg wordt momenteel hard gewerkt.” Bertholet hoopt op een DBC-bekostiging met plaats voor bekostiging van directe én indirecte zorgverlening. “Als er wordt gekozen voor een DBC waarin alleen de directe zorg bekostigd wordt, kan ik mijn praktijk sluiten. Dan wordt de eerstelijnsouderenzorg onbetaalbaar.”

Auteurs: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier: