Berichten

Zelfservice, zelfzorg en zelfredzaamheid in één patiëntenplatform

Patiënten willen hun eigen gezondheid en leefstijl managen, het liefst digitaal. Dat wordt steeds makkelijker. Een Persoonlijke GezondheidsOmgeving (PGO) biedt de patiënt allerlei mogelijkheden voor digitaal gezondheidsmanagement en contact met zorgverleners. Er gebeurt heel veel moois op dat gebied, maar de toepassingen functioneren te vaak nog los van elkaar. In Mijn GezondheidsPlatform (MGP) van de Promedico Groep komt alles wél bij elkaar. En sinds kort hebben patiënten via een app altijd en overal toegang tot MGP.

“De patiënt wordt onderdeel van het multidisciplinair team door zelf ook acties te ondernemen. MGP maakt de reikwijdte van alles wat daarbinnen mogelijk is veel groter en tegelijkertijd wordt het gebruik veel makkelijker”, zegt Douwe Jippes, MGP-productmanager bij Care2U. Er zijn heel veel verschillende apps, eHealth-functionaliteiten en digitale toepassingen, maar het lijkt allemaal als los zand aan elkaar te hangen, zo constateert Jippes. “Dat is jammer, want het koppelen en integreren van verschillende applicaties biedt patiënten, praktijken en zorggroepen juist een eigen ecosysteem om zelfmanagement te activeren en zo beter grip te krijgen op gezondheid en leefstijl.”

Leefstijl

Hoe ziet dat er concreet uit? “Binnen MGP komen zelfservice, zelfzorg en zelfredzaamheid bij elkaar op één platform”, vat Jippes samen. “Zelfservice omvat de praktische kant en de communicatie met zorgverleners. Denk aan digitaal je dossier inzien als er onderzoeken zijn uitgevoerd, het maken van afspraken of het inplannen van herhaalmedicatie. Bij zelfzorg gaat het bijvoorbeeld om het zelf digitaal bijhouden van meetwaarden als bloeddruk, gewicht of glucose en die delen met een behandelaar. Bij zelfredzaamheid gaat het om het raadplegen van medische informatie, de juiste inname van medicijnen of  doelen en actiepunten formuleren, vastleggen en bijhouden in een individueel zorgplan.”

Functionaliteiten als ‘Mijn Meetwaarden’ of ‘Mijn Plan’ voorzien in de behoeften van de patiënt die Jippes opnoemt. MGP brengt daarin zelfredzaamheid in praktische zin tot realiteit. “Jouw gezondheid begint niet in de spreekkamer van de huisarts”, zegt Douwe Jippes. “Iedereen moet daar 24/7 aan werken. Tegenwoordig wordt veel gesproken over leefstijlgeneeskunde. Dat is veel meer dan een hype of modewoord. We zouden dus eigenlijk niet moeten spreken over patiënten, maar over burgers. Die willen hun gezondheidsprofiel actief managen, ook als het gaat om bijvoorbeeld slaap, voeding of beweging. Daarin gaan wij voorzien.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Online apothekersassistent SARA maakt astma- en COPD-zorg compleet

Hoe zorg je ervoor dat een patiënt de juiste informatie krijgt, zonder dat hij of zij het gevoel heeft overvoerd te worden? Dat is de kernvraag waarop Service Apotheek met het SARA-project een antwoord wil bieden. Sinds vorig jaar loopt er een pilot onder patiënten met astma en COPD. Het merendeel van de doelgroep gebruikt de medicatie niet zoals het bedoeld is. Stapsgewijze informatie – online en offline – moet daar verandering in brengen.

De letters SARA staan voor ‘Service Apotheek Raad en Advies’. “Zie het maar als een online assistent”, zegt Petra Hoogland, apotheker en clinical pharmacist bij Service Apotheek. “We hebben gezien dat informatie bij een patiënt het beste overkomt als er een gezicht bij hoort.” Maar de eHealth-toepassing is niet bedoeld om het apothekersproces te vervangen, de kracht zit ‘m juist in de combinatie van face-to-face informatie, telefonisch contact en online hulp. Of zoals Hoogland zegt: “Een apothekersassistent in je broekzak. Niet als stand-alone, maar als ondersteuning van de huidige flow en met input van de patiënt.”

Zorg op maat

Petra Hoogland legt uit: “Patiënten krijgen bij uitgifte in de apotheek uitleg over hun inhalator en hun medicatie. Na vijftien dagen krijgen ze via de mail zeven korte vragen over hun ervaringen, twijfels of eventuele bijwerkingen. Op basis daarvan kan worden bepaald welk contact er verder nodig is. Soms wordt gevraagd of een patiënt nog eens langskomt in de apotheek, sommige vragen kunnen telefonisch beantwoord worden en soms bieden we digitale ondersteuning. Zo kunnen we zorg op maat bieden.” De online omgeving van SARA biedt mogelijkheid tot contact, maar er staan bijvoorbeeld ook inhalatie-instructiefilmpjes in, informatie over gebruik en bijwerkingen van medicijnen, video’s over astma en COPD of de pollenverwachting voor de komende dagen.

Uit het werken met SARA en de zeven mailvragen blijkt dat ongeveer twintig procent van de patiënten moeite heeft met de inhalatie van corticosteroïden en behoefte heeft aan contact met de apotheker. Het handige van SARA is dat het uitfiltert met welke patiënten meer contact nodig is. Je pikt de juiste patiënten eruit en precies op het juiste moment, zo vindt Boudien Mulder-Galama, farmaceutisch consulent bij Service Apotheek Sasburg.

Patiënten reageren positief op het project, vertelt Petra Hoogland. “De pilot is begin 2017 begonnen. Toen deden dertig apotheken mee. Sinds april 2018 werken vierhonderd Service Apotheken met SARA. Nu zijn er achtduizend patiënten geïncludeerd en dat aantal groeit nog steeds.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Diagnose Transformatie: beginpunt van echte verandering in de zorg

Dat het in de zorg fundamenteel anders moet, daar is iedereen het over eens. Betere kwaliteit tegen lagere kosten en de patiënt centraal, we horen het iedere dag. Maar hoe pak je transformatie in de zorg daadwerkelijk aan? Om daar antwoord op te geven, nam BeBright twee jaar geleden het initiatief tot Diagnose Transformatie. Het leidde tot een nuttig boekwerk en een toolkit, die in april werden gepresenteerd tijdens het Zorgtransformatiecongres op de Zorg & ICT-beurs.

“Diagnose Transformatie is het vierde diagnoseprogramma. De beweging bestaat al sinds 2009”, zegt initiatiefnemer Philip Idenburg van BeBright, die samen met Monique Philippens het boek schreef. De ‘need to change’ is nog steeds groot en daarom startte in 2016 een zoektocht naar het DNA van transformatie. Philip Idenburg: “Het werd een wereldwijde gang langs zorgorganisaties om te kijken wat de belemmeringen waren en wat de succesfactoren.”

Gereedschapskist

Diagnose Transformatie heeft vier strategische partners: KPN, Noaber Foundation, PinkRoccade en Promedico. Egbert van Gelder, manager innovatie bij Promedico: “Wij zien sterk de wil om te veranderen, maar men heeft moeite om daadwerkelijk een slag te maken. Daar kunnen ze handvatten bij gebruiken. Een van de mooie dingen die uit Diagnose Transformatie ontstonden, is een set met hulpmiddelen voor het zorgveld. Een toolkit waarmee organisaties zelf aan de slag kunnen.”

De gereedschappen zijn bijvoorbeeld scenarioplanning, storytelling, SROI-analyse, de patiëntreis of design thinking. Philip Idenburg: “Ze zijn verdeeld in zeven elementen: visie en ambitie, leiderschap, cultuur, samenwerking, bedrijfsinrichting, innovatie en business modellen. Dat zijn ook de zeven bestanddelen van elke duurzame transformatie.”

Vier fasen

“Als je wilt dat een transformatie in de hele organisatie verankerd is, dan moet het vier fasen doorlopen. Die vormen samen de Transformatie Twister”, aldus Idenburg. “De eerste fase is die van Doorzoeken. Waarom is verandering nodig? Wat zijn belemmeringen? Wat is de werkelijke vraag? Dat begint bij een klein groepje. Daarna volgt de fase van Doorzien. Dan haken er steeds meer mensen aan en begint de reis. De richting is duidelijk, maar waar de reis naartoe gaat, weet nog niemand.” Daarna volgt de fase van Doorzetten: het vertalen van transformatie binnen de organisatie. Dan gaat het bijvoorbeeld om procesinrichting, belonings- en bekostigingsbeleid. De laatste fase is Doorleven: het borgen binnen de hele organisatie en zorgen dat je iedereen meeneemt.

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Pilot onderzoekt succesvoorwaarden thuismeten bloeddruk

Patiënten met stabiele laagcomplexe CVRM komen gemiddeld vier keer per jaar op consult, in hoofdzaak om hun bloeddruk te laten meten. Is dat nou zinvol?, vroegen zorgverleners van Gezondheidscentrum Dillenburg in Alphen aan den Rijn zich af. Binnen de proeftuin Gezonde zorg, Gezonde regio startten zij een pilot waarbij patiënten hun bloeddruk zelf meten en delen met huisarts en POH.

Thuismeten scheelt tijd en kosten en de zorgverlener kan focussen op patiënten die wél aandacht nodig hebben, is de conclusie uit de succesvolle pilot. Tegelijkertijd maakt het deelnemers meer bewust van hun bloeddruk en gezondheid. Het succes van de pilot is te danken aan het naleven van een aantal voorwaarden, vertellen huisarts Frank den Heijer en projectleider Huib Hoogendijk van Zorgbelang.

Een van die voorwaarden is draagvlak, zowel bij zorgverleners als bij patiënten. Een tweede voorwaarde is dat de groep deelnemers voldoet aan drie criteria: medisch laagcomplex, digitaal vaardig en sociaal stabiel. De huisartsenpraktijk heeft iets meer dan zevenhonderd CVRM-patiënten. Ongeveer driehonderd voldeden aan de criteria. Die werden in september uitgenodigd voor twee informatieavonden. “We wilden minimaal zestig deelnemers hebben”, legt Huib Hoogendijk uit. “Dan heb je een relevante grootte, zodat je je processen echt moet reorganiseren. Na de informatieavonden wisten we dat het raak was. We kregen honderd aanmeldingen.”

Snelle communicatie

Het programma E-vita zorgt ervoor dat de thuismetingen op de goede manier in het keteninformatiesysteem en huisartsinformatiesysteem terechtkomen en dat patiënten en zorgverleners kunnen communiceren via een portaal. Daarom werd geselecteerd op digitale vaardigheid. Technologie is belangrijk, maar niet doorslaggevend. Het draait vooral om snelle communicatie, betogen Hoogendijk en Den Heijer. “Als patiënten hun metingen en eventuele vragen insturen en het duurt lang voordat er antwoord komt, dan zijn ze binnen no-time afgehaakt”, zegt Frank den Heijer. “Dus moet je iemand vrijmaken die dagelijks metingen en andere meldingen bekijkt en ingaat op vragen van patiënten. Dat is best een investering, maar die betaalt zich op lange termijn uit in tijdwinst.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Regierol voor ROAZ in regionale samenwerking acute zorg

In het hele land neemt de druk op de acute zorg toe. Er zijn veel initiatieven om dit te beteugelen – en op sommige plekken stabiliseert de druk inderdaad – maar het blijft een taai probleem. Dat ligt aan de instroom, doorstroom én uitstroom van de acute zorg. Ketenoptimalisatie is dus noodzakelijk. De acute zorg in Nederland is verdeeld in elf regio’s met elk een overkoepelend overleg: het ROAZ (Regionaal Overleg Acute Zorg). Minister Bruno Bruins van Medische Zaken wil dat de ROAZ’en meer de ‘lead’ nemen in de acute zorgketen. Maar hoe moeten ze die rol invullen?

“Meer deelnemers en betere besluitvorming”, zegt Bas Leerink. Hij is voorzitter van de raad van bestuur van ziekenhuis Medisch Spectrum Twente (MST), bestuurder bij ROAZ Acute Zorg Euregio en lid van het dagelijks bestuur van het LNAZ (Landelijk Netwerk Acute Zorg), de overkoepelende organisatie van de elf ROAZ’en. De taken van een ROAZ vloeien voort uit de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi), die wordt vervangen door de Wet Toelating Zorgaanbieders (WTZa). Dus is ook het overleg in de acute zorg toe aan herijking. “Het belang van regie wordt steeds groter”, zegt Leerink. “Daarom is het zaak om nog veel meer partijen in het ROAZ te betrekken. Ik denk vooral aan vertegenwoordigers van organisaties in de ouderenzorg.”

De extramuralisering van de zorg heeft de afgelopen jaren voor dertig procent meer spoedopnames onder ouderen gezorgd, zo blijkt uit onderzoek, en er zijn geen tekenen dat de stroom gaat afnemen. Een belangrijk punt is het organiseren van vervolgzorg, bijvoorbeeld door bedden in een eerstelijnsverblijf of door de inzet van wijkverpleegkundigen of transferverpleegkundigen die zorgen dat ouderen na een bezoek aan de SEH of HAP de juiste zorg thuis krijgen.

Investering

Daarnaast pleit Bas Leerink ervoor om in sommige gevallen verloskundigen en apotheken te betrekken in het ROAZ. Maar levert zo’n breed spectrum aan disciplines niet een onwerkbaar overleg op? “Daarom moeten we het verdelen in domeinen van acute zorg”, zegt Leerink. “Denk aan thema’s als beroerte, hartfalen, GGZ of verloskunde. Dan komen expertteams samen die zijn toegespitst op zo’n domein.” Binnen het ROAZ wordt al veel met zulke groepen gewerkt. De eerste lijn wordt daar nauw bij betrokken, vertelt Leerink. “Huisartsen moeten nadenken hoe ze zich laten vertegenwoordigen in een ROAZ. Dat verschilt per regio. Soms is het een directeur of medisch directeur van een HAP. Soms is het iemand uit een huisartsenkring. Regionale samenwerking vraagt investeringen, maar het levert veel op.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Pilot toont belang van psychosociale zorg bij kanker

Na een behandeling kan de kanker uit het lichaam zijn, maar nog jaren in het hoofd blijven spoken. Veel (ex-)kankerpatiënten blijven met psychische klachten rondlopen, waardoor ze moeite kunnen hebben om deel te nemen aan het gewone leven. Passende psychosociale zorg bij een aanpassingsstoornis is in 2012 uit het basispakket van de zorgverzekering gehaald. Vanaf 1 maart is een pilot gestart om deze zorg weer te vergoeden.

Voorwaarde is wel dat de behandeling wordt gegeven door een bij de Nederlandse Vereniging Psychosociale Oncologie (NVPO) ingeschreven behandelaar en volgens de richtlijn ‘Aanpassingsstoornissen bij patiënten met kanker’. Psychiater Tineke Vos was voorzitter van de werkgroep die de richtlijn opstelde. “De diagnose kanker kan de grond onder je voeten vandaan slaan”, zegt Vos. “Dat is logisch, want alles verandert in je leven. Hoe je je daarop aanpast, heeft met je persoonlijkheid te maken: ben je flexibel of rechtlijnig, laid back of altijd bezig alle ballen in de lucht te houden? Maar vooral: hoe is je veerkracht? Deze hangt samen met je lichamelijke gezondheid, je autonomie, je sociale steun en je zingeving.”

Kort na de diagnose wordt een patiënt opgevangen in het ziekenhuis. Eventuele problemen komen soms pas na het eerste behandeltraject aan het licht, als de patiënt weer thuis is en zijn of haar leven moet oppakken. “En dan komt de huisarts in beeld. Patiënten met borstkanker kunnen bijvoorbeeld nog jarenlang hormonale therapie krijgen en komen nog maar af en toe in het ziekenhuis. De huisarts moet de coördinerende rol kunnen overnemen als dat nodig is en signaleren als het niet goed gaat. De huisarts of POH-GGZ kan dan zelf helpen, maar het is fijn als kan worden doorverwezen naar specialistische hulpverleners als een psycholoog of een psychotherapeut. De nieuwe pilot maakt dit mogelijk.”

Klankbord

Ook Anja Kemp-Veens kwam nadat ze in 2012 voor borstkanker werd behandeld in een rollercoaster, vertelt ze. “Pas een maand of drie na de behandeling kwam het besef dat mijn leven echt veranderd was. Ik merkte dat ik minder weerstand had en mijn hoofd kon ook minder aan. Mijn huisarts raadde mij aan om een psycholoog bij een gespecialiseerd instituut te bezoeken. Die heeft mij geleerd om goed voor mezelf te zorgen en mijn grenzen aan te geven. De kern van de boodschap was: ‘ik mag er zijn’. Dat was precies wat ik toen nodig had.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

“Mijn GezondheidsPlatform staat aan het begin van een reis”

Patiënten willen en krijgen steeds meer regie over hun eigen gezondheid. Zij willen hun gezondheid digitaal managen. En dat kan. Zoals een HIS de huisartsenpraktijk ondersteunt en een KIS de ketenzorg, zo ondersteunt Mijn GezondheidsPlatform (MGP) de patiënt of cliënt. Maar er is nog veel meer mogelijk. De komende tijd bouwt de Promedico Groep MGP uit naar een Persoonlijke GezondheidsOmgeving (PGO) met talloze mogelijkheden.

“De Promedico Groep richt zich op het ondersteunen van geïntegreerde zorg en daar hebben cliënten en burgers een belangrijk aandeel in”, zegt Yolanda Kollee. Zij is manager Implementatie & Support bij Care2U, onderdeel van de Promedico Groep, en ontwikkelaar van MGP. “De wereld verandert razendsnel. Ontwikkelingen binnen zelfmanagement, zelfservice en zelfredzaamheid zetten de komende jaren sterk door. Een digitale omgeving is van groot belang bij het ondersteunen, stimuleren en activeren van burgers en cliënten. De markt daarvoor is aan het ontstaan. Dit is het gouden moment om een nieuw platform te ontwikkelen. We staan aan het begin van een reis en het mooie is: iedereen reist mee.”

Dieet en data

Paul Borchers (83) en Truus Borchers-Coenen (80) uit Bladel laten zien dat er nu al een stevige basis ligt. Vooral Paul Borchers, die vroeger technicus was, is een fanatiek gebruiker van MGP: “Ik heb hartklachten gehad en problemen met mijn lever. Sinds een jaar heb ik MGP om mijn meetwaarden in de gaten te houden, onder andere om me voor te bereiden voordat ik naar de huisarts of praktijkondersteuner ga.” Terwijl hij vertelt, gaat de telefoon. ‘Aan de lijn’ is MGP om hem te waarschuwen dat het tijd is voor zijn medicijnen. Daarnaast volgt het echtpaar Borchers een afvalprogramma, ondersteund door MGP. “Ik kreeg vandaag een smiley omdat ik zes kilo ben afgevallen”, vertelt hij. Maar het belangrijkst is het managen van het dieet en de data van Truus Borchers. “Zij heeft diabetes type 2. Het is belangrijk dat we haar bloedsuikerwaarden in de gaten houden. Ze is nu zodanig afgevallen dat we een bericht kregen dat ze twee tabletten minder kan nemen.”

Regio-oplossing

Mooie eerste stappen, maar MGP wil meer. “We willen nog meer interactie rondom persoonlijke gegevens met bijvoorbeeld wearables, glucosemeters en apps, die data leveren om via het platform samen met je zorgverleners je zorg te managen”, zegt Yolanda Kollee. “Daarom zetten we de komende tijd een volgende stap in het ontwikkelen van functionaliteiten.” Met de doorontwikkeling van MGP naar een PGO sluit Care2U aan op het MedMij-programma.

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Geen one-size-fits-all in de zorg-ICT

Huisarts Peter Smink heeft uitgesproken ideeën over het gebruik van ICT in zijn eigen praktijk, in zorggroepen, maar ook bij ketenpartners en andere betrokken zorgverleners. “ICT mag niet onze manier van werken bepalen, dat moet andersom”, stelt hij. Integratie, standaardisatie en een modulaire aanpak bieden oplossingen. De eerste bouwstenen worden nu gelegd. Samenwerking tussen alle partijen speelt hierbij een cruciale rol.

“Het ideaal is een volledig geïntegreerd dossier per patiënt, waar elke professional zijn of haar eigen stukjes in schrijft”, vindt Smink. “Dat dossier moet ook altijd beschikbaar zijn voor de juiste professionals en uiteraard voor de patiënt zelf.” Smink is zich ervan bewust dat zijn ideaal om een cultuuromslag vraagt. Nu nog werkt iedereen met eigen, autonome systemen. Hoe breng je die bij elkaar? Dat kan alleen als ICT-aanbieders open zijn in alles wat ze doen, regionaal samenwerken aan geïntegreerde systemen en persoonlijke zorg voorop stellen.

Geïntegreerde zorgoplossing

De sleutel ligt niet bij het Landelijk Schakelpunt (LSP), denkt Smink. “Dat is vooral een telefoonboek.” Het echte probleem is dat alle HIS’en en KIS’en losse databases zijn. Als die allemaal hetzelfde bronbestand hadden, dan zou dat enorme voordelen opleveren, vindt Smink, met name voor het bekijken en bewerken van gegevens. Dat vraagt om een geïntegreerd zorgsysteem. Daarom nam de Promedico Groep het initiatief om in Nederland centrale voorzieningen te realiseren: één organisch, open systeem waarbij alle leveranciers samen verantwoordelijk zijn voor gemeenschappelijke tussenliggende componenten die de informatiesystemen van verschillende zorgverleners met elkaar verbinden. Zo kan sneller worden ontwikkeld, blijven de kosten laag en voldoet alles aan één standaard, waardoor het voor alle partijen makkelijk is om aan te sluiten.

KIS in HIS

Promedico’s module ‘slimme vragenlijsten’ is een eerste stap, geeft Peter Smink aan. Dit is het eerste onderdeel van KIS in HIS: KIS-functionaliteiten zijn beschikbaar vanuit het HIS. Huisarts en POH werken in het huisartsinformatiesysteem en beschikken tegelijkertijd over alle opties om persoonsgerichte zorg te bieden én optimaal samen te werken met andere zorgprofessionals rondom de patiënt. Smink is enthousiast: “De module biedt de mogelijkheid om zaken zoals temperatuur, longfunctie, bloeddruk structureel in grafieken vast te leggen en de situatie in de tijd te volgen.”

KIS in HIS is een mooie opstap naar integrale netwerken. Die hebben één basis, maar zijn geen one-size-fits-all, vat Smink samen. “Want iedereen wil net wat anders. Kijk maar naar pc’s, laptops of telefoons. De interface is hetzelfde, maar iedereen kiest eigen apps. Zo moeten we informatiesystemen in de zorg ook gaan inrichten.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Succesvolle samenwerking tussen Service Apotheek en thuiszorg

Wijkverpleging en thuiszorg zijn belangrijke stakeholders voor apothekers. Voor sommige patiënten zijn zij de ‘ogen en oren’ van de apotheek als het gaat om therapietrouw of bijwerkingen. Andersom kan een apotheker thuiszorgmedewerkers of verpleegkundigen bijstaan als het gaat om kwaliteitsaspecten en medicatieveiligheid. Samenwerking loont dus. Maar hoe geef je dat goed vorm? Kernbegrippen zijn fysieke nabijheid, informeel contact en projectmatig werken.

In een groene wijk in Ede ligt het nieuwe Medisch Centrum Veluwse Poort waar de Edesche Apotheek nu al bijna drie jaar een mooie behuizing heeft. Naast huisartsen, fysiotherapeuten, GGD Gelderland Midden, logopedisten en tandartsen huisvest het gezondheidscentrum twee thuiszorgorganisaties: Buurtzorg Ede Oost en thuiszorgorganisatie Opella. De organisaties in Medisch Centrum Veluwse Poort willen door efficiënte samenwerking maatwerk bieden voor patiënten. ‘Samen proberen wij als zorgverleners elkaar op de hoogte te houden van de beschikbare kennis en mogelijkheden, zodat u de best mogelijke zorg krijgt’, staat op de website. En dat loopt soepel tussen de Edesche Apotheek, Buurtzorg en Opella, vertelt apotheker Liesbeth van Ree.

Korte lijntjes

De smeerolie van de samenwerking is het informele contact, zegt Van Ree. Want dat gaat makkelijk als je in hetzelfde gebouw zit. “Je loopt zo even bij thuiszorg naar binnen, bijvoorbeeld om een medicatierol te brengen of een uitdraai van de toedieningslijst. Dan is er meteen ruimte voor overleg. Als iemand zijn medicijnen niet uit de strip krijgt, kun je thuiszorg vragen om dit mee te nemen in de dagelijkse zorg. Of we passen als dat mogelijk is de tijden aan op de medicatierol, zodat de medicijnuitgifte beter past in het ritme van de thuiszorgmedewerker.” De fysieke nabijheid maakt het makkelijk om dit soort momenten te zoeken. Daardoor is structureel overleg niet nodig.

Valpreventie

Daarnaast werken de Edesche Apotheek, Buurtzorg Ede Oost, Opella en andere eerstelijnszorgverleners samen in specifieke projecten. Vorig jaar is het project ondervoeding gestart, vertelt Liesbeth van Ree, waarbij thuiszorg, huisartsen en apothekers de patiënten screenen en kennis en informatie delen. “Zo kunnen we makkelijk een programma voor betere voeding opstarten en evalueren.” Begin dit jaar is het project valpreventie bij ouderen gestart, waarbij ook fysio-, ergo- en podotherapeuten zijn betrokken. Van Ree: “Van tevoren wordt er een nulmeting gedaan door middel van een balansproef. Wij screenen op medicatie die van invloed kan zijn op bewegen en mogelijk vallen. En thuiszorg signaleert of er valincidenten voorkomen. Na een paar maanden evalueren we met alle partijen.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Handen ineen voor goede kankerzorg dicht bij huis

De zorg voor oncologische patiënten vindt meer en meer binnen de eerste lijn plaats. Een goede manier om dat te organiseren is binnen oncologische netwerken. Dat gebeurt sinds kort ook in Apeldoorn, waar de netwerken inmiddels uit de opstartfase zijn.

Het karakter van de oncologiezorg in Nederland en daarbuiten, wordt bepaald door een aantal ontwikkelingen. Het aantal patiënten met een vorm van kanker stijgt. De levensverwachting van patiënten neemt toe. Kanker krijgt steeds meer de vorm van een chronische ziekte. En steeds meer mensen genezen van kanker dankzij succesvolle behandelingen. De overlevingskansen zijn gestegen. Tegenwoordig is meer dan de helft van de patiënten tien jaar na de eerste diagnose nog in leven.

Warm bad of zwart gat?

Dit heeft directe gevolgen voor de zorg en nazorg, met name in de eerste lijn. Zo hoeven nacontroles niet altijd door een specialist te worden uitgevoerd. Kankerpatiënten krijgen soms jaren na hun behandeling nog te maken met gevolgen van hun ziekte. Ze komen dan in de eerste lijn terecht. Patiënten blijven het grootste deel van hun ziekteproces thuis en zullen bij zorgvragen een beroep doen op de eerste lijn. En toch is er een groot contrast tussen de oncologische zorg in het ziekenhuis en de zorg thuis. “Je hoort het vaak van patiënten: de behandeling en begeleiding in het ziekenhuis voelt als een warm bad en eenmaal thuis val je in een zwart gat”, zegt fysiotherapeut Karen Keus, eigenaar van Fysiotherapie Jansen Apeldoorn. Zij is een van de initiatiefneemsters en nu ‘kartrekker’ van oncologienetwerk Apeldoorn Noord-West. Zo’n netwerk is een multidisciplinair samenwerkingsverband tussen eerstelijnszorgverleners, zoals fysiotherapeuten, diëtisten, ergotherapeuten, wijkverpleegkundigen, psychologen, apotheken, huisartsen, maar ook reïntegratie-coaches en huidtherapeuten. Gezamenlijk organiseren ze de zorg dicht bij huis, dus zoveel mogelijk op wijkniveau.

Begeleiding

Er zijn vorig jaar in Apeldoorn zes van die oncologische eerstelijnsnetwerken van start gegaan. ROS Proscoop begeleidt de netwerken in de intensieve en vaak wat ‘taaie’ opstartfase, zo legt Liesbeth Zwanepol, projectleider van Proscoop, uit. Uitgangspunt is de werkwijze in Arnhem, waar al negen netwerken actief zijn, Bemmel en Huissen – die ook worden ondersteund door Proscoop. “Wij bieden organisatorische en beleidsmatige ondersteuning waar deelnemers dat niet gewend zijn of de kennis niet in huis hebben”, zegt Liesbeth Zwanepol. De organisatie van de Apeldoornse netwerken staat nu en zij presenteren zichzelf aan zowel verwijzers als patiënten op www.oncologienetwerkapeldoorn.nl.

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier: