Berichten

Hoofdlijnenakkoord huisartsenzorg: bestuurlijk commitment voor ambitieuze beleidsagenda

‘The proof of the pudding is in the eating’, zeggen de Engelsen. En zo is het. Op 11 juli jongstleden ondertekenden InEen, LHV, Zorgverzekeraars Nederland, de Patiëntenfederatie Nederland en het ministerie van VWS het hoofdlijnenakkoord huisartsen 2019-2022. Wat de afspraken waard zijn, zal de toekomst uitwijzen. De Eerstelijns analyseert.

Waar in het hoofdlijnenakkoord 2014–2017 nog sprake was van ‘eerstelijnszorg’, is nu een duidelijke keuze gemaakt voor ‘huisartsenzorg’. Enerzijds handig, anderzijds staat het een integrale multidisciplinaire benadering in de weg.

Samenhang akkoorden

De regering heeft gekozen voor hoofdlijnenakkoorden. Was er anders besloten, dan was er waarschijnlijk geen huisartsenakkoord gekomen. Zorgverzekeraars waren namelijk niet zo’n voorstander van een hoofdlijnenakkoord met huisartsen, omdat men erop rekende toch wel contracten te kunnen sluiten.

Er zijn meer sectorale akkoorden en ook sector brede programma’s. Het is de vraag wie bij VWS hierover het overzicht bewaart. Door sommige alinea’s letterlijk overal op te nemen, wordt samenhang gesuggereerd. Komt dat ook terug in de uitvoering? Dat is de vraag, want het zorgveld en de zorgverzekeraars zijn verdeeld in afdelingen en worden als zodanig bekostigd. En wat gebeurt er als er ontwikkelingen zijn in een bepaald domein of op een thema die het akkoord sterk beïnvloeden? Bijna vijf jaar vooruit kijken is een heikele zaak. Zijn de partijen flexibel genoeg en hebben ze voldoende vertrouwen om dynamisch om te gaan met het hoofdlijnenakkoord als dat nodig is?

Thema’s huisartsenakkoord

De inhoudelijke basis voor alle zorgakkoorden is de Juiste Zorg Op de Juiste Plek. Dit rapport kan beschouwd worden als de zorgparagraaf in het regeerakkoord van Rutte III. Specifieke thema’s als meer tijd voor de patiënt, versterking organisatiegraad, zorg voor kwetsbare groepen, zorg in ANW-uren, verbetering samenwerking sociaal domein, kwaliteit en ICT-zorginfrastructuur zijn door InEen en de LHV ingebracht en komen terug in het huisartsenakkoord. Ook is er aandacht voor de arbeidsmarkt en acute zorg en zijn er toezeggingen over de compensatie van de loonstijging in de cao. De erkenning dat bestuurlijk commitment op landelijk niveau nodig is om de ambities te realiseren, is een belangrijk gegeven. Dit kan houvast geven aan de regionale agenda. En hoewel wordt vermeld dat er geen centrale regie of monitoring komt, zal de Nederlandse Zorgautoriteit wel periodiek rapporteren.

Het is aan de zorgverzekeraars om de uitgangspunten van dit akkoord toe te voegen aan het zorginkoopbeleid 2019, dat in april is gepubliceerd. In regio’s waar contracten tot 2020 zijn gesloten, is het aan partijen om samen te beoordelen hoe zij nu toch al kunnen inspelen op de uitkomsten van het hoofdlijnenakkoord huisartsenzorg.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

“Samen een aanbod voor ouderen ontwikkelen waar de Almeerders iets aan hebben”

De zorg voor ouderen persoonsgericht en in samenhang organiseren. Dat is de ambitie die uitgesproken is in de visie Huisartsenzorg voor ouderen van NHG, LHV en Leago, die met medewerking van InEen tot stand kwam. Zorggroep Almere heeft naast huisartsenzorg, wijkverpleging, farmacie, fysiotherapie, spoedzorg, revalidatie- en verpleeghuiszorg zelf ‘in huis’. Hoe geeft zij invulling aan die ambitie?

“De multidisciplinaire samenwerking in de gezondheidscentra van Zorggroep Almere vormt een stevige basis voor de geïntegreerde ouderenzorg die zij de inwoners van Almere wil bieden”, zegt Vera Kampschöer. Ze werkt sinds 1984 bij de Zorggroep, de afgelopen tien jaar als leider van de Huisartsenzorg. Doordat iedereen voor dezelfde organisatie werkt, is het makkelijker om elkaar in de uitvoering te vinden. Zowel binnen het gezondheidscentrum als daarbuiten. “Maar we hebben net als iedereen in de zorg te maken met verschillende financiële stromen, gescheiden ICT-systemen en verschillende eisen op het gebied van kwaliteit.”

“De zorgvraag van een oudere kan op één van de zorglocaties of gezondheidscentra binnenkomen”, haakt Willeke Oxener, directeur wijkverpleging, fysiotherapie en geriatrisch expertisecentrum, in. “Als je te maken hebt met verschillende geldstromen, dan is dat ingewikkeld. Wat helpt is dat iedereen hier de wil heeft om samen invulling te geven aan de zorg.” En dat multidisciplinair werken is al meer dan veertig jaar het uitgangspunt in Almere, verklaart Lidy Hartemink, voorzitter raad van bestuur. “De mensen die bij ons werken hebben allemaal de intrinsieke drijfveer om discipline overstijgend samen te werken in het belang van de Almeerders. Dat kun je niet van bovenaf opleggen, het blijft mensenwerk.”

De mensen van Zorggroep Almere werken makkelijker samen doordat ze elkaar kennen en dat werkt positief door naar hun patiënten, vertelt Kampschöer.

Verpleegkundige praktijk

De POH’s somatiek en wijkverpleegkundigen hebben een belangrijke rol in de zorg voor kwetsbare ouderen in Almere. Samen met de persoonlijk begeleider dementie vormen zij de ‘verpleegkundige praktijk’. Kampschöer: “Zij hebben de kwetsbare ouderen in beeld en komen geregeld samen. Dan spreken ze de cliënten en de benodigde zorg door. Daarbij wordt afgesproken wat de taakverdeling is en wie als casemanager het eerste aanspreekpunt wordt voor de cliënt. De verpleegkundige praktijk maakt ook de verbinding met andere disciplines, zoals de specialist ouderengeneeskunde, de POH-GGZ, de apotheker en de ergo- of fysiotherapeut. Ook de link naar het wijkteam wordt door de verpleegkundige praktijk gelegd. We hebben de afgelopen jaren veel energie gestoken in de verpleegkundige praktijk en dat werpt nu zijn vruchten af.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Eerstelijnsakkoord of chaos?

In het Regeerakkoord staat dat er hoofdlijnenakkoorden komen, in de Tweede Kamer is een hoorzitting geweest, er zijn al meerdere bestuurlijke en kantoorloverleggen geweest. Desondanks is nog steeds niet zeker dat er een eerstelijnsakkoord komt. Wat is het probleem?

In 2013 en 2017 zijn hoofdlijnakkoorden gesloten met de eerste lijn. Mooie woorden, veel ambities, financiële kaders, maar deze zijn – op enkele aspecten na – niet gerealiseerd. Sommige zorgverzekeraars hebben zich gedistantieerd van de afspraken die door Zorgverzekeraars Nederland zijn gemaakt. Zij hebben op basis van eigen zorginkoopbeleid regionale contracten gesloten met zorggroepen, gezondheidscentra en huisartsenposten.

Geen onderhandelkracht

Kennelijk hebben zorgverzekeraars geen landelijke akkoorden nodig om te contracteren. Daaruit blijkt dat de onderhandelkracht van eerstelijnspartijen laag is. Dat wordt bevestigd door de (forse) jaarlijkse onderschrijding van het macrobudget in de periode 2014-2017. En door het feit dat – los van enkele best practices – veel organisaties zijn geconfronteerd met niet indexeren, inclusieplafonds, doorbehandelplicht, inzetten van weerstandsvermogen voor structurele zorguitgaven en een lagere vergoeding aan onderaannemers. Kortom; de eerstelijnszorg is niet sterk in onderhandelen en zorgverzekeraars weten dat. Daarom is een nieuw hoofdlijnenakkoord voor hen niet nodig. Echter, de werkdruk en weerstand van professionals in de eerstelijnszorg nemen toe en daarmee de kans op serieuze conflicten.

Onvoorstelbaar

Eigenlijk is het niet voorstelbaar dat er geen akkoord komt. Immers, het akkoord voor medisch-specialistische zorg staat bol van verwijzingen naar de eerste lijn. Het gaat over meer samenhang op gebied van ICT, substitutie, informatie-uitwisseling, afstemming tussen het medisch- en sociaal domein en – als apotheose – een domeinoverstijgend onderzoek van VWS naar de realisatie van de transformatie. De regering heeft hier vol op ingezet. Er is in diverse sectoren een set van afspraken en akkoorden in de maak. Het rapport van de taskforce Zorg op de Juiste plek wordt breed omarmd en biedt een transformatieperspectief. Dat zal toch prevaleren boven individueel inkoopbeleid van zorgverzekeraars?!

Tot slot

De besturen van LHV en InEen zullen in een ledenraadpleging eind mei/begin juni een mogelijk akkoord voorleggen. Huisartsen(prakijken) moeten in georganiseerd verband steeds meer gaan doen. Zonder landelijke kaders komt dit proces niet van de grond. De eerstelijnszorg zal haar verantwoordelijkheid nemen en geen vrijblijvende afspraken maken zonder trekkingsrechten op macrobudgetten, maar wel met terechte claims. De zomer met gegarandeerde continuïteitsproblemen voor kwetsbare groepen staat voor de deur: gaan de zorgverzekeraars en eerstelijnszorg er samen voor of wordt het chaos?

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Brancheverenigingen toetsen scenario’s voor toekomstbestendige ANW-zorg

Hoe kan de werkdruk op de huisartsenpost worden verminderd? InEen, LHV en VPhuisartsen zetten veelbelovende pilots op. Voorbeelden zijn strengere triage op de post, digitale zelftriage door patiënten en één loket voor basis-spoedeisende zorg.

Een toename, ook van patiënten met een complexe zorgvraag. Huisartsen zijn er in de afgelopen jaren mee geconfronteerd, zowel in hun eigen praktijk overdag als op de huisartsenpost (HAP) in de avond, nacht en weekenden (ANW). Zózeer zelfs, dat menigeen zegt dat het water hem aan de lippen staat. Leden van InEen, LHV en VPhuisartsen vroegen hun organisaties daarom vorig jaar de handschoen op te pakken en gezamenlijk op te trekken bij vermindering en ombuiging van de patiëntenstroom.

Erkenning problematiek

De hieruit voortgekomen gezamenlijke projectgroep ‘Werkdruk in de ANW’ volgt drie sporen. Jeroen van der Noordaa is sinds een half jaar de coördinator van de projectgroep. Hij vertelt hierover: “Allereerst hebben we op bestuurlijk niveau contact gezocht met ketenpartners in de acute zorg. Die toenadering heeft geleid tot de erkenning dat niet alleen de SEH overloopt, maar ook de HAP. Iedereen realiseert zich dat het een gedeeld probleem is binnen de keten van de acute zorg, we moeten er sámen iets tegen doen. De volgende stap is dat we hierover concrete afspraken maken.”

Daarnaast vroegen de brancheverenigingen aan huisartsen in praktijken en op HAP’s naar maatregelen die zij hebben getroffen om een daling van de werkdruk te realiseren. De vele nuttige en inspirerende reacties zijn gebundeld in een online ‘gereedschapskist’ met praktijkvoorbeelden uit de ANW, die via de LHV-website te vinden is.

Systeemveranderingen

Tegelijkertijd houden de drie brancheverenigingen de toekomstbestendigheid van het klassieke model van de HAP in bestaande ANW-zorg tegen het licht. Zijn er interventies en systeemveranderingen in de keten denkbaar die de huisartsenzorg toekomstbestendiger maken? Tijdens een gezamenlijke ledenvergadering hebben de brancheverenigingen eind vorig jaar de notitie ‘Naar een toekomstbestendige ANW-zorg’ vastgesteld. Er zijn mogelijke toekomstscenario’s opgesteld. In de vorm van pilots wordt een aantal scenario’s getoetst in de praktijk. Van der Noordaa licht drie pilots toe die vóór de zomer van start moeten gaan: strengere triage op de post, digitale zelftriage door patiënten en één loket voor basis-spoedeisende zorg.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

InEen en LHV eensgezind over bekostiging Organisatie & Infrastructuur

De samenwerking tussen de Landelijke Huisartsen Vereniging en InEen heeft een extra impuls gekregen met het onderzoek naar de organisatie en infrastructuur in de eerste lijn. Recent verscheen de impactanalyse op basis van de eindrapportage over dit onderwerp. Deze geeft concrete aanbevelingen voor het vervolg.

Welke impact zou de nieuwe bekostigingssystematiek die werd gepresenteerd in het rapport Doelgerichte versterking van de Organisatie en Infrastructuur van de eerste lijn hebben op de ontwikkeling van de organisatie en infrastructuur van de eerste lijn en de bekostiging daarvan? Op die vraag moest de impactanalyse antwoord geven. De recent verschenen analyse leidt tot negen aanbevelingen, waarvan er vijf betrekking hebben op betaaltitels. De kern: ga (conform het voorstel van de Nederlandse Zorgautoriteit) in 2018 van start met vier betaaltitels: praktijkmanagement, wijkmanagement, ondersteuning ketenzorg en regiomanagement.

Paul van Rooij, directeur van de Landelijke Huisartsen Vereniging: “De achterbannen van de LHV en InEen hadden een enorme behoefte aan versimpeling van de financiering. Aan iedere betaaltitel zijn nu randvoorwaarden verbonden, zodat je er in het regionaal overleg altijd praktisch invulling aan kunt geven.”

Ruimte voor maatwerk

In de impactanalyse wordt de aanbeveling gedaan om ruimte te laten voor maatwerk. Die ruimte is er in de voorgestelde opzet, stelt Anoeska Mosterdijk, directeur van InEen. “De vier benoemde betaaltitels maken het beter mogelijk om het gesprek te voeren over wat je in een wijk of regio wilt bereiken.“

Van Rooij is het hiermee eens, met een kanttekening. “In de voorgestelde opzet kun je de huidige afspraken voortzetten én nieuwe dingen doen. De vraag is of die ruimte ook ingevuld gaat worden. Het zal zich in de praktijk moeten bewijzen.”

Terugvaloptie

Verklaart dit waarom in de impactanalyse ook wordt aanbevolen om in 2018 over te gaan op de nieuwe betaaltitels, maar wel een terugvaloptie open te houden? Van Rooij: “We wilden met de impactanalyse duidelijkheid krijgen over de vraag of de in het rapport beoogde aanpak zou werken. Het antwoord is nee. Daaraan zijn een aantal aanbevelingen voor verbetering gekoppeld, waarvan we op voorhand niet weten of het daarmee wél gaat werken. De impactanalyse laat weliswaar zien dat stilstand geen optie is, maar geeft onvoldoende houvast om meteen honderd procent over te stappen op de nieuwe betaaltitels. Een terugvaloptie is daarom nodig.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Nieuwe geschilleninstantie voor huisartsen en apothekers wil kwaliteit klachtenbemiddeling bevorderen

De nieuwe regeling voor klachten en geschillen die per 1 januari in werking treedt, is voor veel zorgverleners een ver van mijn bed show. Toch is het een belangrijke verandering: elke zorgaanbieder moet zich verplicht aansluiten bij een erkende geschilleninstantie. Want daar kunnen patiënten voortaan een onopgeloste klacht én schadeclaim indienen. De net opgerichte Stichting Klachten en Geschillen Eerstelijnszorg (SKGE) vormt de eerste erkende geschilleninstantie voor huisartsen en apothekers.

De SKGE komt voort uit de Stichting Klachtenregeling Huisartsenzorg Zuid-Nederland (SKHZN). De bekendste en door minister van VWS Edith Schippers als best practice benoemde klachtenregeling in Nederland. Een derde van alle huisartsen is aangesloten. Op verzoek van onder meer de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) en InEen is de SKHZN nu omgevormd tot Stichting Klachten en Geschillen Eerstelijnszorg. Aanleiding voor deze transformatie is de nieuwe wet voor klachten en geschillen in de zorg (Wkkgz).

Jiske Prinsen, directeur van de SKGE licht de nieuwe route van een klacht graag toe. “Idealiter begint klachtenbemiddeling laagdrempelig. Gewoon met een open één-op-één gesprek tussen zorgaanbieder en patiënt. Lost dat niks op, dan kan de patiënt een klachtenfunctionaris inschakelen. Volgens de wet zijn alle zorgaanbieders verplicht om over een klachtenfunctionaris te beschikken. De functionaris gaat schriftelijk, telefonisch of face to face met beide personen in gesprek om tot een oplossing te komen. Blijft zelfs dan resultaat uit, dan komt de geschillencommissie mogelijk om de hoek kijken. De patiënt kan de klacht, dan een geschil, ter beoordeling neerleggen bij de geschilleninstantie. Aan het geschil kan ook een claim tot 25.000 euro worden gekoppeld. De geschillencommissie zal beide partijen eerst opnieuw via bemiddeling tot elkaar proberen te brengen. Lukt dat niet, dan volgt grondig onderzoek. De uitspraak van de geschillencommissie met eventuele schadetoekenning is juridisch bindend.”

Klachtenfunctionarissen

De SKGE faciliteert klachtenfunctionarissen en heeft twee erkende geschillencommissies onder haar hoede, één voor huisartsen en één voor apothekers. “Huisartsen en apothekers die zich aansluiten bij SKGE kunnen er dus van op aan dat klachten en geschillen kwalitatief goed en volgens de nieuwe regels worden afgehandeld”, aldus Prinsen. “Over de nieuwe wet hoeven ze zich verder geen kopzorgen te maken.”

Klachtenfunctionarissen zijn overigens ook buiten de SKGE te vinden, bijvoorbeeld in loondienst bij een zorgaanbieder. De stichting werkt wel aan een landelijke netwerk van klachtenfunctionarissen voor meer uniformiteit in de bemiddeling. Prinsen: “We gaan aan intervisie en scholing doen. Door van elkaar te leren, tillen klachtenfunctionarissen hun werk en uiteindelijk de zorg naar een nog hoger peil. En dat is de intentie van deze nieuwe wet.”

Auteur: Ingrid Beckers

Download het volledige artikel hier:

Van substitutie- naar afsprakenmonitor

In maart 2015 verscheen de eerste substitutiemonitor. In juni 2016 is deze door Zorgverzekeraars Nederland (ZN) getransformeerd in een afsprakenmonitor. InEen en de LHV hebben bezwaar gemaakt omdat de afsprakenmonitor geen ruimte geeft om te schuiven in macrobudgetten ten gevolge van substitutie. Wat is er precies aan de hand en wat zijn de gevolgen?

In 2015 had De Eerstelijns vooral kritiek op de uitkomst van de eerste substitutiemonitor. Het betrof de resultaten van de zorgverzekeraars om de zorg én budgetten te verschuiven van de tweede- naar de eerstelijnszorg over het jaar 2014. Dat betekende een jaar geleden 0,1 procent verschuiving van het specialistisch budget naar de eerstelijnszorg, terwijl de feitelijke zorgsubstitutie een veelvoud is. Toch was het voldoende voor minister Schippers om op basis van deze uitkomst 25 miljoen euro van het macrobudget specialistische zorg naar het budget huisartsen en multidisciplinaire zorg te schuiven. Niet genoeg, maar toch ..

Nu is er een vernieuwd instrument: de afsprakenmonitor. De auteur is dezelfde, maar de inhoud is wezenlijk anders. Waarom de monitor is aangepast en wat dat inhoudt, wordt niet duidelijk gemaakt. Kort gezegd kan niemand iets doen met de resultaten. Daar waar in 2015 de inventariserende vragen die aan de zorgverzekeraars werden gesteld onderdeel uitmaakten van de rapportage, ontbreken deze in de versie 2016. Deze afsprakenmonitor kan wat ons betreft snel de prullenbak in.

Er is in vier jaar nauwelijks toegevoegde waarde gerealiseerd. Het alternatief is een ministeriële verlaging van het macrobudget van de medisch-specialistische zorg, dat wordt gebaseerd op de reeds gerealiseerde substitutie van zorg (VEKTIS) in combinatie met de ambities voor de komende jaren. Een realistisch scenario is het macrobudget voor medisch-specialistische zorg en GGZ geleidelijk te verlagen met 0,5 procent per jaar voor een periode van vier jaar en dit budget ter beschikking te stellen voor de versterking van de totale eerstelijnszorg: voor huisartsen, maar zeker ook voor wijkverpleegkundigen.

Auteur: Jan Erik De Wildt, directeur De Eerstelijns

Download het volledige artikel hier:

Ella Kalsbeek, LHV: ‘Te weinig financiële middelen voor honorering van ideeën’

De substitutie van zorg van tweede naar eerste lijn kan alleen slagen als de huisarts hierin voldoende serieus wordt genomen als zorgprofessional, ondernemer en vernieuwer, stelt Ella Kalsbeek, voorzitter van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV). Dit gebeurt niet altijd voldoende, constateert ze.

Ella Kalsbeek van de LHV kijkt met grote belangstelling, maar ook met een kritische blik naar de ontwikkelingen in de eerste lijn en de rol van de huisarts daarin. De nieuwe taken die door de veranderingen in de zorg op de huisarts afkomen, vormen een potentiële verrijking van het vak, stelt ze, maar de ontwikkeling ervan moet wel zorgvuldig worden vormgegeven.

Een belangrijk aandachtsgebied hierbij is bijvoorbeeld de vraag hoe de huisarts en de wijkverpleegkundige zich tot elkaar gaan verhouden. ‘Ik verwacht beslist dat beide partijen elkaar voldoende ruimte zullen geven om vanuit hun eigen professionaliteit van waarde te zijn voor de patiënt’, zegt ze. ‘ik denk ook dat ze enorm veel aan elkaar kunnen hebben. De wijkverpleegkundige is van grote meerwaarde voor de kwetsbare mensen in de wijk en kan bovendien de oren en ogen van de huisarts zijn voor deze mensen. Met de professionaliteit van de huisarts en de wijkverpleegkundige zit het goed, dus inhoudelijk komt het wel in orde met die afstemming. Alleen wat ik hierbij spannend vind, is de vraag hoe de organisatie van de wijkverpleegkundige zich gaat ontwikkelen. De wijkverpleegkundige van weleer had een klassieke, intensieve werkrelatie met de huisarts. Maar in de nieuwe opzet wordt het nooit meer zoals het toen was, want nu krijgt de huisarts te maken met wijkverpleegkundigen die in dienst van verschillende thuiszorgorganisaties werken of als ZZP’er. Ik durf dan ook nog geen stellige uitspraken te doen over hoe het veld zich op dit punt zal gaan ontwikkelen, maar het zal in ieder geval in iedere situatie zijn eigen invulling gaan krijgen.’

De ontwikkeling van de ketenzorg in de eerste lijn is enorm goed op gang gekomen, vindt Kalsbeek. ‘De huisarts speelt hierin een centrale rol en de samenwerking met fysiotherapeuten, apothekers en andere eerstelijns professionals is prima’, zegt ze. ‘Wel is er een punt van aandacht.’

Download het volledige artikel hier:

LHV-bestuurder Carin Littooij over de eerstelijns zorg

Als bestuurder in de huisartsenzorg – en dat is ze al sinds de eeuwwisseling – heeft LHV-bestuurslid Carin Littooij (49) geleerd dat de inhoud altijd leidend moet zijn. Hoe kan de individuele huisarts door alle veranderingen heen zijn werk goed blijven doen? Want het huisartsenvak is topsport. En om topsport te kunnen bedrijven, zijn goede randvoorwaarden onontbeerlijk. Dát is wat deze bestuurder motiveert.

Littooij heeft nooit iets anders willen worden dan huisarts. Toen ze uitgeloot dreigde te worden, koos ze voor een ander hulpverlenend beroep: verloskundige. Het werd uiteindelijk toch huisarts. Daarbij bekleedt ze al jaren verschillende bestuursfuncties. Ze was een van de drijvende krachten achter de huisartsenpost in Zeist en leidde jarenlang het bestuur van Huisartsenkring Midden-Nederland. ‘Ik voel passie voor mijn vak. Een huisarts kan betekenis hebben voor een patiënt, verandering teweegbrengen in zijn leven. Ik zie dat in onze praktijk gebeuren. Het is ook wetenschappelijk bewezen. Dat heeft mijn interesse gewekt voor de organisatie en het beleid van de huisartsenzorg. Want je kunt wel veel willen, maar je moet het ook kunnen volbrengen.’

Waar doe ik het voor? En hoe houd ik het vol? Deze twee vragen vormen voor Littooij een leidraad, zowel in haar persoonlijke als haar professionele leven. Bijvoorbeeld bij een vraag naar mogelijke spanning tussen huisartsenpraktijk en zorggroep. ‘Als een zorggroep vooral bekommerd is om zijn voortbestaan en de huisarts in de eerste plaats zijn praktijk in de lucht wil houden, dan zou er spanning kunnen ontstaan. Maar als ze allebei voor ogen houden voor wie ze het uiteindelijk doen en het belang van de patiënt voorop stellen, dan zie ik geen enkele reden tot spanning.’

Onderdeel van de toekomstvisie van de LHV is dat zorggroepen, huisartsenkringen en huisartsenposten bestuurlijk meer in elkaar gevlochten worden, vertelt Littooij. ‘Ik vind het belangrijk dat wij als huisartsen ten allen tijde de verantwoordelijkheid voor ons werk dragen én dus ook voor de organisatie daarvan. Voor chronische zorg kan deelname aan een zorggroep heel nuttig zijn. Om de diensten ’s avonds, ’s nachts en in het weekend te regelen zijn huisartsenposten belangrijk. Kortom: het “uitbesteden” van ondersteunende en organisatorische taken kan prima werken, maar de kern van de huisartsenzorg moet in handen zijn en blijven van de huisartsen zelf.’

Download het volledige artikel hier:

 

Facilitair bedrijf als antwoord

De taken groeien in de huisartsenpraktijk. ‘Maar je kunt niet van bovenaf stapelen, zonder onderop iets weg te nemen,’ stelt Pieter van Wijk, medisch directeur van coöperatie Cohesie. Het document ‘Toekomstvisie Huisartsenzorg 2022’ van NHG en LHV geeft geen aanwijzingen voor maatregelen om de toenemende taken aan te kunnen. Daarom beschrijft Cohesie ze zelf.

Volgens Van Wijk treedt eenzelfde fenomeen op als eind jaren 90. ‘Toen beschikten we over de NHG­-standaar­den maar niet over de randvoorwaar­den om ze te implementeren. De druk die dat gaf op de huisartspraktijken leverde een tegenbeweging en we kregen praktijkondersteuning en huisartsenposten. Nu is er de stapeling van extra taken door verschuiving van zorg vanuit instellingen naar de eerste lijn en door vergrijzing.

Download het volledige artikel hier: