Berichten

Structureel ziekenhuiszorg voorkomen naar Zweeds voorbeeld

Professionals en ziekenhuizen zoeken naarstig naar oplossingen om overvolle SEH’s te voorkomen. Hoe gaan onze buurlanden met dat vraagstuk om? Proactive Health Coaching is een buitenlandse innovatie die mogelijk perspectief biedt. Het is in Scandinavië geïntroduceerd en succesvol opgeschaald in Engeland. In Nederland worden de mogelijkheden verkend.

Proactive Health Coaching richt zich op patiënten die disproportioneel veel zorg gebruiken. Zij hebben vaak complexe multimorbiditeit, soms in combinatie met problemen op psychisch of sociaal vlak. Mede door beperkte gezondheidsvaardigheden is het lastig om te begrijpen hoe om te gaan met de eigen gezondheid. Met realtime data kunnen deze patiënten geïdentificeerd worden, om vervolgens direct te kunnen interveniëren. Dat is noodzakelijk, gezien de grote kans op een heropname.

De interventie

Via een digitaal platform integreert de Zweedse organisatie Health Navigator patiëntdata van ziekenhuis, huisarts en verzekeraar. De data worden elke 24 uur opnieuw aangeleverd en tonen alle zorgactiviteit van de patiënt. Op basis van een beproefd voorspellend model worden patiënten geïdentificeerd en ingedeeld naar risico op heropname. De coach bekijkt vervolgens elke individuele situatie apart. Zo ontstaat een selectie van patiënten die in de komende zes tot negen maanden met hoge waarschijnlijkheid een onnodig hoog beroep zullen gaan doen op de gezondheidszorg.

Zodra een patiënt meedoet, wordt de huisarts door de coach geïnformeerd. In een kennismakingsgesprek zet hij met de patiënt een op maat gemaakt ondersteuningsplan op. Een intensief coachingsprogramma van zes tot negen maanden volgt. De coaching verloopt telefonisch. Wanneer de patiënt progressie boekt en het risico op een heropname daalt, wordt het aantal gesprekken afgebouwd. Een follow-up van twee jaar zorgt ervoor dat bij terugval opnieuw actie ondernomen kan worden.

Resultaten

Resultaten uit Scandinavië en Engeland laten zien dat de kwaliteit van leven van de patiënten toeneemt. Ook is een reductie in zorg(kosten) zichtbaar. Twee studies laten zien dat er minder ongeplande opnames zijn, minder bezoek aan de SEH, minder poliklinische bezoeken en minder ziekenhuisdagen. In Engeland daalde ook het aantal diagnostische onderzoeken. De eerste signalen lijken dus positief, al zijn de effecten niet overal even groot.

Onderzoek

Vilans heeft in samenwerking met Centre of Expertise Healthwise van de Rijksuniversiteit Groningen en TIAS/Tilburg University de Nederlandse situatie vergeleken met die in Engeland en Scandinavië. Duidelijk wordt dat de health coach in Nederland uit zou kunnen komen op een nieuwe functie. Een functie waarbij niet het behandelen centraal staat, maar het coördineren van zorg dat gericht is op het ondersteunen van de persoon.

Auteurs: Cecile van der Wilk, Jeanny Engels en Mirella Minkman

Download het volledige artikel hier:

Wetenschappelijk onderzoek toont wat werkt bij inzet eHealth

Is eHealth een hype of levert het daadwerkelijk een bijdrage aan betere zorg? En onder welke omstandigheden werken digitale toepassingen optimaal? Esther Talboom-Kamp deed onderzoek naar de inzet van eHealth bij COPD- en trombosepatiënten. Op 21 november verdedigt zij haar promotieonderzoek ‘eHealth in primary care’ bij het LUMC. In de Eerstelijns deelt zij samen met promotor Niels Chavannes en research nurse Anneke Vass vast enkele onderzoeksresultaten en algemene conclusies.

Het doel van het promotieonderzoek Van Esther Talboom-Kamp was te achterhalen wat de effecten zijn van verschillende manieren van het invoeren van eHealth op het gebruik ervan en op de algemene gezondheidsstatus. Ook is er gekeken of die effecten afhankelijk zijn van intensieve begeleiding door de zorgverlener en van de mate waarin het onderdeel is van het zorgprogramma (blended care). Eigenlijk zijn er twee studies gedaan: e-Vita bij COPD-patiënten en PORTALS bij patiënten met orale antistollingstherapie (OAT), waarbij ook gekeken werd naar de effecten van eLearning.

“We onderzochten drie groepen COPD-patiënten”, legt Esther Talboom-Kamp uit. “Twee blended care-groepen, met verschillen in begeleiding, en één waarbij het digitale platform niet was geïntegreerd in het reguliere zorgprogramma. Er waren nauwelijks verschillen in de CCQ-uitkomsten (Clinical COPD Questionnaire) voor en na introductie van het eHealth-platform. Dat komt omdat we patiënten met een milde vorm van COPD onderzochten, daar is ook weinig ruimte voor verbetering. En we hebben de groepen elk vijftien maanden ondervraagd, mogelijk is er bij een langere onderzoektijd meer verschil.” Niels Chavannes: “Je kunt het ook zo zien: er is geen negatief effect te zien bij de inzet van eHealth. Dat biedt mogelijkheden voor meer digitaal zelfmanagement.”

Bij de trombosestudie zijn eveneens drie patiëntengroepen onderzocht: zij die de traditionele aanpak van de trombosedienst kregen, zij die een combinatie kregen van zelfmanagement met traditionele groepstraining en zij die zelfmanagement  plus eLearning kregen. Esther Talboom-Kamp: “Ook hier zag je dat bij alle groepen de controle over de bloedverdunning gelijk was. Dat biedt mogelijkheden voor zelfmanagement en impliceert dus dat je beter eLearning kunt inzetten in plaats van groepstraining, want dat is goedkoper en minder arbeidsintensief.”

Efficiënte eHealth

Het onderzoek bracht een aantal voorwaarden aan het licht voor optimale effectiviteit van de inzet van eHealth. Zo is er meer en beter gebruik als het goed en gemotiveerd wordt aangeboden door huisarts of POH. Een andere voorwaarde voor efficiënte eHealth is dat gebruikers er dagelijks gemak van moeten ondervinden. En daar valt nog wel wat werk te verzetten, constateren Chavannes, Vass en Talboom-Kamp.

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Diagnostiek op de huisartsenpost voorkomt verwijzingen

In oktober publiceerden huisarts/onderzoeker Martijn Rutten en collega’s de resultaten van een onderzoek naar directe toegang tot radiologie vanuit de huisartsenpost. Conclusie: wanneer de huisarts op de post toegang heeft tot röntgendiagnostiek worden minder patiënten onnodig naar de spoedeisende hulp verwezen. In Heerlen ervaren ze hetzelfde, vertelt Roger Eurelings, manager van de huisartsenpost Oostelijk Zuid-Limburg.

Verhoudingsgewijs zien huisartsen op de huisartsenpost aanzienlijk meer mogelijke fracturen dan in de eigen praktijk. Toch hebben zij juist overdag direct toegang tot radiologie en moet daarvoor bij tachtig procent van de huisartsenposten doorverwezen worden naar de Spoedeisende Hulp (SEH). Kan dat zinniger en zuiniger? Met die vraag gingen Rutten en consorten aan de slag.

Het onderzoek

Uit een inventarisatie van de onderzoekers in 2015 bleek dat twintig van de destijds 117 Nederlandse huisartsenposten toegang hebben tot radiologie. Bij zes is dat ongelimiteerd, bij zeven alleen overdag en bij de andere zeven gedurende bepaalde tijdvensters. “Wij vergeleken in ons onderzoek zes huisartsenposten met verschillende modellen. We hebben gekeken naar het fractuurpercentage en het aantal mensen dat in de eerste lijn kon blijven binnen de diverse modellen. Daarnaast hebben we de huisartsen gevraagd om op te schrijven met welke indicatie ze de röntgenfoto nodig vonden.” Bij de posten waar voor radiologie moest worden doorverwezen naar de SEH, bleek de helft van de doorverwezen patiënten een breuk of luxatie te hebben. De andere helft had dus in de eerste lijn kunnen blijven. Op de posten waar deels of volledig toegang was tot radiologie werd veertig procent doorverwezen naar de SEH met een afwijkende foto en kon zestig procent onder behandeling blijven van de huisarts.

Voordelen

Bij directe toegang lijken huisartsen wel iets makkelijker een foto aan te vragen (55 procent meldt een hoge verdenking op afwijkingen/fracturen) dan wanneer er beperkt of geen toegang is (68 procent meldt een hoge verdenking). Maar volgens Rutten wegen de voordelen van directe toegang tot radiologie hier ruimschoots tegenop. “De huisarts kan zijn rol van poortwachter beter vervullen en de regie houden. Voor patiënten betekent het een kortere wachttijd en een beperktere aanslag op hun eigen risico. En de SEH profiteert ook: de drukte neemt af waardoor zij zich meer kunnen richten op complexere zorgvragen.”

Roger Eurelings, manager van Huisartsenpost Oostelijk Zuid-Limburg (OZL) onderschrijft de voor- en nadelen. Bij hap OZL kunnen huisartsen mensen met een vermoedelijke breuk via ZorgDomein doorverwijzen voor een foto. Eurelings is heel tevreden over de samenwerking met het ziekenhuis en vindt directe toegang tot radiologie een aanrader voor andere huisartsenposten.

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

“Specialisten moeten huisartsen-minded zijn”

Na minister Schippers zet ook het nieuwe kabinet in op verschuiving van tweede- naar eerstelijnszorg om kosten te beheersen en de kwaliteit van zorg te verbeteren. Hoe werkt substitutie in de praktijk? Wat levert het op? In de proeftuinen MijnZorg en Anders Beter werken huisartsen en specialisten al een tijd samen vanuit een anderhalvelijnscentrum of via anderhalvelijnsproducten. “Belangrijkste  voorwaarde voor succes is dat specialisten huisartsen-minded zijn”, aldus Bem Bruls, directeur van Huisartsen Oostelijk Zuid-Limburg (HOZL).  

Al in 2014 startte in Heerlen het anderhalvelijnscentrum PlusPunt MC binnen de proeftuin MijnZorg. HOZL, Zuyderland Medisch Centrum, zorgverzekeraar CZ en patiëntenorganisatie Huis voor de Zorg trekken binnen deze proeftuin samen op om de Triple Aim doelstelling te realiseren: betere zorg en een betere algemene gezondheid tegen lagere kosten.

PlusPunt MC focuste de eerste twee jaar op het specialisme cardiologie met als doel een snelle, one stop shop diagnostiek van patiënten met hartklachten. Diagnostiek in PlusPunt MC valt onder eerstelijnszorg en heeft geen consequenties voor het eigen risico. Begin 2016 zijn de specialismen KNO, dermatologie, laagcomplexe chirurgie en interne geneeskunde aan het PlusPunt toegevoegd. Orthopedie en ouderengeneeskunde volgen.

Eerlijkheid gebiedt HOZL-medisch directeur en huisarts Bem Bruls te zeggen: “Het PlusPunt is maatwerk en succes verschilt per specialisme. Belangrijke voorwaarde is dat een specialisme zich goed leent voor substitutie van tweede- naar eerstelijnszorg. De betrokken specialisten moeten huisartsen-minded zijn.”

Onderzoek

De vraag is of substitutie zorgkosten ook écht afremt en de kwaliteit van zorg en gezondheid aantoonbaar verbetert. Maastricht UMC brengt de effecten in beeld, zodat tussentijds kan worden bijgestuurd. Gevraagd naar de ervaren kwaliteit van zorg scoort de interventiegroep van PlusPunt op 25 van de 27 variabelen voorlopig hoger dan de controlegroep. “Maar conclusies over kosten vergen longitudinaal onderzoek”, aldus gezondheidswetenschapper-epidemioloog Dirk Ruwaard in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Dat neemt niet weg dat huisartsen op lokaal niveau wel degelijk spreken over verschuivingen. Het aantal verwijzingen naar de tweede lijn is volgens Bem Bruls duidelijk verminderd.

Meer anderhalvelijnsproducten

Ook in de proeftuin Anders Beter in de Westelijke Mijnstreek zijn volgens Zuyderland MC-internist Mariëlle Krekels en huisarts Paul Bergmans succesvolle ‘anderhalvelijnsproducten’ ontwikkeld om laagcomplexe zorg in de eerste lijn te houden. Krekels en Bergmans zijn tevens directeur van MMC Omnes, een regionale organisatie die onder meer samenwerking tussen huisartsen en specialisten bevordert. Gevraagd naar de eerste successen van substitutie noemen zij onder meer e-meedenkconsulten, het osteoporosespreekuur en tele-dermatologische consulten.

Auteur: Ingrid Beckers

Download het volledige artikel hier:

Tien principes voor regionale samenwerking rond doelmatig geneesmiddelgebruik

Hoe geef je succesvol vorm aan regionale samenwerking? Het RIVM onderzoekt dit op verschillende fronten. Om te beginnen zijn nu tien leidende principes in kaart gebracht voor verbetering van regionale samenwerking om veilig geneesmiddelengebruik en doelmatig voorschrijven van medicatie te bevorderen.

Een betere inrichting van preventie, zorg en welzijn. Hogere kwaliteit van zorg, betere gezondheid en lagere kosten. Met die doelen voor ogen zijn in de afgelopen jaren regionale samenwerkingsverbanden ontstaan. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) volgt sinds 2013 een aantal van deze regionale initiatieven, namelijk de proeftuinen ‘Betere zorg met minder kosten’. Een van de hoofdvragen daarvan is: ‘Hoe geef je succesvol vorm aan regionale samenwerking?’

“Een van de eerste concrete interventies van deze regionale samenwerkingsverbanden was betere en meer efficiënte farmaceutische zorg”, zegt onderzoeker Hanneke Drewes, coördinator van de landelijke monitor proeftuinen van het RIVM. “Wij hebben in zeven regionale initiatieven onderzocht hoe die samenwerking rondom farmaceutische zorg tot stand is gekomen”, vertelt Betty Steenkamer, die promotieonderzoek verricht bij Caroline Baan, hoofd van de RIVM-afdeling Kwaliteit van Zorg en Gezondheidseconomie en hoogleraar integrale gezondheidszorg aan de Tilburg Universiteit.

Leidende principes

De onderzoekers spraken met dertig personen over de regionale samenwerking rondom doelmatig geneesmiddelengebruik. Het ging om huisartsen, apothekers, internisten, cardiologen, vertegenwoordigers van Zorgbelang, representanten van zorgverzekeraars en projectmanagers. Verder onderzochten ze wat op papier was gezet. Welke afspraken lagen er bijvoorbeeld en hoe waren de processen ingericht?

Het resultaat: tien leidende principes die een inspiratiebron kunnen zijn voor andere regionale samenwerkingsverbanden. Tien principes die, zo stelt Baan, de organisatie van goede samenwerking onderbouwen wanneer ze in samenhang worden geïmplementeerd. En waarschijnlijk eveneens toepasbaar zijn op andere terreinen dan dat van geneesmiddelen”, aldus Drewes.

  1. Organiseer commitment op basis van een langetermijnvisie
  2. Organiseer samenwerkingen met coöperatie en representatie op bestuurlijk niveau
  3. Maak gebruik van een gelaagde governance-structuur
  4. Creëer bewustzijn op alle niveaus
  5. Organiseer interpersoonlijke relaties op alle niveaus
  6. Richt een lerende omgeving in
  7. Organiseer gezamenlijke verantwoordelijkheid
  8. Stem financiële strategieën af op de markt
  9. Organiseer gezamenlijke voordelen
  10. Toets regionale afspraken aan landelijk beleid en landelijke wet- en regelgeving
Meer inzicht

De kracht zit hem in de inzichten uit de ervaringen van de proeftuinen die ónder de tien principes liggen, vertelt Steenkamer. Inzicht in deze details geeft je de mogelijkheid de strategie vorm te geven die past bij jouw omgeving.”

Download voor meer inzicht het volledige artikel.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Vastleggen gewenste zorg in laatste levensfase creëert rust

Als artsen de naderende dood op tijd markeren en bespreekbaar maken, kunnen patiënten rekenen op goede, individuele palliatieve zorg. Dat is de ervaring van de samenwerkende huisartsen, specialisten, apothekers en patiëntenorganisaties binnen de proeftuin Anders Beter in de Westelijke Mijnstreek. Onder de noemer Gewenste Zorg in de Laatste Levensfase startten zij een transmuraal zorgpad voor patiënten in de laatste levensfase. Met succes!

Vroeger heerste nog het idee dat je als arts maar beter niet kon praten over de naderende dood. “Die denkwijze is totaal achterhaald”, aldus Chantal de Weerd, geriater van Zuyderland Medisch Centrum Sittard-Geleen. “Onderzoek toont aan dat openheid rond de laatste fase patiënten letterlijk goed doet. Door betere symptoomcontrole leven ze bijvoorbeeld comfortabeler, mogelijk zelfs langer.”

Reden genoeg voor een nieuwe kijk op palliatieve zorg. Maar er zijn ook andere aanleidingen, zoals de vele ongewenste acute opnames, complexe vragen aan huisartsen of onnodig en verkeerd medicijngebruik in de laatste levensfase. Chantal de Weerd is een van de initiatiefneemsters van ‘Gewenste Zorg in de laatste Levensfase’. Onder de paraplu van de proeftuin Anders Beter ging het project anderhalf jaar geleden van start in de Westelijke Mijnstreek van Limburg.

Van reactief naar proactief

“De kern van het project is een transformatie van reactief naar proactief handelen”, vetelt De Weerd. Ter illustratie schetst ze het nieuwe zorgpad, waarbij vijftien huisartsen, twaalf specialisten en tien apothekers zijn aangesloten. “Eerste, belangrijke stap is dat de eerste en tweede lijn samen het moment markeren waarop een patiënt in aanmerking komt voor palliatieve zorg. In een palliatief assessment met de patiënt en zijn naasten komen diverse thema’s aan de orde. Welke dingen wil de patiënt nog graag doen? Worstelt hij met angst- of depressieve gevoelens? Welke zorg wenst hij nog wel of juist niet?” De uitkomst van het gesprek wordt vastgelegd en besproken in een multidisciplinair overleg. Daarop houdt de apotheker een medicatiereview. Tot slot stelt de hoofdbehandelaar een individueel zorgplan op waaraan alle betrokken partijen zich houden.

Onderzoek

De voortgang en effecten van het project Gewenste Zorg in de Laatste Levensfase worden vastgelegd door de Universiteit Maastricht en IQ Healthcare. Hieruit blijkt dat palliatieve patiënten gemiddeld genomen ruim een maand eerder in zorg komen dan aan het begin van het project. Daarnaast zijn er minder acute opnames en sterven meer mensen thuis zoals gewenst. Dat zorgt voor rust en tevredenheid, ook bij nabestaanden.”

Auteur: Ingrid Beckers

Download het volledige artikel hier:

Fragmentatie dreigt voor dementiezorg

Uit onderzoek van VUmc en AMC blijkt dat een gespecialiseerde casemanager dementie binnen een dementieketen van enorme toegevoegde waarde is voor thuiswonende mensen met dementie en hun mantelzorgers. Door wijziging in de financiering vallen die ketens echter uiteen. Volgens onderzoeker Hein van Hout is een interessant alternatief dat zorggroepen dementiezorg integreren in hun ketens.

Hein van Hout is verbonden aan de vakgroep huisarts- en ouderengeneeskunde van het VUmc. In november publiceerde hij, samen met andere onderzoekers van VUmc en AMC, in het Tijdschrift voor Gerontologie en Geriatrie de resultaten van hun COMPAS-studie naar de effecten van dementieketens met gespecialiseerde begeleiding voor thuiswonende mensen met dementie en hun mantelzorgers. Het is een pleidooi voor de casemanager dementie: een gespecialiseerde verpleegkundige met aanvullende scholing op het gebied van dementiezorg in een geïntegreerde keten. Het is voor het eerst dat dit effect is onderzocht, terwijl dergelijke casemanagers al jaren werkzaam waren in de ouderenzorg. Tot 2015 werden ze veelal gefinancierd vanuit projectpotjes. Na de transitie viel de financiering voor casemanagement dementiezorg onder het algemene budget voor wijkverpleging. “Dat leek geweldig, maar heeft onbedoeld het uiteenvallen van veel langlopende ketens in de hand gewerkt. Want financiering voor samenwerking ontbreekt”, zo constateert Van Hout.

“Patiënten die worden bijgestaan door een casemanager hebben minder gezondheidsproblemen, en hun mantelzorgers minder stress”, zegt Hein van Hout. En dat komt ook de maatschappij ten goede. Uit de studie blijkt dat langdurige begeleiding van thuiswonende mensen met dementie flinke besparingen kan opleveren: van 11.000 tot 16.000 euro per jaar per persoon. Eén casemanager, die vijftig cliënten begeleidt, kan de samenleving dus jaarlijks 5,5 tot acht ton besparen. “Dat komt onder meer doordat casemanagers de mantelzorgers veel regelwerk en uitzoekwerk uit handen nemen. En dat scheelt heel veel tijd en stress”, legt Hein van Hout uit.

Gespecialiseerde organisatie

Van Hout volgde drie groepen thuiswonenden met dementie: een groep die gebruikelijke zorg kreeg zonder casemanager, een groep die zorg kreeg vanuit een netwerk en een groep die zorg kreeg van casemanagers binnen een geïntegreerd, multifunctioneel expertteam binnen de eigen organisatie. In het zogenaamde ‘netwerkmodel’ delen samenwerkende thuiszorgorganisaties een wachtlijst, ze delen expertise en casemanagers kunnen advies vragen aan externe experts – zoals een geriater. Vergeleken met de controlegroep bleken de zorgkosten lager als personen worden begeleid vanuit een netwerk (22 procent), maar vooral vanuit een gespecialiseerde organisatie (33 procent).

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Zeg maar dag tegen diabetes

Diabetes type 1 heeft grote impact op het leven van kind en omgeving. Nieuwe inzichten in de oorzaak leiden tot effectievere therapieën. Over vijf jaar kunnen de eerste patiënten genezen zijn. Met dank aan wetenschappelijk onderzoek en toepassing van eHealth. Arts en onderzoeker Henk-Jan Aanstoot van behandelcentrum Diabeter is hiervan overtuigd.

Over een aantal jaren hoeft diabetes type 1 geen aandoening meer te zijn die een zware wissel trekt op het leven van de patiënt. Dan hebben patiënten spuit en pomp omgeruild voor een automatische alvleesklier die zorgt voor de juiste bloedsuikerwaarde in het lichaam. “Over vijf jaar lopen patiënten rond met zo’n ‘automaat’ en is hun leven definief veranderd. De volgende stap is genezing”, zo stelt Henk-Jan Aanstoot, kinderarts, diabetoloog, onderzoeker en oprichter van behandelcentrum Diabeter.

Voor de behandeling van diabetes is geen ziekenhuisomgeving nodig, zo dacht Dr. Henk-Jan Aanstoot toen hij samen met Henk Veeze in 2006 Diabeter in Rotterdam startte, waar wetenschappelijk onderzoek de basis moet vormen voor zinvolle zorgvernieuwing. Tien jaar later is Diabeter gegroeid van één naar vijf locaties. Maar belangrijker nog: het zorgbedrijf maakt het verschil voor diabetespatiënten in Nederland.

Doorbraak in onderzoek

Door een fout van het afweersysteem is bij type 1 diabetes de insulineproductie kapot. Cellen van het afweersysteem vallen de zogenaamde bètacellen in de alvleesklier aan. Het lichaam kan niet voldoende insuline maken. Sinds kort is er een doorbraak in onderzoek naar type 1: het is niet een en dezelfde ziekte, maar bestaat uit varianten. Een onderzoek van Diabeter richt zich op het vinden van een verklaring waarom type 1 diabetes in verschillende verschijningsvormen voorkomt. “We zoeken naar merkstoffen in het bloed, biomarkers, die deze verscheidenheid aangeven. Als we nieuwe biomarkers opsporen, begrijpen we de ziekte beter. Biomarkers zijn nodig om de beste behandeling voor ieder individu te vinden. We zijn al lang het laboratorium uit en testen nieuwe therapieën bij kinderen met type 1. Op termijn levert dat nieuwe behandelmogelijkheden op. Nu we weten dat diabetes niet één en hetzelfde ziektebeeld is, zal er ook niet één manier zijn van genezing. We gaan naar behandeling op maat.”

Ondertussen richt de behandeling zich op het verbeteren van de insulinepomp en sensortechnologie. Deze technologie is al ver. “Een sensor op het lichaam – maar ook gegevens uit een glucosemeter of een insulinepomp –  meet continu de bloedsuikerwaarde en stuurt via de smartphone data naar de cloud. We kunnen zo persoonlijke adviezen geven. Met deze cloudcare gebruiken we persoonlijke data voor advies op maat. Of neem de hybride alvleesklier: een apparaat dat met een continu metende sensor en een algoritme te lage (hypo) en te hoge (hyper) waardes voorkomt door tijdig de insulinedosis aan te passen.”

Auteur: Niels van Haarlem

Download het volledige artikel hier:

Discussie over overhead eerstelijnszorg

Is er overhead nodig in de eerstelijnszorg? Een rare vraag zou je kunnen zeggen. Als er organisatie, aanspreekbaarheid, verantwoordelijkheid en continuïteit nodig is, dan is overhead nodig, toch? Desondanks laait de discussie steeds weer op en wordt er een analyse uitgevoerd. De Eerstelijns ging op onderzoek.

Overhead is ook nodig als er kwaliteitseisen, integrale afgestemde zorg, ICT, samenwerking, transparantie of innovatiekracht wordt gevraagd. Als je collectief wilt onderhandelen met zorgverzekeraars en adequaat wilt afstemmen met andere stakeholders als ziekenhuizen, V&V of gemeente. Wat is het dan toch raar dat er al twee jaar een discussie woedt tussen InEen en de zorgverzekeraars over overhead. Zorgverzekeraars willen weten wat het oplevert. Dat staat hierboven al opgesomd. Overhead levert geen zorgprestaties of resultaten op, want overhead is een randvoorwaarde voor zorgprestaties. Net als in ziekenhuizen, GGZ-instellingen, V&V en niet te vergeten bij zorgverzekeraars zelf! Het percentage overhead bij zorgverzekeraars is klein, een kleine 3%. Maar aangezien het om tientallen miljarden gaat, is het absolute bedrag groot: in de Zorgverzekeringswet (Zvw) praten we over een overhead van €1 tot 1,5 miljard. Ongeveer de helft van het totale huisartsenbudget in Nederland. Zorgverzekeraars vragen geen toestemming over besteding van dat immense bedrag, over salarissen aan de top, over marketingcampagnes, over participaties in private ondernemingen, over reserves. Ze leggen verantwoording af aan hun verzekerden, die echter verplicht bij een verzekeraar aangesloten zijn. Toch zal niemand ontkennen dat er overhead nodig is om de Zvw adequaat uit te voeren. Waarom dan zo kritisch over overhead in de eerstelijnszorg?

Ten eerste omdat er al overhead is in de eerstelijnszorg: bij huisartsen in de bedrijfskosten, in tarieven van apothekers, bij eerstelijnspsychologen en fysiotherapeuten in integrale tarieven. Klopt, maar dit betreft alleen kosten die gericht zijn op het voeren van een enkelvoudige praktijk. Zoals ICT, huisvesting, administratie, management voor eigen gebruik. Vaak uitgevoerd door een zorgaanbieder/ondernemer.
Daarnaast zijn er eerstelijnsorganisaties waar meer zorgaanbieders c.q. disciplines gefaciliteerd worden om hun werk uit te voeren. Ook binnen deze organisaties is overhead van toepassing. Deze is divers van aard, niet eenduidig opgezet qua structuur en niet eenduidig geïnterpreteerd door inkopende zorgverzekeraars. Ook daar zit een deel van de frustratie bij de zorgverzekeraars. 

Download het volledige artikel hier:

Symposium over big data in lokaal gezondheidszorgbeleid

Lokaal gezondheidszorgbeleid is steeds meer een zaak van zowel gemeenten als van eerstelijns voorzieningen. Om dat beleid te voeden is informatie nodig. Eén van de mogelijke informatiebronnen is NIVEL Zorgregistraties eerste lijn, een landelijk representatieve onderzoeksinfrastructuur, met gegevens uit elektronische patiëntendossiers van eerstelijns voorzieningen. In het middagsymposium over big data dat 21 maart 2016 plaatsvindt, staat de vraag centraal welke mogelijkheden NIVEL Zorgregistraties biedt om in de benodigde informatie te voorzien. Noteer de datum alvast in de agenda!

NIVEL Zorgregistraties kan ondersteuning bieden bij het in kaart brengen van effecten van het veranderde zorgstelsel in Nederland. Deze middag willen wij van u horen wat de informatiebehoefte van bestuurders en beleidsmakers is om het lokale zorgbeleid en -uitvoering te kunnen ondersteunen. NIVEL Zorgregistraties zal laten zien wat wij te bieden hebben om veranderingen binnen de zorg te beschrijven, verklaren en monitoren, waarmee beleid getoetst en aangepast kan worden. De middag zal daarom een interactief karakter hebben waarbij aanbod en behoefte aan informatie elkaar afwisselen.

NIVEL Zorgregistraties eerste lijn verzamelt op continue basis routinematig in elektronische patiëntendossiers vastgelegde gegevens in eerstelijns zorgvoorzieningen: huisartspraktijken, organisaties van huisartsenposten, fysiotherapiepraktijken, oefentherapiepraktijken, diëtetiekpraktijken, eerstelijns psychologen en apotheken. Het gaat daarbij om grote hoeveelheden gegevens die koppelbaar zijn aan weer andere zorggegevens. De dataverzameling omvat onder meer gegevens van ruim vijfhonderd huisartsenpraktijken, met een totale populatie van ongeveer 1,6 miljoen individuen.

Download het volledige artikel hier: