Berichten

Pilot onderzoekt succesvoorwaarden thuismeten bloeddruk

Patiënten met stabiele laagcomplexe CVRM komen gemiddeld vier keer per jaar op consult, in hoofdzaak om hun bloeddruk te laten meten. Is dat nou zinvol?, vroegen zorgverleners van Gezondheidscentrum Dillenburg in Alphen aan den Rijn zich af. Binnen de proeftuin Gezonde zorg, Gezonde regio startten zij een pilot waarbij patiënten hun bloeddruk zelf meten en delen met huisarts en POH.

Thuismeten scheelt tijd en kosten en de zorgverlener kan focussen op patiënten die wél aandacht nodig hebben, is de conclusie uit de succesvolle pilot. Tegelijkertijd maakt het deelnemers meer bewust van hun bloeddruk en gezondheid. Het succes van de pilot is te danken aan het naleven van een aantal voorwaarden, vertellen huisarts Frank den Heijer en projectleider Huib Hoogendijk van Zorgbelang.

Een van die voorwaarden is draagvlak, zowel bij zorgverleners als bij patiënten. Een tweede voorwaarde is dat de groep deelnemers voldoet aan drie criteria: medisch laagcomplex, digitaal vaardig en sociaal stabiel. De huisartsenpraktijk heeft iets meer dan zevenhonderd CVRM-patiënten. Ongeveer driehonderd voldeden aan de criteria. Die werden in september uitgenodigd voor twee informatieavonden. “We wilden minimaal zestig deelnemers hebben”, legt Huib Hoogendijk uit. “Dan heb je een relevante grootte, zodat je je processen echt moet reorganiseren. Na de informatieavonden wisten we dat het raak was. We kregen honderd aanmeldingen.”

Snelle communicatie

Het programma E-vita zorgt ervoor dat de thuismetingen op de goede manier in het keteninformatiesysteem en huisartsinformatiesysteem terechtkomen en dat patiënten en zorgverleners kunnen communiceren via een portaal. Daarom werd geselecteerd op digitale vaardigheid. Technologie is belangrijk, maar niet doorslaggevend. Het draait vooral om snelle communicatie, betogen Hoogendijk en Den Heijer. “Als patiënten hun metingen en eventuele vragen insturen en het duurt lang voordat er antwoord komt, dan zijn ze binnen no-time afgehaakt”, zegt Frank den Heijer. “Dus moet je iemand vrijmaken die dagelijks metingen en andere meldingen bekijkt en ingaat op vragen van patiënten. Dat is best een investering, maar die betaalt zich op lange termijn uit in tijdwinst.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Pilot toont belang van psychosociale zorg bij kanker

Na een behandeling kan de kanker uit het lichaam zijn, maar nog jaren in het hoofd blijven spoken. Veel (ex-)kankerpatiënten blijven met psychische klachten rondlopen, waardoor ze moeite kunnen hebben om deel te nemen aan het gewone leven. Passende psychosociale zorg bij een aanpassingsstoornis is in 2012 uit het basispakket van de zorgverzekering gehaald. Vanaf 1 maart is een pilot gestart om deze zorg weer te vergoeden.

Voorwaarde is wel dat de behandeling wordt gegeven door een bij de Nederlandse Vereniging Psychosociale Oncologie (NVPO) ingeschreven behandelaar en volgens de richtlijn ‘Aanpassingsstoornissen bij patiënten met kanker’. Psychiater Tineke Vos was voorzitter van de werkgroep die de richtlijn opstelde. “De diagnose kanker kan de grond onder je voeten vandaan slaan”, zegt Vos. “Dat is logisch, want alles verandert in je leven. Hoe je je daarop aanpast, heeft met je persoonlijkheid te maken: ben je flexibel of rechtlijnig, laid back of altijd bezig alle ballen in de lucht te houden? Maar vooral: hoe is je veerkracht? Deze hangt samen met je lichamelijke gezondheid, je autonomie, je sociale steun en je zingeving.”

Kort na de diagnose wordt een patiënt opgevangen in het ziekenhuis. Eventuele problemen komen soms pas na het eerste behandeltraject aan het licht, als de patiënt weer thuis is en zijn of haar leven moet oppakken. “En dan komt de huisarts in beeld. Patiënten met borstkanker kunnen bijvoorbeeld nog jarenlang hormonale therapie krijgen en komen nog maar af en toe in het ziekenhuis. De huisarts moet de coördinerende rol kunnen overnemen als dat nodig is en signaleren als het niet goed gaat. De huisarts of POH-GGZ kan dan zelf helpen, maar het is fijn als kan worden doorverwezen naar specialistische hulpverleners als een psycholoog of een psychotherapeut. De nieuwe pilot maakt dit mogelijk.”

Klankbord

Ook Anja Kemp-Veens kwam nadat ze in 2012 voor borstkanker werd behandeld in een rollercoaster, vertelt ze. “Pas een maand of drie na de behandeling kwam het besef dat mijn leven echt veranderd was. Ik merkte dat ik minder weerstand had en mijn hoofd kon ook minder aan. Mijn huisarts raadde mij aan om een psycholoog bij een gespecialiseerd instituut te bezoeken. Die heeft mij geleerd om goed voor mezelf te zorgen en mijn grenzen aan te geven. De kern van de boodschap was: ‘ik mag er zijn’. Dat was precies wat ik toen nodig had.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Longzorg gestuurd op uitkomsten

De zorgverleners in Nijkerk waren pioniers toen ze drie jaar geleden samen met zorgverzekeraar Zilveren Kruis besloten om in de eerstelijnslongzorg niet langer te sturen op productie, maar op uitkomsten. De resultaten van de pilot, die eind 2017 is afgesloten, zijn positief.

Afgerekend worden op uitkomsten, niet op productie, dat is de crux bij de pilot Innoverend contracteren in de eerstelijnslongzorg bij de twee gezondheidscentra De Nije Veste en Corlaer in Nijkerk. Zo’n tweehonderd zorgverleners, zoals huisartsen, apothekers en fysiotherapeuten, zijn daarbij aangesloten. De pilot, die april 2015 van start ging, werd mogelijk door een shared savings-contract met resultaatafspraken, afgesloten tussen de zorggroepen in Nijkerk en zorgverzekeraar Zilveren Kruis. “Doel van de pilot is om goede zorg te leveren voor onze COPD-patiënten, zonder daarbij gehinderd te worden door schotten, domeinen of discussies over eigenaarschap, bijvoorbeeld tussen eerste en tweede lijn,” legt Sam Siemssen uit, directeur Gezondheidscentra Nijkerk. “Met dit contract konden we de transmurale samenwerking tussen de longartsen van de ziekenhuizen Meander en Sint Jansdal en de eerstelijnszorg in Nijkerk goed organiseren.”

Eind 2017 is de driejarige pilot afgerond en geëvalueerd. Drie doelstellingen stonden daarbij voorop: verbeterde gezondheid van de COPD-populatie, betere ervaren kwaliteit van zorg door de patiënten en kostenreductie van de zorg. Het zijn de bekende Triple Aim-doelstellingen, legt Siemssen uit. “Wij hebben dat verbreed naar Quadruple Aim, door er een verbeterd werkplezier van zorgverleners als doelstelling aan toe te voegen.”

Meer tijd en aandacht

Drie van de vier doelstellingen zijn ruimschoots behaald. Zo is het aantal patiënten dat zich benauwd voelt sterk afgenomen en is het aantal verpleegdagen voor patiënten die voor COPD in het ziekenhuis waren opgenomen in 2015 en 2016 duidelijk verminderd ten opzichte van 2014. De ervaren kwaliteit van zorg is eveneens flink verbeterd. “Patiënten geven aan meer tijd en aandacht te krijgen. Er wordt beter naar hen geluisterd en ze krijgen betere instructies. Patiënten hebben verder het gevoel dat ze een beter gesprek met zorgverleners kunnen voeren, doordat ze beter zijn geïnformeerd over de behandeling.”

En ook de zorgverleners zijn tevreden. De gevraagde kostenreductie is nog niet gerealiseerd. “De schaalgrootte van longzorg bleek niet voldoende om maximaal rendement en resultaat te kunnen bewerkstelligen op de investeringen. Vandaar dat we hebben besloten om de pilot per 1 januari 2018 uit te breiden naar de zorg voor alle patiënten met chronische aandoeningen in ons verzorgingsgebied.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

“Binnen een virtueel verzorgingshuis is het contact intensiever”

De groep kwetsbare ouderen wordt steeds groter en er is meer aandacht en budget voor de zorg aan en begeleiding van deze groep. Tegelijkertijd verbrokkelen traditionele structuren. Dat kan worden opgevangen door digitaal aangestuurde netwerkzorg, mits die goed is georganiseerd én daadwerkelijk aansluiting heeft op systemen van professionals. Kernpunten daarin zijn goede beveiliging van gegevens en efficiënte communicatie met andere zorgsystemen. Dat blijkt uit een bijzonder project voor kwetsbare ouderen in Zuidoost-Brabant.

Ouderenzorg gaat niet meer alleen over het voorkomen, genezen of behandelen van aandoeningen. Het draait vooral om zo gezond en gelukkig mogelijk leven. Vroeger gebeurde dat in een verzorgingshuis. Tegenwoordig wil men zo lang mogelijk thuis blijven wonen en dat wordt ook van overheidswege gestimuleerd. Hierdoor worden veel verzorgingshuizen uitgekleed of zelfs gesloopt. Dat laatste gebeurde ook met het Sint Jozefshuis in Nederweert. En dat is jammer, zo redeneerde oud-huisarts Thieu Heijltjes. Want een traditioneel verzorgingshuis kent een managementlaag die toeziet op welzijn en welbevinden en nauw samenwerkt met huisartsen, apothekers, wijkverpleegkundigen en maatschappelijk en sociaal werk. Signalen worden opgevangen en gecommuniceerd op het moment dat dat nodig is. Dat kan toch niet verdwijnen? Zijn oplossing was: het Sint Jozefshuis nabootsen, maar dan virtueel. Het virtuele verzorgingshuis is opgezet in 2014 door burgerinitiatief Stichting Coördinatie Zorg en Welzijn (SCZW) samen met de Cliëntenvereniging Virtueel Zorghuis (CVZ).

Pilot

Het doel van het zorgplatform was om oudere, mantelzorger, professional en vrijwilliger beter te laten samenwerken. Belangrijk was dat ouderen en/of mantelzorgers inzicht krijgen in hun eigen zorgdossier, net als alle partijen die deelnemen in het zorgproces. Het initiatief bleek goed te werken. Maar technisch gezien was er een uitdaging. Er was verbinding nodig met de huisartsenpraktijken van Zorggroep PoZoB. Daar is met hulp van Care2U een oplossing voor gevonden. Sinds oktober loopt er een pilot waarin het individueel zorgplan (IZP) via MijnGezondheidsPlatform (MGP) wordt gedeeld met oudere/mantelzorger, wijkverpleegkundige, zorgtrajectbegeleider dementie en praktijkondersteuner ouderenzorg, legt huisarts en stafarts kwetsbare ouderen Cora van der Velden uit. “Er loopt nu een pilot bij twee praktijken in Maarheeze. Daar doen zo’n veertig a vijftig ouderen of mantelzorgers aan mee. Na de zomer gaan we het uitbreiden naar zeven praktijken in heel Cranendonck.” Het past helemaal binnen het zorgprogramma voor kwetsbare ouderen dat de zorggroep heeft opgezet, aldus Van der Velden.

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Minder verwijzingen met eenmalige consultatie specialist

Het project Eenmalige consultatie medisch specialist in Twente startte in april 2016. Het leidt tot goede resultaten in het streven naar het verlenen van zorg op de juiste plek: in het ziekenhuis als het moet, bij de huisarts als het kan.

Het project Eenmalige consultatie medisch specialist (ECMS) is een initiatief van het Zorgnetwerk Zenderen. Hierin participeren de zorggroepen THOON en FEA, Medisch Spectrum Twente (MST), Ziekenhuisgroep Twente (ZGT) en zorgverzekeraar Menzis. Adviesbureau Roset faciliteert het project.

Het concept

Binnen het project kan de huisarts een patiënt insturen voor een eenmalig consult bij de medisch specialist. Dit doet de huisarts als hij denkt de patiënt wel in de eerste lijn te kunnen behandelen, maar twijfels heeft over de diagnose of het behandelbeleid. Bij ECMS wordt het eigen risico van de patiënt niet aangesproken. De specialist roept de patiënt binnen twee weken op of beantwoordt de vraag via een eConsult. Vervolgens krijgt de huisarts een gericht advies over de behandeling. De specialist maakt geen gebruik van de diagnostische mogelijkheden van het ziekenhuis. Alleen ‘hoofd en handen’ worden ingezet. Carin Pipers, projectleider Roset, legt uit: ”Bij ECMS in Twente blijft de medisch specialist in het ziekenhuis. Dit in tegenstelling tot andere initiatieven, waarbij meekijkconsulten in de eerste lijn worden georganiseerd. Het voordeel van ECMS is dat de organisatorische impact gering is: er zijn geen aparte ruimtes of voorzieningen nodig, geen reizen van specialisten door de regio, geen verzameling van patiënten voor speciale spreekuren.”

Status pilot

Op 1 april 2016 is de pilot gestart in het adherentiegebied van MST en in samenwerking met de maatschappen neurologie, interne en reumatologie. Vanaf 1 juli 2016 is dat uitgebreid met kindergeneeskunde en dermatologie vanuit ZGT. In totaal nemen nu 58 huisartsen in Twente aan de pilot deel. De looptijd van de pilot is van april 2016 tot 1 januari 2018. In september 2017 worden de resultaten geëvalueerd en bepaald of ECMS reguliere zorg wordt in 2018.

Resultaten tot dusver

Vanaf het begin van de pilot wordt tot op patiëntniveau gemonitord hoe het proces verloopt. Zijn patiënten tevreden? Wordt er snel op een vraag door een specialist gereageerd? Kan de huisarts verder met de gegeven adviezen? Daarnaast wordt eens per kwartaal aan de deelnemers gevraagd of ze tevreden zijn over het proces. De resultaten tot dusver zijn heel positief. Wat cijfers:

  • Patiënten beoordelen het eenmalig consult bij de medisch specialist (ECMS) gemiddeld met een 8,5.
  • Huisartsen zouden zonder het ECMS in 88 procent van de gevallen direct verwijzen naar de specialist.
  • In 77 procent van de gevallen kan de behandeling worden voortgezet in de eerste lijn.
  • De specialisten achten de patiënt in 85 procent van de gevallen geschikt voor het ECMS.

Auteur: Carin Pipers, Roset

Download het volledige artikel hier:

GGZ-triagist versterkt de huisartsenpost

Patiënten die tijdens de avond, nacht of het weekend psychische klachten hebben, komen vaak bij de huisartsenpost terecht. De structuur is daar echter niet op ingericht, waardoor deze mensen het risico lopen in een ‘niemandsland’ terecht te komen. In de regio Noord-Limburg staat sinds 2015 een ervaren GGZ-medewerker het team triagisten terzijde. De ervaringen zijn positief.

Patiënten met psychische klachten vragen om specifieke expertise en vergen meestal meer tijd dan patiënten met somatische klachten. Triagisten en huisartsen op de huisartsenpost  ontbreekt het doorgaans aan die extra tijd. De oriëntatie van triagisten ligt bovendien voornamelijk op somatische problematiek. “Alle partijen wilden goede hulp geven aan patiënten met psychische problemen, maar buiten kantooruren verliep dat nogal moeizaam”, zegt psychiater Cloë Bollen van GGZ-organisatie Vincent van Gogh. “Huisartsen meenden soms dat ze onvoldoende gespecialiseerde kennis hadden om goed met de problematiek om te gaan. Daar kwam bij dat de patiënt dikwijls lang op de crisisdienst moest wachten. Die dienst heeft een beperkte personele bezetting en een groot werkgebied, lange reistijden dus.”

Pilot

Op de achtergrond speelt de inkrimping van de gespecialiseerde GGZ en de overheveling naar de basis-GGZ, vertelt Bollen, terwijl de basis-GGZ daar nog niet op ingericht is. “Ingewikkelde vragen die vroeger in de psychiatrie werden opgevangen, komen nu bij de huisarts en buiten kantooruren op de spoedpost. Wij vroegen ons af: hoe krijgen we de expertise op de juiste plek en hoe kunnen we de huisarts optimaal ondersteunen bij de zorgverlening aan mensen met psychische problemen?” Het antwoord was een pilot, waarin een ervaren medewerker van de GGZ zich tijdens een deel van de ANW-uren bij het team triagisten voegt van de spoedpost Noord-Limburg.

Verwarrende situaties

De pilot, die in juni 2015 begon, is een gezamenlijk initiatief van Provico, een netwerk dat huisartsen ondersteunt op het gebied van GGZ, huisartsengroep Cohesie en GGZ-organisatie Vincent van Gogh voor geestelijke gezondheid.

Aanvankelijk was de GGZ-triagist een verpleegkundige met een gedegen GGZ-achtergrond. Intussen is het competentieprofiel bijgesteld en vervullen medewerkers van de IHT (Intensive Home Treatment-teams) de functie. Bollen legt uit waarom. “Die IHT-medewerkers zijn nog beter toegerust om patiënten in crisis adequaat op te vangen. GGZ-expertise alleen is niet genoeg, de GGZ-triagisten moeten precies weten hoe een crisisdienst werkt en wanneer er opgeschaald moet worden naar die dienst. Ze moeten kunnen de-escaleren, de eerste crisisinterventies verrichten en adviseren hoe de thuissituatie genormaliseerd kan worden als er sprake is van suïcidaliteit of agressiviteit. De GGZ-triagist moet de spoedpost kunnen ondersteunen en adviseren als er een gedragsgestoorde of agressieve patiënt binnenkomt. IHT’ers kunnen dat. We hebben gemerkt dat we een serieuze kwaliteitsslag maken.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Huisarts Marcia de Krom verbindt partijen rond jeugdigen in Rotterdam Zuid

Een pilot in Rotterdam Zuid moet ervoor zorgen dat jeugdigen die zorg nodig hebben niet te maken krijgen met een groot aantal partijen die onvoldoende op de hoogte zijn van elkaars handelen. Initiatiefnemer is huisarts Marcia de Krom. “We willen een blijvend effect zien”, vertelt ze.

In de Tarwewijk in Rotterdam Zuid is bij veel jeugdigen en gezinnen sprake van problemen in ontwikkeling, gedrag en sociale situatie. “Bij de zorg voor jeugdigen zijn al snel heel veel partijen betrokken en de ervaring leert dat die niet altijd van elkaars betrokkenheid en inspanningen op de hoogte zijn”, zegt Marcia de Krom, huisarts in gezondheidscentrum Zuidplein in Rotterdam. “Denk  aan wijkteams, Centra voor Jeugd en Gezin, huisartsen, school, logopedie, tweedelijns GGZ en kinderartsen.” Na een eerdere vruchteloze poging, bracht ze het probleem opnieuw ter sprake bij de gemeente. “En nu lukte het wél: ook de gemeente zag het belang van betere communicatie tussen de partijen die bij de zorg voor jeugdigen betrokken zijn.”

Klein beginnen

Sterker nog, De Krom moest het enthousiasme van de gemeente een beetje beteugelen, want die wilde meteen een pilot voor de hele gemeente optuigen. “Hoe meer partijen betrokken zijn, hoe moeilijker het is om tot afspraken te komen. Dus zijn we bewust begonnen met een pilot in één wijk, met samenwerking tussen de drie meest direct betrokken partijen: het wijkteam, het Centrum voor Jeugd en Gezin en de huisartsen.”

De pilot, gestart op 1 september 2016, heeft een duidelijk doel: de samenwerking tussen de partijen verbeteren om zo te komen tot passende zorg voor de jongere en het gezin waarin deze woont. Het project bestaat uit een maandelijks multidisciplinair overleg tussen het Centrum voor Jeugd en Gezin, het wijkteam, het consultatie- en diagnoseteam en de huisarts. Zij voeren hun overleg op basis van een convenant waarin de privacy van de patiënten is gewaarborgd.

Complexe problemen

“Tarwewijk is een achterstandswijk, dus het gaat vaak om complexe problematiek”, vertelt De Krom, “werkeloosheid, psychiatrische problemen bij de ouders, gedragsproblemen bij de kinderen. We zien nogal eens dat een jeugdige snel bij de jeugd-GGZ terechtkomt, terwijl een directe rol van het wijkteam misschien waardevoller kan zijn. Juist daarom is het multidisciplinair overleg zo belangrijk. Alle partijen in de pilot zijn overtuigd van de meerwaarde daarvan.”

De Krom wordt voor haar inspanningen als projectleider van de pilot en haar deelname aan het multidisciplinair overleg gefinancierd vanuit het Fonds Achterstandswijken. Als de pilot slaagt en de werkwijze wordt uitgerold, is structurele financiering nodig.

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Uitkomsten eerstelijns pilot DBC-CVRM: landelijke uitrol kan leiden tot aanzienlijke besparing

Eén op de drie Nederlanders overlijdt door hart- en vaatziekten (HVZ). Zo’n vier procent van de bevolking (640 duizend patiënten) heeft HVZ. Door vergrijzing stijgt dit naar verwachting in 2025 tot zes procent van de bevolking (één miljoen mensen). Preventie kan bij mensen met een verhoogd vasculair risico (VVR) HVZ voorkomen, en bij HVZ-patiënten een recidief event voorkomen. Dit artikel bespreekt de eerste uitkomsten van drie jaar ketenzorg (periode 2010-2013) van vasculair risicomanagement (VRM) in twee zorggroepen in Zuidoost-Brabant. 

PoZoB is een zorggroep met ruim tweehonderd huisartsen en 150 praktijkondersteuners in een gebied van 410 duizend inwoners. De patiëntenpopulatie is een mix van platteland, semi-stedelijk en stadspraktijken (Eindhoven). DOH is een zorggroep van 17 grootschalige huisartsenpraktijken / gezondheidscentra die zorg biedt aan ruim 126 duizend patiënten in regio Eindhoven. Er werken 75 huisartsen en 120 praktijkondersteuners.

In een gebied met ruim 500 duizend inwoners zijn PoZoB en DOH in 2010 samen en in afstemming met zorgverzekeraars VGZ en CZ gestart met een pilot DBC-CVRM. De centrale gedachte was dat de eerste lijn de primaire en secundaire preventie van hart- en vaatziekten (HVZ) het beste kan organiseren, dicht bij de patiënt en diens gezin. De doelstelling van het zorgprogramma CVRM is het voorkómen van (eerste of nieuwe) manifestaties en complicaties van HVZ. De DBC is gebaseerd op de “Zorgstandaard Vasculair Risicomanagement”, de Richtlijnen “Cardiovasculair risicomanagement” van zowel het CBO als NHG, en de NHG-Standaarden “TIA/CVA”, “Beleid na een doorgemaakt myocardinfarct”, “Stabiele angina pectoris” en “Atriumfibrilleren”. De principes zoals omschreven in het Chronic Caremodel worden in de DBC uitgevoerd. Speerpunten in dit zorgprogramma zijn de organisatie van multidisciplinaire samenwerking tussen huisarts, praktijkondersteuner, diëtist, fysiotherapeut, apotheker, medisch specialist en huisartsenlaboratorium, en het bevorderen van zelfmanagement met een individueel zorgplan voor elke patiënt.

Door periodieke spiegelinformatie en feedbackbesprekingen is er goed zicht op de prestaties op zorggroepniveau en op individueel praktijkniveau. Dat vormt de basis voor een gericht en systematisch kwaliteitsbeleid met sturing op betere zorguitkomsten voor patiënten, ofwel vermindering van (nieuwe) events en complicaties.

De eerstelijns pilot DBC-CVRM is bedoeld voor twee groepen patiënten: groep 1: patiënten met een verhoogd vasculair risico (VVR) zonder ziekte. Dat zijn patiënten met hypertensie of hypercholesterolemie die op basis van de SCORE-systematiek uit de richtlijnen in aanmerking komen voor behandeling. En patiënten met een absolute behandelindicatie voor hypertensie (systolisch > 180) of hypercholesterolemie (ratio > 8). Doel is om een cardiovasculair event te voorkomen door primaire preventie.

Groep 2 zijn patiënten met een hart- of vaatziekte (HVZ), of patiënten die een cardiovasculair event hebben doorgemaakt. Bij hen is in principe levenslang cardiovasculair risicomanagement nodig. Doel is om een nieuw event voorkomen door secundaire preventie.

Bij de start van de pilot in 2010 is zorgvuldig dossieronderzoek verricht bij alle patiënten bij wie inclusie in de DBC werd overwogen. Daarbij is gezocht op relevante ATC-codes en op ICPC-codes. Ook is gekeken of bij de start van de behandeling een SCORE was vastgesteld. Zo nodig is de medicatie tijdelijk gestopt om alsnog een SCORE te bepalen.

Download het volledige artikel hier: