Berichten

Verbeterstrategie voor interprofessionele samenwerking

Professionals van verschillende disciplines in zorg en welzijn werken steeds meer samen om goed invulling te geven aan de hulp- of zorgvraag van een individu. Lokaal wordt daar op verschillende manieren invulling aan gegeven en zijn verschillende mensen betrokken. Teamreflectie vanuit een groepsdynamisch perspectief kan helpen om die ‘interprofessionele samenwerking’ kritisch te bekijken en naar een hoger plan brengen.

Bij interprofessioneel samenwerken wordt er gestreefd naar een holistische aanpak, waarbij de mens centraal staat en niet langer de ziekte en waarbij wordt toegewerkt naar een gezamenlijk zorg- of ondersteuningsplan. Interprofessionele teamsamenwerking kent verschillende vormen. Voorbeelden zijn het multidisciplinaire overleg (MDO), hometeam, sociaal team, wijkteam, zorgteam of Interprofessioneel teamoverleg.

Team reflexiviteit

Aangezien elk interprofessioneel team anders is samengesteld, te maken heeft met een andere context en zijn eigen specifieke kenmerken heeft, kan reflexiviteit – de mate waarin teams kunnen reflecteren op het eigen functioneren – worden gezien als basis voor verdere doorontwikkeling. Reflexiviteit hangt positief samen met team effectiviteit. Daarnaast is bekend dat team reflexiviteit een belangrijke voorspeller is voor innovatie. Meer recent beschrijft de Haan in zijn boek de volgende resultaten van teamreflectie: begrip en inzicht, combineren van uiteenlopende meningen en gezichtspunten en feedback voor alle teamleden vanuit alle niveaus.

Het door Goossens ontwikkelde model Integrale Procesbegeleiding van Groepen (IPG) is als algemeen groepsdynamisch model  breed bruikbaar om groepsdynamieken en groepsprocessen te observeren, te analyseren, om vervolgens strategie te bepalen, te interveniëren en te evalueren. Voor wat betreft teamreflectie biedt het IPG model vanuit vier basiscomponenten mogelijkheden om te reflecteren op:

  • de invloed van de context op het teamfunctioneren;
  • de fase van groepsontwikkeling waarin het team zich bevindt;
  • de vijf communicatieniveaus;
  • de invloed van leiderschap en leiderschapsstijlen op de ontwikkeling en communicatie
Vijf communicatieniveaus

Elk interprofessioneel team communiceert op verschillende communicatieniveaus. Om als team goed te kunnen reflecteren op het functioneren en onderliggende groepsprocessen is inzicht in deze communicatieniveaus nodig. De in het IPG-model beschreven communicatieniveaus zijn: inhoudsniveau, procedureniveau, interactieniveau en bestaansniveau. Naast de communicatieniveaus zijn ook invloeden van de buitenwereld zoals maatschappelijke invloeden, overheidsbeleid of voormalige groepservaringen zichtbaar in de communicatie van het team. Dit wordt ook wel het contextniveau genoemd.

In het model interprofessioneel  teamoverleg hebben Van Dongen en Goossens de verschillende communicatieniveaus vertaald naar: Wie zitten er aan tafel? (het contextniveau); Waar overleggen we over? (het inhoudsniveau); Hoe overleggen we? (het procedureniveau); Hoe gaan we met elkaar om (interactieniveau); en Wat is mijn persoonlijke plek in het team? (het bestaansniveau). Op elk niveau kan een aantal reflectievragen worden gesteld.

Auteurs: Jerôme van Dongen, Wim Goossens

Download het volledige artikel hier:

Schotten weg in de zorg voor hartpatiënten

Het is snel en gemakkelijk gezegd: wij stellen de patiënt centraal en stappen over de lijnen van de gezondheidszorg heen. Niet zelden verwaaien de goede voornemens in de praktijk van alledag. Het Nederlands Hart Netwerk, een samenwerkingsverband in Zuidoost-Brabant, is aan het bewijzen dat het wél mogelijk is.

Cardiologen in Zuidoost-Brabant die een patiënt met boezemfibrilleren via ZorgDomein krijgen verwezen door een huisarts, gaan binnenkort eerst na of al een bloedonderzoek is gedaan en ECG’s zijn gemaakt in de eerste lijn. Zo ja, dan hoeven deze procedures niet nogmaals te worden uitgevoerd. De patiënt blijft extra belasting bespaard en krijgt niet te maken met korting op zijn eigen risico. Bovendien worden kosten voor een onnodige dubbele handeling voorkomen.

Dit is een van de lessen die zijn voortgekomen uit het kwaliteitsmodel van het Nederlands Hart Netwerk (NHN). Het samenwerkingsverband in Zuidoost-Brabant tussen zorgprofessionals uit de eerste, tweede en derde lijn beoogt – op basis van value-based healthcare – de zorgkwaliteit te optimaliseren voor patiënten met een hartaandoening en wil verder de zorgkosten verlagen.

Continu verbeteren

“Het NHN is opgericht in 2014 en operationeel sinds 2016”, zegt projectleider Paul Cremers. “Ons doel is de gezamenlijke zorg voor de patiënt met een hartaandoening continu te verbeteren. De gedachte hierbij is: het kan altijd beter. Daarom hebben we een kwaliteitsmodel ontwikkeld. Twee componenten zijn hierbij belangrijk: multidisciplinaire overleggen – in de vorm van netwerken per ziektebeeld – en de plan-do-check-act-cyclus.”

Pascale Voermans is voorzitter van de raad van bestuur bij SGE, één van de vier betrokken zorggroepen. “Telkens formeren we een werkgroep, ofwel netwerk, rondom een hartaandoening, bijvoorbeeld boezemfibrilleren. De deelnemende zorgverleners bespreken hoe de zorg voor deze patiënten er volgens hen idealiter uitziet. Hoe zouden zij het proces over de lijnen heen willen vormgeven? Welke patiënten kunnen bijvoorbeeld bij de huisarts blijven en welke moeten worden verwezen naar een cardioloog? We betrekken ook patiënten bij de planvorming. Is het vanuit hun perspectief bijvoorbeeld logisch wat de zorgverleners willen? Uiteindelijk beschrijven we de gewenste aanpak in een transmurale zorgstandaard, waarbij rekening wordt gehouden met de NHG-Standaarden en nationale en internationale landelijke richtlijnen voor cardiologen. De zorgstandaard bestaat onder meer uit uniforme definities, uitkomstindicatoren, initiële condities, beschrijving van het zorgproces en protocollen.” Cremers: “Na ‘plan’ volgen, ‘do’, ‘check’ en ‘act’. We implementeren de afgesproken zorgstandaard, de zorgverleners gaan die uitvoeren en vervolgens worden de uitkomsten gemeten.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Albert Jan Kruiter, Instituut voor Publieke Waarden: “Eerste lijn zelf debet aan arbeidstekort”

Door verkokerd zorg te leveren creëert de eerste lijn zelf zijn personeelstekort. Bovendien neemt de sector een slachtofferrol aan en wordt voor oplossingen alleen gekeken naar het Rijk, de gemeente en verzekeraars. Het mag duidelijk zijn: Albert Jan Kruiter gooit stenen in de vijver tijdens de InEen Tweedaagse eind september. Hij is medeoprichter van het Instituut voor Publieke Waarden (IPW).

“De eerste lijn rent vaak in een rondje en komt niet vooruit”, zegt Kruiter, een van de sprekers gedurende de InEen Tweedaagse. “Neem de zorg voor een gezin met problematische schulden, een gezin zoals wij vaak zien bij IPW. Stel, het gezin komt maandelijks honderd euro tekort. De volwassenen maken zich telkens weer zorgen: kunnen wij onze kinderen te eten geven? Ze gaan uiteindelijk met stressklachten naar de huisarts, ook al omdat de stress leidt tot lichamelijke problemen. De huisarts komt er niet uit en verwijst naar de eerstelijns-GGZ. Aan het eind van het jaar zijn duizenden euro’s aan zorgkosten gedeclareerd bij de zorgverzekeraar, maar is de oorzaak van de stress nog steeds niet weggenomen. Dit wordt vermeden als de eerste lijn ook het sociale domein serieus neemt in integraal werken.”

Integrale samenwerking

Kom bij Kruiter niet aan met teksten als ‘In de zorg wordt het tekort aan personeel de komende jaren steeds nijpender’. Hij countert: “De woorden ‘in de zorg’ zijn verkeerd. Ze miskennen dat integrale samenwerking nodig is, ook búiten de zorg. De zorg gaat zijn arbeidsproblematiek nooit op eigen houtje oplossen. Sterker, door zowel de focus op de zorg als door de verkokering binnen de zorg zelf creëert de sector alleen maar een personeelstekort.”

Arbeidsproblematiek verschuiven

Met verkokering binnen de zorg doelt Kruiter op alle verschillende zorgverleners binnen alle verschillende organisaties. “Stel je eens voor dat al die zorgverleners integraal gaan werken in plaats van dat ze deels met elkaar concurreren, wat vaak de praktijk is. Voeg daar bijvoorbeeld ook wijkagenten en consulenten van woningcorporaties bij. Als je de nulde en eerste lijn concentreert in plaats van fragmenteert, win je aan efficiëntie en zullen minder handen nodig zijn om hetzelfde te bereiken.”

Daarvoor moet de eerste lijn in beweging komen, betoogt Kruiter. “Met goede wil kan binnen tien jaar de omslag worden gemaakt. Het gaat erom als gehele sector populatiegericht actief te zijn op wijkniveau en je daarbij te laten leiden door resultaten in plaats van door je eigen productie.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Uitdagingen voor vakbekwame eerstelijnsbestuurders

De samenwerking tussen eerstelijnsprofessionals en binnen monodisciplinaire organisaties heeft de afgelopen tien jaar een flinke vlucht genomen. Voor het komend decennium is multidisciplinaire netwerksamenwerking met specialistische zorg en het sociale domein de grote uitdaging. Een mooie klus voor ambitieuze bestuurders van eerstelijnsorganisaties. De Masterclass Eerstelijns Bestuurders zorgt voor de benodigde kennis en kunde.

De toekomst van eerstelijnsbestuurders wordt bepaald door de toekomst van eerstelijnsorganisaties. De traditionele indeling in lijnen en domeinen zal steeds diffuser worden. De huidige en toekomstige gezondheidszorg- en maatschappelijke uitdagingen vergen steeds meer samenwerking tussen partijen. De focus verschuift van landelijke sturing naar een regionale aanpak. Technologie ondersteunt zorgprocessen, maar kan alleen effectief worden toegepast als bedrijfsprocessen gestandaardiseerd worden in combinatie met behoud van professionele autonomie. Dat is niet altijd wat professionals willen. In het perspectief van menig professional is behoud van de eigen kleinschalige praktijkcultuur gewenst. Deze verandering vraagt visie, lef en leiderschap van bestuurders.

Gemandateerde organisaties

De positie van de eerstelijnszorg kent grofweg twee mogelijke ontwikkelscenario’s. In het eerste scenario ontstaan er krachtige gemandateerde eerstelijnsorganisaties, die samenwerken in een netwerk met ziekenhuizen, GGZ, huisartsen, wijkverpleging, apothekers, paramedici en gemeenten. In het tweede scenario wordt eerstelijnszorg een verlengstuk van het ziekenhuis. De huidige ‘ziek tenzij’ en ziektespecifieke benadering, maakt dan plaats voor een transmurale, bredere maatschappelijke filosofie.

Eerstelijnsbestuurders

Bestuurders die afkomstig zijn uit het werkveld, de taal van collega’s spreken en de cultuur kennen, zijn in beide scenario’s nodig. Als de eerstelijnszorg in zijn geheel sterk genoeg is, kan deze de ontwikkelrichting sturen. De veelal monodisciplinaire eerstelijnsorganisaties zullen een gezamenlijke, regionale strategische koers moeten ontwikkelen, want een landelijke blauwdruk voor de ontwikkeling van de gezondheidszorg is vanwege de verschillen in populatie en vraagstukken als arbeidsmarkt en complexiteit niet te verwachten. De Masterclass Eerstelijns Bestuurders stoomt zorgprofessionals in negen maanden klaar om die taak te kunnen vervullen. In september 2018 start de tiende editie.

Auteur: Jan Erik de Wildt en Caroline Baan

Download het volledige artikel hier:

Organisatie & Infrastructuur: wie pakt de regie?

De nieuwe bekostiging voor Organisatie & Infrastructuur (O&I) moet samenwerking in de eerste lijn stimuleren en de organisatie versterken. Er is echter meer nodig dan financiering alleen. Om de gewenste ontwikkeling te realiseren, is het zaak dat eerstelijnsorganisaties in de regio elkaar vinden en afspraken maken over hun samenwerking. De vraag is: wie pakt de regie?

De samenwerking in de regio kan op allerlei manieren vorm krijgen en biedt kansen voor een stevigere positie van de eerste lijn. Grenzen tussen zorgaanbieders vervagen steeds verder. Het is dan ook van belang dat de eerste lijn op regioniveau samenwerkt met andere zorginstellingen, gemeenten en zorgverzekeraars. Om als serieuze gesprekspartner te kunnen acteren, is het cruciaal dat eerstelijnsinstellingen zich regionaal verbinden.

Eerstelijnsorganisaties, andere zorgorganisaties, gemeenten en de zorgverzekeraar hebben elkaar nodig. Gemeenten, zorginstellingen en zorgverzekeraars hebben moeite met het (gezamenlijk) vinden van oplossingen voor vraagstukken rondom onder meer het afstemmen van zorgvraag en -aanbod, de decentralisaties in het sociale domein. De eerstelijnszorg, andere zorginstellingen en de gemeente zijn steeds sterker met elkaar verbonden. Als de partijen in de vierhoek – eerste lijn, andere zorgorganisaties, gemeenten, zorgverzekeraar – tot een betere samenwerking komen, kunnen zij écht tot passende oplossingen komen. Een goede samenwerking waarborgt dat het gezamenlijke belang voorop blijft staan, namelijk: het bieden van de juiste zorg aan de patiënt in de regio.

Hoe deze vorm krijgt, hangt af van allerlei strategische, demografische en regionale factoren. Wie de regierol pakt of het voortouw neemt, is mede afhankelijk van de positie van de gemeenten en ziekenhuizen in de regio. Ook eerstelijnsorganisaties kunnen het initiatief nemen om de gewenste ontwikkelingen te realiseren.

Stappenplan

Daarbij komen allerlei vragen op. Is de eerstelijnsorganisatie regionaal en toekomstbestendig ingericht? Welke verdergaande samenwerking is mogelijk, en hoe? Wat brengt dit de individuele praktijken? Willen we die regionale rol en wat is daarvoor nodig?

Als de antwoorden op deze en andere vragen geformuleerd zijn, kan de samenwerking met de partijen uit de vierhoek verder vorm krijgen. BDO hanteert hiervoor een plan met zes stappen: toenadering, verkennen, analyse, creëren, uitvoeren en borgen.

Auteur: Nika Stegeman-Kruijt en Albert van de Schootbrugge, BDO Belastingadviseurs

Download het volledige artikel hier:

Geen one-size-fits-all in de zorg-ICT

Huisarts Peter Smink heeft uitgesproken ideeën over het gebruik van ICT in zijn eigen praktijk, in zorggroepen, maar ook bij ketenpartners en andere betrokken zorgverleners. “ICT mag niet onze manier van werken bepalen, dat moet andersom”, stelt hij. Integratie, standaardisatie en een modulaire aanpak bieden oplossingen. De eerste bouwstenen worden nu gelegd. Samenwerking tussen alle partijen speelt hierbij een cruciale rol.

“Het ideaal is een volledig geïntegreerd dossier per patiënt, waar elke professional zijn of haar eigen stukjes in schrijft”, vindt Smink. “Dat dossier moet ook altijd beschikbaar zijn voor de juiste professionals en uiteraard voor de patiënt zelf.” Smink is zich ervan bewust dat zijn ideaal om een cultuuromslag vraagt. Nu nog werkt iedereen met eigen, autonome systemen. Hoe breng je die bij elkaar? Dat kan alleen als ICT-aanbieders open zijn in alles wat ze doen, regionaal samenwerken aan geïntegreerde systemen en persoonlijke zorg voorop stellen.

Geïntegreerde zorgoplossing

De sleutel ligt niet bij het Landelijk Schakelpunt (LSP), denkt Smink. “Dat is vooral een telefoonboek.” Het echte probleem is dat alle HIS’en en KIS’en losse databases zijn. Als die allemaal hetzelfde bronbestand hadden, dan zou dat enorme voordelen opleveren, vindt Smink, met name voor het bekijken en bewerken van gegevens. Dat vraagt om een geïntegreerd zorgsysteem. Daarom nam de Promedico Groep het initiatief om in Nederland centrale voorzieningen te realiseren: één organisch, open systeem waarbij alle leveranciers samen verantwoordelijk zijn voor gemeenschappelijke tussenliggende componenten die de informatiesystemen van verschillende zorgverleners met elkaar verbinden. Zo kan sneller worden ontwikkeld, blijven de kosten laag en voldoet alles aan één standaard, waardoor het voor alle partijen makkelijk is om aan te sluiten.

KIS in HIS

Promedico’s module ‘slimme vragenlijsten’ is een eerste stap, geeft Peter Smink aan. Dit is het eerste onderdeel van KIS in HIS: KIS-functionaliteiten zijn beschikbaar vanuit het HIS. Huisarts en POH werken in het huisartsinformatiesysteem en beschikken tegelijkertijd over alle opties om persoonsgerichte zorg te bieden én optimaal samen te werken met andere zorgprofessionals rondom de patiënt. Smink is enthousiast: “De module biedt de mogelijkheid om zaken zoals temperatuur, longfunctie, bloeddruk structureel in grafieken vast te leggen en de situatie in de tijd te volgen.”

KIS in HIS is een mooie opstap naar integrale netwerken. Die hebben één basis, maar zijn geen one-size-fits-all, vat Smink samen. “Want iedereen wil net wat anders. Kijk maar naar pc’s, laptops of telefoons. De interface is hetzelfde, maar iedereen kiest eigen apps. Zo moeten we informatiesystemen in de zorg ook gaan inrichten.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Succesvolle samenwerking tussen Service Apotheek en thuiszorg

Wijkverpleging en thuiszorg zijn belangrijke stakeholders voor apothekers. Voor sommige patiënten zijn zij de ‘ogen en oren’ van de apotheek als het gaat om therapietrouw of bijwerkingen. Andersom kan een apotheker thuiszorgmedewerkers of verpleegkundigen bijstaan als het gaat om kwaliteitsaspecten en medicatieveiligheid. Samenwerking loont dus. Maar hoe geef je dat goed vorm? Kernbegrippen zijn fysieke nabijheid, informeel contact en projectmatig werken.

In een groene wijk in Ede ligt het nieuwe Medisch Centrum Veluwse Poort waar de Edesche Apotheek nu al bijna drie jaar een mooie behuizing heeft. Naast huisartsen, fysiotherapeuten, GGD Gelderland Midden, logopedisten en tandartsen huisvest het gezondheidscentrum twee thuiszorgorganisaties: Buurtzorg Ede Oost en thuiszorgorganisatie Opella. De organisaties in Medisch Centrum Veluwse Poort willen door efficiënte samenwerking maatwerk bieden voor patiënten. ‘Samen proberen wij als zorgverleners elkaar op de hoogte te houden van de beschikbare kennis en mogelijkheden, zodat u de best mogelijke zorg krijgt’, staat op de website. En dat loopt soepel tussen de Edesche Apotheek, Buurtzorg en Opella, vertelt apotheker Liesbeth van Ree.

Korte lijntjes

De smeerolie van de samenwerking is het informele contact, zegt Van Ree. Want dat gaat makkelijk als je in hetzelfde gebouw zit. “Je loopt zo even bij thuiszorg naar binnen, bijvoorbeeld om een medicatierol te brengen of een uitdraai van de toedieningslijst. Dan is er meteen ruimte voor overleg. Als iemand zijn medicijnen niet uit de strip krijgt, kun je thuiszorg vragen om dit mee te nemen in de dagelijkse zorg. Of we passen als dat mogelijk is de tijden aan op de medicatierol, zodat de medicijnuitgifte beter past in het ritme van de thuiszorgmedewerker.” De fysieke nabijheid maakt het makkelijk om dit soort momenten te zoeken. Daardoor is structureel overleg niet nodig.

Valpreventie

Daarnaast werken de Edesche Apotheek, Buurtzorg Ede Oost, Opella en andere eerstelijnszorgverleners samen in specifieke projecten. Vorig jaar is het project ondervoeding gestart, vertelt Liesbeth van Ree, waarbij thuiszorg, huisartsen en apothekers de patiënten screenen en kennis en informatie delen. “Zo kunnen we makkelijk een programma voor betere voeding opstarten en evalueren.” Begin dit jaar is het project valpreventie bij ouderen gestart, waarbij ook fysio-, ergo- en podotherapeuten zijn betrokken. Van Ree: “Van tevoren wordt er een nulmeting gedaan door middel van een balansproef. Wij screenen op medicatie die van invloed kan zijn op bewegen en mogelijk vallen. En thuiszorg signaleert of er valincidenten voorkomen. Na een paar maanden evalueren we met alle partijen.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

De kortste weg naar het juiste eerstelijnsbed

Het eerstelijnsverblijf wordt sinds een jaar bekostigd vanuit de Zorgverzekeringswet en ingekocht door zorgverzekeraars. Zorgregio’s zijn hiermee ieder op hun eigen manier aan de slag gegaan. Het inrichten van nieuwe werkwijzen bij verwijzing en indicatiestelling en het op orde brengen van de capaciteit zorgt voor de nodige hoofdbrekens. Maar het biedt ook ruimte voor het intensiveren van de multidisciplinaire samenwerking en mooie innovaties, vertelt Jolanda Buwalda, bestuurder bij zorgorganisatie Omring.

Omring werkt voor de invulling van het eerstelijnsverblijf nauw samen met HKN Huisartsen en Zorgkoepel West-Friesland. Het urgentiebesef nam toe na een bezoek van voormalig VWS-minister Edith Schippers aan de regionale ziekenhuizen in januari 2017, vertelt Buwalda. “Wij werden betrokken omdat de spoedeisende hulp de aanloop niet aankon. De vraag was of we medestander konden worden om dit samen in goede banen te leiden.”

Omring pleegde drie interventies. Er werd een wijkverpleegkundige op de SEH gezet, ook overdag. Deze buigt zorgvragen om van spoedeisende hulp naar zorg thuis. Ook op de huisartsenpost vangt een wijkverpleegkundige de verpleegkundige vragen af voor de huisarts. En tot slot heeft Omring de hoogcomplexe eerstelijnsbedden geclusterd op een eigen herstelafdeling in het ziekenhuis, zodat de ziekenhuisafdelingen direct kunnen verwijzen naar de hoog complexe herstelbedden van Omring.

Centraal triageteam

Alle regionale aanvragen voor eerstelijnsbedden, ook die van het ziekenhuis, worden sinds maart 2017 beoordeeld door een centraal triageteam. Dit voorkomt onder meer scheefgroei tussen opnames vanuit het ziekenhuis en vanuit de thuissituatie. Buwalda: “Een wijkverpleegkundige met een specialist ouderengeneeskunde als achterwacht bepalen in overleg met de huisarts of behandelaar of een patiënt thuis verzorgd moet worden of een ELV-opname noodzakelijk is en of het gaat om een hoog complex of laag complex bed. Dat gebeurt op basis van het LHV-triagemodel. Met de inzet van wijkverpleegkundigen en het beter organiseren van de toegang tot herstelzorg, lossen we dus niet alleen de druk op de SEH en de HAP op, maar ook het verkeerd gebruik van bedden.”

Bedden-app

Wat daar eveneens bij helpt, is de door Omring ontwikkelde bedden-app. “We hebben samen met collega-zorgorganisaties alle eerstelijnsbedden geïnventariseerd. Vervolgens hebben we een app ontwikkeld waarmee we de logistiek regelen. Alle aanbieders plaatsen hierin hun voorraad bedden, zodat verwijzers kunnen zien waar plek is. De informatie wordt iedere dertig minuten ververst, waardoor er bijna realtime zicht is op de beschikbaarheid van bedden in Noord-Holland Noord en West-Friesland. De verwijzingen blijven wel via het triageteam lopen.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

“In het digitale GGZhuis vind je snel en makkelijk de juiste psychische zorg”

Het kan knap lastig zijn om patiënten met psychische klachten naar de juiste zorgprofessional door te verwijzen. De GGZ is complex en verwijzingen leveren sneller discussie op dan binnen de somatiek. Huisarts Erik van Gijssel startte vanuit Huisartsenvereniging Regio Zwolle (HRZ) het GGZhuis waarin huisartsen en GGZ-professionals samenwerken. Via een online platform vinden huisartsen nu snel en gemakkelijk de juiste gespecialiseerde psychische zorgverlener. Ook voor overleg.

Sinds huisarts Erik van Gijssel (57) in 1999 zijn eigen praktijk startte in het gereformeerde Hanzestadje Hasselt, ontwikkelde hij een bovengemiddelde interesse voor psychiatrie. “Het aantal suïcides in deze regio was in die tijd vier keer zo hoog als het landelijk gemiddelde. Dat is als huisarts heel pittig en intensief om mee te maken”, vertelt Van Gijssel.

In zijn werkgebied heerste toen, en nog steeds, veel schaamte over psychische ziekten als een depressie of angststoornis. Van Gijssel: “Zo bleek de vrouw van een van mijn patiënten al twintig jaar binnen te zitten. Ze durfde de deur niet uit vanwege straatangst. Als huisarts ontdekte ik het per toeval. De weg naar passende zorg wist het echtpaar kennelijk al die jaren niet te vinden. Het zijn dit soort schrijnende casussen waardoor ik besloot: hier moet ik als huisarts iets mee doen.”

Om de drempel voor psychische hulp in zijn regio te verlagen, startte Van Gijssel al tien jaar geleden het project GGZ Van Het Gewone leven. Behandelmogelijkheden van psychische klachten in de eerste lijn werden via dit project vergroot nog voordat de herinrichting van de GGZ zijn intrede deed. Inmiddels is Van Gijssel kaderhuisarts GGZ en voorzitter van de GGZ-commissie van Huisartsenvereniging Regio Zwolle (HRZ) en in die hoedanigheid ook grote kartrekker van het nieuwe GGZhuis. Medebouwers van het GGZhuis zijn de Regionale Ondersteuningsstructuur ProScoop en huisartsenorganisatie Medrie.

Betere samenwerking

Kort gezegd is het GGZhuis een organisatie die de samenwerking tussen huisartsen en zorgprofessionals in de GGZ-zorg bevordert. Met als doel elke patiënt snel naar de juiste behandeling te krijgen. “Het GGZhuis online platform is een nieuw en prachtig hulpmiddel voor huisartsen om met regionale GGZ-hulpverleners te communiceren”, aldus Van Gijssel. “Ze vinden er snel en makkelijk de juiste GGZ-professionals voor doorverwijzingen. Huisartsen en GGZ-professionals kunnen elkaar vragen stellen, werkafspraken maken en er is informatie te vinden over allerhande bijscholingen voor huisartsen en POH’s op het gebied van GGZ.”

Auteur: Ingrid Beckers

Download het volledige artikel hier:

ICT-bouwstenen voor nieuwe patiëntenzorg geplaatst

De Stichting Automatisering Huisartsen (SAH) bezint zich op een naamsverandering. “De oude naam sluit niet meer aan op ons werkgebied”, zegt voorzitter Maarten Vermeulen. “Wij zijn er niet specifiek voor huisartsen, maar voor iedereen die werkzaam is in de zorg. We streven naar geïntegreerde ICT voor de hele zorg, zowel de eerste lijn als de tweede lijn.” De naamsverandering is exemplarisch voor het veranderende zorglandschap. Er is een ontwikkeling naar regionale, geïntegreerde zorgnetwerken. Die staat of valt met open communicatie binnen een landelijke infrastructuur. De eerste concrete stappen worden nu genomen.

Pita van Arkel is directeur van Promedico. Michiel Boerkamp is directeur van Care2U, sinds 2015 onderdeel van de Promedico Groep. De aandelen van Promedico zijn voor honderd procent in handen van de SAH. “Omdat we een stichting zijn, hebben we geen winstoogmerk. Al het geld dat wij genereren steken we weer in ontwikkeling van state-of-the-art zorgtoepassingen”, verduidelijkt Maarten Vermeulen. “We zijn dus ‘van’ en ‘voor’ de zorg, met als belangrijkste doel het bedienen van de patiënt of cliënt.” Vanuit die basis heeft Promedico een strategie ontwikkeld om antwoord te bieden op de veranderingen en pijnpunten in het hedendaagse zorglandschap, vertelt Pita van Arkel. De kern van die strategie is: open samenwerken op regionaal niveau.

Alles komt samen

“Geïntegreerde zorg is geen stip op de horizon”, zegt Pita van Arkel. “De eerste oplossingen worden al opgeleverd.” Zij doelt bijvoorbeeld op de communicatie tussen huisartsenpraktijk (HIS) en apotheek (AIS), die wordt voorzien door Promedico-ASP en Apro. En een ‘KIS in HIS’ oplossing die communicatieproblemen bij ketenintegratie aanpakt. De derde component is zelfzorg. Promedico integreert MijnGezondheidsplatform (MGP) voor patiënten en bouwt de mogelijkheden van het portaal verder uit.

“Dit zijn de eerste bouwstenen, waarmee de basis staat”, vervolgt Van Arkel. Van daaruit kan verder worden gewerkt aan de regionalisering van het zorglandschap. “De markt is in beweging. Zorggroepbesturen zien de toegevoegde waarde van regionale samenwerking, én de shared savings.”

“Vroeger was je als huisarts autonoom, tegenwoordig is zorg iets dat je met elkaar doet”, vat Maarten Vermeulen samen. Maar besturen willen dat vanuit een eigen ICT-keuze doen en dat betekent dat systemen het moeten toestaan. Een belangrijke voorwaarde hiervoor is een landelijke infrastructuur. Daarom hebben Promedico en Care2U het initiatief genomen voor het realiseren van centrale voorzieningen. Een organisch, open systeem waarbij alle leveranciers samen verantwoordelijk zijn voor gemeenschappelijke tussenliggende componenten die de verschillende informatiesystemen van de verschillende zorgverleners met elkaar verbinden.

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier: