Berichten

Verbeterstrategie voor interprofessionele samenwerking

Professionals van verschillende disciplines in zorg en welzijn werken steeds meer samen om goed invulling te geven aan de hulp- of zorgvraag van een individu. Lokaal wordt daar op verschillende manieren invulling aan gegeven en zijn verschillende mensen betrokken. Teamreflectie vanuit een groepsdynamisch perspectief kan helpen om die ‘interprofessionele samenwerking’ kritisch te bekijken en naar een hoger plan brengen.

Bij interprofessioneel samenwerken wordt er gestreefd naar een holistische aanpak, waarbij de mens centraal staat en niet langer de ziekte en waarbij wordt toegewerkt naar een gezamenlijk zorg- of ondersteuningsplan. Interprofessionele teamsamenwerking kent verschillende vormen. Voorbeelden zijn het multidisciplinaire overleg (MDO), hometeam, sociaal team, wijkteam, zorgteam of Interprofessioneel teamoverleg.

Team reflexiviteit

Aangezien elk interprofessioneel team anders is samengesteld, te maken heeft met een andere context en zijn eigen specifieke kenmerken heeft, kan reflexiviteit – de mate waarin teams kunnen reflecteren op het eigen functioneren – worden gezien als basis voor verdere doorontwikkeling. Reflexiviteit hangt positief samen met team effectiviteit. Daarnaast is bekend dat team reflexiviteit een belangrijke voorspeller is voor innovatie. Meer recent beschrijft de Haan in zijn boek de volgende resultaten van teamreflectie: begrip en inzicht, combineren van uiteenlopende meningen en gezichtspunten en feedback voor alle teamleden vanuit alle niveaus.

Het door Goossens ontwikkelde model Integrale Procesbegeleiding van Groepen (IPG) is als algemeen groepsdynamisch model  breed bruikbaar om groepsdynamieken en groepsprocessen te observeren, te analyseren, om vervolgens strategie te bepalen, te interveniëren en te evalueren. Voor wat betreft teamreflectie biedt het IPG model vanuit vier basiscomponenten mogelijkheden om te reflecteren op:

  • de invloed van de context op het teamfunctioneren;
  • de fase van groepsontwikkeling waarin het team zich bevindt;
  • de vijf communicatieniveaus;
  • de invloed van leiderschap en leiderschapsstijlen op de ontwikkeling en communicatie
Vijf communicatieniveaus

Elk interprofessioneel team communiceert op verschillende communicatieniveaus. Om als team goed te kunnen reflecteren op het functioneren en onderliggende groepsprocessen is inzicht in deze communicatieniveaus nodig. De in het IPG-model beschreven communicatieniveaus zijn: inhoudsniveau, procedureniveau, interactieniveau en bestaansniveau. Naast de communicatieniveaus zijn ook invloeden van de buitenwereld zoals maatschappelijke invloeden, overheidsbeleid of voormalige groepservaringen zichtbaar in de communicatie van het team. Dit wordt ook wel het contextniveau genoemd.

In het model interprofessioneel  teamoverleg hebben Van Dongen en Goossens de verschillende communicatieniveaus vertaald naar: Wie zitten er aan tafel? (het contextniveau); Waar overleggen we over? (het inhoudsniveau); Hoe overleggen we? (het procedureniveau); Hoe gaan we met elkaar om (interactieniveau); en Wat is mijn persoonlijke plek in het team? (het bestaansniveau). Op elk niveau kan een aantal reflectievragen worden gesteld.

Auteurs: Jerôme van Dongen, Wim Goossens

Download het volledige artikel hier:

Resultaten van vijf jaar experimenteren met populatiegerichte bekostiging

Het ophalen en verspreiden van kennis over de negen proeftuinregio’s voor Triple Aim. Daarvoor heeft kenniscentrum voor langdurende zorg Vilans zich de afgelopen jaren ingespannen, samen met partners RIVM, Jan van Es instituut en Optimedis Nederland. Stannie Driessen en Stephan Hermsen van Vilans kijken terug.

Voormalig minister Edith Schippers van VWS benoemde in 2013 negen regio’s tot proeftuinen voor de implementatie van Triple Aim in de praktijk. Onder de noemer ‘Betere zorg met minder kosten’ werken regionale samenwerkingsverbanden van aanbieders van zorg en welzijn, gemeenten, zorgverzekeraars, patiëntvertegenwoordiging en andere partners aan populatiemanagement.

Kennisproducten

Directeur Advies en Implementatie Stannie Driessen: “Wij werkten van januari 2014 tot en met december 2017 samen met het RIVM, het Jan van Es instituut en Optimedis Nederland aan de kennisuitwisseling rond dit project en andere initiatieven voor populatiemanagement. Daar deden ook veel regionale partijen aan mee. Dat deden we op gezamenlijke congressen en op het kennisplatform Triple Aim. We leverden ook verschillende kennisproducten op. Tijdens een congres hebben we met onze partners en deelnemers uit het veld zes principes om Triple Aim-doelen in Nederland te realiseren geformuleerd. En de Triple Aim-scan is ontwikkeld. Een hulpmiddel dat snel inzicht geeft in de manier van werken aan populatiegerichte bekostiging.”

Uitdagingen

De afgelopen vijf jaar hebben de negen proeftuinen met forse uitdagingen te maken gehad. De rol van de verzekeraars was cruciaal. Zij moesten zorgaanbieders de ruimte geven om anders te kunnen handelen binnen de proeftuinen. “Het frustrerende in een aantal gevallen was dat er ondanks alle goede voornemens toch aan de oude, ‘p maal q’ manier van vergoeden werd vastgehouden”, zegt senior adviseur Persoonsgerichte Zorg Stephan Hermsen. “En aan het inzetten van interventies vanuit één domein. Dit terwijl we weten dat bij bepaalde populaties betere kwaliteit en lagere kosten bereikt kunnen worden zodra je investeert in andere domeinen.” De problemen waarmee de proeftuinen, leertuinen en regioprojecten worstelden, waren voor een deel vergelijkbaar. “Dat zijn de historisch gegroeide hiërarchische verhoudingen van de partijen in de regio, de bekostiging van een nieuw portfolio, de cultuurkloven tussen partijen, de focusverschillen, de bestuurlijke drukte, verandermoeheid bij zorgprofessionals en ICT-perikelen.”

Successen

Ook de successen met Triple Aim lijken op elkaar, stelt Hermsen. “Waar influencers elkaar vinden, vertrouwen wordt opgebouwd, de externe druk van bijvoorbeeld krimp of wederzijdse afhankelijkheid groot is en financiers bereid zijn om te investeren zonder vooraf een sluitende business case te eisen, worden stappen gezet.”

Auteur: Wouter van den Elsen

Download het volledige artikel hier:

Samen de serieuze uitdagingen te lijf

Vijf eerstelijnspartijen in de Leidse regio kwamen tot het besef dat het weinig effectief is om alle vijf los van elkaar dezelfde ontwikkelingen door te maken en dezelfde gesprekken met stakeholders te voeren. Ze gingen op in één netwerkorganisatie, met als doel zaken gezamenlijk te regelen, van elkaar te leren en best practices te delen.

Hoe is de samenwerking tot stand gekomen? “Dat is een lang verhaal”, zegt Henri van der Lugt, die na veertig jaar afscheid neemt van zijn werk als huisarts en doorgaat als voorzitter van het nieuwe Netwerk Zorgorganisaties Leiden en Omstreken (NZLO) . “Maar heel in het kort komt het erop neer dat ik als huisarts en tijdelijk bestuurder van Rijncoepel zag dat we in de Leidse regio vijf zorggroepen hadden die allemaal hetzelfde werk zaten te doen en dezelfde innovaties probeerden door te voeren. Dat was verre van optimaal natuurlijk. Het was logischer om te gaan samenwerken, zodat we gezamenlijk doelen kunnen bereiken die bijdragen aan goede, efficiënte en betaalbare eerstelijnszorg voor de burgers in de regio. Binnen anderhalf jaar hadden we het voor elkaar en was het NZLO een feit.”

Serieuze uitdagingen

De gedachte achter de totstandkoming van het netwerk was dat de partijen gezamenlijk beter in staat zouden zijn om goede en betaalbare zorg in de buurt te blijven bieden. Met name door op het gebied van bijvoorbeeld inkoop, ICT, scholing, contractonderhandelingen en verbetertrajecten centraal te organiseren. “De eerste lijn heeft serieuze uitdagingen op deze gebieden”, zegt Van der Lugt. “Neem het eerstelijnsverblijf. Net als op veel andere plaatsen in het land hebben we hier te kampen met het probleem dat kwetsbare ouderen in een crisissituatie op de afdeling spoedeisende hulp en vervolgens in een ziekenhuisbed belanden. Als NZLO pakken we dit probleem op in samenwerking met de ziekenhuizen en verpleeghuizen in de regio. Die zijn hier zeer over te spreken, want die zien ook dat een versnipperd beleid nooit tot een structurele regionale oplossing kan leiden.”

Bijzonder is dat het NZLO samen met verzekeraar Zorg en Zekerheid naar de Autoriteit Consument & Markt is gestapt om duidelijkheid te krijgen over de vraag in hoeverre samenwerking mogelijk is. “Die duidelijkheid kregen we ook”, vertelt Van der Lugt. “Het antwoord van de ACM was dat we geen kartel mogen vormen en de zorg niet in gevaar mogen brengen, maar verder onze gang kunnen gaan.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Zeg maar dag tegen diabetes

Diabetes type 1 heeft grote impact op het leven van kind en omgeving. Nieuwe inzichten in de oorzaak leiden tot effectievere therapieën. Over vijf jaar kunnen de eerste patiënten genezen zijn. Met dank aan wetenschappelijk onderzoek en toepassing van eHealth. Arts en onderzoeker Henk-Jan Aanstoot van behandelcentrum Diabeter is hiervan overtuigd.

Over een aantal jaren hoeft diabetes type 1 geen aandoening meer te zijn die een zware wissel trekt op het leven van de patiënt. Dan hebben patiënten spuit en pomp omgeruild voor een automatische alvleesklier die zorgt voor de juiste bloedsuikerwaarde in het lichaam. “Over vijf jaar lopen patiënten rond met zo’n ‘automaat’ en is hun leven definief veranderd. De volgende stap is genezing”, zo stelt Henk-Jan Aanstoot, kinderarts, diabetoloog, onderzoeker en oprichter van behandelcentrum Diabeter.

Voor de behandeling van diabetes is geen ziekenhuisomgeving nodig, zo dacht Dr. Henk-Jan Aanstoot toen hij samen met Henk Veeze in 2006 Diabeter in Rotterdam startte, waar wetenschappelijk onderzoek de basis moet vormen voor zinvolle zorgvernieuwing. Tien jaar later is Diabeter gegroeid van één naar vijf locaties. Maar belangrijker nog: het zorgbedrijf maakt het verschil voor diabetespatiënten in Nederland.

Doorbraak in onderzoek

Door een fout van het afweersysteem is bij type 1 diabetes de insulineproductie kapot. Cellen van het afweersysteem vallen de zogenaamde bètacellen in de alvleesklier aan. Het lichaam kan niet voldoende insuline maken. Sinds kort is er een doorbraak in onderzoek naar type 1: het is niet een en dezelfde ziekte, maar bestaat uit varianten. Een onderzoek van Diabeter richt zich op het vinden van een verklaring waarom type 1 diabetes in verschillende verschijningsvormen voorkomt. “We zoeken naar merkstoffen in het bloed, biomarkers, die deze verscheidenheid aangeven. Als we nieuwe biomarkers opsporen, begrijpen we de ziekte beter. Biomarkers zijn nodig om de beste behandeling voor ieder individu te vinden. We zijn al lang het laboratorium uit en testen nieuwe therapieën bij kinderen met type 1. Op termijn levert dat nieuwe behandelmogelijkheden op. Nu we weten dat diabetes niet één en hetzelfde ziektebeeld is, zal er ook niet één manier zijn van genezing. We gaan naar behandeling op maat.”

Ondertussen richt de behandeling zich op het verbeteren van de insulinepomp en sensortechnologie. Deze technologie is al ver. “Een sensor op het lichaam – maar ook gegevens uit een glucosemeter of een insulinepomp –  meet continu de bloedsuikerwaarde en stuurt via de smartphone data naar de cloud. We kunnen zo persoonlijke adviezen geven. Met deze cloudcare gebruiken we persoonlijke data voor advies op maat. Of neem de hybride alvleesklier: een apparaat dat met een continu metende sensor en een algoritme te lage (hypo) en te hoge (hyper) waardes voorkomt door tijdig de insulinedosis aan te passen.”

Auteur: Niels van Haarlem

Download het volledige artikel hier: