Samen met leden verder bouwen op de stevige basis die is gelegd

Vijf jaar InEen: verder bouwen op een stevige basis

InEen viert zijn eerste lustrum. In de eerste vijf jaar is InEen erin geslaagd een serieuze partij te worden in bestuurlijk overleg over de ontwikkeling van de georganiseerde eerstelijnszorg, stellen voorzitter Martin Bontje en directeur Anoeska Mosterdijk. De opdracht voor de komende jaren is die ontwikkeling optimaal verder vorm te geven.

Bestaat InEen vijf jaar? Het lijkt al veel langer, vinden Bontje en Mosterdijk. Wat is er bereikt? “Het belangrijkste is dat we processen hebben versneld. Zowel als het gaat om het vormgeven van samenwerking tussen eerstelijnszorgaanbieders als het bij elkaar brengen van meerdere disciplines”, zegt Bontje. “Ketenzorg, gezondheidscentra, avond-, nacht- en weekendzorg, op allerlei terreinen is veel gebeurd in de afgelopen vijf jaar.” Mosterdijk: “We zien steeds betere regionale ondersteuning van de huisartsen. Die ondersteuning is bijna een vanzelfsprekendheid geworden, met als gevolg dat zaken als informatievoorziening en de contacten met de zorgverzekeraars steeds beter kunnen worden opgepakt.”

Onderhandelingspartij

De hoofdlijnenakkoorden die de overheid heeft gesloten met de veldpartijen in de zorg hebben heel veel extra aandacht gegeven aan de noodzakelijke ontwikkelingen in de eerste lijn, stelt Bontje. “We zitten nu aan tafel. We kunnen op landelijk niveau meepraten over die ontwikkelingen. Hierdoor hebben we een bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van een hoofdlijnenakkoord dat het belang van een georganiseerde eerste lijn duidelijk onderstreept en dat ook aangeeft dat dit vraagt om voldoende financiële middelen.”

Toch blijft het daadwerkelijk effectueren van de afspraken lastig, stelt hij, omdat de individuele zorgverzekeraars zich niet altijd houden aan de uitgangspunten van het hoofdlijnenakkoord voor de huisartsenzorg.

Omgaan met veranderingen

Het meerjarenbeleid 2018-2020 dat op de website van InEen staat, maakt duidelijk dat niet alleen veel is bereikt, maar dat ook nog veel moet gebeuren. “Sommige dingen kunnen wij als InEen niet beïnvloeden”, zegt Bontje, “de toename van het aantal ouderen en chronisch zieken bijvoorbeeld, een dreigend huisartsentekort en de overige personeelstekorten. Het gaat erom hoe we ermee omgaan. Het besef dat er veel verandert en dat de financiële middelen beperkt zullen blijven, is er bij onze achterban. En de overtuiging dat meer kan worden bereikt als de zorg goed wordt georganiseerd, is er ook.”

Zowel in de ANW-zorg als in de dagzorg ziet InEen veel voorbeelden van hoe de zorg anders en efficiënter georganiseerd kan worden, vertelt Mosterdijk. Er is volgens haar beslist een sense of urgency. “Onze leden zien heel goed dat we het niet redden als we blijven werken zoals we dit in het verleden deden. Zij zullen samen met hun achterban de noodzakelijke veranderingen moeten doorvoeren. Onze rol is de leden hierbij te ondersteunen, bijvoorbeeld door best practices te delen en mensen met elkaar in contact te brengen.”

Auteur: Frank van Wijck

Download hier het artikel.

 

PharmaPartners geeft gas op eHealth en OPEN

Vanaf 1 januari 2019 heeft PharmaPartners een nieuwe bedrijfspoot die zich volledig richt op de doorontwikkeling van eHealth en de ondersteuning van het programma Ontsluiten van Patiëntgegevens uit de Eerstelijnszorg in Nederland (OPEN). “We gaan huisartsen helpen om de ruim 7 miljoen dossiers in Medicom te ontsluiten. Daarbij willen we onze klanten volledig ontzorgen, zodat zij per juli 2020 kunnen voldoen aan de aangescherpte wetgeving”, vertelt Piet Hein Knoop, managing director van de nieuwe unit eHealth.

Hoe PharmaPartners dat precies gaat doen, wordt op dit moment uitgewerkt. Knoop: “We hebben onze gebruikersraden gevraagd wat zij in het kader van OPEN van ons verwachten. De boodschap was duidelijk: zij willen volledig ondersteund en ontzorgd worden en voldoen aan wet- en regelgeving door implementatie van onze eHealth-oplossing voor OPEN. Het traject moet zo worden ingericht, dat zij met een druk op de knop subsidie kunnen aanvragen. Vervolgens willen zij kunnen werken met een oplossing die de informatie uit het dossier conform de richtlijnen van OPEN beschikbaar stelt aan patiënten, zonder dat dit extra handelingen vergt. De informatie moet voor patiënten makkelijk te benaderen zijn, zodat het straks geen vragen regent bij zorgverleners. Dat gaan we regelen. Tijdens de eHealth-week, van 21 tot en met 26 januari, laten we zien hoe.”

Nu is de tijd

Een klein tipje van de sluier wil Knoop wel vast oplichten: het patiëntenplatform MijnGezondheid.net en de patiëntenapp MedGemak vormen de basis van de oplossing. “Hier sorteren we al jaren op voor. We zijn ervan overtuigd dat een goede informatievoorziening naar patiënten de zorg drastisch kan verbeteren. XIS-onafhankelijke platforms, ofwel Persoonlijke GezondheidsOmgevingen, moeten de informatie van de verschillende zorgverleners ontsluiten naar patiënten. Dat was tien jaar geleden al het uitgangspunt bij het ontwerp van MijnGezondheid.net. We zullen via MGn ook apps van derden ontsluiten die waarde toevoegen voor de behandelrelatie tussen zorgverlener en patiënt. De zorgsector is er klaar voor en dankzij OPEN ligt er een programmatisch plan en financiering om het waar te maken. Nu is de tijd!”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Een nieuwe vorm van zorg

Samenwerking is noodzakelijk om goede integrale zorg te leveren aan complexe patiënten. Daar is iedereen van overtuigd. Toch komt dat in de praktijk nog lastig van de grond. Hoe brengen we de samenwerking in de regio een stap verder? Dat was het onderwerp van het jaarlijkse seminar dat Portavita begin november heeft gehouden. Portavita faciliteert met haar Health Management Platform de samenwerking tussen zorgpartners in de regio’s.

Zorgverleners bieden steeds vaker zorg vanuit multidisciplinaire samenwerkingsverbanden en stemmen deze af met elkaar en met professionals uit andere vakgebieden. Maar er is meer nodig: een fundamentele verandering van de inrichting en organisatie van de zorg. De zorg-ICT kan dat nieuwe model mogelijk maken en ondersteunen. “Er gebeurt veel, maar we missen overzicht. Iedereen bouwt aan een stukje. Dat maakt het moeilijk om een goede keuze te maken en de juiste investeringen te doen. Het ontbreekt in elke regio aan een regionale organisatie die probleemeigenaar en opdrachtgever is”, verklaart Aloys Langemeyer, directeur Sales & Services van Portavita.

Echt samenwerken

Om goed en echt te kunnen samenwerken, moeten zorgverleners de informatie over hun patiënt of cliënt in samenhang kunnen zien. Vorig jaar bracht het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) een visiedocument uit over de ICT-ondersteuning van multidisciplinaire samenwerking in de eerste lijn. Dat bevat het model van de virtuele overlegtafel. Dit beschrijft een systeem naast het HIS (huisartsen), AIS (apothekers), FIS (fysiotherapeuten) en andere informatiesystemen, waarin ook andere relevante en actuele informatie samenkomt.

“Het NHG-document bevat bouwstenen die aansluiten bij onze visie dat alleen informatie uitwisselen onvoldoende is voor het ondersteunen van een samenwerkingsproces. Wij hebben daarom een regionaal samenwerkingsplatform ontwikkeld en geïmplementeerd. Het Health Management Platform bevat functionaliteiten als het Individueel Zorgplan, het Multidisciplinair Overleg, een samenvatting van patiëntgegevens uit verschillende bronnen, consultatie, een berichtenmodule en een data-analysetool die onder meer gebruikt kan worden voor casefinding. Dit kan de regionale samenwerking faciliteren”, legt Edo Westerhuis, COO van Portavita, uit.

Zet de eerste stap

Bedrijfskundige Ber Damen bevestigt dat de noodzaak tot samenwerking niet wordt betwist. “Maar het is niet eenvoudig om je weg te vinden, omdat er sprake is van partijen die verschillen qua omvang en belangen.” Zijn advies is: “Ga niet zitten wachten tot de ander een stap doet, maar zet zelf de eerste stap en zoek elkaar op. Benut het netwerk, want je hebt elkaar nodig. Maak samen een vuist en zoek een oplossing. En bedenk: de kosten gaan voor de baat uit.”

Auteur: Corina de Feijter

Download het volledige artikel hier:

“Goede zorg leveren we met elkaar”

In het ziekenhuis komen mensen op de polikliniek die vaak beter op een plek buiten het ziekenhuis voor controle hadden kunnen komen. Misschien hoeven zij zelfs helemaal geen fysieke locatie te bezoeken, maar kunnen zij prima online worden begeleid. En bij huisartsen blijven patiënten soms te lang onder behandeling, omdat verwijzing niet zinvol wordt geacht. De werkdruk in de huisartsenpraktijk neemt hierdoor verder toe. Een onwenselijke situatie. We praten erover met Renée van Snippenburg, longarts en specialist transmurale diagnostiek bij Saltro.

“Het denken in eerste en tweede lijn als afzonderlijke domeinen houdt verandering en optimalisering tegen. Pas als je verder kijkt dan je eigen spreekkamer kun je de ontwikkelingen en veranderingen zien aankomen,” zo begint zij haar betoog. “Het komt steeds vaker voor dat juist de mensen met de grootste ziektelast thuis zitten. Zij zijn niet mobiel en hebben in veel gevallen geen sociaal vangnet. Om hen te helpen moet de zorgprofessional zijn spreekkamer uit en naar de patiënt toe. Wat je ook vaak ziet is dat mensen de weg kwijtraken in de zorg: Wie moeten ze waarvoor hebben? En als het misgaat, wie moeten ze dan bellen? De zorg is op dit moment nog per lijn ingericht, op basis van de werkprocessen van de zorgprofessional. Dat is achterhaald! De zorgvráger moet centraal staan en de benodigde zorg dichtbij kunnen krijgen.”

Beter voor iederéén

In hoeverre gaat de zorgprofessional er hiermee op vooruit? Renée van Snippenburg: “De werkdruk in de zorg wordt de komende jaren door alle demografische, sociologische en technologische ontwikkelingen alleen maar hoger. Niet alleen de patiënt is er dus bij gebaat de juiste zorg op de juiste plek te krijgen. Ook de zorgprofessional zal dankzij een betere afstemming en intensievere samenwerking, over alle lijnen heen, gunstige effecten ondervinden. Iedereen die bij de zorg is betrokken is dan goed geïnformeerd en kan zich bezighouden met dat waarin hij goed is. Processen worden efficiënter, patiënten krijgen meer aandacht en zo brengen we met elkaar de kwaliteit van de zorg omhoog. Resultaat: een goed geholpen, tevreden patiënt.”

Samen zorg leveren

Hoe gaan we dat bereiken? Van Snippenburg: “Het begint ermee dat de zorgverleners in de eerste en tweede lijn elkaars expertise kennen en respecteren. Samenwerkingsinitiatieven zoals de wijkspecialist of bijvoorbeeld het ontwikkelen van regionale transmurale afspraken (RTA’s), dragen hier positief aan bij. Mijn visie is dat transmurale zorg álle processen betreft in het continuüm waarbinnen de patiënt zich begeeft. Van thuis tot aan opname in een instelling.”

Auteur: Cherelle de Graaf

Download het volledige artikel hier:

Basis GGZ zonder wachttijden

Overal ter wereld digitaal met video, chat en app aan kunnen schuiven voor basis GGZ-zorg in de Nederlandse taal en zonder wachttijden. Dat is het idee achter DiSofa. Na inloggen kan de cliënt de volgende dag al aan de slag met een van de psychologen van de nieuwe dienstverlening.

Hoe kunnen we meerwaarde leveren aan de GGZ? Die vraag besprak de raad van bestuur van GGZ Noord Holland Noord (NHN) met Bart Vemer, GZ-psycholoog, Joris Arts, bestuurder gezondheidscentrum Kersenboogerd en Niek Kuijper, hoofd marketing en communicatie van GGZ NHN. Gezamenlijk kwamen zij uit op het concept DiSofa. Arts zegt: “Skypen, facetimen, iedereen doet het. Behalve in de zorg. Daar gebeurt het maar mondjesmaat. Er zijn te veel drempels door verschillende visies, cultuur, belangen en regels.”

Alleen online

DiSofa is een apart team met een lijntje naar de Raad van Bestuur van GGZ NHN. Afgelopen juni ging men live met inmiddels drie GZ-psychologen in loondienst. Gezamenlijk verlenen zij basis GGZ-zorg aan cliënten met bijvoorbeeld angststoornissen, depressies, stressklachten, burn-out, verslaving en trauma.

“Een zorg tussen die van de gespecialiseerde GGZ-zorg en huisartsenzorg. Om deze zorg te verlenen, hoeft er geen sprake te zijn van een fysiek face-to-face-consult”, aldus Joris Arts.

“We geven uitsluitend online zorg met videoconsulten, chatten, appen en online ´huiswerk´”, vervolgt Arts. “Dit maakt DiSofa plaatsonafhankelijk. Voordeel voor de cliënt is, dat hij niet van huis hoeft en op vele momenten en manieren contact heeft met zijn behandelaar. Bovendien is de angst voor het tegenkomen van een bekende in de wachtkamer zo weggenomen.”

Eén behandelaar

Is het voor een cliënt niet prettiger een behandelaar fysiek te zien? Arts: “We zijn nu een paar maanden verder. Uit evaluaties blijkt, dat dit voor de meeste mensen geen noodzaak is. Na het online kennismakingsgesprek besluit tachtig procent van de cliënten bij ons in behandeling te gaan. Elke cliënt krijgt zijn persoonlijke GZ-psycholoog en diegene is ook zijn enige contact met DiSofa. Heeft de cliënt een vraag waar zijn behandelaar geen antwoord op heeft? Geen probleem. Achter de schermen zoeken we naar het juiste antwoord. Via zijn behandelaar komt het dan weer terug bij de cliënt. Hiermee maken we onze zorg heel persoonlijk.”

Auteur: Betty Rombout

Download het volledige artikel hier:

Gezamenlijke ICT-visie InEen, LHV en NHG kan digitaliseringsparadox doorbreken

Onze wereld digitaliseert en de huisartsenzorg kan en wil daar niet bij achterblijven. Enerzijds omdat de samenleving dat van de beroepsgroep verwacht, anderzijds omdat ICT kan helpen de toenemende werkdruk en de krimpende arbeidsmarkt het hoofd te bieden. “Bovenal hebben we ICT nodig om de zorg in de regio rondom de patiënt in samenhang te organiseren en de patiënt daarbij te betrekken”, zegt Maarten Klomp. Hij is als InEen-bestuurslid intensief betrokken bij het ICT-dossier. Samen met LHV-bestuurder Carin Littooij licht hij de hoofdpunten uit de ICT-visie en -roadmap van InEen, LHV en NHG toe.

“Met zijn drieën staan we voor huisartsen en huisartsenzorg in brede zin. Met deze tripartite visie kunnen we de digitaliseringsparadox doorbreken”, aldus Carin Littooij.

De digitaliseringsparadox werd in maart 2018 beschreven door Nictiz, dat op suggestie van de drie koepels de status van de digitalisering in de huisartsenzorg onderzocht. Het paradoxale is dat huisartsen tevreden zijn over het dagelijks gebruik van ICT in hun praktijk, terwijl in de nabije toekomst een digitale transformatie noodzakelijk is om hun sleutelrol in de eerstelijnszorg te waarborgen. Een van de vijf fundamentele problemen die Nictiz benoemde, was het ontbreken van een landelijk gedragen toekomstvisie over digitalisering en een meerjarige roadmap voor de eerste lijn. Daar brengen InEen, LHV en NHG nu verandering in.

Eilanden verbinden

Het doel is in de visie als volgt omschreven: ‘De huisartsenzorg wordt optimaal ondersteund door een passende, toekomstgerichte digitale zorginformatie-infrastructuur: niet enkel in de dagpraktijk, maar ook tijdens avond-, nacht- en weekenddiensten en in de programmatische multidisciplinaire samenwerking.’ De bestaande huisartsinformatiesystemen (HIS), informatiesystemen voor huisartsenposten (HAPIS), keteninformatiesystemen (KIS) en samenwerkingsplatforms vormen het uitgangspunt. Om van daaruit tot de gewenste toekomstgerichte zorginformatie-infrastructuur te komen, worden toetsbare basiseisen en -wensen geformuleerd. Dat is onderdeel van het project XIS. De projectgroep XIS wil voor januari 2019 al een beperkte basisset formuleren om richting te geven aan de ontwikkelingen.

Regionaal organiseren

Het Informatieberaad Zorg, de bestuurlijke samenwerking tussen het zorgveld en het ministerie van VWS, werkt aan een duurzaam informatiestelsel voor de zorg als geheel. De initiatieven van de drie koepels in de huisartsen- en eerstelijnszorg sluiten daarbij aan. Ook houden ze rekening met andere afspraken, akkoorden en programma’s. “Wij moeten als branche met onze leveranciers in gesprek over een vlotte implementatie van de landelijke standaarden”, zegt Klomp. “De individuele huisarts heeft als klant weinig invloed op de ontwikkelagenda, daarom willen we dat regionale organisaties die rol op zich nemen en de praktijken ontzorgen op het gebied van ICT.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

eHealth-ontwikkeling in e-Estonia

Een van de belangrijkste ontwikkelingen die de aandacht vragen van eerstelijnsbestuurders is eHealth en digitalisering. Daarom ging de studiereis van de negende Masterclass Eerstelijns Bestuurders naar Estland. In Estland is digitalisering namelijk al jaren een speerpunt en dat wordt gepresenteerd onder de naam e-Estonia. Wat betekent de door de overheid gestuurde ICT-ontwikkeling voor de eerstelijnszorg?

De digitale ontwikkeling in Estland is vanuit de historie ontstaan. Estland is sinds 1918 een zelfstandige republiek. Vanaf de Tweede Wereldoorlog tot 1992 heeft Estland verschillende bezetters gehad. Pas daarna kon het land zich echt gaan ontwikkelen. Doordat Estland economisch nauwelijks ontwikkeld was en geen traditionele maatschappelijke-economische infrastructuur had, is digitalisering tot speerpunt gemaakt. In de volle breedte: van onderwijs en sociale zaken tot gezondheidszorg; alles wordt digitaal verwerkt en vastgelegd. Rond 2000 nam Estland het Nederlandse huisartsinformatiesysteem als voorbeeld voor het automatiseren van de huisartsenzorg. Op dit moment zijn nog drie huisartsinformatiesystemen (HIS’en) operationeel.

Infrastructuur

De digitalisering van de gezondheidszorg heeft enkele sterke aspecten, maar kent net als in Nederland de nodige uitdagingen. De X-Road – het communicatieplatform – verbindt alle applicaties en databases aan elkaar en wordt steeds verder uitgebreid met nieuwe functionaliteit. Het is deels een centrale en deels een decentrale infrastructuur. Patiënten en zorgprofessionals hebben één toegangspasje voor alle gegevens met dubbele authenticatie. Dat wordt de komende jaren vervangen door (mobiele) biometrische toegang (oog, vingerafdruk, enzovoort).

Tevreden ondanks tekortkomingen

Alle organisaties die zorg leveren zijn verplicht om informatie aan te leveren aan het nationale systeem, echter in praktijk is dat niet altijd het geval en de naleving is niet krachtig georganiseerd. Daarnaast is er geen Professionele Samenvatting zoals wij die kennen, zodat er 200 pagina’s platte tekst moeten worden doorgeworsteld om de noodzakelijke informatie te vinden. Dat gaat men trachten op te lossen door kunstmatige intelligentie in te zetten voor het maken van ‘samenvattingen’ van ongestructureerde data. De architectuur is goed,  maar de verbinding met de eindgebruikers laat volgens de zorgprofessionals te wensen over. Toch zijn zij tevreden met dit systeem, omdat zij zich realiseren dat zij anders nooit zo snel hadden kunnen innoveren. En er is perspectief op doorontwikkeling door een duidelijke sturing en regie. Over privacy maken Estlanders zich nauwelijks zorgen en er is veel vertrouwen in de veiligheidssystemen. ICT zien zij als een kans om welvaartswinst te boeken.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Zelfservice, zelfzorg en zelfredzaamheid in één patiëntenplatform

Patiënten willen hun eigen gezondheid en leefstijl managen, het liefst digitaal. Dat wordt steeds makkelijker. Een Persoonlijke GezondheidsOmgeving (PGO) biedt de patiënt allerlei mogelijkheden voor digitaal gezondheidsmanagement en contact met zorgverleners. Er gebeurt heel veel moois op dat gebied, maar de toepassingen functioneren te vaak nog los van elkaar. In Mijn GezondheidsPlatform (MGP) van de Promedico Groep komt alles wél bij elkaar. En sinds kort hebben patiënten via een app altijd en overal toegang tot MGP.

“De patiënt wordt onderdeel van het multidisciplinair team door zelf ook acties te ondernemen. MGP maakt de reikwijdte van alles wat daarbinnen mogelijk is veel groter en tegelijkertijd wordt het gebruik veel makkelijker”, zegt Douwe Jippes, MGP-productmanager bij Care2U. Er zijn heel veel verschillende apps, eHealth-functionaliteiten en digitale toepassingen, maar het lijkt allemaal als los zand aan elkaar te hangen, zo constateert Jippes. “Dat is jammer, want het koppelen en integreren van verschillende applicaties biedt patiënten, praktijken en zorggroepen juist een eigen ecosysteem om zelfmanagement te activeren en zo beter grip te krijgen op gezondheid en leefstijl.”

Leefstijl

Hoe ziet dat er concreet uit? “Binnen MGP komen zelfservice, zelfzorg en zelfredzaamheid bij elkaar op één platform”, vat Jippes samen. “Zelfservice omvat de praktische kant en de communicatie met zorgverleners. Denk aan digitaal je dossier inzien als er onderzoeken zijn uitgevoerd, het maken van afspraken of het inplannen van herhaalmedicatie. Bij zelfzorg gaat het bijvoorbeeld om het zelf digitaal bijhouden van meetwaarden als bloeddruk, gewicht of glucose en die delen met een behandelaar. Bij zelfredzaamheid gaat het om het raadplegen van medische informatie, de juiste inname van medicijnen of  doelen en actiepunten formuleren, vastleggen en bijhouden in een individueel zorgplan.”

Functionaliteiten als ‘Mijn Meetwaarden’ of ‘Mijn Plan’ voorzien in de behoeften van de patiënt die Jippes opnoemt. MGP brengt daarin zelfredzaamheid in praktische zin tot realiteit. “Jouw gezondheid begint niet in de spreekkamer van de huisarts”, zegt Douwe Jippes. “Iedereen moet daar 24/7 aan werken. Tegenwoordig wordt veel gesproken over leefstijlgeneeskunde. Dat is veel meer dan een hype of modewoord. We zouden dus eigenlijk niet moeten spreken over patiënten, maar over burgers. Die willen hun gezondheidsprofiel actief managen, ook als het gaat om bijvoorbeeld slaap, voeding of beweging. Daarin gaan wij voorzien.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

“Data en technologie helpen ons de zorg beter te organiseren”

Vrijwel iedereen, jong en oud, heeft tegenwoordig toestellen waarmee je altijd online kunt zijn. Mensen gebruiken hun mobiele telefoon als agenda en voor hun sociale media en gebruiken applicaties voor van alles. “Velen zijn dus al gewend aan dit soort technologie in het dagelijks leven. En dan is de stap naar het gebruik van een smartphone of tablet voor de gezondheid snel genomen”, aldus Esther Talboom-Kamp, bestuursvoorzitter bij Saltro.

Naar schatting worden er op dit moment zo’n 325.000 applicaties aangeboden die op een of andere manier iets te maken hebben met gezondheid. Maar niet al deze apps worden getoetst of getest voordat ze worden aangeboden in de app store. “Dit is niet wenselijk, omdat we niet weten of de app die wordt gebruikt betrouwbaar, veilig en effectief is. We mogen niet toestaan dat patiënten, consumenten en zorgprofessionals werken met tools die hen niet daadwerkelijk helpen”, zo stelt Esther Talboom.

“Gezien de hoge werkdruk, de krapte op de arbeidsmarkt en de complexe zorgvraag van steeds ouder wordende, chronisch zieken, moeten we slimme programma’s ontwikkelen”, vervolgt ze. “Programma’s die de patiënten meer betrekken bij hun zorg en gezondheid én hen in staat stellen een groot deel van hun leven zelf te managen. eHealth kan hierbij een grote rol spelen, maar dit moet dan wel een goed geïntegreerd onderdeel zijn van de zorg.”

Actieve rol

“Zoals uitstekend verwoord in het rapport ‘Zorg op de juiste plek’, moeten we de juiste zorg, op de juiste plaats, tegen de juiste prijs bieden”, aldus Esther Talboom. “Dat vergt van alle bij de zorg betrokken partijen dat zij intensief samenwerken en hun werkzaamheden naadloos op elkaar aansluiten. Ook hier geldt dat data en technologie essentieel zijn voor het delen van gegevens en gezamenlijk analyseren en adviseren. Zolang we de gegevensuitwisseling niet op orde hebben, kunnen we niet verwachten dat we de zorg optimaal en over de lijnen heen kunnen inrichten.”

Voortrekkersrol NeLL

Het is belangrijk om bij de start van een nieuw digitaal initiatief zowel patiënten, zorgvragers als zorgprofessionals te betrekken. De wetenschap moet een rol vervullen bij het nagaan wat de daadwerkelijke effecten zijn van nieuwe technologie en op welke wijze data optimaal gebruikt kunnen worden bij de ontwikkeling van tools. De kennis die wordt opgedaan tijdens studies en onderzoeken moet breed gedeeld worden, zodat iedereen deze inzichten kan gebruiken bij de (door-)ontwikkeling van zorgprogramma’s en eHealth-toepassingen. Het National eHealth Living Lab (NeLL) vervult hierin een voortrekkersrol.

Auteur: Cherelle de Graaf

Download het volledige artikel hier:

Nieuwe screeningsmethode voor slaapapneu

OSAsense is een laagdrempelig screeningsinstrument voor het obstructief slaapapneu syndroom (OSAS), dat huisartsen gebruiken om uit te sluiten of iemand deze aandoening heeft. Ze kunnen hiermee deze patiënten sneller opsporen en het aantal onnodige verwijzingen naar slaapcentra met circa tachtig procent verlagen. Sinds 1 mei werken honderddertig Twentse huisartsen met deze tool. Patiënten kunnen het instrument thuis gebruiken en het bespaart kosten.

Slaapapneu is een ernstige aandoening waarbij de patiënt tijdens de slaap meerdere malen stopt met ademhalen. Het kan leiden tot slaperigheid overdag en permanente gezondheidsschade, zoals hart- en vaatziekten, diabetes en dementie. Volgens onderzoek lopen er in Nederland nog circa 300.000 mensen rond met OSAS zonder dat ze het weten.

Patiënten die zich bij hun huisarts presenteren met vermoeidheidsklachten, worden bij een vermoeden op OSAS meestal doorverwezen naar een specialistisch slaapcentrum voor een slaaponderzoek. Dit onderzoek is belastend voor de patiënt, gaat gepaard met hoge kosten en blijkt in een aanzienlijk deel van de gevallen achteraf niet nodig te zijn geweest.

Werking methode

OSAsense bestaat uit een vragenlijst en een slaaponderzoek dat de patiënt thuis kan uitvoeren. Vaak nog op dezelfde dag dat de patiënt zich met klachten meldt bij de huisarts, krijgt deze een horloge met een wegwerp ‘vingerhoedje’ dat het zuurstofgehalte meet in het bloed. Als dat zuurstofgehalte gedurende de slaap tenminste vijf keer per uur dipt, is er sprake van slaapapneu.

Veldhuis koppelt het horloge aan zijn computer, vult enkele gegevens in en geeft het horloge mee aan de patiënt die er thuis een nacht mee slaapt. De patiënt vult daarnaast een online vragenlijst in. De volgende ochtend levert de patiënt het horloge weer in en beoordeelt de huisarts de analyse. OSAsense genereert een adviesrapport, waarin wordt aangegeven hoe groot de kans is op slaapapneu. Is de kans groot, dan verwijst de huisarts alsnog door naar het slaapcentrum. Daar wordt de definitieve diagnose gesteld en gestart met een passende behandeling.

Betere opsporing in eerste lijn

OSAsense is bedoeld om slaapapneu uit te sluiten bij patiënten met atypische klachten (vermoeidheid, prikkelbaarheid, laag energieniveau) of patiënten met een hoog a priori risico (voorafkans) op slaapapneu op basis van bestaande comorbiditeit (atriumfibrilleren, therapieresistente hypertensie) en klinische presentatie. Het instrument is erop gericht patiënten met een verdenking op slaapapneu beter op te sporen in de eerste lijn en onnodige verwijzingen naar een slaapcentrum te voorkomen.

Auteur: Corina de Feijter

Download het volledige artikel hier: