Berichten

Huisartsen hechten grote waarde aan de apotheker in de wijk

Huisartsen beschouwen de openbare apotheker als farmacotherapeutisch expert, ze stellen prijs op rechtstreeks contact met hem voor farmacotherapeutisch overleg en ze vinden het belangrijk dat de apotheker laagdrempelig in de wijk aanwezig is. Dit zijn de belangrijkste uitkomsten van een marktonderzoek onder huisartsen, dat Service Apotheek in het voorjaar van 2018 liet uitvoeren.

Huisartsen zijn heel tevreden over de apotheker, dat is een van de meest opvallende uitkomsten van het marktonderzoek, waaraan 159 huisartsen deelnamen. “Eigenlijk is het vanzelfsprekend om huisartsen te vragen wat ze van het werk van openbare apothekers vinden”, stelt Giel Jansen, apotheker van Service Apotheek Zenderpark in IJsselstein en lid van de franchiseraad. “Zij zijn onze belangrijkste partners in de zorg. Toch is dat volgens mij nooit eerder aan hen gevraagd. Dat maakt dit onderzoek uniek.”

En de uitkomsten mogen er wezen. Zo scoren alle apotheken gemiddeld een 8 bij de huisartsen. De Service-apothekers scoren zelfs nóg hoger. Een 8,7 bij huisartsen die weten dat hun vaste apotheker een Service-apotheker is, een 8,1 bij huisartsen die dat niet weten, constateert Iris van der Valk, algemeen directeur van Service Apotheek.

Service en goed overleg zijn de door huisartsen meest genoemde aspecten van wat een apotheek tot een goede apotheek maakt. Huisartsen hechten veel waarde aan het contact met de apotheker, legt Van der Valk uit. “Ze vinden het belangrijk om met de apotheker te kunnen overleggen. Dat is een prettige uitkomst van het onderzoek. De huisarts ziet de apotheker als medebehandelaar. Hij beschouwt hem als de farmacotherapeutisch expert, als partner met wie hij op voet van gelijkwaardigheid van gedachten kan wisselen over het farmacotherapeutisch beleid.”

Wake-up call

Huisartsen willen daarom graag vaker rechtstreeks contact met de aanwezige apotheker. Uit het onderzoek blijkt echter dat het vaak de apothekersassistent is die contact opneemt. Dat dit directe contact met de huisartsen niet altijd tot stand komt, is geen onwil van de apothekers, benadrukt Van der Valk. “Het is eerder ingeslopen in hun werkwijze. Maar deze uitkomst is voor ons wel een wake-up call. We gaan onze franchisenemers zeker vragen hoe vaak zij de huisarts spreken. Het is belangrijk dat ze zich er meer van bewust worden hoeveel prijs de huisarts stelt op het onderling contact.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

“Dé mantelzorger bestaat niet”

In de huidige participatiesamenleving hebben mantelzorgers een grote rol gekregen in de zorg voor hun naasten. Maar zijn de eisen en verwachtingen die aan mantelzorgers worden gesteld wel realistisch? Vragen we niet te veel van ze? Eliane Heseltine, mantelzorger en ervaringsdeskundige, plaatst kritische kanttekeningen bij het gevoerde mantelzorgbeleid.

“De mantelzorger is het afvalputje van de zorg. Ik zie veel mantelzorgers bij wie het water over de schoenen loopt, omdat ze het niet meer volhouden. Ik maak me daar zorgen over.” Eliane Heseltine is mantelzorger van haar partner, die twaalf jaar geleden een beroerte kreeg. Sindsdien is hij halfzijdig verlamd, en honderd procent hulpafhankelijk.

Eliane benadrukt dat dé mantelzorger niet bestaat. “Het maakt verschil of je twee keer per week met je zorgbehoevende moeder boodschappen doet omdat ze dat zelf niet meer kan, of dat je 24 uur per dag bij je partner moet zijn, omdat hij geen moment alleen kan zijn.”

Op één hoop

Gemeenten zijn zich van die verschillen tussen mantelzorgers onvoldoende bewust. “Gemeenten zijn vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) wettelijk verplicht om mantelzorgers te ondersteunen. Ze organiseren daarom bijvoorbeeld één keer per jaar de mantelzorgdag of delen bonnen uit voor de schoonheidsspecialiste. Maar als je niet eens de deur uit kan, ga je zeker niet naar de schoonheidsspecialiste. Gemeenten organiseren zulke activiteiten voor de grootste gemene deler, maar elke mantelzorger is anders. Mijn advies aan gemeenten is daarom: verdiep je in de mantelzorgers, ken hun behoeften en pas je beleid erop aan. Kies niet voor one size fits all, maar biedt maatwerk.”

Online communicatie

De samenwerking met eerstelijnszorgverleners verloopt goed. Als de nood aan de man is, kan Eliane Heseltine altijd bij hen terecht. “Ze kennen mijn situatie en weten dat ik pas aan de bel trek als het niet meer gaat.”

Ze is blij dat ze tegenwoordig ook per mail vragen kan voorleggen aan de zorgverleners. “Twee of drie dagen wachten op antwoord is handiger dan telkens naar het spreekuur gaan. Zolang kan ik niet van huis. Bovendien heb ik dan voor dat ene consult zoveel vragen opgespaard, dat ik ze toch niet allemaal in één keer bespreken. Een mailconsult is daarom prettiger.” Haar tip aan eerstelijnszorgverleners is dan ook: maak de communicatie voor mantelzorgers makkelijker, investeer meer in mailconsult of andere vormen van online communicatie.

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

“Zorg voor patiënten met ernstig astma is ondergeschoven kindje”

Lange tijd was er in zorgverlenersland meer aandacht voor patiënten met COPD, dan voor patiënten met ernstig astma. Daar komt gaandeweg verandering in. Dit voorjaar verscheen er zowel een onderzoek naar het patiëntenperspectief bij patiënten met ernstig astma, als een verkenning naar de zorg en behandeling bij patiënten met ernstig astma. Beide onderzoeken brachten meerdere knelpunten aan het licht in de zorg voor deze kwetsbare groepen patiënten.

‘Ik moest stoppen met werken. Je lichaam laat je in de steek, je valt weg uit de maatschappij. Een heel raar gevoel.‘ ‘Nieuwe vrienden maak ik niet, doordat ik weinig buiten kom, maar ook omdat het vermoeiend is om steeds te moeten uitleggen wat je hebt en wat dat betekent.’

Dit zijn citaten van patiënten met ernstig astma. Zij namen deel aan het kwalitatief onderzoek ‘Patiëntenperspectief op ernstig astma: Inzicht in de patiëntreis van mensen met ernstig astma’. Zomer 2018 voerde onderzoeksbureau Beautiful Lives deze studie uit bij twaalf patiënten met ernstig astma en hun naasten, in opdracht van AstraZeneca. Doel is meer inzicht te krijgen in hoe patiënten ernstig astma beleven, op welke wijze zij meebeslissen over hun behandeling en in hoeverre ze op de hoogte zijn van ontwikkelingen in de zorg en behandeling van ernstig astma. Zo kan worden bijgedragen aan betere zorg voor deze patiëntengroep.

Meest opvallende conclusie uit het onderzoek is dat ernstig astma het leven van deze patiënten domineert. Ze ervaren veel ziektelast en hun wereld wordt in de loop der tijd kleiner. Het ziektebeloop is grillig en in vier fasen in te delen: zoeken naar een oplossing, erkenning & hoop, opgegeven zijn en acceptatie van de ziekte. Deze fasen gaan met uiteenlopende emoties gepaard. Zoals moedeloosheid, omdat het soms jaren kan duren voordat de huisarts doorverwijst naar de longarts of voordat de juiste diagnose wordt gesteld. Maar ook verlies van zelfwaardering, wanneer de patiënt noodgedwongen moet stoppen met werken en plotseling niet meer meetelt in de samenleving.

Onvoldoende (h)erkenning

De uitkomsten van het Beautiful Lives-onderzoek komen overeen met de verkenning ‘Zorgveld ernstig astma en moeilijk behandelbaar astma’, een initiatief van Long Alliantie Nederland (LAN) en de Vereniging Nederland Davos (VND). Marjo Poulissen, projectleider Zorg bij het Longfonds en VND, patiëntenverenigingen voor patiënten met (ernstig) astma, voert deze uit met Heleen den Besten van de LAN. Dit voorjaar presenteerden ze hun eerste bevindingen tijdens de LAN ledenvergadering.

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Werken aan betere therapietrouw van patiënten met astma en COPD

Stoppen met medicatiegebruik, zich niet goed geïnformeerd voelen, het gevoel dat ze onvoldoende kunnen meebeslissen over de behandeling, de zorg voor patiënten met astma en COPD is nog lang niet optimaal. Dat blijkt uit de recente Longmonitor naar therapietrouw bij patiënten met astma en COPD van Longfonds en NIVEL. Monique Heijmans (NIVEL) en Hendrien Witte (Longfonds) over de bevindingen.

Eén op de drie patiënten met astma en één op de vier patiënten met COPD neemt hun medicatie niet in volgens voorschrift van de arts. Ruim de helft van de patiënten met astma (56%), en bijna de helft van de patiënten met COPD (45%) heeft behoefte aan extra hulp bij het omgaan met medicijnen. Het zijn opmerkelijke cijfers, komend uit de dit jaar gepubliceerde Longmonitor van NIVEL en Longfonds.

Monique Heijmans, senior-onderzoeker van het NIVEL: “De helft van de patiënten met astma heeft hun klachten slecht onder controle. Dat houdt in dat ze er ondanks hun medicatie hinder van blijven ondervinden in het dagelijks leven. Denk aan kortademigheid, benauwdheid, er ‘s nachts wakker van worden. De voornaamste oorzaak is dat ze de voorgeschreven ontstekingsremmers niet goed innemen.”

Voorlichten én navragen

De voorlichting over goed medicatiegebruik schiet tekort, stelt Heijmans. “We zien dat terug in de uitkomsten van de Longmonitor. 43 procent van de COPD-patiënten geeft aan onvoldoende informatie te hebben over waarom ze bepaalde medicijnen moeten gebruiken of niet. En 34 procent van de mensen met astma vindt dat ze onvoldoende zijn geïnformeerd over wanneer ze medicijnen wel of juist niet moeten inhaleren.”

Wat hierbij een rol speelt, is dat zorgverleners onvoldoende controleren of patiënten het medicatieadvies begrepen hebben en of ze hun medicatie wel daadwerkelijk innemen. Heijmans vindt het een taak van de huisarts om bij de patiënt uit te vragen waarom deze zijn medicatie niet inneemt.

Betere inhalatie-instructie

Hendrien Witte, directeur Patiënt, Zorg en Participatie van het Longfonds, opdrachtgever van de Longmonitor, is het met Heijmans eens. Ze zou daarom graag zien dat er tenminste twee keer per jaar een controle op medicatiegebruik zou plaatsvinden bij patiënten met astma en COPD. Patiënten willen vooral zorg op maat, stelt Witte. “Ze willen een motiverend gesprek met hun behandelaar over wat de ziekte voor hen betekent. Het is belangrijk dat zorgverleners rekening houden met persoonlijke omstandigheden.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

“Je kunt niet in de eerste lijn werken zonder geriatrische kennis”

Hoge tevredenheid van ouderen, partners en mantelzorgers, enorme kostenbesparingen, de eerstelijnsouderenzorg van Ester Bertholet, specialist ouderengeneeskunde in Velp, is een voorbeeld voor de rest van het land. De levensvatbaarheid van haar aanpak staat of valt echter bij de wijze van financiering van de eerstelijnsouderenzorg.

In 2011 was Bertholet de eerste specialist ouderengeneeskunde in Nederland die een zelfstandige praktijk Ouderengeneeskunde oprichtte in de eerste lijn. Haar praktijk, gevestigd in Gezondheidscentrum Velp, biedt zorg aan ouderen met complexe en hoog-complexe problematiek die thuis wonen.

MESO-zorg

Multidisciplinaire ouderenzorg met een specialist ouderengeneeskunde, oftewel MESO-zorg, dat is de naam die ze samen met directeur Herma Barnhoorn voor haar werkwijze heeft bedacht. MESO-zorg kent een aantal succesfactoren. Bertholet heeft deze samengevat in veertien kernpunten. “In het gezondheidscentrum zit ik dicht bij de huisartsen”, licht ze er enkele toe. “Ik kan meteen schakelen als zij een patiënt bij me aanmelden. Binnen twee dagen na verwijzing, nemen we contact op met de patiënt. Daarna gaan we altijd op huisbezoek. Je ziet de patiënt dan in zijn eigen setting en weet wie de partner of mantelzorger is. We nemen ook contact op met de verzorgende of wijkverpleegkundige die bij de zorg is betrokken en maken gebruik van het bestaande zorgnetwerk. Tot slot organiseren we een multidisciplinair overleg met alle betrokken zorgverleners. Vervolgens komen we tot een plan van aanpak.”

De MESO-aanpak scoort hoog op Triple Aim: betere gezondheid, beperking van zorgkosten en betere kwaliteit van leven voor de patiënt.

Directe en indirecte zorg

De kostenbesparingen door de MESO-methodiek zijn enorm, stelt Bertholet. Onder meer doordat opnames in het verpleeghuis worden uitgesteld: 745.000 euro voor 56 patiënten. Daarnaast wordt bespaard op polibezoeken bij de ziekenhuisgeriater of andere tweedelijnsspecialisten.

Door de financiering krijgt de MESO-methodiek nog geen brede navolging in het land. “Wij doen dit met gelden van het Innovatiefonds Zorgverzekeraars, dat we samen met Menzis hebben aangevraagd. Dat stopt eind van het jaar, al hoop ik op een jaar overbrugging tot er een betaaltitel is voor de specialist ouderengeneeskunde. Per 2020 komt onze zorg in de Zorgverzekeringswet en valt onze zorg onder de basisverzekering. Aan de bekostiging van die eerstelijnsouderenzorg wordt momenteel hard gewerkt.” Bertholet hoopt op een DBC-bekostiging met plaats voor bekostiging van directe én indirecte zorgverlening. “Als er wordt gekozen voor een DBC waarin alleen de directe zorg bekostigd wordt, kan ik mijn praktijk sluiten. Dan wordt de eerstelijnsouderenzorg onbetaalbaar.”

Auteurs: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Patiëntervaringen onderdeel van kwaliteitscyclus chronische zorg

De ervaring van patiënten met hun zorgverlening was lange tijd een ondergeschoven kindje voor zorggroepen. Daar komt verandering in. Steeds meer zorggroepen starten met de PREM Chronische zorg, een korte en gevalideerde vragenlijst over patiëntervaringen. Die krijgen daarmee een belangrijke plek binnen het kwaliteitsbeleid van de zorggroepen.

Bij hoeveel diabetespatiënten in de huisartsenpraktijken is de bloeddruk gemeten, bij hoeveel van hen is het HbA1c-gehalte op het gewenste niveau? Dat zijn belangrijke proces- en uitkomstindicatoren voor zorggroepen en huisartsenpraktijken, weet Nout Willems, manager Zorgprogramma’s van zorggroep PoZoB (Praktijkondersteuning Zuidoost-Brabant en Noord-Limburg). Zo’n 150 huisartsenpraktijken in de regio zijn daarbij aangesloten.

Toch is dat niet voldoende om optimale kwaliteit van zorg te leveren voor patiënten met een chronische aandoening, vervolgt hij meteen. “We willen als zorggroep zorg op maat bieden voor onze patiënten. Dat lukt alleen als we meer doen dan sturen op een optimale bloeddruk- of bloedsuikerwaarde. Voor patiënten zijn andere zaken minstens zo belangrijk. Hoe ga ik als diabetes- of COPD-patiënt om met mijn sociale relaties, hoe geef ik antwoord op bepaalde zingevingsvragen? Dat zijn andere dimensies van kwaliteit. We willen die eveneens een plek geven in ons kwaliteitsbeleid, om onze zorg verder te verbeteren.”

Dat is ook nodig, stelt Willems. “We praten met z’n allen over Triple Aim: onze zorg moet gericht zijn op betere gezondheid, minder kosten én een betere patiëntervaring. Het zorgveld heeft zich de afgelopen jaren vooral gericht op betere gezondheid en beperking van de zorgkosten. We hadden echter onvoldoende aandacht voor de patiëntervaringen. Dat geldt niet alleen voor zorgverleners, maar ook voor zorgverzekeraars. In hun zorginkoopbeleid besteden zij nauwelijks aandacht aan patiëntervaringen. Het zit niet in hun inkoopkaders. Ik confronteer zorginkopers daar wel mee. Ze hebben dan geen antwoord.”

Nieuwe dimensie kwaliteit

Om ervaringen van patiënten met chronische aandoeningen op te nemen in het kwaliteitsbeleid, is PoZoB in samenwerking met Qualizorg in 2018 begonnen met de PREM-pilot (patient reported experience measurement) Chronische zorg. Dat is een overzichtelijke en gevalideerde vragenlijst om ervaringen van patiënten met hun behandeling en bejegening in de chronische ketenzorg te verzamelen, te analyseren én te laten meewegen in de kwaliteitscyclus van de zorggroep [zie kadertekst]. Twintig huisartsenpraktijken van PoZoB doen mee aan de pilot. In de loop van dit jaar wordt die afgerond.

Auteurs: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Betere zorg en minder kosten met anderhalvelijnsspreekuur Bewegingsapparaat

Sinds 1 januari 2018 heeft Zuid-Limburg een anderhalvelijnsspreekuur Bewegingsapparaat. Kaderhuisarts Ramon Ottenheijm, orthopeed Patrick Deckers en fysiotherapeuten van fysiotherapiepraktijken Sportho en FysioStofberg zien twee middagen in de week patiënten met complexe schouderklachten. Die zouden anders naar het ziekenhuis verwezen worden. Verwijzing naar het anderhalvelijnsspreekuur bespaart zorgkosten én levert goede kwaliteit van zorg op.

Patrick Deckers, orthopeed in het Zuyderland ziekenhuis, heeft net samen met Ramon Ottenheijm, kaderhuisarts Bewegingsapparaat, een echo bestudeerd van een patiënt met complexe schouderklachten. “Je ziet dan een dynamisch proces”, vertelt Deckers. “Voor mij betekent het een verdieping van mijn kennis. In het ziekenhuis ontbreekt veelal de tijd voor een functionele beoordeling van de echo. Zelf maak ik ook geen echo’s. Ramon is als kaderhuisarts gespecialiseerd in echografie. Het is fijn om samen de tijd te hebben om de schouderbeweging op een echo te bestuderen. Dat maakt veel duidelijk over de aard van de klacht.”

Sinds 1 januari 2018 draaien Deckers, Ottenheijm en fysiotherapeuten van fysiotherapiepraktijken Sportho en FysioStofberg samen het anderhalvelijnsspreekuur Bewegingsapparaat, een samenwerking van de Zuid-Limburgse huisartsenorganisaties MCC Omnes en Huisartsen OZL, zorgverzekeraar CZ en ziekenhuis Zuyderland. Op donderdagmiddag houden ze spreekuur bij Meditta Medisch Centrum in Echt, op vrijdagmiddag bij Pluspunt Medisch Centrum, een anderhalvelijnscentrum in de Oostelijke Mijnstreek.

Substitutiepilot

Het anderhalvelijnsspreekuur komt voort uit de substitutiepilot Bewegingsapparaat die Ottenheijm december 2017 heeft afgerond. Tijdens deze driejarige pilot zag Ottenheijm patiënten die anders door zijn collega-huisartsen verwezen zouden worden naar de orthopeed. De uitkomsten van de pilot lieten een hoog substitutiepercentage zien. 85 procent van de patiënten hoefde niet te worden doorgestuurd naar het ziekenhuis. Ook de patiënttevredenheid was hoog. Ottenheijm: “Patiënten vinden het prettig dat ze bij een gespecialiseerde huisarts terechtkunnen, dicht in de buurt. Bovendien had ik meer tijd voor hen dan de orthopeed in het ziekenhuis. Ik had een half uur per consult, hij slechts vijftien minuten.”

Dezelfde taal spreken

De pilot in Zuid-Limburg was zo succesvol, dat deze per 1 januari 2018 is opgeschaald naar alle huisartsen in de regio. Ottenheijm: “In deze follow-up doen we het anderhalvelijnsspreekuur met zijn drieën, de orthopeed, de kaderhuisarts en de fysiotherapeut. We zitten allemaal in hetzelfde gebouw. De orthopeed heeft chirurgische kennis, de kaderhuisarts heeft een generalistische blik en is gespecialiseerd in de echografie en de fysiotherapeut beheerst als geen ander het lichamelijk onderzoek. Zo versterken we elkaar.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Echografie van belang in substitutiepilot bewegingsapparaat

Kaderhuisartsen Bewegingsapparaat zorgen voor verlaging van het aantal verwijzingen naar de tweede lijn. De inzet van de echografie in de huisartsenzorg draagt daaraan bij. Het leidt tot betere diagnostiek en meer gerichte verwijzingen, leggen kaderhuisartsen Ramon Ottenheijm en Darian Shackleton uit.

Ze zitten beiden in het bestuur van de Expertgroep Het Beweegkader, de expertgroep Bewegingsapparaat van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG). Ramon Ottenheijm en Darian Shackleton zijn allebei kaderhuisarts Bewegingsapparaat, de ene in Geulle, Zuid-Limburg, de andere in de regio Boskoop. Ze zijn expert én vraagbaak voor collega-huisartsen in hun regio. Ottenheijm: “Huisartsen bellen ons voor consultatie, of ze verwijzen patiënten naar ons door. We geven dan advies over diagnostiek en behandeling. Met de kennis die wij overdragen, kunnen zij weer verder met de patiënt.”

Ottenheijm ziet als kaderhuisarts al jaren patiënten in zijn eigen praktijk. De afgelopen drie jaar deed hij dat in het kader van een substitutiepilot. “We hebben in die drie jaar bijgehouden welke patiënten ik heb gezien, met welke problematiek ze kwamen en wie van hen binnen een half jaar na het consult alsnog naar het ziekenhuis is doorverwezen”, vertelt Ottenheijm, die ook onderzoek doet naar substitutie van zorg bij de vakgroep Huisartsgeneeskunde van de Universiteit Maastricht.

Persoonlijk contact

Tijdens de pilot zag Ottenheijm patiënten die anders door zijn collega-huisartsen verwezen zouden worden naar de orthopeed. “Ik had een half uur voor een consult. Daarin nam ik het anamnesegesprek af, deed ik uitgebreid lichamelijk onderzoek en maakte ik een echografie van bijvoorbeeld schouder of knie. Vervolgens besprak ik met de patiënt de diagnose en gaf ik een behandeladvies aan de eigen huisarts. Deze behield de regie.”

De uitkomsten van de pilot laten een hoog substitutiepercentage zien. 85 procent van de patiënten hoeft niet te worden doorgestuurd naar het ziekenhuis. Ook de patiënttevredenheid is hoog.

Betere therapietrouw

De echografie speelt een belangrijke rol in de pilot, legt Ottenheijm uit. “Je ziet aan de buitenkant niet welke structuur in schouder of knie is aangedaan. Met een echo zie je dat wel. Een echografie heeft daarmee een hoge diagnostische waarde. Bovendien kan ik patiënten de beelden tonen en er een toelichting bij geven. Dat geeft patiënten rust, omdat ze dan een betere diagnose in handen hebben. Vervolgens kun je ook gerichter behandelen.” Echografie leidt dus tot betere diagnostiek en gerichtere behandeling én tot meer betrokkenheid en therapietrouw bij de patiënt.

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Longzorg gestuurd op uitkomsten

De zorgverleners in Nijkerk waren pioniers toen ze drie jaar geleden samen met zorgverzekeraar Zilveren Kruis besloten om in de eerstelijnslongzorg niet langer te sturen op productie, maar op uitkomsten. De resultaten van de pilot, die eind 2017 is afgesloten, zijn positief.

Afgerekend worden op uitkomsten, niet op productie, dat is de crux bij de pilot Innoverend contracteren in de eerstelijnslongzorg bij de twee gezondheidscentra De Nije Veste en Corlaer in Nijkerk. Zo’n tweehonderd zorgverleners, zoals huisartsen, apothekers en fysiotherapeuten, zijn daarbij aangesloten. De pilot, die april 2015 van start ging, werd mogelijk door een shared savings-contract met resultaatafspraken, afgesloten tussen de zorggroepen in Nijkerk en zorgverzekeraar Zilveren Kruis. “Doel van de pilot is om goede zorg te leveren voor onze COPD-patiënten, zonder daarbij gehinderd te worden door schotten, domeinen of discussies over eigenaarschap, bijvoorbeeld tussen eerste en tweede lijn,” legt Sam Siemssen uit, directeur Gezondheidscentra Nijkerk. “Met dit contract konden we de transmurale samenwerking tussen de longartsen van de ziekenhuizen Meander en Sint Jansdal en de eerstelijnszorg in Nijkerk goed organiseren.”

Eind 2017 is de driejarige pilot afgerond en geëvalueerd. Drie doelstellingen stonden daarbij voorop: verbeterde gezondheid van de COPD-populatie, betere ervaren kwaliteit van zorg door de patiënten en kostenreductie van de zorg. Het zijn de bekende Triple Aim-doelstellingen, legt Siemssen uit. “Wij hebben dat verbreed naar Quadruple Aim, door er een verbeterd werkplezier van zorgverleners als doelstelling aan toe te voegen.”

Meer tijd en aandacht

Drie van de vier doelstellingen zijn ruimschoots behaald. Zo is het aantal patiënten dat zich benauwd voelt sterk afgenomen en is het aantal verpleegdagen voor patiënten die voor COPD in het ziekenhuis waren opgenomen in 2015 en 2016 duidelijk verminderd ten opzichte van 2014. De ervaren kwaliteit van zorg is eveneens flink verbeterd. “Patiënten geven aan meer tijd en aandacht te krijgen. Er wordt beter naar hen geluisterd en ze krijgen betere instructies. Patiënten hebben verder het gevoel dat ze een beter gesprek met zorgverleners kunnen voeren, doordat ze beter zijn geïnformeerd over de behandeling.”

En ook de zorgverleners zijn tevreden. De gevraagde kostenreductie is nog niet gerealiseerd. “De schaalgrootte van longzorg bleek niet voldoende om maximaal rendement en resultaat te kunnen bewerkstelligen op de investeringen. Vandaar dat we hebben besloten om de pilot per 1 januari 2018 uit te breiden naar de zorg voor alle patiënten met chronische aandoeningen in ons verzorgingsgebied.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Teleconsultatie bij knie-, rug- en schildklierklachten scheelt kosten

Substitutie van medisch-specialistisch zorg door huisartsenzorg is een belangrijke pijler om de zorguitgaven te beperken. Teleconsultatie kan daarbij een belangrijke rol spelen, blijkt uit een pilot in de regio Nijmegen. Door teleconsultatie bij patiënten met knie-, rug- en schildklierklachten neemt het aantal verwijzingen naar de tweede lijn af. Grote kostenbesparingen zijn hierdoor mogelijk.

Het viel Guido Adriaansens, huisarts in Beuningen, en Marc ten Dam, internist-nefroloog en medisch manager transmurale zorg in het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis (CWZ) Nijmegen, al langer op. Bij veel patiënten die door de huisarts worden verwezen, vindt op de polikliniek van het CWZ geen medisch-specialistische ingreep plaats, zoals een operatie. Patiënten krijgen een advies en na enkele polikliniekbezoeken gaan ze retour huisarts. Adriaansens: “Zelfs bij de orthopeed, een snijdend specialisme, komen patiënten met knieklachten die niet geopereerd worden. We dachten: dat kost veel geld, het belast de tweede lijn en voor patiënten is het gedoe om naar het ziekenhuis te komen. Bovendien kost het ook hen geld, doordat ze hun eigen risico moeten aanspreken.”

Voor deze patiënten, stelt Adriaansens, heeft de huisarts genoeg aan een advies van de medisch specialist. Daarmee kan hij verder. De LHV-kring Nijmegen en het CWZ besloten daarom tot een pilot teleconsultatie bij patiënten met knie- rug- en schildklierklachten. Adriaansens: “Het houdt in dat de huisarts zijn consultvraag via een format in ZorgDomein voorlegt aan de medisch specialist.”

Meer gerichte verwijzingen

De specialist beoordeelt vervolgens de consultvraag en geeft advies. Ten Dam: “Bij een patiënt met knieklachten kan hij bijvoorbeeld adviseren over pijnstilling, leefstijl of fysiotherapie. Vaak zijn dat opties die de huisarts nog onvoldoende heeft benut. Maar soms is de uitkomst dat de specialist de patiënt alsnog wil zien in de tweede lijn. Het teleconsult levert in dat geval een meer gerichte verwijzing op.”

Het prettige van teleconsultatie is dat de medisch specialist geen informatie mist. Ten Dam: “Hij kan het consult rustig bestuderen, op een door hemzelf gekozen tijdstip. Dat is een voordeel vergeleken met een telefonisch consult. Internetconsultatie is effectiever. Uit onze pilot blijkt ook dat we meer dan 50 procent van de verwijzingen die anders zouden plaatsvinden, hiermee kunnen voorkomen.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier: