De zomer van preventie: Deel 6 | De zorgeconoom

Preventie krijgt maar moeizaam een plek in de eerste lijn. De wijze waarop zorg gefinancierd wordt, is hier mede debet aan. “De gevestigde zorgpartijen hebben er geen direct eigen belang bij”

Waarom preventie maar zo moeilijk een plek krijgt in de eerste lijn? Marcel Canoy noemt het een “oude discussie”. Eén “die de eerste lijn overstijgt”. In een economie zijn volgens Canoy zaken nou eenmaal lastig te organiseren als de baten op de ene plek terecht komen, maar de kosten ergens anders. Terwijl financiële schotten in het ordenen van gezondheidszorg onvermijdelijk zijn. Dus kijkt iedereen in eerste instantie naar elkaar. Maar volgens Canoy, zorgeconoom aan de Vrije Universiteit en economisch adviseur van de ACM, zit er wel beweging in het debat. En die komt uit de wetenschap.

“Het goed organiseren van preventie in de eerste lijn begint met de inhoudelijke vraag. Hoe verander je de leefstijl van mensen? Dat is waanzinnig moeilijk en des te meer bij mensen die er juist het meest baat bij hebben, zoals mensen met een lage sociaaleconomische status. Maar juist op het gebied van interventies zie je de laatste jaren steeds meer interessante initiatieven.”

Innovatie

Canoy meent dat innovatie de weg naar een meer structurele plek van preventie in de eerste lijn is. eHealth, nudging, peer-groups, werken met kleine beloningen via een app, allemaal onderzoekideeën om de mensen een handje te helpen die een gezonde leefstijl goed kunnen gebruiken. Daar begint het. “Co-creatie tussen onderzoekers, patiënten en huisartsen. Gebruik maken van de vertrouwensband die de huisartsen met zijn patiënten heeft zodat die mee willen doen. En dan onderzoek met hulp van ZonMW, VWS, NWO, kijken of het werkt, als dat zo is, dan landelijk opschalen.”

Hij is er niet voor te gaan “sleutelen” aan het zorgsysteem. Het moet via de inhoudelijke weg gaan. “Als je niet weet wat je moet doen, kun je het financieringsprobleem wel met veel gedoe oplossen, maar dan ben je alleen maar politiek kapitaal aan het verspillen. VWS moet juist kunnen zeggen dat een interventie in Groningen werkt, maar ook in Houten en in Middelburg. Dan kun je de financiering aanpakken.”

Structurele financiering

Maar ook met een bewezen interventie is het regelen van structurele financiering niet eenvoudig. Want in de huisartsenpraktijk hebben patiënten verschillende zorgverzekeraars. De huisarts wil zelf logischerwijs de aanpak niet alleen aanbieden aan degenen met verzekeraar X. Verzekeraars X, Y en Z zijn echter huiverig om dan samen te werken. “Koudwatervrees”, noemt Canoy het.

“Zorgverzekeraars wijzen dan naar kartelwetgeving, maar zeker in de zorg mogen heel veel vormen van samenwerking wel. Je moet dan wel door een paar hoepeltjes springen. Zorgverzekeraars komen echter bijna nooit met dit soort vragen bij ACM langs. Laat staan dat ze met ACM in gesprek gaan.” Ze vinden zulke trajecten ingewikkeld, denkt Canoy. “Ze zijn bang dat ze te veel kosten moeten maken of dat ze op hun flikker krijgen. Maar we leggen als ACM echt heel goed uit wanneer wij een samenwerking niet oké vinden en wanneer onschuldig.”

Wetgeving

Wanneer de preventie-interventie op het raakvlak tussen de Zorgverzekeringswet en de Wet maatschappelijke ondersteuning zit, komt het regelmatig voor dat gemeente en betrokken zorgverzekeraar naar elkaar gaan kijken. Ook omdat andere zorgverzekeraars zich dan uitgesloten kunnen voelen. Canoy vindt het “volstrekt niet logisch” als VWS dan de financiering op zich neemt. “Ik ben meer voor een landelijke database waarmee bewezen goede samenwerking tussen gemeente en zorgverzekeraar gedeeld wordt zodat ze daar elders hun voordeel mee kunnen doen.” Maar hij maakt zich wel zorgen over de financiële positie van gemeenten. “Zorgverzekeraars hebben de middelen, bij gemeenten betwijfel ik dat zeer, zeker in deze Covid-tijd. Je moet geld hebben om investeringen te doen. Je stopt immers in de eerste fase een aantal miljoen in een project waarvan je hoopt dat je het in de tweede en derde fase terugverdient.”

Gun factor

Werken aan de hand van bewezen interventies. Goede samenwerking over schotten heen in beeld brengen. Klinkt logisch. Maar het structureel borgen van preventie in de eerste lijn is hoe dan ook lastig. Canoy ziet net als ieder ander in de zorg dat preventie als woord de ’gun-factor’ heeft. Iedereen praat er over, iedereen is er voor, zeker voor die bewezen interventies, maar het thema heeft volgens Canoy geen sterke lobby, geen sterke institutionele positie. “De mensen met een lage sociaaleconomische status gaan niet op het Malieveld staan roepen om een betere leefstijl. En de gevestigde zorgpartijen hebben geen direct eigen belang bij preventie. Zorgverleners willen productie draaien. Er is geen eigenaarschap.”
En toch wint preventie terrein, ook in de eerste lijn. Juist door het toenemend aantal bewezen interventies. Het gaat traag, het is taai, in de ogen van Canoy is de richting echter onvermijdelijk. “Betaalbaarheid wordt steeds meer een issue.” Hij vindt de gezondheidsurgentie nog relevanter als aanjager. “We hebben in Nederland een almaar groeiend aantal mensen met relatief veel klachten op verschillende leefgebieden. Dat is een belangrijk sociaal-politiek thema. Ik denk dat partijen als Groen Links, D66, CDA, PvdA en Christen-Unie allemaal serieuze paragrafen over preventie in hun verkiezingsprogramma opnemen. De discussie over de positie van preventie in de eerstelijns zorg is zeker geen patstelling.”

Lees hier deel 5 van de serie.

De hele serie lezen? Hier vindt u het dossier.