LHV-bestuurder Carin Littooij over de eerstelijns zorg

Als bestuurder in de huisartsenzorg – en dat is ze al sinds de eeuwwisseling – heeft LHV-bestuurslid Carin Littooij (49) geleerd dat de inhoud altijd leidend moet zijn. Hoe kan de individuele huisarts door alle veranderingen heen zijn werk goed blijven doen? Want het huisartsenvak is topsport. En om topsport te kunnen bedrijven, zijn goede randvoorwaarden onontbeerlijk. Dát is wat deze bestuurder motiveert.

Littooij heeft nooit iets anders willen worden dan huisarts. Toen ze uitgeloot dreigde te worden, koos ze voor een ander hulpverlenend beroep: verloskundige. Het werd uiteindelijk toch huisarts. Daarbij bekleedt ze al jaren verschillende bestuursfuncties. Ze was een van de drijvende krachten achter de huisartsenpost in Zeist en leidde jarenlang het bestuur van Huisartsenkring Midden-Nederland. ‘Ik voel passie voor mijn vak. Een huisarts kan betekenis hebben voor een patiënt, verandering teweegbrengen in zijn leven. Ik zie dat in onze praktijk gebeuren. Het is ook wetenschappelijk bewezen. Dat heeft mijn interesse gewekt voor de organisatie en het beleid van de huisartsenzorg. Want je kunt wel veel willen, maar je moet het ook kunnen volbrengen.’

Waar doe ik het voor? En hoe houd ik het vol? Deze twee vragen vormen voor Littooij een leidraad, zowel in haar persoonlijke als haar professionele leven. Bijvoorbeeld bij een vraag naar mogelijke spanning tussen huisartsenpraktijk en zorggroep. ‘Als een zorggroep vooral bekommerd is om zijn voortbestaan en de huisarts in de eerste plaats zijn praktijk in de lucht wil houden, dan zou er spanning kunnen ontstaan. Maar als ze allebei voor ogen houden voor wie ze het uiteindelijk doen en het belang van de patiënt voorop stellen, dan zie ik geen enkele reden tot spanning.’

Onderdeel van de toekomstvisie van de LHV is dat zorggroepen, huisartsenkringen en huisartsenposten bestuurlijk meer in elkaar gevlochten worden, vertelt Littooij. ‘Ik vind het belangrijk dat wij als huisartsen ten allen tijde de verantwoordelijkheid voor ons werk dragen én dus ook voor de organisatie daarvan. Voor chronische zorg kan deelname aan een zorggroep heel nuttig zijn. Om de diensten ’s avonds, ’s nachts en in het weekend te regelen zijn huisartsenposten belangrijk. Kortom: het “uitbesteden” van ondersteunende en organisatorische taken kan prima werken, maar de kern van de huisartsenzorg moet in handen zijn en blijven van de huisartsen zelf.’

Download het volledige artikel hier: