Congres Abonneren
×

Van substitutie- naar afsprakenmonitor

De afsprakenmonitor heeft nauwelijks toegevoegde waarde en mag snel de prullenbak in

In maart 2015 verscheen de eerste substitutiemonitor. In juni 2016 is deze door Zorgverzekeraars Nederland (ZN) getransformeerd in een afsprakenmonitor. InEen en de LHV hebben bezwaar gemaakt omdat de afsprakenmonitor geen ruimte geeft om te schuiven in macrobudgetten ten gevolge van substitutie. Wat is er precies aan de hand en wat zijn de gevolgen?

In 2015 had De Eerstelijns vooral kritiek op de uitkomst van de eerste substitutiemonitor. Het betrof de resultaten van de zorgverzekeraars om de zorg én budgetten te verschuiven van de tweede- naar de eerstelijnszorg over het jaar 2014. Dat betekende een jaar geleden 0,1 procent verschuiving van het specialistisch budget naar de eerstelijnszorg, terwijl de feitelijke zorgsubstitutie een veelvoud is. Toch was het voldoende voor minister Schippers om op basis van deze uitkomst 25 miljoen euro van het macrobudget specialistische zorg naar het budget huisartsen en multidisciplinaire zorg te schuiven. Niet genoeg, maar toch ..

Nu is er een vernieuwd instrument: de afsprakenmonitor. De auteur is dezelfde, maar de inhoud is wezenlijk anders. Waarom de monitor is aangepast en wat dat inhoudt, wordt niet duidelijk gemaakt. Kort gezegd kan niemand iets doen met de resultaten. Daar waar in 2015 de inventariserende vragen die aan de zorgverzekeraars werden gesteld onderdeel uitmaakten van de rapportage, ontbreken deze in de versie 2016. Deze afsprakenmonitor kan wat ons betreft snel de prullenbak in.

Er is in vier jaar nauwelijks toegevoegde waarde gerealiseerd. Het alternatief is een ministeriële verlaging van het macrobudget van de medisch-specialistische zorg, dat wordt gebaseerd op de reeds gerealiseerde substitutie van zorg (VEKTIS) in combinatie met de ambities voor de komende jaren. Een realistisch scenario is het macrobudget voor medisch-specialistische zorg en GGZ geleidelijk te verlagen met 0,5 procent per jaar voor een periode van vier jaar en dit budget ter beschikking te stellen voor de versterking van de totale eerstelijnszorg: voor huisartsen, maar zeker ook voor wijkverpleegkundigen.

Auteur: Jan Erik De Wildt, directeur De Eerstelijns