Kwetsbare ouderen en ggz-patiënten in de huisartspraktijk

Huisartspraktijken steeds drukker met kwetsbare ouderen en ggz-patiënten.

Oudenren GGZ-Patiënten

Kwetsbare ouderen en mensen met ggz-problematiek gaan in de huisartsenzorg een steeds grotere rol spelen. InEen zette in de Themabijeenkomst kwetsbare ouderen en ggz uiteen wat hiervan de gevolgen zijn en hoe het ondersteuning biedt om daar succesvol mee te kunnen omgaan.

Het is alweer jaren geleden dat InEen voor haar leden inhoud ging geven aan zorgprogramma’s voor mensen met diabetes of astma/COPD. “Maar er zijn nog meer patiëntgroepen die baat hebben bij de ontwikkeling van soortgelijke programma’s en ook daar maken we ons hard voor”, zei InEen-bestuurder Maarten Klomp in zijn rol als dagvoorzitter van de Themabijeenkomst kwetsbare ouderen en ggz, 14 januari in Ede. Hij doelde hiermee specifiek op ouderen en ggz-patiënten. “De werkdruk in de huisartspraktijk wordt in toenemende mate bepaald door de zorg voor deze twee groepen”, zei hij. “In de samenwerking voor deze patiëntgroepen zijn nog slagen te maken. Het komt de kwaliteit van zorg ten goede en het verlicht ook die werkdruk.’

Toestroom naar de eerste lijn

Zeer kwetsbare ouderen met multiproblematiek vormen op dit moment ongeveer anderhalf procent van de populatie, wat per normpraktijk neerkomt op twintig patiënten. Het aandeel gediagnostiseerde ggz-patiënten is groter: tien procent van de populatie, in een normpraktijk meer dan tweehonderd dus. In 2018, de laatste cijfers, hadden 25 zorggroepen een contract voor programmatische zorg afgesloten voor kwetsbare ouderen en 23 voor ggz-patiënten.
Het aandeel van beide patiëntgroepen in de populatie zal toenemen, stelde Klomp. Dit heeft te maken met demografische ontwikkelingen (denk aan de toenemende vergrijzing), maar ook met het kabinetsbeleid dat erop gericht is deze groepen zoveel mogelijk in de eigen woonomgeving te laten wonen. Ook de Wet zorg en dwang, de Wet verplichte ggz en de opkomst van kleinschalige woonvormen spelen een rol. “Meer zorg die traditioneel in het ziekenhuis of in ggz-instellingen werd geleverd komt nu naar de eerste lijn”, zei Klomp. “Dat zal een wissel trekken op onze organisatiekracht. In dit verband is belangrijk dat huisartsen in de Woudschoten conferentie vorig jaar hebben uitgesproken wat tot hun kerntaken behoort: de huisarts is de medisch-generalistisch expert en richt zich op lichamelijke en psychische klachten en passende medische zorg.”

Praktische handreikingen

Dit uitgangspunt biedt helderheid, maar betekent nog niet dat er geen uitdagingen zijn, stelde Klomp. De verpleeghuizen en ggz-instellingen kampen met wachtlijsten en de huisartspraktijken met capaciteitstekorten. “De vraag aankunnen vergt een bredere kijk op gezondheid”, stelde hij. “Het vraagt ook om persoonsgerichte zorg, om het tegengaan van stigma’s rond ggz-aandoeningen en om de inzet van ervaringsdeskundigen. Onder de streep vraag dit om samenwerking in de keten, die is nu meer nodig dan ooit eerder het geval was. Maar niet alleen dat. Het vraagt ook om passende financiering hiervoor en om aandacht voor acute zorg.”
Klomp schetste wat InEen tot nu toe heeft gedaan om de eerste lijn hierin te ondersteunen en welke activiteiten ze in 2020 wil ontwikkelen. Voor kwetsbare ouderen is in samenwerking met twaalf andere partijen uit zorg en welzijn de handreiking Zorg en ondersteuning voor kwetsbare ouderen thuis gemaakt. De grote waarde hiervan is dat die onderdeel is geworden van het VWS-programma Langer thuis en dat er nu een breed gedragen aanpak voor integrale zorg in de thuissituatie is. Ook heeft InEen kwaliteitsindicatoren gemaakt voor de zorg voor kwetsbare ouderen. Samen met de LHV is een modelovereenkomst ontwikkeld voor zorg in kleinschalige woonvormen.. “Onze prioriteit voor 2020 is de randvoorwaarden regelen voor implementatie van de handreiking voor zorg aan kwetsbare ouderen thuis”, vertelde Klomp. “Denk hierbij aan projectfinanciering, digitale gegevensuitwisseling en regionale ondersteuning.” Klomp bracht verder in herinnering dat in 2020 de specialist ouderengeneeskunde van de Wet langdurige zorg naar de Zorgverzekeringswet is gegaan. “Daarmee komt die binnen de grenzen van de eerste lijn. Dat is goed nieuws, want we hebben de specialist ouderengeneeskunde heel hard nodig.”
Voor de ggz ontwikkelde InEen met GGZ Nederland de handreiking Generieke module acute psychiatrie. Het zette het project voor samenwerking tussen huisarts en generalistische basis-ggz op, ontwikkelde kwaliteitsindicatoren voor de ggz, herzag het functie- en competentieprofiel voor de poh-ggz en formuleerde de uitgangspunten voor één kwaliteitsregister. Ook op dit dossier is dus al veel werk verzet, maar ook hierop benoemde Klomp actiepunten voor 2020. “Het kwaliteitsregister voor de poh-ggz moet worden geïmplementeerd”, vertelde hij. “De samenwerking in de keten moet worden versterkt door consultatie van de ggz en de psychiater mogelijk te maken, afspraken te maken over overbruggingszorg, het geïntegreerd zorgaanbod te bestendigen waar dit er al is, sturingsinformatie te bieden en inzicht te geven in de kostenontwikkeling.”

Kwetsbare ouderen

Peter van Linschoten van ARGO was als projectleider betrokken bij de ontwikkeling van de handreiking Zorg en ondersteuning voor kwetsbare ouderen thuis. “De rol van InEen in het bevorderen van de samenwerking in zorg voor kwetsbare ouderen is hierin goed uit de verf gekomen”, vertelde hij in zijn bijdrage aan de themabijeenkomst. “De basis voor de handreiking vormde de landelijke inventarisatie van wat er gebeurt in de zorg voor kwetsbare ouderen. We zagen problemen, onder andere de toeloop op de afdelingen spoedeisende hulp van de ziekenhuizen.”
Het projectteam haalde cases op om een vastomlijnd beeld te krijgen van wat nu precies onder de definitie kwetsbare ouderen moet worden verstaan. Die cases maakten duidelijk dat zich in het leven van ouderen ineens situaties kunnen voordoen die zowel op de zorg als op de persoonlijke leefsituatie betrekking hebben. Dit laat zien dat er niet alleen een rol is voor de huisarts, maar ook voor het sociaal domein en de thuiszorg. Samenwerking is dus essentieel. “De vier kerndisciplines hierbij zijn de huisarts, de wijkverpleegkundige, de poh’er en de specialist ouderengeneeskunde”, zei Van Linschoten. “Met de huisarts en wijkverpleegkundige als startpunt. Als die in beweging komen, gebeurt er wat. Maar ook een apotheker bijvoorbeeld kan signaleren dat iemand afvalt of er slecht uitziet.” Al aan de voorkant actie ondernemen – zorgen dat de oudere een netwerk behoudt of opbouwt en zo regie houdt en daar zo goed mogelijk op aansluiten – biedt de grootste winst.

Ggz

Peter van Splunteren kwam als volgende spreker aan het woord. Hij was als onderzoeker betrokken bij het project Samenwerking huisartsenzorg en generalistische basis-ggz. In dit project zijn acht verschillende vormen van samenwerking tussen huisartsenzorg en basis-ggz in kaart gebracht. Hieruit werd duidelijk dat de poh-ggz de samenwerking tussen huisartspraktijken en de ggz sterk heeft bevorderd. Nu ontstaat onder poh’ers specialisatie op bijvoorbeeld jeugd of ouderen. “Multidisciplinair overleg blijkt heel belangrijk”, vertelde Van Splunteren. “Het zorgt ervoor dat wordt nagedacht over wat goede zorg is en dat de inzichten hierover ook worden gedeeld. Dat helpt in de samenwerking, daar moet je dus in investeren. Het geeft bij de zorgprofessional het vertrouwen om ook complexe patiënten te helpen, omdat hij weet dat hij op iemand kan terugvallen. Ook goede financiering helpt: het geeft tijd om te investeren in kwaliteitsontwikkeling.”
Er zijn knelpunten. Verstopping in de basis-ggz en vooral ook de specialistische ggz. Maar ook het punt dat communicatie met de specialistische ggz lastig is. Deze knelpunten leiden ertoe dat de poh-ggz en basis-ggz zwaardere patiënten moeten behandelen. Een ander punt van aandacht is de zwakke relatie met het sociaal domein. “Sinds de decentralisaties zien we veel wisselingen in de sociale wijkteams voor de jeugdzorg”, zei Van Splunteren. “Dat maakt het moeilijk om daar contact mee te krijgen, een knelpunt dat echt moet worden opgelost.”

Complexe wet- en regelgeving

Als laatste kwam Jacco van Nieuwkoop, projectleider bij het ministerie van VWS, aan het woord. Hij beschreef hoe complex de wet- en regelgeving rondom de huisartsenzorg aan patiënten met een indicatie voor de Wet langdurige zorg is. In de praktijk ontstaan nieuwe kleinschalige woonvormen voor mensen met een Wlz-indicatie, met name in de ouderenzorg. Daarnaast groeit in de eerste lijn de behoefte aan kennis van de arts verstandelijk gehandicapten en de specialist ouderengeneeskunde. “We zien discussie over hoe de huisartsenposten zich moeten verhouden tot die kleinschalige woonvormen en tot de gehandicapten-zorg”, vertelde Van Nieuwkoop. ‘Vijftig procent van de patiënten met een Wlz-indicatie krijgt huisartsenzorg regulier via de Zvw, waarbij de ANW-zorg dan ook geregeld is. Voor de andere helft verloopt de zorg via de instellingsbekostiging in de Wlz. Niet de patiëntkenmerken, maar de plek waar de patiënt verblijft bepaalt hoe de zorg geregeld en gefinancierd is. Dat maakt het complex.”
De overheid moet de huisartsen beter faciliteren in de zorg voor deze patiënten, stelde Van Nieuwkoop. Dat wordt alleen maar urgenter nu het aantal ouderen toeneemt, mensen met een verstandelijke beperking ouder worden, sprake is van arbeidskrapte en de organisatie van het zorglandschap verandert. Hij noemde het werk van InEen op de dossiers kwetsbare ouderen en ggz “goed te gebruiken” om het faciliteren van de zorg voor hen verder vorm te geven.

Lees hier verder.

  1. Steeds meer taken naar de huisarts, steeds moeilijker proces om je omzet bijeen te harken zodat je je personeel kunt betalen. Nee, gewoon stoppen als praktijkhouder! Dat lijkt me beste optie voor ouderwetse, all-round huisartsen, stoppen en laat de zorgverzekeraars het maar uitzoeken samen met de waarnemers en de LHV, die de zorgplicht lekker op onze nek blijft leggen. Zorgplicht hoort bij verzekeraars. Huisartsen zouden plezier moeten mogen terugkrijgen in hun beroep.

  2. Je standpunt ken ik Arstrid, van het interview dat ik een poosje geleden met je had. Toch hoop ik niet dat alle huisartsen er zo over denken. Maar ter nuancering: er gaan steeds meer taken naar de huisartspraktijk. Dat betekent niet per se naar de huisarts.

Comments are closed.