Hans Hof: “In Randland bestaan geen gemakkelijke oplossingen voor praktijkopvolging”

In Randland bestaan geen eenvoudige oplossingen voor praktijkopvolging.

Randland oplossingen praktijkopvolging

Ketens? In de openbare farmacie zijn die al lang gemeengoed. En ze maken praktijkovername gemakkelijker dan in kringen van huisartsen, voor wie de ketenformule vaak nog een brug te ver is. Maar dat is niet bepaald het enige probleem in de discussie over praktijkopvolging, stelt Hans Hof.

Als farma-econoom en consultant wordt Hans Hof regelmatig betrokken bij processen rond praktijkopvolging in openbare apotheken. Doorgaans is die praktijkopvolging goed te realiseren, stelt hij, ook in de minder populaire delen van het land zoals Oost-Groningen, Zeeland of Limburg. De gebieden die hij – om ze te onderscheiden van de Randstad – gewend is gezamenlijk aan te duiden als Randland. “In het succes van die praktijkopvolging spelen een paar factoren een rol”, zegt hij. “In de eerste plaats is in de wereld van de openbare apotheken op grote schaal sprake van ketens. Het lukt een keten doorgaans goed om het voor een apotheker aantrekkelijk te maken om in zo’n apotheek – ook in Randland – te gaan werken. Maar er is ook een tweede factor. Waar veruit de meeste huisartsen echt kiezen voor het beroep, speelt voor de apotheker ook het bedrijf een rol. Het bedrijf zit de apotheker, en ook de fysiotherapeut trouwens, dichter op de huid dan de huisarts. Apothekers kunnen zich er ook heel goed in laten begeleiden om gefaseerd tot ondernemerschap te komen. Hiervoor is in 1948 speciaal de Stichting Vereniging Nederlandse Apotheken opgericht, de VNA. Je begint daarin als apotheker in loondienst en groeit toe naar het ondernemerschap.”

Echt een heel andere wereld dan die van de huisarts, stelt Hof. Die is van oudsher gewend geweest aan praktijkvestiging. Niet zelden aan huis en in een aantal gevallen zelfs gecombineerd met een apotheek, als apotheekhoudend huisarts dus “Maar de apotheekhoudend huisarts is aan het uitsterven en huisartspraktijken zijn enorm veranderd”, zegt hij. “Vroeger was de huisartspraktijk vaak een man/vrouwbedrijf, nu heb je het toch al gauw over een praktijk waar tien mensen werken. Dat terwijl de jonge huisartsen nu vaak de voorkeur geven aan parttime werken en kiezen voor werken als waarnemers omdat ze terugschrikken voor praktijkhouderschap.”

Multidisciplinair centrum

De gevolgen zijn bekend: vooral in wat Hof Randland noemt is praktijkopvolging een serieus probleem geworden. “In de Randstad lukt het doorgaans nog wel om een opvolger te vinden”, zegt hij. “Zelfs in achterstandswijken. Daar zie je ook wel mengvormen van praktijkhouderschap en loondienst. Maar voor Randland bestaan geen makkelijke oplossingen. Een multidisciplinair eerstelijns centrum, waarin ook het sociaal domein een rol speelt, kan een oplossing zijn, gelet op het feit dat van de eerstelijns zorgaanbieders wordt verwacht dat ze in steeds grotere netwerken gaan functioneren. Je staat er dan als huisarts niet zo alleen voor. Daarmee kan het een meer aantrekkelijke werkvorm zijn dan een stand alone praktijk. Een werkvorm bovendien waarin ook loondienst een optie is. Maar een dergelijke samenwerking moet wel in een contractvorm worden vastgelegd, het kan niet vrijblijvend zijn.”

Dit neemt echter niet het bezwaar weg dat jonge huisartsen hebben tegen vestiging in bepaalde gebieden van het land, erkent Hof. “Op lokaal niveau zie je wel dat hier wat aan wordt gedaan’, zegt hij. ‘Denk aan een woonlastensubsidie of werkgebied bonus bijvoorbeeld, of zelfs het ter beschikking stellen van woonruimte. Dat helpt allemaal een beetje, maar is geen structurele oplossing. Een mooi voorbeeld van een meer gestructureerde aanpak hebben we gezien in Coevorden. Daarin speelde een actieve huisarts als representant van samenwerkende huisartsen met inschakeling van externe expertise en ondersteuning een rol, maar ook een gedeputeerde en een gemeentebestuur die zich inspannen en een zorgverzekeraar die meewerkt. En de medisch specialisten van het ziekenhuis in Hardenberg, die poli doen in de huisartspraktijk en zo het ziekenhuis ontlasten van niet-ziekhuisgebonden zorg . En er is een treinverbinding met Zwolle: in een half uur tijd ben je in een stad met behoorlijke culturele voorzieningen. Ook belangrijk om als huisarts een partner over de streep te trekken om mee te verhuizen. Een stad betekent vaak ook een reële optie voor werkgelegenheid voor die partner.”

Geen probleemeigenaar

Wat echter niet op grote schaal gebeurt, zegt Hof, is een dergelijk goed voorbeeld elders overnemen. “Daarbij helpt ook niet dat we in de landelijke politiek geen probleemeigenaar hebben die hierin een actieve rol speelt zoals indertijd de minister voor grotestedenbeleid. Momenteel bemoeien diverse ministers zich met het Randland. Maar natuurlijk is ook niet overal een huisarts, gedeputeerde of gemeentebestuurder aanwezig die zo als kartrekker optreedt als in Coevorden het geval was, en een zorgverzekeraar die meewerkt. En niet alle gebieden zijn even aantrekkelijk voor de partner en de kinderen om in te wonen. In Zeeland, Limburg of Oost-Groningen kun je voor de huisartsenzorg weliswaar samenwerken met Belgische of Duitse partners. Maar dan heb je toch wel te maken met cultuurverschillen en met verschillende zorgsystemen die beperkende factoren kunnen zijn. En zelfs als dat slaagt, doet ook dat niets af aan de problematiek van de leefbaarheid voor partner en kinderen.”

Een extra uitdaging is dat in die gebieden de zorgvraag groter is, stelt Hof. “Samenwerking met de gemeente en het sociaal domein is daar daarom nog belangrijker’, zegt hij. “En dat besef is er wel in toenemende mate, maar naar dat besef handelen vraagt om een organisatorische context. Lokale afspraken met partijen in België en Duitsland bieden wel bouwstenen om op verder te werken, maar het ontbreekt aan een eindverantwoordelijke architect en aannemer.”

Is werken in ketens, waarin de organisatorische aspecten uit handen worden genomen door een zakelijke organisatie zodat de huisarts zich op de inhoud van het werk kan concentreren, een oplossing? “Voor openbaar apothekers werkt het, zoals ik al aangaf”, zegt Hof. “Onder tandartsen zie je het ook steeds meer, al zie je daar ook dat er vanuit de beroepsgroep nog veel bezwaar tegen bestaat. Maar onder huisartsen zie je het nog amper.”

Wat hierbij meespeelt, zegt Hof, is dat de huisarts in een unieke positie verkeert: die is architect, opdrachtgever, aannemer, degene die andere professionals en zichzelf aanstuurt en poortwachter. “Iemand die zo’n positie bekleedt, gaat die niet zomaar opgeven om in een keten te werken”, stelt hij. “En jonge huisartsen willen niet teveel sturing boven zich hebben. Dienstverband vinden ze best een optie, maar ze willen wel zelf de dienst uitmaken.”

Apotheekhoudend extra probleem

Een aparte categorie vormen de apotheekhoudend huisartsen. “Extra lastig om praktijkhouderschap voor te accepteren, want dan heb je er nog een discipline bij”, zegt Hof. “Je hebt er bovendien een apothekersassistent bij nodig die in staat is om wat zelfstandiger te werken dan in een openbare apotheek. Het ligt dan ook voor de hand dat een jonge huisarts die mogelijk interesse heeft in overname van zo’n praktijk zegt: het huisartsendeel prima, maar die apotheek wil ik er niet bij hebben. Dus het aantal apotheekhoudend huisartspraktijken daalt en sterft zoals ik al zei langzaam uit. Toch hoeft dat op zich geen probleem te zijn. De huisarts kan zijn praktijk verkopen aan een huisarts in de buurt die zijn patiëntenbestand wil uitbreiden, en het apotheekdeel in zo’n apotheekhoudende huisartspraktijk wordt vaak al geserviced door een openbare apotheek in de buurt. Het is dan vooral een uitdeelpost en die kun je ook organiseren in een winkel. Alleen betekent dit wel dat de vertrekkende huisarts met een financieel probleem komt te zitten, want het scheelt fors in de praktijkomzet – en dus de goodwill – als dat apotheekdeel niet meetelt. Zoals ik al zei: er zijn geen gemakkelijke oplossingen.”

Lees hier meer over dit onderwerp.