Hans van Eeken: “Wet verplichte ggz vraagt om versterking eerste lijn en sociaal domein”

Kennis uit sociaal domein essentieel voor goede invulling Wet verplichte ggz.

wet verplichte ggz Hans van Eeken

Burgemeesters die in het kader van de Wet verplichte ggz moeten beslissen over crisissituaties rond burgers in hun gemeente, moeten kennis hebben over de leefwereld van deze mensen. Een onderzoeksgroep haalde die verhalen uit de leefwereld op en gebruikt die als basis om burgemeesters (en hun ambtenaren) te helpen om hun rol naar behoren te vervullen. Maar dat is slechts de helft van het verhaal, stelt projectleider van de groep Hans van Eeken. Ook de huisartsen moeten hun rol pakken.

De vervanging van de Wet BOPZ door de Wet verplichte ggz per 1 januari 2020 leidde tot veel vragen. In welke rol bracht dit de gemeenten? Hoe zouden die hiermee omgaan? En zouden zij de verbinding met de zorgaanbieders in de eerste lijn en binnen het ggz-domein goed benutten? Omgekeerd: zouden die zorgaanbieders in staat zijn hun rollen goed op te pakken?

Een onderzoeksgroep van Hans van Eeken (ervaringswerker – projectleider van de groep), Bauke Koekkoek (lector HAN) en Edda Heijting (oprichter Heijting Weerts Groep) stelde aan ZonMw voor klantprofielen op te stellen van burgers in psychische crisis, om daarmee burgemeesters en ambtenaren van gemeenten, medewerkers van het Openbaar Ministerie en geneesheer-directeuren van ggz-instellingen toe te rusten. “Met als doel om deze partijen vanuit het contact met de leefwereld van burgers voeling te laten krijgen met wat burgers die in crisis raken beweegt”, vertelt Van Eeken. De eindrapportage Klantprofielen van burgers in psychische crisis is er nu.

Onbenutte informatie

In een vlog op Youtube vertelt Van Eeken wat voor mensen de onderzoeksgroep tegenkwam in de werkplaatsen die ze organiseerde: “Mensen die de meest verschrikkelijke dingen hebben meegemaakt, in zichzelf maar ook in en rond hun opname. In hun directe ervaringen lagen sleutels die de deur openden om hen goed te begeleiden, maar die nog niet ontdekt waren.”

Op de werkplaatsen volgden interviews. Van Eeken: “Die lieten zien hoeveel emotie nog opgesloten zit in deze mensen over wat ze hebben meegemaakt en hoe blij ze zijn hun verhaal te kunnen vertellen. Ze hebben veel informatie die nauwelijks wordt gehoord en gezien. Vaak is er bovendien al een lange reis geweest naar de eerste crisisopname toe. De sociale context speelt een buitengewoon grote rol in het ontstaan van de crisis. Meestal zie je een langdurige stapeling van problematiek die hiertoe leidt. Dan volgen heftige verhalen van mensen die uit huis worden gehaald, ambulance en politie erbij, wat als bijzonder stigmatiserend wordt ervaren. En daarop volgt dan heel erg procesgerichte zorg, weinig gericht op de relatie.”

Fundament bieden

Terugblikkend op het proces vertelt Van Eeken nu: “Toen we zagen dat de Wet verplichte ggz in aantocht was, voorzagen we als groep wat er zou gaan gebeuren. Met de wet, en de hoorplicht van de burgemeester die erin besloten ligt, wordt de gemeente in stelling gebracht. Op zich is dat goed, maar die gemeente en burgemeester vinden dit ook nog moeilijk, want het is nieuw, en die gaan dus mensen uit de ggz inhuren om hierbij ondersteuning te bieden. Gelet op het feit dat die gewend is erg procesgerichte zorg te bieden, is dat nu juist niet de bedoeling. Precies de reden waarom wij voorstelden om ervaringen vanuit de cliënten aan te bieden. Als je de burgemeester en zijn ambtenaren verhalen aanreikt vanuit de praktijk van de mensen die zo’n crisis meemaken, geef je ze een steviger fundament om verantwoord te handelen op het moment dat dit van hen wordt verwacht.”
Een waardevolle uitzondering was een burgemeester die zelf een dochter had die eens in een crisissituatie was opgenomen. “Die liet zich niet zomaar een verhaal vertellen door een psychiater die haast had”, zegt Van Eeken.

Cirkel van problemen

We merkten dat we goud in handen hadden, zegt Van Eeken, terugkijkend op het proces. “Het viel echter niet mee de veelheid aan verhalen die we ophaalden goed in een rapportage te verwerken, maar toen dat eenmaal was gelukt bleek het door alle betrokken partijen heel positief te worden ontvangen. Blijkbaar raakten we iets,”
Wat het vatten van die verhalen in de eindrapportage moeilijk maakte, was het aanvankelijke idee dat die verhalen te vangen zouden zijn in acht klantprofielen. De profielen die de groep vooraf had bedacht, bleken helemaal niet aan te sluiten op de praktijkverhalen die ze hoorde. “We merkten dat er heel veel overlap zat in de verhalen die we hoorden”, vertelt Van eken, “dus toen zijn ze ons daarop gaan richten, om aan die burgemeesters en ambtenaren te kunnen uitleggen: kijk, dit is wat er binnenkomst als er een verwarde inwoner bij je wordt aangemeld. Zoals ik in die vlog al zei vaak mensen die al jaren in een cirkel van problemen zitten, en die in die crisissituatie terechtkomen bij een ggz die weinig oog heeft voor de mens om wie het gaat. Met ze aan tafel gaan zitten voor een goed gesprek is niet zo gebruikelijk. Dat hoorden we van die mensen. ‘Als ze wat meer tijd hadden genomen…’, ‘Als er iemand bij me was gebleven…’. Maar in plaats daarvan stonden veelal de gedwongen medicatie en de solitaire opsluiting centraal. En vooral die dwangmedicatie vinden mensen enorm traumatiserend.”

Handreiking bieden

De groep heeft een startsubsidie ontvangen van ZonMw voor drie werkplaatsen. “Met de informatie die we vanuit de leefwereld hebben verzameld willen we naar de gemeenten om hen een handreiking te bieden om hen in staat te stellen tot een goede invulling van de Wet verplichte ggz te komen”, zegt Van Eeken. “We willen burgemeesters en ambtenaren in een middag bijpraten over wat je in de praktijk nu feitelijk tegenkomt rond crisissituaties. Heel erg op microniveau blijven dus. Dat is belangrijk, want die wet wordt op een erg technische manier ingevoerd. Maar de kern is het contact, de relatie, de tijd nemen om naast iemand te blijven staan in het moment van de crisis.”
Als in de periode voorafgaand aan de opname en ook tijdens de opname meer tijd en aandacht aan de cliënt wordt besteed, leidt dit tot betere zorg, stelt Van Eeken. Tijd en aandacht van wie? “Vooral vanuit de huisartspraktijk, de ggz en de steunstructuur van de cliënt”, zegt hij. “Als de huisarts of de poh-ggz weet wie in de directe omgeving van de cliënt snel kan worden betrokken op momenten dat dit nodig is, zou dat heel veel schelen. Die lijnen moeten er dus zijn. En ook in de crisis zou de huisarts – eventueel gedelegeerd naar de poh-ggz – de regie moeten behouden. Natuurlijk is die ontlast van de druk om te handelen als iemand even opgenomen is, maar we weten dat een verplichte opname bij crisis niet erg herstelbevorderend is. Het is dus zaak dat de huisartspraktijken en de huisartsposten in staat worden gesteld om hun rol te pakken in sociaal perspectief.”

Eerste lijn versterken

Een nu bestaande hindernis is het moeizame contact tussen de huisarts en de ggz. “De ggz is van oudsher heel intern gericht”, zegt Van Eeken. “Het uitgangspunt is: kom maar op met die cliënt in crisis. De cliënt bij crisis doorschuiven naar de ggz levert in de huisartspraktijk het minste werk op, maar is niet wat die cliënt nodig heeft. Van een opname wordt die alleen maar destructiever en meer suïcidaal. Wat de cliënt daar krijgt is elke dag een gesprekje met de psychiater en verder vooral pillen, een soort bewaarplaats. Laten we dus alsjeblieft niet de weg inslaan naar weer meer ggz-bedden, zoals staatssecretaris Paul Blokhuis voorstelt.”
Wat wel nodig is, is versterking van de ondersteuning in de eerste lijn, stelt Van Eeken. “Het is juist de huisarts of poh-ggz die in de periode voorafgaand aan de crisis contact heeft gehad met die cliënt, diens verhaal en diens steunstructuur kent. De rol van de huisarts en de poh-ggz moet hierin dus veel serieuzer worden genomen. Natuurlijk moet dit financieel en organisatorisch mogelijk gemaakt worden. Het moet niet allemaal op het bord van de huisarts terecht komen, die moet vooral een coördinerende rol spelen. Om dit te kunnen doen, moet het financieel mogelijk worden gemaakt om de huisartspraktijk te versterken met poh’ers-ggz of wellicht ook ervaringswerkers. Dit schept ruimte om meer contact te bewerkstelligen tussen de huisartspraktijk en de gemeente. Natuurlijk zijn hierbij ook meer maatschappelijk werkers in de wijk nodig en moet de organisatie vanuit de gemeente komen, maar de huisarts is wel de sleutelfiguur om de gemeente toe te rusten met kennis over wat er gebeurt met een cliënt die in een crisis geraakt en voor wie de burgemeester dan verantwoordelijk is om een beslissing te nemen.”

Betrokken burgers

Van Eeken erkent dat het ook belangrijk is burgers een rol te geven om om te zien naar mensen in hun wijk die dit nodig hebben. Specifiek hiermee heeft hij recent al ervaring opgedaan in een project in Amsterdam Nieuw-West. “Daarvan heb ik geleerd dat burgers best bereid zijn om wat over te hebben voor anderen”, vertelt hij. “Wel met de beperking dat die ondersteuning kortdurend moet zijn. Het is dus wel zaak de draaglast goed te verdelen tussen burgers en zorgprofessionals. Maar ook juist dat onderstreept weer hoe belangrijk het is dat de huisarts of poh-ggz de leefomgeving van de cliënt kent.”
Het einddoel, stelt Van Eeken, is werken vanuit de behoeften van de burger en van daaruit de ggz opnieuw vormgeven. “De problematiek waarom het bij deze mensen gaat is meestal niet heel complex”, zegt hij. “Het is vooral gebrek aan levensvaardigheid: hoe ga je om met geld, met werk, met relaties. Geen zorgproblemen dus, geen zaken waarin een psychiater een rol hoeft te spelen. Het is niet zo ingewikkeld, we maken het ingewikkeld door van ieder probleem een medisch probleem te maken.”

Voetnoot:
Het einddocument is online te lezen via het LinkedIn profiel van Hans van Eeken.

  1. Uit mijn hart gegrepen! Zo herkenbaar. En de oplossingen liggen zo onder handbereik! Ik hoop dat het ons gaat lukken om deze manier van omgaan met mensen weer de norm te laten zijn.

Comments are closed.