Werk-gerelateerde problemen: de rol van de huisarts

Werk-gerelateerde problemen: wat is hierbij de rol van de huisarts? Kees de Kock promoveerde onlangs op dit onderwerp aan het Radboudumc.

Werk-gerelateerde problemen: de rol van de huisarts

U bent zelf huisarts. Kunt u met een voorbeeld uit de eigen praktijk het belang van dit onderwerp duidelijk maken?
Kees de Kock: “Ik ben al twintig jaar geïnteresseerd in de mogelijke relatie tussen het werk van patiënten en de klachten waarmee zij zich presenteren bij de huisarts. Toch is het ook mij overkomen dat ik werk als oorzaak over het hoofd zag. Zo was er een vrij jonge man die vaak een longontsteking had. Uiteindelijk stelde zijn longarts vast dat arbeidsomstandigheden de oorzaak waren. De man was kok. Hij stond vaak boven een grill en ademde dan ongezonde stoffen in. Dat ik dit over het hoofd had gezien, maakte mij nog eens duidelijk dat ‘arbeids-gerelateerd’ veel meer in het systeem van de huisarts zou moeten komen te zitten.”

Wat waren de belangrijkste onderzoeksvragen?
“Ik wilde achterhalen of huisartsen door training en educatie meer aandacht kregen voor het werk van patiënten. Gingen huisartsen vaker noteren wat het beroep van patiënten was? Gingen ze met grotere regelmaat gebruikmaken van ICPC-code Z05 in het HIS? Deze code gaat over problemen met de werksituatie.”

Hoe bent u te werk gegaan in het promotieonderzoek?
“Ik houd praktijk in Deurne. Na een pilot-focusgroep met collega’s uit Deurne heb ik de huisartsen uit het adherentiegebied van het Elkerliek ziekenhuis benaderd met het verzoek deel te nemen aan focusgroepen over de aandacht voor werk en de rol die gender hierbij speelde. Uiteindelijk waren er drie focusgroepen met in totaal acht huisartsen. Er bleek een gebrek aan kennis te zijn, bijvoorbeeld over wet- en regelgeving. Zo dachten veel huisartsen dat ze patiënten geen advies mochten geven over al dan niet gaan werken. Het overheersende idee was: dat is een zaak van de bedrijfsarts. In de praktijk is het niet zo rigide; een huisarts mag iemand bijvoorbeeld best een korte time-out adviseren, bijvoorbeeld als mensen overspannen zijn. Verder klaagden veel huisartsen over het HIS. Ze zeiden dat daarin geen goede, duidelijke plek was om informatie over het beroep te noteren. Of het vergde zo veel muisklikken, dat het daar in de praktijk niet van kwam.”

Vervolgens hebben huisartsen training en educatie gekregen om verbeteringen te realiseren. Wat hield de interventie in?
“36 huisartsen uit Zuidoost-Nederland maakten deel uit van het onderzoek. De ene helft kreeg training en educatie, de andere helft niet. De artsen uit de interventiegroep volgden een training van vijf uur. Eerst spraken zij over hun ervaringen met werk-gerelateerde klachten in de spreekkamer. Hadden zij bijvoorbeeld voorbeelden van good practices? Daarna waren er lezingen. Romy Steenbeek, destijds onderzoeker bij TNO, vertelde over de financiële schade die de samenleving lijdt door vermijdbaar arbeidsverzuim. Toine Lagro-Janssen, huisarts en hoogleraar Vrouwenstudies Medische Wetenschappen, ging onder meer in op de verschillende manieren waarop mannen en vrouwen omgaan met gezondheidsproblemen. Zo zal de gemiddelde man vaker signalen negeren die kunnen duiden op een ernstige aandoening. Berend Terluin, onderzoeker aan het EMGO Institute for Health and Care Research, verzorgde een training over hoe je als huisarts kunt handelen bij overspannen mensen. In een rollenspel kon worden geoefend op de vaardigheden. Hierbij waren deelnemende artsen bij toerbeurt patiënt, dokter en observator. Tot slot heb ik verteld over dataverzameling en registratie bij werk-gerelateerde klachten.”

Hebben de training en educatie vruchten afgeworpen?
“Ik heb geen significante verbetering kunnen aantonen als gevolg van de interventie. Wel was er een verdubbeling van het noteren van informatie over werk, maar daarvan was sprake in zowel de interventie- als de controlegroep. Er is gekeken naar hoe vaak huisartsen ICPC-code Z05 gebruikten bij patiënten die wekelijks minstens twaalf uur betaald werk verrichtten. In de interventiegroep steeg het gebruik per duizend patiënten in de werkende leeftijd van vier naar elf. Bij de controlegroep was dit van vier naar zes; blijkbaar nam het gebruik onder deze huisartsen iets toe doordat zij wisten dat ze deelnamen aan een studie naar werk-gerelateerde problemen. Hoe dan ook, het verschil in uitkomsten tussen de twee groepen was niet significant.
We gebruikten ook een uitkomstmaat op patiëntenniveau. Dit was de werk-gerelateerde self-efficacy schaal. Hiermee konden we nagaan in hoeverre patiënten verwachtten hun werk te kunnen doen. Ook bij deze uitkomstmaat vonden we geen verschil tussen de interventiegroep en de controlegroep.”

Waren er andere uitkomstmaten?
“Ik heb patiënten uit de interventie- en controlegroep schriftelijk vier vragen gesteld. Kent uw huisarts uw beroep? Besteedt uw huisarts aandacht aan de mogelijke relatie tussen uw werk en uw klacht? Geeft uw huisarts advies over wel of niet verzuimen? En helpt uw huisarts om zelf uw problemen op te lossen? Ook hier was er geen significant verschil tussen de groepen. Verder is aan de patiënten gevraagd: acht u het mogelijk dat er een relatie is tussen uw werk en de reden van uw huisartsenbezoek? Een derde antwoorde bevestigend. Ook vonden bijna alle patiënten (93 procent) dat de huisarts op de hoogde diende te zijn van hun beroep en gaf 85 procent aan van hun huisarts advies te willen over wel of niet kunnen gaan werken. Als je de blik wat verder richt, is werk natuurlijk maar één van de aspecten om aandacht aan te besteden. Veel huisartsen beoefenen hun beroep ook op een uitgesproken holistische manier en zijn gewend aandacht te besteden aan de context van de patiënt, bijvoorbeeld in de privésituatie. Maar op een of andere manier blijft de werkcontext er daarbij bekaaid vanaf te komen. En dat is jammer, omdat daar zoveel kansen liggen.”

U heeft ook de kosteneffectiviteit gemeten?
“Er is gekeken naar de maatschappelijke kosten. Die bestaan onder meer uit productiviteitskosten: het aantal verzuimdagen en het door te betalen salaris. Verder gaat het om de zorgkosten, onder meer berekend aan de hand van polikliniekkosten. Ook mantelzorgkosten zijn meegenomen in de becijfering. In de interventiegroep werd jaarlijks per gemiddelde patiënt 770 euro minder aan kosten gemaakt dan in de controlegroep. Dit verschil is evenmin significant en bovendien moeilijk te interpreteren vanwege een zeer grote spreiding: zowel verzuim als maatschappelijke kosten kenmerken zich door een zeer scheve verdeling. Om een indruk te geven: in mijn data bleek twintig procent van de patiënten tachtig procent van de verzuimdagen voor hun rekening te nemen.”

Wat nu?
“Critici zeggen naar aanleiding van mijn onderzoek: waarom moet de huisarts óók nog werk-gerelateerde klachten op zijn bordje hebben? Huisartsen hébben het al zo druk en het bord ligt al zo vol. Mijn reactie: vaak kunnen één of twee consulten volstaan. Dan kun je een betere analyse van problemen maken met ook een grotere kans op duurzaam resultaat. Heb je als huisarts aarzelingen? Denk je bijvoorbeeld dat je je een hoop werk op de hals haalt en dat dit bovendien niet adequaat wordt gefinancierd? De poh-ggz kan vaak worden ingezet bij werk-gerelateerde klachten, eventueel na extra scholing. Dan moet er wel meer ruimte komen voor inzet van de poh-ggz. Die heeft ook de mogelijkheid meer tijd te investeren, zodat meer recht gedaan kan worden aan de vaak zeer complexe problematiek.
Werk-gerelateerde klachten zijn een té belangrijk onderwerp en vermijdbaar verzuim leidt tot té hoge kosten, om te zeggen dat het geen taak is voor de huisarts. Wel moet deze taak aantrekkelijker gemaakt worden voor de huisarts. Ik pleit voor veel meer synergie tussen bedrijfsarts en huisarts. Momenteel is er niet of nauwelijks sprake van samenwerking. In de huidige situatie is het bijna uitzonderlijk dat huisarts en bedrijfsarts elkaar spreken. Dit draagt er dikwijls aan bij dat de bedrijfsarts pas in beeld komt wanneer er al veel schade is. Verzuim treedt bovendien vaak pas op als mensen al ver over hun grenzen zijn gegaan. Soms storten ze dan ook voor langere tijd in. Bedrijfsartsen en huisartsen zouden samen meer kunnen doen aan preventie. Ik denk onder meer aan een soort samenwerkingsvorm als tussen de huisarts en medisch specialist; dat huisartsen bijvoorbeeld via ZorgDomein de bedrijfsarts van een patiënt kan vinden om een signaal af te geven. Het moet veel normaler worden dat de huisarts en bedrijfsarts de koppen bij elkaar steken. Dit is ook van belang om tegenstrijdige adviezen te voorkomen.”

Heeft u nog meer ideeën om werk-gerelateerde problemen beter onder de aandacht te krijgen bij huisartsen?
“In het vorige decennium zijn huisartsen met de zogeheten variabiliseringsgelden aangemoedigd hun EPD op orde te hebben. Ze kregen een bescheiden bedrag als ze de juiste ICPC-code invoerden voor een patiënt. Op dezelfde wijze zou kunnen worden gestimuleerd dat ze meer aan werk-gerelateerde problemen denken en gebruikmaken van ICPC-code Z05 in het HIS.” Hier vindt u het proefschrift van Kees de Kock.

Lees hier meer over het thema arbeidsmarkt & vakmanschap.