Heel veel “maar…” bij tien miljoen euro voor poh-jeugd in iedere gemeente

Het kabinet stelt voor 2021 613 miljoen euro beschikbaar voor de acute problemen in de jeugdzorg. Tien miljoen hiervan is geoormerkt om in iedere gemeente een poh-jeugd beschikbaar te stellen. Een beslissing die tot nogal wat opgetrokken wenkbrauwen blijkt te leiden.

Heel veel “maar…” bij tien miljoen euro voor poh-jeugd in iedere gemeente

In de kern zijn zowel de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), de Nederlandse Vereniging van praktijkondersteuners en praktijkverpleegkundigen (NVvPO) en de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) positief over het nieuws dat geld beschikbaar wordt gesteld om in iedere gemeente een poh-jeugd (ook wel: poh-jggz – de termen worden door elkaar heen gebruikt) aan te stellen. VNG laat via een woordvoerder weten: “Het AEF-onderzoek heeft de impact van de inzet van de poh-jggz onderzocht. Uit de vele ervaringen van gemeenten die hier al – gedeeltelijk – mee werken, blijkt dat het zeker zinvol is om een poh-jggz te hebben. Dit is een professional die direct hulp kan bieden, waardoor verwijzingen naar gespecialiseerde zorg afnemen. Ook bevordert deze poh de samenwerking tussen de huisarts en de lokale infrastructuur, zoals de wijkteams.”

Een soortgelijk geluid komt van de LHV, eveneens via een woordvoerder: “Het is goed dat er extra geld beschikbaar komt voor de jeugdhulp in brede zin. Huisartsen zien dat kinderen nu vaak veel te lang moeten wachten op hulp, door de lange wachtlijsten. We verwachten van aanbieders van jeugdhulp en de gemeenten dat zij samen de wachtlijsten daar oplossen. De huisarts is er voor alle patiënten, dus ook voor jongeren die hulp nodig hebben. Net zoals bij volwassenen kan de huisarts en/of de poh-jeugd zorg bieden aan kinderen die te maken hebben met lichte, veelvoorkomende psychische klachten.”

Petra Portengen, directeur/voorzitter van NVvPO, zegt: “We horen de huisartsen zeggen dat die situatie in de jeugdzorg dramatisch is. We lezen het ook dagelijks in de krant en de coronacrisis heeft het nog eens extra benadrukt. Mooi dus dat nu extra geld beschikbaar komt om in iedere gemeente een poh-jeugd aan te stellen.”

Achter de komma

Maar deze positieve reacties vormen slechts een deel van het verhaal. Bij alle drie de partijen klinkt aansluiten direct een komma en een “maar…”. Vanuit VNG is het voorbehoud mild: “De poh-jggz draagt ook bij aan de verbetering van de samenwerking tussen huisartsen, sociaal domein en scholen. We zien juist in de gemeenten die een poh-jggz hebben, dat die ook vaak hebben geïnvesteerd in de samenwerkingsrelatie met de huisartsen. Zeker in de afgelopen jaren worden in de samenwerking met deze partners mooie en belangrijke stappen gezet. De bijdrage van het rijk nu daaraan is positief, maar ook symbolisch. Veel gemeenten deden dit al en de kosten voor een poh-jggz zijn structureel van aard en uiteraard opgeteld op landelijk niveau vele malen hoger dan tien miljoen euro.”

Het voorbehoud van de LHV is veel meer inhoudelijk dan financieel: “Het is belangrijk dat huisartsen, het gemeentelijk wijkteam en jeugdhulpaanbieders elkaar goed kunnen vinden. We zien nu dat er op steeds meer plekken een medewerker van de gemeente –  een ondersteuner jeugd, of soms zelfs poh-jeugd genoemd – wordt ingezet die een schakel is tussen huisartsenzorg en jeugdhulp/wijkteam. Dat is dan iemand die jeugdhulp biedt en die zowel inhoudelijk als financieel werkt onder verantwoordelijkheid van de gemeente, niet van de huisarts. Want die persoon biedt geen huisartsenzorg, maar jeugdhulp en daar kan de huisarts als werkgever niet de verantwoordelijkheid over nemen. De gemeente financiert deze persoon dan ook. Daartegenover zien we in sommige praktijken dat ze een specifieke poh-ggz hebben die zich richt op kinderen met lichte, veelvoorkomende psychische klachten. Die wordt soms de poh-jggz of poh-jeugd genoemd. Die persoon biedt huisartsenzorg en werkt in dienst van de huisartsenpraktijk. Daar gaat de huisartsenpraktijk zelf over. Het is niet aan de gemeenten om te bepalen of een huisarts zo’n personeelslid aanneemt. Het personeel van de huisartsenpraktijk dat huisartsenzorg biedt, wordt gefinancierd door de zorgverzekeraars.”

Esma Küçük is iemand die het probleem dat de LHV hier schetst kan vertalen naar de dagelijkse praktijk. Zij werkt drie dagen in de week als poh-ggz in Rijswijk en één dag in de week in Den Haag als poh-jeugd. Die laatste functie is beslist waardevol, vindt ze: “Je kunt met kleine interventies heel veel specialistische ggz voorkomen. Vaak gaat het met drie of vier gesprekken alweer beter met zo’n kind of jongere. De huisarts schat soms een probleem te groot in en verwijst dan snel naar de specialistische ggz.”

Over het feit dat nu extra wordt geïnvesteerd in dit werk is Küçük positief. Maar dan volgen ook bij haar de komma en de “maar…”. Ze legt uit: “Als poh-ggz val ik onder de huisartsen-cao, maar als poh jeugd onder de cao van de gemeente. Dat schept onduidelijkheid. En daar komt bij dat er nog geen functieprofiel of onafhankelijk kwaliteitsregister is voor het werk als poh-jeugd. Zelfs de benaming is onduidelijk: je hoort zowel poh-jeugd als poh-jggz. Als je niet eens weet wat je bent, wordt het moeilijk om je functie uit te voeren. En zonder dat functieprofiel kun je ook geen afspraken maken over werkinhoud of financiering.”

Vragen over de praktische invulling

Het probleem dat Küçük schetst, is voor Portengen maar al te herkenbaar. “Het voorstel voor die tien miljoen euro is in zoverre bijzonder dat de poh-jeugd niet onder de huisartsen-cao valt maar onder de gemeentelijke cao, maar wel vanuit de gemeenten naar de huisartsenpraktijken gedetacheerd moeten gaan worden. Het is dus zaak dat de huisartsen gezamenlijk het gesprek aangaan met de gemeenten over hoe dit voorstel praktisch ingevuld moet gaan worden. Als NVvPO krijgen we van poh’ers ook de vraag of het de bedoeling is dat ze als poh-jeugd onder de gemeentelijke cao moeten blijven vallen of echt een plek krijgen in de huisartsenzorg. Het bij de gemeenten laten is toch wel apart natuurlijk, als je bedenkt dat de h in poh voor huisartsenzorg staat. Als je het bij de gemeenten laat zou een andere naam wellicht logischer zijn. Als NVvPO weten wij ook niet goed hoe we de poh-jeugd moeten vertegenwoordigen, gelet op het feit dat die niet onder onze cao valt.”

VNG houdt zich op de vlakte en stelt dat het niet aan haar is om vragen hierover te beantwoorden. Maar LHV spreekt zich wel duidelijk uit: “Het verrast ons dat de VNG en het ministerie van VWS deze afspraken hebben gemaakt over de inzet van poh-jeugd in de huisartsenpraktijken. We zijn voorstander van een gemeentelijke medewerker die huisartsenpraktijken en het jeugdhulpaanbod met elkaar verbindt, maar het is niet aan de gemeenten om te bepalen wie er welke huisartsenzorg levert vanuit de huisartsenpraktijken.”

  1. Als je in de “maar” stand staat los je geen problemen op. Gelukkig doen heel veel poh-ggz’ers SOJ en huisartsen dat wel!!

    1. Daarin heb je natuurlijk helemaal gelijk Leo, en het is ook goed dat op veel plaatsen wel ontwikkeling plaatsvindt. Maar herken je ook de problematiek zoals die hier wordt geschetst?

  2. Het is een beetje kort door de bocht om te zeggen dat de gemeenten bepalen wie er welke huisartsenzorg levert vanuit de huisartsenpraktijk. Het is onze ervaring dat in goed overleg tussen huisartsen en gemeenten, wel degelijk afspraken gemaakt kunnen worden welke zorg door wie geleverd kan worden. Hierbij heeft de huisarts zelf inspraak wie er aangenomen wordt en welke vergoeding de huisarts krijgt voor zijn tijd, kantoorkosten en locatie. Ik mis daarom ook in dit verhaal de 3 partijen variant (Huisarts, Gemeente en Zorgaanbieder), waarbij dit soort zaken inhoudelijke en juridisch goed geregeld zijn en waarbij de Gemeente alleen optreedt als financier.

  3. Dan kom ik graag met je in contact Wim, want een positief praktijkvoorbeeld is natuurlijk altijd interessant om als casus over het voetlicht te brengen. Mail me even alsjeblieft, zodat we een afspraak kunnen maken (hoofdredacteur at de-eerstelijns.nl).

Comments are closed.