De zomer van preventie: Deel 3 | Huisartsen

Huisarts met oog voor preventie

De zomer van preventie: Deel 3 | Schers

Huisarts op weg naar steeds meer preventie

De weerstand onder huisartsen tegen preventie begrijpt huisarts Henk Schers niet goed. “Ik zie nu veel ellende, veel leed dat helemaal niet had gehoeven.”

Eerst een nuchtere vaststelling. In de praktijk van huisarts Henk Schers, tevens onderzoeker aan het Radboud UMC, heeft preventie allang een plek. En zijn situatie is niet anders dan die van veel andere huisartsen, meent Schers. “Ik bied preventie op collectief niveau, denk aan de griepprik, maar ook aan folders over gezond leven die bij ons in de praktijk voor het pakken liggen. Ik bied preventie aan mensen die een chronische ziekte als diabetes hebben en die in lotgenotengroepen bij elkaar komen. Ik bied preventie aan mensen die zelf een gezondheidscheck willen doen. Ik breng hun vragen in kaart, help ze bij het opstellen van een cardiovasculair risicoprofiel en adviseer ze vervolgens.”

Van ZZ naar GG

Schers is, wil hij maar zeggen, “eigenlijk de hele dag met preventie bezig”. De huisarts zou je de professionele verpersoonlijking van de dokter die erger voorkomt, kunnen noemen. Hij verbaast zich dan ook over de publieke opinie, over collega’s die je zeggen dat je voor preventie niet bij hen moet zijn. “Die reactie gaat slechts over een heel klein stukje van wat preventie is. Het idee dat je je hele patiëntenpopulatie gaat begeleiden en adviseren in hun leefstijl. Dat is natuurlijk opgave voor de maatschappij zelf, wellicht deels voor overheid en GGD.”
Toch tweette Schers begin juni dat de gemiddelde huisarts wat hem betreft de kant mag op van ‘zorg en ziekte’ naar ‘gezondheid en gedrag’. En dat gaat wel degelijk over meer preventie. “Ik zou zelf wel graag een poh-preventie in mijn praktijk hebben die op vragen van mensen de bloeddruk meet, bloed prikt en adviseert over de leefstijl.”
Schers vindt dat horen bij het ’totaalplaatje’ dat hij wil leveren. “Veel mensen willen graag gezond blijven en zoeken daarvoor goed advies. Al die mensen betalen premie voor professionele ondersteuning van hun gezondheid, maar voor deze behoefte kunnen ze niet bij mijn praktijk terecht. Ik denk dat de huisartsenpraktijk dat beter kan leveren dan veel andere partijen.”
Achter die klantvriendelijkheid gaat bij Schers nog een dieper motief schuil. Hij ziet nu dag in, dag uit dat hij dweilt met de kraan open. “Stel je eens voor dat we in Nederland geen overgewicht meer hebben. Dan was ook mijn populatie een stuk gezonder. Ik zie nu veel ellende, veel leed dat helemaal niet had gehoeven. Het gaat uiteindelijk over de kwaliteit van leven van mensen.”

Eerstelijns wijkteam

Dat de variëteit aan praktijkondersteuners beetje bij beetje groter wordt – in een Rotterdamse praktijk is er inmiddels bijvoorbeeld een poh-schulden – vindt Schers “een hartstikke goed idee”. En ja, juist ook als dat ondersteuning op het gebied van sociale vraagstukken is. “We weten dat financieel aan de grond zitten gezondheidsschade met zich meebrengt. En we weten dat de huisarts vaak degene is waar die financiële situatie voor het eerst voor een hulpverlener zichtbaar wordt. Dan is het vanuit het perspectief van de patiënt logisch en fijn als die slechts een deurtje verder hoeft voor hulp.”
Het is die stap van ziekte en zorg naar gezondheid en gedrag. Als je als huisarts erkent, vindt Schers, dat je vooral van het tweede bent of wilt zijn, dan hoort de verbinding tussen jouw praktijk en het sociaal domein erbij. Op de vraag of die ontwikkeling niet het ontstaan van een breed eerstelijns wijkteam betekent waarin het toch pas net geboren sociaal wijkteam op zou gaan, zegt hij dan ook dat dat voor de hand ligt.

Ondersteunende organisaties

Ondertussen houden LHV en NHG de boot nog af. Schers kent de bezwaren van collega’s. De vrees is dat er met meer preventie in de eerste lijn meer werk bij komt. De uitbreiding roept organisatorische vragen op, financiële, facilitaire, kwesties rondom huisvesting. Het is niet zo dat de gemiddelde huisarts momenteel niets te doen heeft. Bovendien moet je het maar leuk vinden om als huisarts manager van een breed gezondheidscentrum te zijn.
Schers: “Ik denk dat het juist kansen biedt het minder druk te hebben en om mensen sneller de passende ondersteuning te geven. Het huisartsenvak heeft zich ontwikkeld. Het gaat anno 2020 om meer dan het met een patiënt een-op-een dokteren in een spreekkamer. Ja, het betekent het aansturen van medewerkers in je praktijk, het begeleiden ervan, het samen bespreken van casuïstiek. En nee, dat hoef je als praktijkhoudend huisarts niet alleen te doen. Er zijn inmiddels regionaal werkende, ondersteunende organisaties, bijvoorbeeld voor de organisatie van de praktijkondersteuners, die veel managementwerk uit handen nemen, zodat jij als huisarts in de kern datgene kunt blijven doen waarom je ooit aan je opleiding bent begonnen.”

Financiële dilemma’s

Hoewel her en der in het land sociaal domein en huisartsenpraktijken, preventie en eerstelijnszorg steeds dichter op elkaar kruipen, noemt Schers de trend “geen gelopen race”. Vanwege de weerstand bij collega’s, maar ook vanwege de financiële dilemma’s. “Ik denk dat de zorgverzekeraars het moeten gaan doen. Wellicht moet je zelfs het geld dat gemeenten hebben gekregen voor de uitvoering van de wet maatschappelijke ondersteuning en jeugdwet naar de zorgverzekeraars toeschuiven zodat er één financier voor gezondheid komt en de gemeente zich kan richten op haar rol als procesregisseur. De zorgverzekeraars, bijvoorbeeld Menzis, hebben het steeds meer over leefkracht, over mentale fitheid. Natuurlijk kan preventie betekenen dat je in the end geen kosten bespaart omdat mensen langer blijven leven, maar uiteindelijk lijkt het mij toch te gaan om de kwaliteit van leven van je verzekerden.”

Lees hier deel 2 van de serie.

De hele serie lezen? Hier vindt u het dossier.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *