Congres Abonneren
×

De juridische kant van het huisartsenvak

David Renkema, een jurist met meer dan twintig jaar ervaring binnen het vak. legt uit wat de jurist voor een plaats heeft binnen de wereld van de huisartsen. Vooral de Wtza, een nieuwe wet waar veel weerstand tegen is, is nu een belangrijk knelpunt.

De zorgwetgeving dwingt huisartsen na te denken over de juridische aspecten van hun werk. Hetzelfde geldt voor de samenwerkingsverbanden die ze aangaan, bijvoorbeeld met gemeenten of in maatschappen. Jurist David Renkema is gespecialiseerd in deze dienstverlening.

Huisartsen, stelt Renkema, zijn praktische mensen. Worden ze met een probleem geconfronteerd, dan lossen ze dat op. “Misschien heeft dat te maken met hoe ze gewend zijn in de dagelijkse praktijk te werken”, zegt hij. “In de meeste gevallen in tien minuten consulten. Maar ze hebben ook te maken met vraagstukken van bedrijfsvoering, en veranderingen in de eerstelijns gezondheidszorg en de wetgeving die daarop betrekking heeft. Daarbij is het handiger om problemen voor te blijven en zaken in één keer goed te regelen.”

De meeste praktijken, zorggroepen en huisartsengroepen zijn te klein om hiervoor over een eigen juridische ondersteuning te beschikken. Precies om die reden biedt Renkema juridische dienstverlening op afstand. “Primair voor de huisartsenzorg”, zegt hij. “De vragen waarvoor huisartsen mij weten te vinden – primair maatschapvorming, samenwerkingsafspraken vastleggen, helpen bij ontvlechting van samenwerkingen, huurovereenkomsten en de Wtza – houden mijn agenda voldoende gevuld. Daar ligt dus echt mijn focus, gelet op mijn achtergrond bij de Landelijke Huisartsen Vereniging ook wel logisch.”

Klaar zijn voor de Wtza
Dat de Wtza, de Wet toelating zorgaanbieders, zo’n prominente plaats inneemt in zijn agenda, zullen huisartsen maar al te goed begrijpen. De weerstand tegen deze wet zegt hij goed te begrijpen, maar die neemt niet weg dat zij er wel werk van moeten maken. “Over deze wet heb ik adviezen geschreven en ik zie daarom wel hoe beperkt de waarde ervan is voor deze doelgroep”, vertelt hij. “Het brengt veel administratief werk met zich mee – iets wat de overheid nu juist zegt te willen beperken voor de zorg – terwijl vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de doelstelling die ermee moet worden behaald, namelijk fraude voorkomen. Het aantal gevallen daarvan is juist in de eerstelijns zorg heel beperkt. Van huisartsen hoorde ik wel terug ‘Als we nu eens gewoon zeggen dat we er niet aan meedoen…’, maar zo werkt het helaas niet. Het wetgevingstraject is doorlopen en dat betekent dat de wet in werking is getreden op 1 januari jongstleden.”

Dat er een overgangstijd is van twee jaar, kan huisartsen het idee geven dat ze er geen haast mee hoeven te maken. “Dat is niet terecht”, zegt Renkema. “Neem de vergunningsplicht die geldt voor praktijkhouders met elf tot 25 zorgmedewerkers, die plicht heb je niet zomaar even geregeld. En voor praktijken vanaf 26 zorgmedewerkers geldt zelfs de verplichting een raad van toezicht te hebben. Het vergt echt wel tijd om die tot stand te brengen. En doordat de parttimefactor er volgens de Wtza niet toe doet, telt bijvoorbeeld ook de parttime poh-ggzvolledig mee.”

Gezondheidscentra, zorggroepen en huisartsenposten hebben in een aantal gevallen wel al een raad van toezicht, maar de governance daarvan is zeker nog niet altijd Wtza-proof waarschuwt Renkema. “Zo’n raad moet uit minimaal drie toezichthouders bestaan en de wet stelt ook eisen aan de statuten”, zegt hij. “Zo zijn de onafhankelijkheidseisen aangescherpt en moet dat ook tot in detail in de statuten worden weergegeven.”

Contractuele afspraken
De Wtza is niet het enige juridische vraagstuk waarmee huisartsen en organisaties in de eerstelijnszorg te maken hebben. “Neem bijvoorbeeld ook het feit dat huisartsen en huisartsenposten de vraag krijgen een rol te spelen in de zorg voor mensen in een Wlz-instelling”, zegt Renkema. “Dat vereist goede afspraken om de kwaliteit van de zorg te borgen en die kunnen partijen het best vooraf maken. Hetzelfde geldt op het gebied van taakdifferentiatie. Binnen een huisartspraktijk voorzien in een poh-ggz-jeugd bijvoorbeeld is vaak een initiatief dat vanuit de gemeente tot stand komt. Maar die poh komt wel in de huisartspraktijk te werken en dit geeft de huisarts verantwoordelijkheden. Die moeten contractueel goed worden vastgelegd. Hetzelfde geldt voor de vergoeding die de huisarts in mijn ogen hiervoor hoort te krijgen. Het contract waarin deze zaken worden vastgelegd niet nauwkeurig lezen voor het ondertekenen ervan, kan later tot problemen leiden. Dan een advocaat in de arm moeten nemen, maakt het tot een dure aangelegenheid.”

Hetzelfde geldt bij het afsluiten van ketenzorgcontracten waarbij een regionale huisartsenorganisatie de hele zorgketen in beheer neemt. “De verantwoordelijkheden van de participerende partijen moeten dan goed contractueel zijn vastgelegd”, zegt Renkema. “Ook daarin speel ik wel een rol, maar dan vooral op initiatief van de zorggroep die de contracten regelt.”

Samenwerking
Komt het wel tot een juridisch conflict, dan beschouwt Renkema zichzelf niet meer als de aangewezen partij. “Dan is echt een advocaat aan de beurt”, zegt hij. “In andere gevallen kan ik wel met een advocaat samenwerken, als het om zaken gaat waarin naast mijn kennis ook specifieke juridische expertise een rol speelt. Ook kan ik wel eens een notaris erbij halen, als het om vastgoedzaken of statutenwijzigingen gaat. Of een fiscalist, bijvoorbeeld in het geval van bepaalde samenwerkingen bij inzet van personeel. Daar komt ook een BTW-component bij kijken. Ik kan dus altijd externe expertise erbij betrekken als de situatie daarom vraagt.”

Kader
David Renkema is al meer dan twintig jaar actief als jurist. Hij ontwikkelde zich in deze richting nadat hij viermaal was uitgeloot voor de studie geneeskunde. “Die vasthoudendheid laat wel zien waar mijn hart ligt”, zegt hij, “ik wilde altijd graag huisarts of internist worden. Een van de beschouwende vakken dus, een sociaal beroep waarin de patiënt centraal staat. De liefde voor de juristerij is later gekomen en nu combineer ik zorg en recht”

Na een carrièrestart in de advocatuur – buiten de zorg – ging hij zich als zzp’er meer op de zorg richten. Bij VvAA behandelde Renkema veel maatschapsconflicten. Een opdracht bij de Landelijke Huisartsen Vereniging leidde tot een dienstverband als jurist, voor advies aan de leden over vooral maatschapvorming, samenwerkingsvormen en praktijkoverdracht. Van hieruit maakte hij de stap naar zelfstandigheid als eerstelijns zorgjurist.