Berichten

Succesvol farmacotherapeutisch overleg leidt tot efficiënt voorschrijven

De medicatiekosten in de eerste lijn in Asten zijn 600.000 euro lager dan zou mogen worden verwacht van een gemeente met een dergelijke omvang. Nog belangrijker: het voorschrijfbeleid heeft er een hoge kwaliteit. Dit is te danken aan een succesvol FarmacoTherapeutisch Overleg tussen huisartsen en apothekers.

De resultaten zijn niet onopgemerkt gebleven: de LHV en vier zorgverzekeraars hebben het Astens formularium en een aantal andere formularia aangewezen als lichtende voorbeelden voor de rest van het land. Het gaat nog verder: huisartsen kunnen op basis hiervan sinds dit jaar worden gemeten voor de S3-resultaatbekostiging.

Stroomversnelling

Hoe schrijf ik doelmatig geneesmiddelen voor? Zeker nu sinds anderhalf jaar veel nieuwe COPD-medicatie op de markt is gelanceerd, kan menig huisarts ondersteuning gebruiken bij goede en efficiënte besluitvorming over het type medicijn, de hoeveelheid, sterkte en dosering. Daardoor is de vraag naar een elektronisch voorschrijfsysteem (EVS)  in een stroomversnelling geraakt. Vier zorgverzekeraars en de LHV hebben afspraken gemaakt over doelmatig voorschrijven. Zij hebben vijf ‘voorkeursformularia’ uit het land geselecteerd op grond waarvan huisartsen vanaf dit jaar worden beoordeeld door zorgverzekeraars. Een van die formularia is tot stand gekomen in Asten. Daar wordt al dertig jaar gewerkt met een eigen formularium, waarvan het gebruik tot dusver beperkt bleef tot deze Noord-Brabantse gemeente.

Frequent en intensief

Waarom wordt het voorschrijfbeleid van het FarmacotTherapeutisch Overleg (FTO) in Asten zo gewaardeerd? “Dat heeft onder meer te maken met de hoge frequentie en grote intensiteit”, vertelt Gertjan Hooijman, apotheker en eigenaar van Alphega apotheek Asten. “De tien huisartsen en twee apothekers in onze gemeente zijn ook verplicht eraan deel te nemen en samen de sessies voor te bereiden.” Huisarts Cees Kros: “Als een huisarts zich wil aansluiten bij een van de drie Astense praktijken, wordt dit als voorwaarde gesteld. Eenmaal aan dit systeem gewend, wil niemand er meer vanaf.”

Elf keer per jaar komen de huisartsen en apothekers bijeen. Kros: “Telkens staat één ziektebeeld centraal. Stel, er zijn nieuwe geneesmiddelen voor diabetici op de markt gekomen en wij bespeuren daardoor hiaten in het betreffende voorschrijfbeleid, dan gaan één huisarts en één apotheker de ontwikkelingen onder de loep leggen.”

Hooijman: “Huisarts en apotheker stellen een beslisboom op: welk scenario volgen we bij welke diabetes type-2-patiënt? De twee leggen hun bevindingen en de beslisboom voor aan de collega’s. Die discussiëren net zo lang totdat er consensus is over de beste keuzes. De afspraken leggen we vast in een sjabloon dat een plaats krijgt in het elektronisch voorschrijfsysteem van de huisarts.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Boezemfibrilleren vroeg in beeld

Eerder en vaker boezemfibrilleren opsporen in de huisartsenpraktijk en daarmee ziekenhuiszorg vermijden. Dat is het doel van twee programma’s waarin wordt gebruikgemaakt van de MyDiagnostick.

“Is er niet iets te bedenken waarmee boezemfibrilleren kan worden vastgesteld in de eerste lijn en waarmee herseninfarcten kunnen worden voorkomen?” Die vraag, bijna tien jaar geleden gesteld door cardioloog Robert Tieleman, heeft een succesvol apparaat opgeleverd: de MyDiagnostick. De medisch specialist uit het Martini Ziekenhuis vertelt: “Ik schat dat hiermee tussen april 2015 en januari 2017 325 keer boezemfibrilleren is gevonden in huisartsenpraktijken in Groningen en delen van Friesland en Drenthe. Bovendien bleek van 350 mensen bij wie al boezemfibrilleren bekend was, dat zij extra antistolling nodig hadden.”

Eerder aan het licht

MyDiagnostick is een klein, staafvormig apparaat dat de polsslag meet en een hartfilmpje maakt. Tieleman: “De eerste grootschalige test was in tien huisartsenpraktijken waar senioren de griepprik kwamen halen. Senioren hebben een verhoogde kans op boezemfibrilleren, omdat onder hen vaak CVRM of diabetes mellitus voorkomt. En wat bleek? Bij anderhalve procent van de deelnemers leverde de vroegdiagnostiek de diagnose ‘boezemfibrilleren’ op.”

Dat was het sein voor een grootschalige uitrol vanaf 2015. Vele partijen maken deel uit van de Keten Atriumfibrilleren*. Tieleman: “Inmiddels doen al 160 huisartsenpraktijken in de provincie Groningen mee, die een gezamenlijke populatie hebben van 108.000 65-plussers. Patiënten met CVRM of diabetes mellitus krijgen de MyDiagnostick aangeboden. Kleurt die rood? Dan zoekt de POH via een digitaal consult contact met een cardioloog ter bevestiging van de diagnose en voor een behandeladvies. Dat heeft drie effecten. Eén: een patiënt heeft boezemfibrilleren en kan dankzij contact tussen eerste en tweede lijn bij de huisarts blijven. Twee: dankzij het goede contact tussen eerste en tweede lijn is voor sommige patiënten geen ziekenhuiszorg meer nodig, zij gaan terug naar de huisarts. En drie: ziekenhuizen krijgen eerder patiënten in beeld die wel degelijk ziekenhuiszorg nodig hebben.”

Kosten

Luc Theunissen, cardioloog in het Máxima Medisch Centrum, locatie Veldhoven, noemt Tieleman een voortrekker. Mede naar aanleiding van de ervaringen in de noordelijke provincies is onlangs een soortgelijk programma van start gegaan in Zuidoost-Brabant. “Een CVA is verschrikkelijk voor de patiënt én kost de samenleving gemiddeld 30.000 euro aan medische zorg en zaken als aanpassingen in de woning. Wij verwachten bij een optimale uitrol van ons project jaarlijks ruim honderd CVA’s te voorkomen, dus tel uit je winst”, aldus Theunissen.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Betere zorg en minder kosten met anderhalvelijnsspreekuur Bewegingsapparaat

Sinds 1 januari 2018 heeft Zuid-Limburg een anderhalvelijnsspreekuur Bewegingsapparaat. Kaderhuisarts Ramon Ottenheijm, orthopeed Patrick Deckers en fysiotherapeuten van fysiotherapiepraktijken Sportho en FysioStofberg zien twee middagen in de week patiënten met complexe schouderklachten. Die zouden anders naar het ziekenhuis verwezen worden. Verwijzing naar het anderhalvelijnsspreekuur bespaart zorgkosten én levert goede kwaliteit van zorg op.

Patrick Deckers, orthopeed in het Zuyderland ziekenhuis, heeft net samen met Ramon Ottenheijm, kaderhuisarts Bewegingsapparaat, een echo bestudeerd van een patiënt met complexe schouderklachten. “Je ziet dan een dynamisch proces”, vertelt Deckers. “Voor mij betekent het een verdieping van mijn kennis. In het ziekenhuis ontbreekt veelal de tijd voor een functionele beoordeling van de echo. Zelf maak ik ook geen echo’s. Ramon is als kaderhuisarts gespecialiseerd in echografie. Het is fijn om samen de tijd te hebben om de schouderbeweging op een echo te bestuderen. Dat maakt veel duidelijk over de aard van de klacht.”

Sinds 1 januari 2018 draaien Deckers, Ottenheijm en fysiotherapeuten van fysiotherapiepraktijken Sportho en FysioStofberg samen het anderhalvelijnsspreekuur Bewegingsapparaat, een samenwerking van de Zuid-Limburgse huisartsenorganisaties MCC Omnes en Huisartsen OZL, zorgverzekeraar CZ en ziekenhuis Zuyderland. Op donderdagmiddag houden ze spreekuur bij Meditta Medisch Centrum in Echt, op vrijdagmiddag bij Pluspunt Medisch Centrum, een anderhalvelijnscentrum in de Oostelijke Mijnstreek.

Substitutiepilot

Het anderhalvelijnsspreekuur komt voort uit de substitutiepilot Bewegingsapparaat die Ottenheijm december 2017 heeft afgerond. Tijdens deze driejarige pilot zag Ottenheijm patiënten die anders door zijn collega-huisartsen verwezen zouden worden naar de orthopeed. De uitkomsten van de pilot lieten een hoog substitutiepercentage zien. 85 procent van de patiënten hoefde niet te worden doorgestuurd naar het ziekenhuis. Ook de patiënttevredenheid was hoog. Ottenheijm: “Patiënten vinden het prettig dat ze bij een gespecialiseerde huisarts terechtkunnen, dicht in de buurt. Bovendien had ik meer tijd voor hen dan de orthopeed in het ziekenhuis. Ik had een half uur per consult, hij slechts vijftien minuten.”

Dezelfde taal spreken

De pilot in Zuid-Limburg was zo succesvol, dat deze per 1 januari 2018 is opgeschaald naar alle huisartsen in de regio. Ottenheijm: “In deze follow-up doen we het anderhalvelijnsspreekuur met zijn drieën, de orthopeed, de kaderhuisarts en de fysiotherapeut. We zitten allemaal in hetzelfde gebouw. De orthopeed heeft chirurgische kennis, de kaderhuisarts heeft een generalistische blik en is gespecialiseerd in de echografie en de fysiotherapeut beheerst als geen ander het lichamelijk onderzoek. Zo versterken we elkaar.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Opschaling eerstelijnsinnovatie vereist water bij de wijn

De overheid stuurt op innovaties in de eerstelijnszorg als manier om kosten te besparen zonder dat dit leidt tot verschraling van de kwaliteit van zorg. Om innovaties op te kunnen zetten, wordt een bepaalde mate van vrijheid in het werk van de zorgverlener nodig geacht. Tegelijkertijd klinkt er al jaren kritiek over de toegenomen regel- en administratiedruk die ervaren wordt door zorgmedewerkers. De spanning tussen vrijheid en regeldruk staat centraal in recent onderzoek van Stijn Hogervorst, onderzoeker bij het instituut voor Gezondheidseconomie & Doelmatigheidsonderzoek van de VU, naar de ervaren ruimte van eerstelijnsmedewerkers bij het opzetten van zorginnovaties.

Bij het opstarten van een initiatief ervaren zorgverleners voldoende ruimte, maar in de opschalingsfase lopen zij vaak tegen belemmeringen aan waardoor initiatieven stranden. Het onderzoek van Hogervorst beschrijft een grote verscheidenheid aan kleinschalige innovaties in de eerstelijnszorg. Deze innovaties worden veelal door praktijkmedewerkers uitgedacht en uitgevoerd binnen één praktijk. Denk aan een wandel-, dieet- of mindfulness groepje. Niet elke zorgmedewerker heeft de ambitie om zijn of haar innovatie op te schalen, maar wanneer dit wél het geval was liepen zorgmedewerkers vaak tegen drie verschillende problemen aan: onderhandelen over financiering, schotten tussen domeinen en een gebrek aan organisatievaardigheden.

Schaalgrootte kan helpen

Het onderzoek laat ook voorbeelden zien van zorgmedewerkers die in de opschalingsfase meer succes hadden. Opvallend was dat deze zorgmedewerkers vrijwel allen samenwerkingen zijn aangegaan met partijen zoals koepelorganisaties, centrummanagers of ander ondersteunend personeel. Deze partijen konden de organisatie- en onderhandelingstaken van opschaling voor hun rekening nemen, voor integratie van zorg- en welzijnsorganisaties zorgen of verbindingen aangaan met andere zorginstellingen waardoor de schaalgrootte toeneemt.

Het proces van samenwerken met zorg- en welzijnsorganisaties onderling en van de eerste lijn met financiers moet niet onderschat worden. Samenwerking om tot opschaling te komen is een proces waarbij verschillende belangen met elkaar kunnen botsen. Zo laat het onderzoek van Hogervorst zien dat er onder sommige eerstelijnsmedewerkers weerstand heerst tegen samenwerking met andere partijen. Er kan ook een bepaalde weerstand tegen samenwerking, in de vorm van financiering, verwacht worden vanuit zorgverzekeraars. In eerder onderzoek van de Celsus Academie en het Talma Instituut wordt besproken dat het investeren in zorginnovaties een spanning met zich meebrengt tussen het stimuleren van zorginnovatie ter verbetering van de zorg enerzijds en het beperken van innovaties die niet doelmatig zijn anderzijds.

Auteurs Yvonne La Grouw en Stijn Hogervorst gaan hier in hun artikel dieper op in en concluderen dat de opschaling van innovaties afhankelijk is van het omgaan met de verschillende belangen en risico’s. Zowel zorgverleners als zorgverzekeraars zullen water bij de wijn moeten doen.

Auteurs: Yvonne La Grouw, Stijn Hogervorst

Download het volledige artikel hier:

Teleconsultatie bij knie-, rug- en schildklierklachten scheelt kosten

Substitutie van medisch-specialistisch zorg door huisartsenzorg is een belangrijke pijler om de zorguitgaven te beperken. Teleconsultatie kan daarbij een belangrijke rol spelen, blijkt uit een pilot in de regio Nijmegen. Door teleconsultatie bij patiënten met knie-, rug- en schildklierklachten neemt het aantal verwijzingen naar de tweede lijn af. Grote kostenbesparingen zijn hierdoor mogelijk.

Het viel Guido Adriaansens, huisarts in Beuningen, en Marc ten Dam, internist-nefroloog en medisch manager transmurale zorg in het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis (CWZ) Nijmegen, al langer op. Bij veel patiënten die door de huisarts worden verwezen, vindt op de polikliniek van het CWZ geen medisch-specialistische ingreep plaats, zoals een operatie. Patiënten krijgen een advies en na enkele polikliniekbezoeken gaan ze retour huisarts. Adriaansens: “Zelfs bij de orthopeed, een snijdend specialisme, komen patiënten met knieklachten die niet geopereerd worden. We dachten: dat kost veel geld, het belast de tweede lijn en voor patiënten is het gedoe om naar het ziekenhuis te komen. Bovendien kost het ook hen geld, doordat ze hun eigen risico moeten aanspreken.”

Voor deze patiënten, stelt Adriaansens, heeft de huisarts genoeg aan een advies van de medisch specialist. Daarmee kan hij verder. De LHV-kring Nijmegen en het CWZ besloten daarom tot een pilot teleconsultatie bij patiënten met knie- rug- en schildklierklachten. Adriaansens: “Het houdt in dat de huisarts zijn consultvraag via een format in ZorgDomein voorlegt aan de medisch specialist.”

Meer gerichte verwijzingen

De specialist beoordeelt vervolgens de consultvraag en geeft advies. Ten Dam: “Bij een patiënt met knieklachten kan hij bijvoorbeeld adviseren over pijnstilling, leefstijl of fysiotherapie. Vaak zijn dat opties die de huisarts nog onvoldoende heeft benut. Maar soms is de uitkomst dat de specialist de patiënt alsnog wil zien in de tweede lijn. Het teleconsult levert in dat geval een meer gerichte verwijzing op.”

Het prettige van teleconsultatie is dat de medisch specialist geen informatie mist. Ten Dam: “Hij kan het consult rustig bestuderen, op een door hemzelf gekozen tijdstip. Dat is een voordeel vergeleken met een telefonisch consult. Internetconsultatie is effectiever. Uit onze pilot blijkt ook dat we meer dan 50 procent van de verwijzingen die anders zouden plaatsvinden, hiermee kunnen voorkomen.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

“Succesvolle medisch-sociale samenwerking start bij de inwoners van de wijk”

Patiënten die zeggen beter te worden gehoord. Professionals die stellen meer te bereiken en hun werkdruk beter te kunnen reguleren. Zorggebruik en -kosten die afnemen. Het mag duidelijk zijn: ‘Krachtige basiszorg’ in het Utrechtse Overvecht is een lichtend voorbeeld voor andere achterstandswijken en beleidsmakers.

“Onaangekondigd kwam een patiënt binnengestormd die gisteren ook op mijn spreekuur was geweest. Ze sprong van de hak op de tak. Ze vreesde voor een hartinfarct, haar hondje was dood en ze had ruzie gemaakt met haar dochter. In zo’n situatie red je het als huisarts niet met oorzaak-gevolg-denken. Nadat ik de kans op een hartinfarct had uitgesloten, maakte ik een nieuwe afspraak met haar. Bij het tweede bezoek hebben we ons 4-Domeinenmodel ofwel 4D-model gehanteerd: lichaam, geest, sociaal en maatschappelijk. Zo kwam ik erachter dat mevrouw laaggeletterd was, haar zoon in detentie zat en dat ze schulden had. In een gesprek samen met het buurtteam sociaal hebben we de situatie in kaart gebracht en besproken waar ze zelf aan wilde en kon werken. Dat bleek de schuldenproblematiek te zijn. Dat heeft het buurtteam met haar opgepakt.”

Jacqueline van Riet, huisarts en praktijkhouder van Huisartsenkliniek Overvecht én huisartsbestuurder van het eerstelijnssamenwerkingsverband Overvecht Gezond, maakt met één patiëntcase veel duidelijk over Krachtige basiszorg. Dit is een integrale wijkaanpak op het vlak van zorg, welzijn, preventie: álle professionals en hun organisaties zijn hierbij betrokken, óver de domeinen heen. Zij vormen samen ‘de Gezonde Wijk Alliantie’.

Integrale aanpak

Van Riet en vele eerstelijnscollega’s besloten tien jaar geleden ‘het anders te gaan doen’. Zij ontwikkelden het samenwerkings- en gespreksmodel waarin de vier domeinen zijn geïntegreerd. Inmiddels hanteren honderden professionals het. Buurtteamorganisatie Sociaal bijvoorbeeld. Ontwikkelaar Ingrid Horstik: “We hebben alle buurtteammedewerkers geschoold in het werken met het 4D-model. We gebruiken het in de samenwerking om tot afstemming te komen met andere disciplines. Het 4D-model fungeert als een gezamenlijke ‘taal’ en is daarmee de basis van de integrale aanpak.”

Petra van Wezel, manager binnen Overvecht Gezond, noemt een belangrijk uitgangspunt van de aanpak. “Wij beginnen bij de inwoners van de wijk en organiseren maatwerk op basis van gezamenlijke analyse. Dat is een wezenlijk andere insteek dan starten vanuit het eigen domein of de eigen discipline en van dááruit de samenwerking zoeken.”

Dalende kosten

De professionals in Overvecht ervaren dat zij betere resultaten boeken met cliënten en dat ze meer grip hebben op hun werkdruk. Cliënten tonen zich ook tevreden. Bovendien dalen dankzij Krachtige basiszorg de kosten, zo bleek uit een onderzoek samen met NIVEL, ROS Raedelijn en zorgverzekeraar Zilveren Kruis.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Hoe waarderen patiënten het chronische zorgprogramma?

SGE en zorggroep DOH hebben in 2016 een integraal klantervaringsonderzoek uitgevoerd onder chronische patiënten. Dat aspect wordt wel de missing link genoemd binnen Triple Aim.

Kwaliteit, kosten en klantervaringen zijn de pijlers onder Triple Aim. En hoewel het begrip niet meer weg te denken is in de Nederlandse gezondheidszorg, is een kritische beschouwing op zijn plaats.

Kwaliteit

De kwaliteit meten SGE en DOH al bijna tien jaar. Hoewel er soms wijzigingen zijn in de indicatoren, bestaat er over het algemeen een goed beeld van de kwaliteit van de zorgprogramma’s diabetes, COPD, astma en CVRM. De Eindhovense zorgorganisaties nemen ook deel aan de landelijke benchmark van InEen.

Kosten

Het onderdeel kosten is minder ver ontwikkeld. De zorggroepen hebben zicht op hun eigen kosten, maar niet op de integrale kosten van de verschillende patiëntgroepen.

Klantervaringen

Klantervaringen zullen met de voortschrijdende persoonsgerichte zorg wellicht de ultieme resultaatsparameter worden. Tot op heden wordt echter door weinig organisaties de klanttevredenheid binnen de huisartsen- en multidisciplinaire zorg, structureel gemeten.

In samenwerking met InEen, kennisinstituut IQ Healthcare (Radboudumc), Stichting Miletus en Qualizorg hebben SGE en DOH een nieuwe vragenlijst ontwikkeld, getest en onderzocht. Bij DOH zijn twee verschillende antwoordcategorieën getest, bij SGE het verschil tussen het laatste contact en de klanttevredenheid gedurende het gehele zorgprogramma. De meting is volledig digitaal uitgevoerd.

Resultaten

Uit het onderzoek blijkt dat de vragenlijst geschikt is voor toepassing in de praktijk. Bij zorggroep DOH heeft bijna 30 procent van de patiënten de vragenlijst ingevuld. De feedbackrapporten laten de ervaringen zien van de patiënten in de praktijken en per type zorgverlener. De net promotor score (NPS) toont de klantloyaliteit. Met een NPS van 20 over het totaal heeft DOH een prima score. In de resultaten wordt een verbeterpotentieel per praktijk weergegeven in vergelijking met de drie hoogst scorende praktijken.

Bij SGE was de respons 21 procent. De NPS over het laatste contact lag op niveau van het gezondheidscentrum tussen de 13 en de 36. De NPS over het gehele zorgprogramma lag op het niveau van het gezondheidscentrum tussen de -2 en 18. De resultaten worden teruggekoppeld naar de afzonderlijke gezondheidscentra.

Hoe verder?

Hoewel er nu naast inzicht in kwaliteit en (in mindere mate) kosten ook inzicht bestaat in de klantervaringen, is het hieraan verbinden van uitkomsten nog een brug te ver. Dat komt omdat de onderzoekspopulatie niet dezelfde is. Toch is het waardevol. Bij DOH zal in ieder geval in 2017 eenzelfde meting plaatsvinden om te kunnen vergelijken. Voor de toekomst wordt continue meting overwogen.

SGE heeft nog niet besloten over het vervolg, maar dat er kwaliteitswinst te behalen is met het meten van klantervaringen staat voor beide zorgorganisaties vast.

Auteurs: Jessica Werther (DOH) en Marian Gersen (SGE)

Download het volledige artikel hier:

Het formularium nieuwe stijl

Een oud fenomeen in een nieuw jasje. In Groningen (1991) en Nijmegen bestond het formularium al jaren. Door apothekers, huisartsen en medisch specialisten bedacht om de medicatie te standaardiseren. Maar er zijn ook moderne varianten. De Eerstelijns analyseert.

De eerste golf formularia is opgekomen door initiatieven van zorgaanbieders: apothekers, huisartsen en medisch specialisten. Soms zelfs – toen al – in afstemming met patiëntenorganisaties. De belangrijkste redenen waren kwaliteitsverbetering, therapietrouw en transmurale standaardisatie. Doelmatigheid was een bijkomend voordeel.

Kwaliteit versus kosten

Inmiddels is er een nieuwe golf van formularia. Hoewel kwaliteit nog steeds in de doelstellingen staat, is kostenbeheersing vaak het belangrijkste geworden. De medicatie in een formularium wordt niet langer uitgekozen op basis van kwaliteitsvraagstukken, maar op basis van kosten. gaat het niet meer (alleen) om het molecuul, maar ook om het device, zoals de inhalator of insulinepen. En dat roept wel wat vragen en reacties op.

Kanttekeningen

Het Longfonds is geen voorstander van de nieuwe benadering . Zij vindt dat het zou moeten gaan om de optimale match tussen mens, ziekte, medicatie en device. In combinatie met een goede diagnose en regelmatige, eenduidige inhalatie-instructie. Het Longfonds constateert echter dat er formularia ontstaan die beïnvloed worden door zorgverzekeraars op basis van de prijs. De zorgaanbieders – apotheek, huisartsen en medisch specialisten – ontwikkelen een formularium en op basis daarvan organiseert de zorgverzekeraar een aanbesteding. De farmaceut met de laagste prijs wint en hun middel komt in het formularium te staan voor een bepaalde periode. Hoewel er meestal bepaald is dat bestaande patiënten niet worden overgezet en het formularium alleen van toepassing is op nieuwe patiënten, wordt in de praktijk door zorgverzekeraars ruim de mogelijkheid ingebouwd om ook bestaande patiënten zoveel mogelijk in te passen in het formularium.

De individuele patiënt wordt met financiële voordelen verleid om hierin mee te gaan. Door het overstappen naar een ander middel, neemt de kans op therapie-ontrouw en praktische problemen met het gebruik toe. Hierdoor kan de controle over de ziekte verminderen, constateert het Longfonds. En het vergroot de kans op longproblemen die elders in de zorgketen tot veel hogere kosten kunnen leiden, zoals een exacerbatie. Huisartsen zijn over het algemeen niet blij met een formularium dat de autonomie van het voorschrijven beperkt.

Formularia kunnen bijdragen aan beter op elkaar afgestemde zorg aan patiëntengroepen in een bepaalde regio. Oriëntatie op kwaliteit lijkt voor een breed gedragen toepassing van formularia de beste benadering. Kostenbesparing kan een resultante zijn van uniforme toepassing van het formularium. Essentieel hierbij is dat zorgverleners aan het roer staan.

Auteur: Xana van Jaarsveld (Longfonds) en Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier: