Bekostiging van gemeenten

De gemeente is een steeds belangrijkere partij voor de eerstelijnszorg. Enerzijds doordat zij als co-financier voor zorg- en welzijnstaken voor de eerstelijnszorg fungeren, anderzijds doordat bijvoorbeeld preventiebeleid invloed heeft op de gezondheidszorgketen. Daarom is het van belang om te weten hoe gemeenten eigenlijk aan hun geld komen. De Eerstelijns zocht het uit.

De gemeente heeft vier bronnen van inkomsten. Het overgrote deel komt van de Rijksoverheid. Gemeenten ontvangen een algemene uitkering die op basis van een verdeelsleutel met zestig indicatoren per gemeente wordt vastgesteld. Daarmee wordt circa vijftig procent van de jaarlijkse inkomsten gerealiseerd. Dit zogenaamde maatstavensysteem wordt jaarlijks onderhouden en waar nodig aangepast (vergelijkbaar met het risicovereveningssysteem in de Zorgverzekeringswet). De gemeenten hebben volledige beleidsvrijheid bij de verdeling van deze inkomsten. Door aanpalende wetregelgeving kan er echter wel enige sturing ontstaan.

Naast de algemene uitkering is er een decentralisatie- en integratie-uitkering die zo’n 34 procent van de inkomsten oplevert. Dit is een doeluitkering die moet worden uitgegeven aan specifieke doelen. De gemeenten hebben hierin weinig beleidsvrijheid. Het onderscheid tussen de algemene- en de specifieke uitkering komt voort uit de wens van de Rijksoverheid om voor bepaalde uitgaven de verschillen tussen burgers te beperken. Denk aan onderwijs, huisvesting, beschut werk  of gezondheidszorg. De algemene uitkering en de decentralisatie- en integratie-uitkering vormen samen het grootste deel van de inkomsten van gemeenten.

Er is een meerjarenbegroting die beïnvloed kan worden door aanpassing van de maatstaven (maximaal vijf procent mutatie per jaar) en de algemene belastinginkomsten van de Rijksoverheid, die fluctueren door de economie. De uitkering aan de gemeenten loopt op en af met de inkomsten van het Rijk. In de praktijk legt de Rijksoverheid soms nog een extra korting op, wat in strijd is met de afspraken. Voor gemeenten met een robuuste meerjarenbegroting is dit uitermate frustrerend.

De lokale (doel)belastingen zoals OZB, honden- of afvalstoffenbelasting, levert ongeveer de resterende zestien procent aan inkomsten op. Ook hier moet de gemeente de directe relatie tussen inkomsten en uitgaven handhaven . Daarnaast mogen de verschillen tussen gemeenten niet dusdanig worden dat dit invloed krijgt op het vestigingsgedrag van burgers. Dat wordt bewaakt en gestuurd met benchmarks.

Download het artikel voor het lezen van de volledige analyse.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier: