Berichten

Structureel ziekenhuiszorg voorkomen naar Zweeds voorbeeld

Professionals en ziekenhuizen zoeken naarstig naar oplossingen om overvolle SEH’s te voorkomen. Hoe gaan onze buurlanden met dat vraagstuk om? Proactive Health Coaching is een buitenlandse innovatie die mogelijk perspectief biedt. Het is in Scandinavië geïntroduceerd en succesvol opgeschaald in Engeland. In Nederland worden de mogelijkheden verkend.

Proactive Health Coaching richt zich op patiënten die disproportioneel veel zorg gebruiken. Zij hebben vaak complexe multimorbiditeit, soms in combinatie met problemen op psychisch of sociaal vlak. Mede door beperkte gezondheidsvaardigheden is het lastig om te begrijpen hoe om te gaan met de eigen gezondheid. Met realtime data kunnen deze patiënten geïdentificeerd worden, om vervolgens direct te kunnen interveniëren. Dat is noodzakelijk, gezien de grote kans op een heropname.

De interventie

Via een digitaal platform integreert de Zweedse organisatie Health Navigator patiëntdata van ziekenhuis, huisarts en verzekeraar. De data worden elke 24 uur opnieuw aangeleverd en tonen alle zorgactiviteit van de patiënt. Op basis van een beproefd voorspellend model worden patiënten geïdentificeerd en ingedeeld naar risico op heropname. De coach bekijkt vervolgens elke individuele situatie apart. Zo ontstaat een selectie van patiënten die in de komende zes tot negen maanden met hoge waarschijnlijkheid een onnodig hoog beroep zullen gaan doen op de gezondheidszorg.

Zodra een patiënt meedoet, wordt de huisarts door de coach geïnformeerd. In een kennismakingsgesprek zet hij met de patiënt een op maat gemaakt ondersteuningsplan op. Een intensief coachingsprogramma van zes tot negen maanden volgt. De coaching verloopt telefonisch. Wanneer de patiënt progressie boekt en het risico op een heropname daalt, wordt het aantal gesprekken afgebouwd. Een follow-up van twee jaar zorgt ervoor dat bij terugval opnieuw actie ondernomen kan worden.

Resultaten

Resultaten uit Scandinavië en Engeland laten zien dat de kwaliteit van leven van de patiënten toeneemt. Ook is een reductie in zorg(kosten) zichtbaar. Twee studies laten zien dat er minder ongeplande opnames zijn, minder bezoek aan de SEH, minder poliklinische bezoeken en minder ziekenhuisdagen. In Engeland daalde ook het aantal diagnostische onderzoeken. De eerste signalen lijken dus positief, al zijn de effecten niet overal even groot.

Onderzoek

Vilans heeft in samenwerking met Centre of Expertise Healthwise van de Rijksuniversiteit Groningen en TIAS/Tilburg University de Nederlandse situatie vergeleken met die in Engeland en Scandinavië. Duidelijk wordt dat de health coach in Nederland uit zou kunnen komen op een nieuwe functie. Een functie waarbij niet het behandelen centraal staat, maar het coördineren van zorg dat gericht is op het ondersteunen van de persoon.

Auteurs: Cecile van der Wilk, Jeanny Engels en Mirella Minkman

Download het volledige artikel hier:

Resultaten van vijf jaar experimenteren met populatiegerichte bekostiging

Het ophalen en verspreiden van kennis over de negen proeftuinregio’s voor Triple Aim. Daarvoor heeft kenniscentrum voor langdurende zorg Vilans zich de afgelopen jaren ingespannen, samen met partners RIVM, Jan van Es instituut en Optimedis Nederland. Stannie Driessen en Stephan Hermsen van Vilans kijken terug.

Voormalig minister Edith Schippers van VWS benoemde in 2013 negen regio’s tot proeftuinen voor de implementatie van Triple Aim in de praktijk. Onder de noemer ‘Betere zorg met minder kosten’ werken regionale samenwerkingsverbanden van aanbieders van zorg en welzijn, gemeenten, zorgverzekeraars, patiëntvertegenwoordiging en andere partners aan populatiemanagement.

Kennisproducten

Directeur Advies en Implementatie Stannie Driessen: “Wij werkten van januari 2014 tot en met december 2017 samen met het RIVM, het Jan van Es instituut en Optimedis Nederland aan de kennisuitwisseling rond dit project en andere initiatieven voor populatiemanagement. Daar deden ook veel regionale partijen aan mee. Dat deden we op gezamenlijke congressen en op het kennisplatform Triple Aim. We leverden ook verschillende kennisproducten op. Tijdens een congres hebben we met onze partners en deelnemers uit het veld zes principes om Triple Aim-doelen in Nederland te realiseren geformuleerd. En de Triple Aim-scan is ontwikkeld. Een hulpmiddel dat snel inzicht geeft in de manier van werken aan populatiegerichte bekostiging.”

Uitdagingen

De afgelopen vijf jaar hebben de negen proeftuinen met forse uitdagingen te maken gehad. De rol van de verzekeraars was cruciaal. Zij moesten zorgaanbieders de ruimte geven om anders te kunnen handelen binnen de proeftuinen. “Het frustrerende in een aantal gevallen was dat er ondanks alle goede voornemens toch aan de oude, ‘p maal q’ manier van vergoeden werd vastgehouden”, zegt senior adviseur Persoonsgerichte Zorg Stephan Hermsen. “En aan het inzetten van interventies vanuit één domein. Dit terwijl we weten dat bij bepaalde populaties betere kwaliteit en lagere kosten bereikt kunnen worden zodra je investeert in andere domeinen.” De problemen waarmee de proeftuinen, leertuinen en regioprojecten worstelden, waren voor een deel vergelijkbaar. “Dat zijn de historisch gegroeide hiërarchische verhoudingen van de partijen in de regio, de bekostiging van een nieuw portfolio, de cultuurkloven tussen partijen, de focusverschillen, de bestuurlijke drukte, verandermoeheid bij zorgprofessionals en ICT-perikelen.”

Successen

Ook de successen met Triple Aim lijken op elkaar, stelt Hermsen. “Waar influencers elkaar vinden, vertrouwen wordt opgebouwd, de externe druk van bijvoorbeeld krimp of wederzijdse afhankelijkheid groot is en financiers bereid zijn om te investeren zonder vooraf een sluitende business case te eisen, worden stappen gezet.”

Auteur: Wouter van den Elsen

Download het volledige artikel hier:

Longzorg gestuurd op uitkomsten

De zorgverleners in Nijkerk waren pioniers toen ze drie jaar geleden samen met zorgverzekeraar Zilveren Kruis besloten om in de eerstelijnslongzorg niet langer te sturen op productie, maar op uitkomsten. De resultaten van de pilot, die eind 2017 is afgesloten, zijn positief.

Afgerekend worden op uitkomsten, niet op productie, dat is de crux bij de pilot Innoverend contracteren in de eerstelijnslongzorg bij de twee gezondheidscentra De Nije Veste en Corlaer in Nijkerk. Zo’n tweehonderd zorgverleners, zoals huisartsen, apothekers en fysiotherapeuten, zijn daarbij aangesloten. De pilot, die april 2015 van start ging, werd mogelijk door een shared savings-contract met resultaatafspraken, afgesloten tussen de zorggroepen in Nijkerk en zorgverzekeraar Zilveren Kruis. “Doel van de pilot is om goede zorg te leveren voor onze COPD-patiënten, zonder daarbij gehinderd te worden door schotten, domeinen of discussies over eigenaarschap, bijvoorbeeld tussen eerste en tweede lijn,” legt Sam Siemssen uit, directeur Gezondheidscentra Nijkerk. “Met dit contract konden we de transmurale samenwerking tussen de longartsen van de ziekenhuizen Meander en Sint Jansdal en de eerstelijnszorg in Nijkerk goed organiseren.”

Eind 2017 is de driejarige pilot afgerond en geëvalueerd. Drie doelstellingen stonden daarbij voorop: verbeterde gezondheid van de COPD-populatie, betere ervaren kwaliteit van zorg door de patiënten en kostenreductie van de zorg. Het zijn de bekende Triple Aim-doelstellingen, legt Siemssen uit. “Wij hebben dat verbreed naar Quadruple Aim, door er een verbeterd werkplezier van zorgverleners als doelstelling aan toe te voegen.”

Meer tijd en aandacht

Drie van de vier doelstellingen zijn ruimschoots behaald. Zo is het aantal patiënten dat zich benauwd voelt sterk afgenomen en is het aantal verpleegdagen voor patiënten die voor COPD in het ziekenhuis waren opgenomen in 2015 en 2016 duidelijk verminderd ten opzichte van 2014. De ervaren kwaliteit van zorg is eveneens flink verbeterd. “Patiënten geven aan meer tijd en aandacht te krijgen. Er wordt beter naar hen geluisterd en ze krijgen betere instructies. Patiënten hebben verder het gevoel dat ze een beter gesprek met zorgverleners kunnen voeren, doordat ze beter zijn geïnformeerd over de behandeling.”

En ook de zorgverleners zijn tevreden. De gevraagde kostenreductie is nog niet gerealiseerd. “De schaalgrootte van longzorg bleek niet voldoende om maximaal rendement en resultaat te kunnen bewerkstelligen op de investeringen. Vandaar dat we hebben besloten om de pilot per 1 januari 2018 uit te breiden naar de zorg voor alle patiënten met chronische aandoeningen in ons verzorgingsgebied.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Persoonsgericht consult in de chronische zorg

Zorggroep DOH in Eindhoven is al enkele jaren actief bezig met de omslag naar meer persoonsgerichte zorg. Toch viel er nog wat te verbeteren aan de consultvoering in de chronische zorg. In samenwerking met de huisartsopleidingen in de regio werd een project gestart om het zelf ontwikkelde consultmodel Persoonsgerichte Chronische Zorg tussen de oren te krijgen van praktijkondersteuners, huisartsen en huisartsen in opleiding. Met succes.

Steeds vaker valt de term persoonsgerichte zorg, ook in de regio Eindhoven. Ervaringen met het SeMaS-project bij zorggroep DOH leerden dat de consultvoering in de chronische zorg nog persoonsgerichter kan. De juiste inzet van consultvaardigheden kan hieraan bijdragen. Bovendien bleek dat een chronisch consult anders is dan een regulier huisartsconsult, doordat er meestal geen directe hulpvraag is bij de patiënt. Dat was aanleiding voor een project waarbij niet alleen praktijkondersteuners, maar ook huisartsen en huisartsen in opleiding werden getraind in het persoonsgericht werken binnen het chronisch consult. Daarbij werd gebruikgemaakt van het consultmodel Persoonsgerichte Chronische Zorg, dat in de regio is ontwikkeld. Dit was een gezamenlijk project van zorggroep DOH en de huisartsopleidingen Nijmegen en Maastricht, die beiden een dependance in Eindhoven hebben.

Een win-win situatie

Het betrekken van zowel huisartsen (in opleiding) als praktijkondersteuners stimuleert het interprofessioneel leren en samenwerken in de praktijk. In het project volgden de zorgverleners een zogenaamde interprofessionele training en vervolgens deden zij twee videofeedbacksessies op de eigen praktijk in een periode van een jaar. Dit gebeurde onder leiding van een docent van de huisartsopleiding Eindhoven. Tussen de sessies door konden de huisartsen (in opleiding) en praktijkondersteuners activiteiten ondernemen om kennis over consultvoering en chronische zorg uit te wisselen en zo van elkaar te leren.

Resultaten

Een ruime meerderheid van de deelnemers gaf na het project aan dat de consultvoering binnen de chronische zorg is veranderd. Veranderingen zijn onder andere het opstellen van een gezamenlijke agenda aan het begin van het consult en het meer uitgaan van wat voor de patiënt belangrijk is. Zestig procent van de deelnemers gebruikt het consultmodel regelmatig. Het reflecteren op de eigen consultvoering in een veilige setting blijkt zeer waardevol. Leerzaam was ook dat huisartsen konden zien op welke manier hun praktijkondersteuner te werk ging in de spreekkamer en andersom. Hoe de deelnemers deze interprofessionele manier van leren en samenwerking hebben ervaren is middels focusgroepen onderzocht door het Radboudumc. Deze resultaten worden begin 2018 verwacht.

Auteurs: Petra Wopereis (huisartsopleiding Radboudumc), Nathalie Eikelenboom (DOH)

Download het volledige artikel hier:

Hoe waarderen patiënten het chronische zorgprogramma?

SGE en zorggroep DOH hebben in 2016 een integraal klantervaringsonderzoek uitgevoerd onder chronische patiënten. Dat aspect wordt wel de missing link genoemd binnen Triple Aim.

Kwaliteit, kosten en klantervaringen zijn de pijlers onder Triple Aim. En hoewel het begrip niet meer weg te denken is in de Nederlandse gezondheidszorg, is een kritische beschouwing op zijn plaats.

Kwaliteit

De kwaliteit meten SGE en DOH al bijna tien jaar. Hoewel er soms wijzigingen zijn in de indicatoren, bestaat er over het algemeen een goed beeld van de kwaliteit van de zorgprogramma’s diabetes, COPD, astma en CVRM. De Eindhovense zorgorganisaties nemen ook deel aan de landelijke benchmark van InEen.

Kosten

Het onderdeel kosten is minder ver ontwikkeld. De zorggroepen hebben zicht op hun eigen kosten, maar niet op de integrale kosten van de verschillende patiëntgroepen.

Klantervaringen

Klantervaringen zullen met de voortschrijdende persoonsgerichte zorg wellicht de ultieme resultaatsparameter worden. Tot op heden wordt echter door weinig organisaties de klanttevredenheid binnen de huisartsen- en multidisciplinaire zorg, structureel gemeten.

In samenwerking met InEen, kennisinstituut IQ Healthcare (Radboudumc), Stichting Miletus en Qualizorg hebben SGE en DOH een nieuwe vragenlijst ontwikkeld, getest en onderzocht. Bij DOH zijn twee verschillende antwoordcategorieën getest, bij SGE het verschil tussen het laatste contact en de klanttevredenheid gedurende het gehele zorgprogramma. De meting is volledig digitaal uitgevoerd.

Resultaten

Uit het onderzoek blijkt dat de vragenlijst geschikt is voor toepassing in de praktijk. Bij zorggroep DOH heeft bijna 30 procent van de patiënten de vragenlijst ingevuld. De feedbackrapporten laten de ervaringen zien van de patiënten in de praktijken en per type zorgverlener. De net promotor score (NPS) toont de klantloyaliteit. Met een NPS van 20 over het totaal heeft DOH een prima score. In de resultaten wordt een verbeterpotentieel per praktijk weergegeven in vergelijking met de drie hoogst scorende praktijken.

Bij SGE was de respons 21 procent. De NPS over het laatste contact lag op niveau van het gezondheidscentrum tussen de 13 en de 36. De NPS over het gehele zorgprogramma lag op het niveau van het gezondheidscentrum tussen de -2 en 18. De resultaten worden teruggekoppeld naar de afzonderlijke gezondheidscentra.

Hoe verder?

Hoewel er nu naast inzicht in kwaliteit en (in mindere mate) kosten ook inzicht bestaat in de klantervaringen, is het hieraan verbinden van uitkomsten nog een brug te ver. Dat komt omdat de onderzoekspopulatie niet dezelfde is. Toch is het waardevol. Bij DOH zal in ieder geval in 2017 eenzelfde meting plaatsvinden om te kunnen vergelijken. Voor de toekomst wordt continue meting overwogen.

SGE heeft nog niet besloten over het vervolg, maar dat er kwaliteitswinst te behalen is met het meten van klantervaringen staat voor beide zorgorganisaties vast.

Auteurs: Jessica Werther (DOH) en Marian Gersen (SGE)

Download het volledige artikel hier:

Minder verwijzingen met eenmalige consultatie specialist

Het project Eenmalige consultatie medisch specialist in Twente startte in april 2016. Het leidt tot goede resultaten in het streven naar het verlenen van zorg op de juiste plek: in het ziekenhuis als het moet, bij de huisarts als het kan.

Het project Eenmalige consultatie medisch specialist (ECMS) is een initiatief van het Zorgnetwerk Zenderen. Hierin participeren de zorggroepen THOON en FEA, Medisch Spectrum Twente (MST), Ziekenhuisgroep Twente (ZGT) en zorgverzekeraar Menzis. Adviesbureau Roset faciliteert het project.

Het concept

Binnen het project kan de huisarts een patiënt insturen voor een eenmalig consult bij de medisch specialist. Dit doet de huisarts als hij denkt de patiënt wel in de eerste lijn te kunnen behandelen, maar twijfels heeft over de diagnose of het behandelbeleid. Bij ECMS wordt het eigen risico van de patiënt niet aangesproken. De specialist roept de patiënt binnen twee weken op of beantwoordt de vraag via een eConsult. Vervolgens krijgt de huisarts een gericht advies over de behandeling. De specialist maakt geen gebruik van de diagnostische mogelijkheden van het ziekenhuis. Alleen ‘hoofd en handen’ worden ingezet. Carin Pipers, projectleider Roset, legt uit: ”Bij ECMS in Twente blijft de medisch specialist in het ziekenhuis. Dit in tegenstelling tot andere initiatieven, waarbij meekijkconsulten in de eerste lijn worden georganiseerd. Het voordeel van ECMS is dat de organisatorische impact gering is: er zijn geen aparte ruimtes of voorzieningen nodig, geen reizen van specialisten door de regio, geen verzameling van patiënten voor speciale spreekuren.”

Status pilot

Op 1 april 2016 is de pilot gestart in het adherentiegebied van MST en in samenwerking met de maatschappen neurologie, interne en reumatologie. Vanaf 1 juli 2016 is dat uitgebreid met kindergeneeskunde en dermatologie vanuit ZGT. In totaal nemen nu 58 huisartsen in Twente aan de pilot deel. De looptijd van de pilot is van april 2016 tot 1 januari 2018. In september 2017 worden de resultaten geëvalueerd en bepaald of ECMS reguliere zorg wordt in 2018.

Resultaten tot dusver

Vanaf het begin van de pilot wordt tot op patiëntniveau gemonitord hoe het proces verloopt. Zijn patiënten tevreden? Wordt er snel op een vraag door een specialist gereageerd? Kan de huisarts verder met de gegeven adviezen? Daarnaast wordt eens per kwartaal aan de deelnemers gevraagd of ze tevreden zijn over het proces. De resultaten tot dusver zijn heel positief. Wat cijfers:

  • Patiënten beoordelen het eenmalig consult bij de medisch specialist (ECMS) gemiddeld met een 8,5.
  • Huisartsen zouden zonder het ECMS in 88 procent van de gevallen direct verwijzen naar de specialist.
  • In 77 procent van de gevallen kan de behandeling worden voortgezet in de eerste lijn.
  • De specialisten achten de patiënt in 85 procent van de gevallen geschikt voor het ECMS.

Auteur: Carin Pipers, Roset

Download het volledige artikel hier:

Maatregelen voor het versterken van de eerstelijnszorg

In de politiek lijkt de tijd rijp om vóóraf met budgetten te schuiven: van het kader medisch-specialistische zorg naar het kader eerstelijnszorg, in het bijzonder naar huisartsen- en multidisciplinaire zorg en wellicht naar wijkverpleging. Maar is dat voldoende om substitutie van zorg te laten slagen?

In 2013 hadden politiek en koepels een duidelijke ambitie om de eerstelijnszorg te versterken. De groeiruimte van 1,5 procent kon door substitutie toenemen tot 2,5 procent, was de verwachting. Zorggroepen en gezondheidscentra stonden klaar voor de uitbreiding van ketenzorgprogramma’s en substitutieprojecten. Terugkijkend moeten we vaststellen dat de versterking van de eerstelijnszorg niet of nauwelijks is gerealiseerd.

Resultaten

In 2015 is het totale macrokader huisartsen- en multidisciplinaire zorg ten gevolge van de substitutiemonitor met ca € 25 miljoen uitgebreid. Maar het macrobudget is onderschreden met € 106 miljoen. Ook in 2016 is de raming van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) dat het macrokader met 70 miljoen is onderschreden, waarbij S2 met € 40 miljoen is overschreden. De afsprakenmonitor  levert geen of nauwelijks inzichten op en dus is het macrobudget 2017 nagenoeg ongewijzigd.

Consequenties

Verzekeraars hebben het beschikbare budget voor de eerstelijnszorg niet opgemaakt, terwijl er wel meer zorg verleend wordt door de eerstelijnszorg. Dat betekent dat vooral de huisartsen meer zijn gaan doen voor minder geld. Bij de introductie van het segmentenmodel heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) gesteld dat om aan het norminkomen voor een huisarts te komen, integrale uurlonen nodig zijn in S2 en S3.  Die zijn er veelal niet gekomen en daar zijn individuele huisartsen de dupe van.

De uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) dat ook zonder contract ketenzorg geleverd kan worden, kan op de korte termijn een alternatief bieden voor huisartsen. De NZa heeft aangegeven voor 2018 nog met een (vrij) tarief te komen.

Doemscenario

Er zijn zorgverzekeraars die er een andere visie op nahouden als het gaat om de huidige en innovatieve programmatische zorg. Zij stoppen of beperken hun investeringen hierin.

Als dat doorzet en de programmatische zorg ontmanteld wordt, vallen we terug op de versnippering van voorheen. We moeten het dan stellen zonder georganiseerde inkoopmacht vanuit eerstelijnszorggroepen en gezondheidscentra. De huisartsenzorg zal dan binnen vijf jaar sterk geërodeerd zijn door kwaliteitsverlies en arbeidsmarktproblemen. Nederland verliest dan een van de kroonjuwelen van haar gezondheidssysteem. In dit scenario nemen de ziekenhuizen de regie over en wordt de medisch georiënteerde gezondheidszorg nog dominanter en duurder. Het goede nieuws is dat het tij nog kan worden gekeerd.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Succesvol Fries model voor praktijkmanagement

Onderdeel van de nieuwe bekostiging van Organisatie en Infrastructuur (O&I) is het inzetten van een manager in huisartsenpraktijken. In Friesland is de afgelopen twee jaar een succesvol model voor praktijkmanagement ontwikkeld. De inzet van praktijkmanagers leidt daar tot een betere organisatie van huisartsenpraktijken, betere samenwerking en meer kwaliteit en innovatie.

De huisarts krijgt er naast de directe patiëntenzorg steeds meer taken bij. In Friesland was dit aanleiding om te zoeken naar manieren om de huisarts te ondersteunen in het duurzaam bieden van kwalitatief goede zorg, zoals het oprichten van huisartsensamenwerkingsverbanden (HAS’en). Dit inzicht bracht de LHV-huisartsenkring Friesland en De Friesland Zorgverzekeraar er in 2014 toe om praktijkmanagement te ontwikkelen en implementeren.

Opzet praktijkmanagement

De inzet van praktijkmanagers sloot aan bij de door veel huisartsen geuite behoefte aan ondersteuning. Doel was hen te ontzorgen op het gebied van praktijkvoering, HAS-vorming, het realiseren van nieuwe zorgvormen zoals substitutie, samenwerking met andere zorgverleners en gemeenten en het borgen van kwalitatief goede huisartsenzorg.

Er werd voor een fasemodel gekozen, zodat zoveel mogelijk praktijken een beroep konden doen op de ondersteuning door een praktijkmanager. Afhankelijk van de mate van professionaliteit van bedrijfsvoering op structuur, proces en inhoud van geleverde zorg, werden doelstellingen en voorwaarden op maat bepaald voor het HAS. Hoewel elk samenwerkingsverband zelf een praktijkmanager kon aanstellen, kozen de meeste groepen ervoor dit via de Friese ondersteuningsorganisatie Doktersdiensten te doen.

Resultaten

Na twee jaar is de inzet van praktijkmanagers geëvalueerd. De organisatie en samenwerking van de huisartsenpraktijken zijn verbeterd door het opstellen van een visie op samenwerking. Daarnaast bleek er sprake van een meer efficiënte en effectieve bedrijfsvoering, onder andere door het lean werken, het delen van personeel en gezamenlijk inrichten van processen voor bijvoorbeeld inkoop. Niet alleen de samenwerking tussen huisartsen en HAS’en is bevorderd, maar ook die tussen huisartsen en andere zorgverleners.

De kwaliteit van praktijkvoering en zorg is verbeterd door advisering en ondersteuning van het personeels- en organisatiebeleid, accreditatie van alle praktijken, implementatie van chronische zorgprogramma’s en het organiseren van multidisciplinair overleg.

De huisartsen ervaren dat de praktijkmanagers hen daadwerkelijk ontzorgen, waardoor er meer tijd overblijft voor patiëntenzorg.

Conclusie

Inzet van praktijkmanagers leidt in Friesland tot betere organisatie van huisartsenpraktijken, betere samenwerking en meer kwaliteit en innovatie. Het zorgt voor een cultuuromslag binnen de Friese huisartsenzorg: van solistisch werken naar samenwerkingsverbanden die goed in staat zijn om de huidige én toekomstige uitdagingen aan te kunnen. Daarmee is het een mooi praktijkvoorbeeld dat laat zien dat investeren in Organisatie & Infrastructuur loont.

Auteurs: Ursula de Jonge Baas (Doktersdiensten Friesland), Susan Silvius (praktijkmanager), Bert van Kapel (huisarts)

Download het volledige artikel hier:

Patiënten met boezemfibrilleren op controle bij de huisarts

Huisarts Bob Meijer en cardioloog René van Dijk uit Groningen besloten samen te onderzoeken of patiënten met boezemfibrilleren de juiste zorg op de juiste plek krijgen. In een pilot met vier huisartsenpraktijken in Noord-Groningen werd een model ontwikkeld om de zorg – indien mogelijk en gewenst – naar de eerste lijn te verplaatsen. Een ICT-tool ondersteunt de screening van patiënten in de huisartsenpraktijk.

Boezemfibrilleren komt veel voor. Een goede behandeling is van belang en meestal niet complex. Dat maakt het een interessant ziektebeeld voor substitutie van de tweede naar de eerste lijn. Huisarts Bob Meijer wilde weten welke patiënten hij had, of het in alle gevallen noodzakelijk was om controles in het ziekenhuis uit te voeren en of zijn patiënten conform de richtlijn werden behandeld. In cardioloog René van Dijk vond hij de ideale partner. Van Dijk is naast cardioloog ook mede-ontwikkelaar van software gericht op onder meer het behandelen van boezemfibrilleren. Het Disease Management Systeem Atriumfibrilleren, dat zich bewezen heeft op de poli’s voor atriumfibrilleren in Groningen en Maastricht, werd ook ingezet bij de pilot in de Groningse huisartsenpraktijken.

Boezemfibrillerenpoli

Voor de pilot selecteerden de huisartsen in overleg met de cardioloog patiënten met boezemfibrilleren die onder controle waren bij zowel de huisarts als de specialist. Zij werden uitgenodigd voor een eenmalig onderzoek in een tijdelijke boezemfibrillerenpoli in de huisartsenpraktijk. Voorafgaand aan hun komst werd de relevante medische historie ingevoerd in het Disease Management Systeem Atriumfibrilleren. De patiënten vulden een digitale anamnese in en bespraken deze met de cardioloog of physician assistant. Er werd lichamelijk onderzoek gedaan en er werden een ECG en een echo gemaakt. Alle resultaten kwamen samen in het Disease Management Systeem en zo ontstond een overzichtelijk profiel van de patiënt. Dit resultaat besprak de cardioloog met de patiënt. Van ieder onderzoek werd een verslag gemaakt voor de huisarts.

Resultaten

“Over het algemeen was de zorg vanuit de huisartsenpraktijk goed op orde”, vat Meijer samen. 64 van de 79 in het onderzoek geïncludeerde patiënten werden volgens de richtlijn behandeld. Met de antistolling bleek het minder goed gesteld: bij 38 patiënten (48 procent) was deze niet optimaal. De vraag of de patiënt ook verantwoord door de eigen huisarts kan worden gecontroleerd, werd in bijna alle gevallen (92 procent) positief beantwoord.

De bevindingen uit de pilot zijn veelbelovend, vindt Van Dijk. “Het is gelukt om substantiële substitutie samen te laten gaan met een verbetering van de zorg. Bovendien vinden veel patiënten het prettig om in de huisartsenpraktijk te blijven voor de controles.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier: