Berichten

Gezondheidscentra Nijkerk schept randvoorwaarden voor persoonsgerichte zorg

In januari 2017 startte Gezondheidscentra Nijkerk het programma ‘Samen Gezond!’. Doel was het versnellen en implementeren van persoonsgerichte zorg en dat is gelukt, luidt de conclusie in het evaluatierapport, dat half oktober verscheen. Persoonsgerichte zorg wordt actief toegepast in het gesprek tussen zorgverlener en patiënt. Hoe kijken initiatiefnemers en deelnemers terug op het programma en wat is voor hen de grootste winst?

Willy Oldenburger, directeur Gezondheidscentra Nijkerk:

“Persoonsgerichte zorg is een van de speerpunten uit onze visie. Van daaruit is het programma ‘Samen Gezond!’ ontstaan. Dat bestond uit een leertraject voor zorgverleners, inzet van de NCSI door praktijkondersteuners, patiëntenparticipatie, Gezondheidspunten en een digitaal multidisciplinair samenwerkingsplatform inclusief patiëntomgeving. Het leertraject heeft zorgverleners geholpen om de omslag van protocollair naar persoonsgericht werken te maken. We hadden gemerkt dat inzet van een tool als NCSI niet voldoende is om dat te borgen. Ook aandacht voor de achterliggende attitude en competenties van de zorgverlener is belangrijk. En je hebt de medewerking van de patiënt nodig en ruimte in het werkproces. Om patiënten mee te nemen, hebben we bijeenkomsten met het ‘Zet een stap’-spel geïntroduceerd en – in samenwerking met de bibliotheek en welzijnsorganisatie – Gezondheidspunten. Dit zijn workshops en lezingen die gaan over thema’s die mensen aandragen, zoals slaap, voeding en rouw/verlies. Ook zijn er in samenwerking met Zorgbelang dialooggesprekken georganiseerd tussen patiënten en zorgverleners.

Een belangrijke stap in het creëren van de randvoorwaarden voor persoonsgerichte zorg, is het implementeren van het digitale multidisciplinaire samenwerkingsplatform. Om het ‘vinken’ te voorkomen, hebben we daarbij de verplichte registratie zo ver mogelijk teruggebracht. Zo creëren we ruimte voor een persoonsgerichte aanpak. Als onderdeel van een breder onderzoek naar de voorwaarden voor persoonsgericht werken, heb ik in kaart gebracht welke competenties POH’s nodig hebben. Die heb ik gedeeld met de huisartsen en POH’s, zodat zij dit kunnen meenemen in het jaargesprek. Het programma is voor mij succesvol omdat iedereen in onze organisatie op een of andere manier bezig is met persoonsgericht werken. Met name de POH’s hebben de omslag gemaakt.

Het programma krijgt ook een vervolg. Videofeedback en intervisie voor zorgverleners krijgen een vaste plek in de organisatie. Dat willen we ook voor dialooggesprekken tussen patiënten en zorgverleners. Daarnaast zijn er plannen voor een verdiepende training voor zorgverleners over oplossingsgericht werken.“

Download het volledige artikel voor het lezen van de ervaringen van Vilans-adviseur Jeroen Havers, POH Remona van Ruitenbeek en patiënt Terese van Dasselaar.

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Basis GGZ zonder wachttijden

Overal ter wereld digitaal met video, chat en app aan kunnen schuiven voor basis GGZ-zorg in de Nederlandse taal en zonder wachttijden. Dat is het idee achter DiSofa. Na inloggen kan de cliënt de volgende dag al aan de slag met een van de psychologen van de nieuwe dienstverlening.

Hoe kunnen we meerwaarde leveren aan de GGZ? Die vraag besprak de raad van bestuur van GGZ Noord Holland Noord (NHN) met Bart Vemer, GZ-psycholoog, Joris Arts, bestuurder gezondheidscentrum Kersenboogerd en Niek Kuijper, hoofd marketing en communicatie van GGZ NHN. Gezamenlijk kwamen zij uit op het concept DiSofa. Arts zegt: “Skypen, facetimen, iedereen doet het. Behalve in de zorg. Daar gebeurt het maar mondjesmaat. Er zijn te veel drempels door verschillende visies, cultuur, belangen en regels.”

Alleen online

DiSofa is een apart team met een lijntje naar de Raad van Bestuur van GGZ NHN. Afgelopen juni ging men live met inmiddels drie GZ-psychologen in loondienst. Gezamenlijk verlenen zij basis GGZ-zorg aan cliënten met bijvoorbeeld angststoornissen, depressies, stressklachten, burn-out, verslaving en trauma.

“Een zorg tussen die van de gespecialiseerde GGZ-zorg en huisartsenzorg. Om deze zorg te verlenen, hoeft er geen sprake te zijn van een fysiek face-to-face-consult”, aldus Joris Arts.

“We geven uitsluitend online zorg met videoconsulten, chatten, appen en online ´huiswerk´”, vervolgt Arts. “Dit maakt DiSofa plaatsonafhankelijk. Voordeel voor de cliënt is, dat hij niet van huis hoeft en op vele momenten en manieren contact heeft met zijn behandelaar. Bovendien is de angst voor het tegenkomen van een bekende in de wachtkamer zo weggenomen.”

Eén behandelaar

Is het voor een cliënt niet prettiger een behandelaar fysiek te zien? Arts: “We zijn nu een paar maanden verder. Uit evaluaties blijkt, dat dit voor de meeste mensen geen noodzaak is. Na het online kennismakingsgesprek besluit tachtig procent van de cliënten bij ons in behandeling te gaan. Elke cliënt krijgt zijn persoonlijke GZ-psycholoog en diegene is ook zijn enige contact met DiSofa. Heeft de cliënt een vraag waar zijn behandelaar geen antwoord op heeft? Geen probleem. Achter de schermen zoeken we naar het juiste antwoord. Via zijn behandelaar komt het dan weer terug bij de cliënt. Hiermee maken we onze zorg heel persoonlijk.”

Auteur: Betty Rombout

Download het volledige artikel hier:

Huisartsen hechten grote waarde aan de apotheker in de wijk

Huisartsen beschouwen de openbare apotheker als farmacotherapeutisch expert, ze stellen prijs op rechtstreeks contact met hem voor farmacotherapeutisch overleg en ze vinden het belangrijk dat de apotheker laagdrempelig in de wijk aanwezig is. Dit zijn de belangrijkste uitkomsten van een marktonderzoek onder huisartsen, dat Service Apotheek in het voorjaar van 2018 liet uitvoeren.

Huisartsen zijn heel tevreden over de apotheker, dat is een van de meest opvallende uitkomsten van het marktonderzoek, waaraan 159 huisartsen deelnamen. “Eigenlijk is het vanzelfsprekend om huisartsen te vragen wat ze van het werk van openbare apothekers vinden”, stelt Giel Jansen, apotheker van Service Apotheek Zenderpark in IJsselstein en lid van de franchiseraad. “Zij zijn onze belangrijkste partners in de zorg. Toch is dat volgens mij nooit eerder aan hen gevraagd. Dat maakt dit onderzoek uniek.”

En de uitkomsten mogen er wezen. Zo scoren alle apotheken gemiddeld een 8 bij de huisartsen. De Service-apothekers scoren zelfs nóg hoger. Een 8,7 bij huisartsen die weten dat hun vaste apotheker een Service-apotheker is, een 8,1 bij huisartsen die dat niet weten, constateert Iris van der Valk, algemeen directeur van Service Apotheek.

Service en goed overleg zijn de door huisartsen meest genoemde aspecten van wat een apotheek tot een goede apotheek maakt. Huisartsen hechten veel waarde aan het contact met de apotheker, legt Van der Valk uit. “Ze vinden het belangrijk om met de apotheker te kunnen overleggen. Dat is een prettige uitkomst van het onderzoek. De huisarts ziet de apotheker als medebehandelaar. Hij beschouwt hem als de farmacotherapeutisch expert, als partner met wie hij op voet van gelijkwaardigheid van gedachten kan wisselen over het farmacotherapeutisch beleid.”

Wake-up call

Huisartsen willen daarom graag vaker rechtstreeks contact met de aanwezige apotheker. Uit het onderzoek blijkt echter dat het vaak de apothekersassistent is die contact opneemt. Dat dit directe contact met de huisartsen niet altijd tot stand komt, is geen onwil van de apothekers, benadrukt Van der Valk. “Het is eerder ingeslopen in hun werkwijze. Maar deze uitkomst is voor ons wel een wake-up call. We gaan onze franchisenemers zeker vragen hoe vaak zij de huisarts spreken. Het is belangrijk dat ze zich er meer van bewust worden hoeveel prijs de huisarts stelt op het onderling contact.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Nieuwe screeningsmethode voor slaapapneu

OSAsense is een laagdrempelig screeningsinstrument voor het obstructief slaapapneu syndroom (OSAS), dat huisartsen gebruiken om uit te sluiten of iemand deze aandoening heeft. Ze kunnen hiermee deze patiënten sneller opsporen en het aantal onnodige verwijzingen naar slaapcentra met circa tachtig procent verlagen. Sinds 1 mei werken honderddertig Twentse huisartsen met deze tool. Patiënten kunnen het instrument thuis gebruiken en het bespaart kosten.

Slaapapneu is een ernstige aandoening waarbij de patiënt tijdens de slaap meerdere malen stopt met ademhalen. Het kan leiden tot slaperigheid overdag en permanente gezondheidsschade, zoals hart- en vaatziekten, diabetes en dementie. Volgens onderzoek lopen er in Nederland nog circa 300.000 mensen rond met OSAS zonder dat ze het weten.

Patiënten die zich bij hun huisarts presenteren met vermoeidheidsklachten, worden bij een vermoeden op OSAS meestal doorverwezen naar een specialistisch slaapcentrum voor een slaaponderzoek. Dit onderzoek is belastend voor de patiënt, gaat gepaard met hoge kosten en blijkt in een aanzienlijk deel van de gevallen achteraf niet nodig te zijn geweest.

Werking methode

OSAsense bestaat uit een vragenlijst en een slaaponderzoek dat de patiënt thuis kan uitvoeren. Vaak nog op dezelfde dag dat de patiënt zich met klachten meldt bij de huisarts, krijgt deze een horloge met een wegwerp ‘vingerhoedje’ dat het zuurstofgehalte meet in het bloed. Als dat zuurstofgehalte gedurende de slaap tenminste vijf keer per uur dipt, is er sprake van slaapapneu.

Veldhuis koppelt het horloge aan zijn computer, vult enkele gegevens in en geeft het horloge mee aan de patiënt die er thuis een nacht mee slaapt. De patiënt vult daarnaast een online vragenlijst in. De volgende ochtend levert de patiënt het horloge weer in en beoordeelt de huisarts de analyse. OSAsense genereert een adviesrapport, waarin wordt aangegeven hoe groot de kans is op slaapapneu. Is de kans groot, dan verwijst de huisarts alsnog door naar het slaapcentrum. Daar wordt de definitieve diagnose gesteld en gestart met een passende behandeling.

Betere opsporing in eerste lijn

OSAsense is bedoeld om slaapapneu uit te sluiten bij patiënten met atypische klachten (vermoeidheid, prikkelbaarheid, laag energieniveau) of patiënten met een hoog a priori risico (voorafkans) op slaapapneu op basis van bestaande comorbiditeit (atriumfibrilleren, therapieresistente hypertensie) en klinische presentatie. Het instrument is erop gericht patiënten met een verdenking op slaapapneu beter op te sporen in de eerste lijn en onnodige verwijzingen naar een slaapcentrum te voorkomen.

Auteur: Corina de Feijter

Download het volledige artikel hier:

Stop de digitale chaos

Wie geïnteresseerd is in eHealth komt ogen en oren te kort. ICT-bedrijven verdringen elkaar met gezondheid-apps en ‘wearables’. De overheid stimuleert de ontwikkelingen in eHealth, zorg is big business voor ICT-bedrijven. Patiënten hebben volgens de Patiëntenfederatie grote behoefte aan inzage en grip op hun medische gegevens. Verzamelde medische data zijn voor bedrijven commercieel interessant. Wetgeving gaat steeds meer bepalen hoe zorgverleners hun werk vastleggen. Wat betekent dit voor de digitale ondersteuning van huisartsenzorg?

Het huisartsinformatiesysteem (HIS) is de kern van de ICT voor huisartsenpraktijken. Binnen het HIS zijn bepaalde functies onvoldoende doorontwikkeld en daardoor gebruiksonvriendelijk. Wensen van huisartsen zijn ondergeschikt geworden aan eisen van landelijke overheden en maatschappelijke instanties en krijgen zo een lagere prioriteit.

Digitale knoop

Elke huisartsbestuurder loopt tegen het probleem van ICT aan. Probeer maar eens (veilig!) digitaal samen te werken met thuiszorgorganisaties, ambulance, ziekenhuizen, mantelzorgers of patiënten. Trajecten gaan langzaam, gegevens moeten dubbel worden ingevoerd en het kost extra geld. Elke regio vindt zelf het wiel uit en men profiteert niet van elkaars successen.

Ondertussen wordt de digitale knoop steeds groter. Iedereen herkent het probleem, maar niemand hakt de knoop door. Professionals in de zorg zullen de handen ineen moeten slaan om van ICT een succes te maken.

Doorpakken

Om meer inspraak te krijgen in de ontwikkeling van het HIS, kunnen huisartsen het beste kiezen voor één regionaal HIS. Naast alle andere taakverzwaringen hebben huisartsen een nieuwe taak als digitale poortwachter. De huisartsenzorg is onderdeel geworden van een groot regionaal netwerk. Er moeten telkens nieuwe digitale toepassingen worden geïmplementeerd. Er is vraag naar transparantie van zorguitkomsten en inzage in en uitwisseling van medische gegevens met behoud van privacy.

Het ontbreekt huisartsen aan overzicht en tijd om alle ontwikkelingen bij te houden. Zij zullen taken moeten uitbesteden. O&I-gelden kunnen hiervoor worden ingezet. Met het programma OPEN ligt er een kans voor regionale organisaties om huisartsenpraktijken te ondersteunen bij het werken met patiëntenportalen. Regio’s kunnen meteen doorpakken en een regionale ICT-visie ontwikkelen, strategische plannen voor implementatie van eHealth maken en vaststellen welke koppelingen van het HIS met regionale instanties nodig zijn. Het is verstandig hier snel mee te beginnen. De BOHAG-huisartsen kunnen helpen met deze ontwikkelingen in de regio.

Oproep aan bestuurders

BOHAG is de expertgroep Beleid en Organisatie Huisartsen Advies Groep. De huidige problematiek van de zorg-ICT houdt de BOHAG-leden bezig. BOHAG wil huisartsen helpen om regie te nemen over ICT. Regionale bestuurders roepen wij op om snel een visie op ICT te ontwikkelen om niet te verdrinken in de digitale chaos.

Auteur: Pascale Hendriks (BOHAG)

Download het volledige artikel hier:

Vilans: Spoed in de ouderenketen

Mevrouw Pieterse komt na een glijpartij met een gebroken heup op de spoedeisende hulp (SEH) terecht, na de operatie maakt zij tijdelijk gebruik van het eerstelijnsverblijf (ELV). Na enkele weken komt zij thuis, maar vanwege een delier volgt opnieuw een ziekenhuisopname. Dat duurt langer dan gedacht en er komt een indicatie voor de Wet langdurige zorg (Wlz). Eenmaal opgenomen in het verpleeghuis sterft mevrouw binnen een maand.

Het liefst blijven we ons hele leven fit en gezond. Helaas ontstaan er met het toenemen van de jaren ongemakken. Door vergrijzing, hoge zorgkosten en krapte op de arbeidsmarkt wordt de druk om tot nieuwe concepten te komen groter. Bij spoedsituaties rond kwetsbare ouderen is er nog meer urgentie voor verandering. Door een toename van kwetsbare ouderen bij de huisartsenpost (HAP) en de spoedeisende hulp (SEH) neemt de druk toe, terwijl niet altijd sprake is van medische urgentie. Het ontbreekt vaak aan de juiste ouderenexpertise bij de huisarts, HAP en SEH.

Wat we beogen

Om de spoed in de ouderenketen te verbeteren, is een grote veranderingsbereidheid van alle professionals nodig om preventief, proactief en samen dichterbij de patiënt en naasten te werken. Ons inziens zou de zorg en ondersteuning van kwetsbare ouderen gericht moeten zijn op:

–          minder verplaatsingen van ouderen in spoedsituaties met aandacht voor eigen wensen en behoeften gericht op kwaliteit van leven;

–          beter informeren van ouderen en naasten over wat er mogelijk is aan ondersteuning en zorg, zodat zij samen met professionals goed geïnformeerde besluiten kunnen nemen over wat wenselijk is;

–          meer ondersteuning in het voortraject, waardoor men een crisis aan kan zien komen en kan voorkomen;

–          het benutten van ouderenexpertise in de thuissituatie en op de SEH door inzet van specialist ouderengeneeskunde, verpleegkundig specialist thuis en geriater op de SEH.

Model

Het model Spoed in de ouderenketen (in ontwikkeling) onderscheidt negen stappen in de patient journey, waarbij de ondersteuning en zorg oploopt. Het model ondersteunt de gedachte waar ons inziens de zorg en ondersteuning op gericht moet zijn: de shift naar preventie en proactieve zorg en ondersteuning als onderdeel van integrale dienstverlening voor persoonsgerichte ouderenzorg. Per stap identificeren we werkende principes die gebaseerd zijn op voorbeelden uit de literatuur en interviews met professionals en experts in de spoed- en ouderenzorg.

Op de hoogte blijven?

Komende tijd vindt er volop ontwikkeling plaats op dit thema. Vilans ziet het als haar taak om hierin samen met partners het goede te doen. Op de hoogte blijven of input leveren? Kijk op www.vilans.nl.

Auteurs: Monique Spierenburg, Barbara de Groen, Annemarie Koopman, Lieke Lovink, Sandra Dahmen (Vilans)

Download het volledige artikel hier:

“Dé mantelzorger bestaat niet”

In de huidige participatiesamenleving hebben mantelzorgers een grote rol gekregen in de zorg voor hun naasten. Maar zijn de eisen en verwachtingen die aan mantelzorgers worden gesteld wel realistisch? Vragen we niet te veel van ze? Eliane Heseltine, mantelzorger en ervaringsdeskundige, plaatst kritische kanttekeningen bij het gevoerde mantelzorgbeleid.

“De mantelzorger is het afvalputje van de zorg. Ik zie veel mantelzorgers bij wie het water over de schoenen loopt, omdat ze het niet meer volhouden. Ik maak me daar zorgen over.” Eliane Heseltine is mantelzorger van haar partner, die twaalf jaar geleden een beroerte kreeg. Sindsdien is hij halfzijdig verlamd, en honderd procent hulpafhankelijk.

Eliane benadrukt dat dé mantelzorger niet bestaat. “Het maakt verschil of je twee keer per week met je zorgbehoevende moeder boodschappen doet omdat ze dat zelf niet meer kan, of dat je 24 uur per dag bij je partner moet zijn, omdat hij geen moment alleen kan zijn.”

Op één hoop

Gemeenten zijn zich van die verschillen tussen mantelzorgers onvoldoende bewust. “Gemeenten zijn vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) wettelijk verplicht om mantelzorgers te ondersteunen. Ze organiseren daarom bijvoorbeeld één keer per jaar de mantelzorgdag of delen bonnen uit voor de schoonheidsspecialiste. Maar als je niet eens de deur uit kan, ga je zeker niet naar de schoonheidsspecialiste. Gemeenten organiseren zulke activiteiten voor de grootste gemene deler, maar elke mantelzorger is anders. Mijn advies aan gemeenten is daarom: verdiep je in de mantelzorgers, ken hun behoeften en pas je beleid erop aan. Kies niet voor one size fits all, maar biedt maatwerk.”

Online communicatie

De samenwerking met eerstelijnszorgverleners verloopt goed. Als de nood aan de man is, kan Eliane Heseltine altijd bij hen terecht. “Ze kennen mijn situatie en weten dat ik pas aan de bel trek als het niet meer gaat.”

Ze is blij dat ze tegenwoordig ook per mail vragen kan voorleggen aan de zorgverleners. “Twee of drie dagen wachten op antwoord is handiger dan telkens naar het spreekuur gaan. Zolang kan ik niet van huis. Bovendien heb ik dan voor dat ene consult zoveel vragen opgespaard, dat ik ze toch niet allemaal in één keer bespreken. Een mailconsult is daarom prettiger.” Haar tip aan eerstelijnszorgverleners is dan ook: maak de communicatie voor mantelzorgers makkelijker, investeer meer in mailconsult of andere vormen van online communicatie.

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

InEen Tweedaagse: inspiratie voor duurzame inzetbaarheid van werknemers

In deze tijd van hoge werkdruk en krapte en vergrijzing op de arbeidsmarkt zijn eerstelijnszorgorganisaties doordrongen van de noodzaak te sturen op duurzame inzetbaarheid van personeel. Hoe doe je dat op een goede manier? Bezoekers van de InEen Tweedaagse lieten zich vorige maand inspireren. Twee verhalen uitgelicht.

Meer tevreden medewerkers. Minder personeelsverloop en ziekteverzuim. Geen klachten meer over een top-downbenadering en een gebrek aan informatie. Arts en Zorg werkt aan een culturele transformatie. Sylvia Mulder is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de aangesloten gezondheidscentra. Tijdens de InEen Tweedaagse vertelde zij over de uitdaging die Arts en Zorg drie jaar geleden aanging. Ze maakte ook de balans op. “Onze interne organisatie heeft zich positief  ontwikkeld, zowel qua mensen als cultuur. Bovendien is er meer verbinding ontstaan binnen de teams. Collega’s zijn nu meer in dialoog met elkaar.”

Grote groei

Arts en Zorg is in korte tijd enorm gegroeid. “In die periode lag de nadruk meer op zaken als financiën en techniek dan op cultuur en organisatie”, vertelt Mulder. “In 2015 besloot het management dat moest worden gestreefd naar verandering. Het vertrekpunt werd gevormd door story telling-sessies.”

Waarom heb jij ooit gekozen voor de gezondheidszorg? Waarom ben je gaan werken bij Arts en Zorg? Wat wil je bereiken met je werk? Arts en Zorg organiseerde de bijeenkomsten om de intrinsieke motivatie van collega’s én hun frustraties helder te krijgen. Het leverde een schat aan informatie op. Met die informatie is Arts en Zorg aan de slag gegaan. Er is een culturele transformatie in gang gezet op basis van drie programmaonderdelen: lean, hospitality 2.0 en zelforganisatie.

Maximale regelvrijheid

Die ‘zelforganisatie’ komt ook terug bij Stichting Georganiseerde eerstelijnszorg Zoetermeer. Directeur André Louwen: “Ik ben als algemeen directeur weliswaar formeel de baas bij de Stichting Georganiseerde eerstelijnszorg Zoetermeer (SGZ), maar bij ons is iedereen eigenaar van de organisatie. Daarbij hoort onder meer een maximale regelvrijheid. Een voorbeeld: we leggen geen uniforme openings- en lunchtijden op voor de aangesloten huisartsenpraktijken. Ze bepalen dat zelf. En als een huisartsen- of fysiotherapiepraktijk of een apotheker het jaar afsluit met een positief saldo, beslissen ze zelf wat hiermee wordt gedaan. Ze hebben de ruimte om naar eigen inzicht te ondernemen en innoveren.”

Dit eigenaarschap is een van de redenen dat SGZ het keurmerk ‘Beste werkgever 2017/2018’ kreeg van Effectory, gespecialiseerd in het inzichtelijk maken van de feedback en ideeën van medewerkers. De resultaten van het medewerkers-tevredenheidsonderzoek vorig jaar waren de aanleiding. SGZ scoorde boven de benchmark.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Bijzonder hoogleraar Maria van den Muijsenbergh: “Gezondheidsverschillen verkleinen is wel degelijk haalbaar”

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) stelt dat we niet langer moeten focussen op het verkleinen van gezondheidsverschillen in onze samenleving. Dit advies schiet Maria van den Muijsenbergh, bijzonder hoogleraar gezondheidsverschillen en persoonsgerichte integrale eerstelijnszorg aan het Radboudumc in Nijmegen, in het verkeerde keelgat. En in het alternatief dat de WRR voorstelt, negeert deze volgens haar de grote waarde van eerstelijnszorgaanbieders.

Van den Muijsenbergh wil meteen aan het begin van het gesprek duidelijk zijn: nee, ze is het niet eens met het uitgangspunt van de WRR dat gezondheidsverschillen niet te verkleinen zijn en dat het dus niet zinvol is daarop nog langer de aandacht te richten. “Met die gezondheidsverschillen zijn we al sinds de jaren tachtig bekend”, steekt ze van wal. “Uit onderzoek in Engeland werd volkomen duidelijk dat elke tree lager op de sociaaleconomische ladder het risico vergroot op jonger overlijden of een chronische aandoening ontwikkelen. Het is een buitengewoon hardnekkig probleem, maar het is echt nog te vroeg om te zeggen dat die gezondheidsverschillen verkleinen niet haalbaar is. In Engeland is acht jaar lang consistent beleid gevoerd en dat werkte. De economische crisis gooide vervolgens wel weer roet in het eten, maar we hebben dus gezien dat het mogelijk is. En dan vind ik het ook in moreel perspectief een verkeerd uitgangspunt om de handdoek in de ring te gooien. Ik vind het heel merkwaardig om te zeggen dat we het maar moeten vergeten.”

Vraagtekens

In de kern kan Van den Muijsenbergh zich vinden in de uitgangspunten van de WRR, maar ze plaatst er wel vraagtekens bij. “Om alcohol hoeven we ons veel minder druk te maken dan om die andere beïnvloedende patronen”, zegt ze, “het is echt een minder groot probleem. En een gedegen analyse bij wat de WRR nu voorstaat ontbreekt. Waarom roken mensen met een lage sociaaleconomische status meer? Als je daar geen rekening mee houdt, is je beleid gedoemd tot mislukken. De stelling dat er ook aandacht moet zijn voor psychische problemen staat nu in de boodschap van de WRR helemaal op zichzelf, het lijkt alsof ze de samenhang niet begrijpt. Het is erg jammer dat niet meer naar mensen uit de praktijk is geluisterd. De professionals die de mensen om wie het in dit standpunt gaat dagelijks zien: de zorgaanbieders in de eerste lijn. Hierdoor is het beperkt gebleven tot een document van en voor beleidsmakers.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Van functionele naar geografische aansturing in de huisartsenzorg

De invoering van de module Organisatie & Infrastructuur (O&I) leidt tot verandering van de bestaande organisatieprincipes in de huisartsen- en multidisciplinaire zorg. De functionele indeling maakt plaats voor een geografische. Wat verandert er precies, wat is de achtergrond daarvan en is die verandering positief?

De huisartsenzorg is veelal functioneel en financieel gestuurd. Dat wil zeggen dat functies geclusterd zijn tot organisaties: huisartsenposten voor spoedzorg, zorggroepen voor chronische zorg en daarbinnen zijn er zelfs per ziekte georganiseerde ketens (S2). Daarnaast zijn er nog huisartsenkringen voor belangenbehartiging van huisartsen, eerstelijnsdiagnostiek, ROS’en voor ondersteuning van multidisciplinaire samenwerking en huisartsenpraktijken (S1) die veelal enkelvoudige zorg bieden. Lokaal zijn er bovendien HAGRO’s (huisartsengroepen) voor farmacotherapeutisch overleg en waarneming overdag. Deze verschillende organisaties kennen verschillende financiële stromen: budgetten, DBC’s, contributie, ION en variabele beloningen. Ze hebben eigen besturen of bestuurders, verschillende agenda’s en – ondanks dat men tot dezelfde ‘familie’ behoord – soms zelfs andere belangen.

Deze functionele benadering bij het organiseren van de eerstelijnszorg heeft voor- en nadelen. Gunstig is de focus op een of enkele functies, waardoor een hoge mate van specialisatie behaald kan worden. Er worden schaalvoordelen behaald bij verdeling van arbeid, bij investeringen en het werk kan efficiënt worden uitgevoerd. Deelresultaten kunnen vaak duidelijk gedefinieerd worden, maar totaalresultaten vanuit het perspectief van patiënten of inwoners zijn lastiger vast te stellen. Ongunstig is het ontbreken van een totaalvisie op de lokale en/of regionale zorgvraag, communicatie en afstemmingsvraagstukken met andere zorgorganisaties en een meer domeinoverstijgende benadering van een complexe omgeving.

Module O&I

Door de module O&I verschuift het organisatieprincipe van functioneel naar geografisch. Wijken en regio’s worden het uitgangspunt, waarbij de verschillende functies worden samengevoegd tot lokale- en regionale organisaties. Ook dit heeft voor- en nadelen. De korte communicatie naar de klant, de couleur locale met aanpassingsmogelijkheden en hoge betrokkenheid van medewerkers door afwisselende werkzaamheden, zijn voordelig. Deelresultaten zijn nu lastiger, totaalresultaten zijn logischer. De afstemming met overkoepelende landelijke organisaties wordt moeilijker (LHV, InEen). De nadruk ligt immers op de regionale belangen. Daarnaast kan de kleinschaligheid soms tot hogere directe kosten leiden. Dan kan een bovenregionale of landelijke aanpak geïndiceerd zijn.

Effect op eerstelijnszorg

De O&I leidt dus feitelijk tot een reorganisatie van de eerstelijnszorg. Verschil met een reorganisatie binnen een bedrijf is dat er geen vanzelfsprekende regisseur is in het proces. Dit betekent dat de reorganisatie zich af gaat spelen op basis van de wijze waarop de regionale spelers zich tot elkaar verhouden, de samenwerkings- of vertegenwoordigingsafspraken die zijn gemaakt, de machtsverhoudingen die zijn opgebouwd en wellicht op basis van sturing van belanghebbenden als zorgverzekeraars en gemeenten. Het is een onomkeerbaar proces dat logischerwijze voortvloeit uit de steeds sterkere regionale benadering. Realisatie vindt plaats binnen de komende één tot vijf jaar!

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier: