Berichten

Succesvol ouderenproject Ons Raadhuis zoekt structurele financiering

Het is altijd een gezellige drukte bij Ons Raadhuis in Velp. Zeker ook op deze vrijdagmiddag. De voormalige pastorie zit vol. De mensen hebben hapjes gemaakt. Er gaan dienbladen met glazen witte wijn rond. Er wordt gelachen. Gegrapt. Soms een troostend woord. Het rumoer verstomt pas als het koor Indische liedjes gaat zingen. Eigenlijk wel jammer dat Ester Bertholet, Irma Smeenk en de 76-jarige Mieke naar de keuken moeten vluchten. Want we moeten eens praten over het succes van Ons Raadhuis.

Ons Raadhuis is een initiatief van specialist ouderengeneeskunde Ester Bertholet. “Zo’n drie jaar geleden zocht ik een oplossing voor ouderen waardoor ze meer zouden bewegen, beter zouden eten of zich gewoon wat blijer zouden voelen. Gezond en actief, zodat ze langer thuis kunnen blijven wonen. Cursussen in een buurthuis kunnen dat doen, maar de mensen gaan meteen na de cursus weer weg. Bovendien is het niet makkelijk op hoge leeftijd met een gemiddelde cursus of sport mee te doen. En op dagbesteding zit weer vooral het stempel ‘zorg’, want dat is op diagnose en niet zo vrijblijvend. Ik wilde iets dat er zo’n beetje tussenin zit én waar mensen zich echt thuis zouden voelen.” Dus begon ze gewoon met een groepje van vijf en yoga en tai chi lessen. Bertholet: “De deelnemers namen dan weer iemand mee, heel laagdrempelig, zo van: ‘Kom gewoon eens kijken’. En we startten andere cursussen en zo breidde het als een olievlek uit.”

De kracht zit ‘m erin dat niemand verplicht is deel te nemen aan de activiteiten. Ouderen kunnen ook gewoon een kopje koffie komen drinken en een praatje maken. Tegelijkertijd komt het brede aanbod van activiteiten voort uit de bezoekers zelf. Zij verzinnen bijvoorbeeld poëziemiddagen, wandelclubs of filosofiebijeenkomsten.

Preventie

Het succes is groter dan Bertholet had durven hopen. Zo’n tweehonderd verschillende mensen bezoeken Ons Raadhuis en er werken zo’n vijfenvijftig vrijwilligers en docenten. Het enthousiasme spat eraf bij Ester, Irma en Mieke. Maar keihard buffelen is het wel. Ook financieel. “De huur en de betaalde krachten worden bekostigd uit subsidies van gemeente en provincie én uit de verkoop van strippenkaarten voor deelname aan de activiteiten”, legt Bertholet uit. “Maar we zijn op zoek naar structurele inkomsten voor ouderenzorg vanuit de gemeente of zorgverzekeraars.” Lastig, want preventie kent nog geen wettelijke financiering. En daar speelt Ons Raadhuis juist zo’n grote rol in, zeker voor eenzame ouderen.

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Opmaat naar samenhangende zorg in de regio

Een jaar geleden zijn afspraken gemaakt over de financiering van Organisatie & Infrastructuur (O&I). Zorgorganisaties en zorgverzekeraars zijn met elkaar in gesprek om daar voor 2019 invulling aan te geven. Hoe staat het ervoor in het land en hoe krijgt de regionalisering vorm? De Eerstelijns deed een belrondje.

De Zeeuwse Huisartsen Coöperatie (ZHCo) is de samenwerkingsorganisatie van huisartsen in De Bevelanden, Schouwen-Duiveland en Walcheren. De meeste aangesloten huisartsen zijn ook lid van PeriScaldes, dat de ketenzorg organiseert. “We zijn bezig met een fusietraject dat in 2019 zijn beslag zal krijgen”, vertelt Ruud Münstermann, directeur van ZHCo. Hij kijkt ernaar uit: “Vanuit die grotere organisatie kunnen we ons beter naar buiten profileren. Bovendien is het handig dat er straks één telefoonnummer is voor iedereen die iets met de huisartsen boven de Westerschelde wil regelen. En dan zijn er nog schaalvoordelen: we kunnen ons efficiënter organiseren, zodat we toe kunnen met de bestaande middelen. Niet met minder, dat zou een verkeerde beweging zijn.”

Elkaar iets gunnen

Vanuit de ROS Raedelijn houdt strategisch adviseur Marian Kesler zich onder meer bezig met ‘populatiegericht werken’. GezondVeluwe is daar een goed voorbeeld van. Zorgaanbieders, gemeenten, zorgverzekeraars en cliëntenorganisaties werken in Noordwest-Veluwe en Zeewolde samen aan betere zorg. Raedelijn vormt het programmateam. “Ik merk dat er in het veld veel beweging is richting regionalisering en O&I. Voor ons is O&I een middel om regionale samenwerking vorm te geven. Het gaat erom dat partijen over echelons en domeinen heen kijken vanuit het perspectief van inwoner en patiënt en vanuit die waarde de netwerkorganisatie vormgeven.”

Raamwerk

In het Netwerk Zorgorganisaties Leiden en Omstreken (NZLO) werken sinds eind 2016 vijf zorggroepen samen: de Regionale Organisatie van Huisartsen West Nederland, RijnCoepel, Zorggroep Katwijk en Alphen op één lijn en de Samenwerkende GEZ-en Leiden en Omstreken. “Daarmee zijn we prachtig voorgesorteerd op O&I”, zegt voorzitter Henri van der Lugt. Er is een kernteam O&I opgericht, waarin alle zorggroepen vertegenwoordigd zijn en dat het mandaat heeft van de achterban. Het kernteam zet de lijnen uit en gaat in gesprek met vertegenwoordigers van één zorgverzekeraar, namelijk Zorg & Zekerheid. “Zo houden we het werkbaar en overzichtelijk. We hopen voor 15 juli een raamwerk voor de regio te hebben. Op basis daarvan kunnen we op wijkniveau afspraken maken.”

Gemandateerde regio-organisatie

HZD (Huisartsenzorg Drenthe) organiseert ketenzorg, scholingen, ICT- en praktijkondersteuning en bevordert de kwaliteit van de huisartsenzorg in de provincie. Stefan Meinema, directeur bedrijfsvoering, prijst zich gelukkig dat de organisatie van de eerstelijnszorg in het door Duitsland begrensde, rurale gebied vrij overzichtelijk is. “Dat maakt de O&I-discussie makkelijker. Wij hebben te maken met Zilveren Kruis, die kiest voor een regionale aanpak en verlangt een bepaalde schaalgrootte. Zilveren Kruis lijkt iets meer afstand te nemen van de zorginhoud en richt zich meer op de regio, waardoor de regie over de zorginhoud bij de zorgpartijen komt. Dat schept kansen. Onze huisartsen zijn betrokken in het verhaal van Zilveren Kruis en nu is het zaak dat wij samen met de stakeholders een heel goed regioplan in elkaar gaan zetten.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Verschil doet ertoe

Adele (35) brengt regelmatig een bezoek aan haar huisarts. Haar gewrichtsklachten nemen toe en haar suiker raakt slecht onder controle. Adele heeft alleen basisonderwijs gevolgd. Ze is al enige tijd haar baan kwijt, zit in de schuldsanering en is eenzaam. Ze wordt depressief en krijgt steeds meer overgewicht. De dreigende huisuitzetting die Adele door huurachterstand boven het hoofd hangt, is niet bekend bij haar huisarts.

Adele is één van de vele voorbeelden van patiënten die dagelijks zorgen voor ‘hoofdbrekers’ voor huisartsen, vooral in wijken waar veel sociaal economische achterstand is. Ze hoort tot de groep mensen die gemiddeld 7 jaar korter leeft en maar liefst 19 jaar minder gezonde levensjaren ervaart dan hoogopgeleide Nederlanders. De overheid wil deze sociaal economische gezondheidsverschillen verminderen dan wel stabiliseren. Dit voorjaar werd bekend dat de GIDS-gelden die gemeenten hiervoor ontvangen, ook de komende vier jaar beschikbaar zijn voor gemeenten. Wat betekent dit voor de eerstelijnszorg?

“Sociaal-economische gezondheidsverschillen hebben meerdere oorzaken; niet alleen gedrag, maar ook economische omstandigheden, fysieke en sociale leefomgeving en milieu spelen een rol. Het terugdringen van gezondheidsachterstanden vraagt om een brede aanpak waarbij meerdere domeinen, inwoners zelf én de eerste lijn betrokken zijn”, aldus Monica van Berkum, directeur van Pharos, expertisecentrum gezondheidsverschillen. Met kennis uit binnen en buitenland ontwikkelde Pharos het stimuleringsprogramma Gezond in… dat samen met Platform31, gemeenten adviseert bij de aanpak van gezondheidsachterstanden.

GIDS-gelden

Sinds 2014 ontvangen 164 gemeenten via de decentralisatie-uitkering Gezond in de Stad (GIDS) van het ministerie van VWS, financiële steun voor aanpak in wijken waarin grote gezondheidsachterstanden voorkomen. Van Berkum: “Een betere gezondheid kan vaak worden bereikt door ook aan andere knoppen te draaien dan we gewend zijn. Het bevorderen van een gezonde leefstijl is één van die knoppen, maar de aanpak van armoede, schulden, het begeleiden naar werk en het voorkomen van laaggeletterdheid, schooluitval en eenzaamheid zijn minstens zo belangrijk. Vandaar dat we gemeenten een brede aanpak adviseren die veel verder reikt dan het domein van Volksgezondheid en Sport.” Dat de GIDS-financiering en het stimuleringsprogramma Gezond in… de komende vier jaar worden voortgezet, stemt Van Berkum gelukkig: “Dit geeft ons de kans samen met gemeenten nog vier jaar al doende te leren. Een goede aanpak vergt tijd en een lange adem. Gelukkig gebeurt er al veel onder andere samen met wijkteams en de eerste lijn. De overtuiging dat we iets aan de gezondheidsachterstanden moeten en kunnen doen, groeit.”

Auteur: Pharos

Download het volledige artikel hier:

Fragmentatie dreigt voor dementiezorg

Uit onderzoek van VUmc en AMC blijkt dat een gespecialiseerde casemanager dementie binnen een dementieketen van enorme toegevoegde waarde is voor thuiswonende mensen met dementie en hun mantelzorgers. Door wijziging in de financiering vallen die ketens echter uiteen. Volgens onderzoeker Hein van Hout is een interessant alternatief dat zorggroepen dementiezorg integreren in hun ketens.

Hein van Hout is verbonden aan de vakgroep huisarts- en ouderengeneeskunde van het VUmc. In november publiceerde hij, samen met andere onderzoekers van VUmc en AMC, in het Tijdschrift voor Gerontologie en Geriatrie de resultaten van hun COMPAS-studie naar de effecten van dementieketens met gespecialiseerde begeleiding voor thuiswonende mensen met dementie en hun mantelzorgers. Het is een pleidooi voor de casemanager dementie: een gespecialiseerde verpleegkundige met aanvullende scholing op het gebied van dementiezorg in een geïntegreerde keten. Het is voor het eerst dat dit effect is onderzocht, terwijl dergelijke casemanagers al jaren werkzaam waren in de ouderenzorg. Tot 2015 werden ze veelal gefinancierd vanuit projectpotjes. Na de transitie viel de financiering voor casemanagement dementiezorg onder het algemene budget voor wijkverpleging. “Dat leek geweldig, maar heeft onbedoeld het uiteenvallen van veel langlopende ketens in de hand gewerkt. Want financiering voor samenwerking ontbreekt”, zo constateert Van Hout.

“Patiënten die worden bijgestaan door een casemanager hebben minder gezondheidsproblemen, en hun mantelzorgers minder stress”, zegt Hein van Hout. En dat komt ook de maatschappij ten goede. Uit de studie blijkt dat langdurige begeleiding van thuiswonende mensen met dementie flinke besparingen kan opleveren: van 11.000 tot 16.000 euro per jaar per persoon. Eén casemanager, die vijftig cliënten begeleidt, kan de samenleving dus jaarlijks 5,5 tot acht ton besparen. “Dat komt onder meer doordat casemanagers de mantelzorgers veel regelwerk en uitzoekwerk uit handen nemen. En dat scheelt heel veel tijd en stress”, legt Hein van Hout uit.

Gespecialiseerde organisatie

Van Hout volgde drie groepen thuiswonenden met dementie: een groep die gebruikelijke zorg kreeg zonder casemanager, een groep die zorg kreeg vanuit een netwerk en een groep die zorg kreeg van casemanagers binnen een geïntegreerd, multifunctioneel expertteam binnen de eigen organisatie. In het zogenaamde ‘netwerkmodel’ delen samenwerkende thuiszorgorganisaties een wachtlijst, ze delen expertise en casemanagers kunnen advies vragen aan externe experts – zoals een geriater. Vergeleken met de controlegroep bleken de zorgkosten lager als personen worden begeleid vanuit een netwerk (22 procent), maar vooral vanuit een gespecialiseerde organisatie (33 procent).

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

GGZ dicht bij de burger

Het gaat goed met de GGZ in de huisartsenpraktijk. In 2015 had meer dan 83 procent van de huisartsen een POH-GGZ, volgens de Monitor Generalistische Basis GGZ. In Zuidoost-Brabant gaan ze nog een stapje verder. Huisartsen, eerstelijns GGZ en specialistische GGZ werken gebroederlijk samen in het eerstelijnsketenzorgproject GGZ. De huisarts is hoofdbehandelaar in een traject van matched care. En, als de voortekenen niet liegen, met succes.

Het programma gaat uit van de vraag van de patiënt en beantwoordt die zo dicht mogelijk bij huis. De huisarts of de POH doet een intake en gebruikt daarbij gestandaardiseerde vragenlijsten die ook worden gebruikt voor monitoring van de zorg. Uitgangspunt is matched care: de zorg wordt zo laagdrempelig mogelijk aangeboden, maar ook zo specialistisch als noodzakelijk, uitgaand van de vraag van de patiënt. Dat kan doordat niet de DSM-diagnose, maar de hulpvraag leidend is. Er is dus één betaaltitel per patiënt. Om de zorg te realiseren kunnen huisarts of POH een eerstelijnspsycholoog, verslavingsconsulent en een psychiater consulteren. Voorlopige aanwijzingen duiden op aanzienlijk minder verwijzingen naar de specialistische GGZ en goed herstel.

Kansen grijpen

De samenwerking tussen huisartsen en GGZe is gestart voor 2008. Een reeks gunstige omstandigheden kwam samen. GGZe wilde haar aanwezigheid in de eerste lijn verbeteren. Bovendien had de organisatie volgens GGZe-directeur Marileen Bouts te kampen met wachtlijsten. Bouts zocht contact met de drie grote huisartsengroepen in de regio: Praktijkondersteuning Zuidoost-Brabant (PoZoB), De Ondernemende Huisarts (DOH) en Stichting Gezondheidscentra Eindhoven (SGE). Samen brachten ze de ervaring van patiënten grondig in beeld.

De huisartsengroepen hadden om verschillende redenen speciale belangstelling voor GGZ. Toen de aanbieders gezamenlijk naar verzekeraars VGZ en CZ stapten, zagen die een kans voor versterking van integrale zorg en substitutie van de tweede naar de eerste lijn.

Integrale financiering

Ondanks de goede start was het financieren van de samenwerking een traject van lange adem. Via de Beleidsregel Innovatie van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) werd een pilot van drie jaar opgezet zonder eigen bijdrage ten opzichte van reguliere bekostiging. Het experiment liep van december 2011 tot december 2014 en werd vervolgens verlengd.

De innovatiegelden maakten integrale financiering mogelijk. Een DBC per patiënt ondersteunt het matched care proces. De patiënten krijgen een geïntegreerd aanbod en betalen geen eigen bijdrage voor de GGZ of verslavingszorg.

Toekomst

Hoe moet ketenzorg op termijn worden gefinancierd? Zorginkoper Angelique Gillis (VGZ): “Je zou je kunnen voorstellen dat keten-GGZ onderdeel zou kunnen zijn van huisartsenzorg in segment 2. Alleen heb je dan wel onherroepelijk communicerende vaten tussen macrokader GGZ en macrokader huisartsenzorg nodig.” Bovendien zou de ketenzorg gevrijwaard blijven van eigen risico. De verzekeraars vinden het lastig om andere eerstelijnsaanbieders uit te leggen waarom voor dezelfde zorg in de ene praktijk wel eigen risico wordt gevraagd en in de andere niet. Dit sluit aan bij landelijke discussies over het eigen risico. Daarmee doet het experiment precies waar het voor bedoeld is: bestaande zorgpraktijken openbreken.

Auteurs: Susan Hommerson, Fleur Thomése, Piet de Bekker

Download het volledige artikel hier:

Friese gemeenten en zorgverzekeraar regelen inzet POH-GGZ Jeugd

Er is veel veranderd, sinds 1 januari 2015 wordt jeugdzorg gefinancierd vanuit de Jeugdwet, in plaats van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Dat heeft positieve gevolgen. Zo zijn gemeenten en de eerstelijnszorg dichter bij elkaar komen te staan. Maar het leverde ook veel onzekerheden en extra werk op. In Friesland is een succesvol traject gestart om te voorkomen dat elke gemeente het anders aanpakt. Onlangs is daar het Kader POH-GGZ Jeugd opgesteld.

“Er zijn veel partijen betrokken bij de psychische zorg voor kinderen en jongeren. En die hebben allemaal hetzelfde doel: een goede GGZ voor de jeugd”, zegt Bart Maats, huisarts in Gorredijk en voorzitter van de Friese Huisartsen Vereniging (FHV). “Voor de patiënt maakt het niet uit waar de hulp vandaan komt, maar achter de schermen moet het goed geregeld zijn.” Het initiatief voor een Kader POH-GGZ Jeugd is genomen door de financiers: de gemeenten en De Friesland Zorgverzekeraar, vertelt Bert Deuling. Hij is senior beleidsadviseur jeugd bij de gemeente Leeuwarden en voorzitter van de werkgroep jeugd van Programma Sociaal Medische 1e lijn (SM1). In die werkgroep werkte hij samen met vertegenwoordigers van de gemeenten, De Friesland Zorgverzekeraar en Zorgbelang Fryslân. Los daarvan werkte ROS Friesland in de zomer van 2015 samen met partijen aan de verheldering van de spraakverwarring die was ontstaan rondom een praktijkondersteuner jeugd. Jenneke Netjes, adviseur bij ROS Friesland, inventariseerde de wensen van de huisartsen, de gemeenten en De Friesland Zorgverzekeraar.

Gezamenlijk tegen versnippering

De initiatieven van SM1 en ROS Friesland gingen een gezamenlijk traject aan. Dat mondde uit in drie werksessies waarin de structuur voor een POH-GGZ Jeugd stap voor stap vorm kreeg. “De huisartsen willen zo weinig mogelijk met de financiering te maken hebben”, zegt Bart Maats. “Regel het allemaal zoveel mogelijk achter de schermen. Als het allemaal heel versnipperd raakt, dan weegt dat niet op tegen de meerwaarde en verliezen huisartsen de motivatie om mee te doen.” Een groot winstpunt was dat in Friesland alle gemeenten gezamenlijk wilden optrekken. Want in zestig procent van de huisartsenpraktijken staan patiënten uit meerdere gemeenten ingeschreven, blijkt uit onderzoek van ROS Friesland.

Financiering

De gemeenten, huisartsen en De Friesland Zorgverzekeraar hebben een heldere structuur opgebouwd voor de financiering. Die bestaat uit de basisoptie POH-GGZ en vier plusopties die gemeenten straks – in samenspraak met de huisartsen – kunnen contracteren.

De huisartsenpraktijken hebben nog wel extra administratieve lasten aan de inzet van een POH-GGZ Jeugd, vertelt Bart Maats. Ze moeten nu declareren naar twee adressen: verzekeraar en gemeente. Toch is hij blij met het nieuwe Kader. Jenneke Netjes: “Het Kader POH-GGZ Jeugd maakt het een stuk overzichtelijker en biedt tegelijkertijd voldoende ruimte voor maatwerk, zonder gedoe over geld.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Ervaringen met de nieuwe financiering van de huisartsenzorg en de multidisciplinaire zorg

De nieuwe financiering van de huisartsenzorg en de multidisciplinaire zorg is inmiddels ingegaan. Er wordt al aardig geëxperimenteerd met de uitwerking van deze nieuwe vormen van bekostiging. Eén van de belangrijkste punten blijkt het vertrouwen tussen zorgverzekeraars en eerstelijns zorgorganisaties te zijn. Wat zijn verder zoal de ervaringen?

Op 1 januari van dit jaar is de nieuwe financiering van de huisartsenzorg en de multidisciplinaire zorg ingegaan. S1, S2 en S3 zijn inmiddels standaardvocabulaire. In hun eenvoud vormen de drie elementen een stapeling van de inrichting van de huisartspraktijk, de samenwerking met de relevante partners en de resultaten daarvan. Momenteel zien we in de uitwerking nog wat variatie op deze logische ordening. Het Jan van Es Instituut organiseert sinds de zomer van 2014 workshops rond deze nieuwe financiering (inmiddels vijf groepen met meer dan honderdtwintig deelnemers). In dit artikel delen we graag onze ervaringen, samengevat rond vier thema’s.

1 Een S3 businesscase kan niet zonder een geborgde S2 samenwerking
Uit de theorie van samenwerken en uit de evaluatie van de bijna zeventig “Op Eén Lijn”-projecten blijkt hoe belangrijk de duur van de samenwerking is. Hoe langer men samenwerkt (shadow of the past), hoe beter het resultaat. Maar ook: hoe meer gedeelde visie op de toekomst (shadow of the future), hoe beter het resultaat. Tevens geldt dat het resultaat verbetert, indien men overgaat tot gedeelde besluitvorming. Het ondergeschikt maken van de eigen autonomie aan de belangen van het collectief, zoals we nu massaal aan specialisten en ziekenhuizen vragen, is een cruciale succesfactor. Of, zoals Hans Alders het formuleerde tijdens de recente JVEI-bestuurderstweedaagse: ‘Indien je niet bereid bent om de uitkomst van de samenwerking te accepteren, ook als dat betekent dat jij de grootste gedragsverandering moet ondergaan, kun je er maar beter niet aan beginnen.’ De combinatie van de duur van de samenwerking en de mate van gedeelde besluitvorming, zijn essentiële indicatoren van de vruchtbaarheid van de bodem om S3 businesscases te realiseren. Uit de workshops bleek dat in veel regio’s de bodem nog niet vruchtbaar genoeg is.

2 Shared savings impliceert shared risk
De ontwikkeling van de huidige eerstelijns bekostiging kent een fasering die in de literatuur wordt beschreven. Naast een gedegen samenwerking (readiness of the organisational network) is er de as van de mate van het financiële risico van de betaler tot de zorgaanbieder. Hiermee loopt gelijk op de mate van de financiële opbrengsten van de betaler naar de zorgaanbieder. Bij elk niveau van risicoverhouding tussen betaler en zorgaanbieder past een ander financieringsmechanisme (zie figuur 1). Indien de aanbieder geen risico loopt en de betaler het volledige risico, dan is er sprake van een Fee for service-systeem: vooraf wordt een prijs voor elke verrichting separaat vastgesteld. De aanbieder wordt betaald voor zijn inspanning en de verzekeraar loopt het risico van overproductie. Bij episodebekostiging neemt het risico voor de aanbieder iets toe door afspraken met onderaannemers, waarmee ook de mogelijkheid toeneemt om meer rendement te behalen door efficiëntievoordelen. Ook hier loopt de verzekeraar het risico van overproductie. Bij een shared savings-afspraak wordt een deel van het financiële risico verlegd naar de zorgaanbieder. De zorgaanbieder ontvangt een vergoeding voor de kosten van inspanning plus wat rendement, indien het resultaat is bereikt. De inspanning wordt vooraf niet vergoed waardoor de verzekeraar minder financieel risico loopt. De laatste vorm is de per capitabekostiging waarin voor een populatie een totaalbedrag beschikbaar is en de zorgaanbieders met elkaar het volledige risico lopen om de noodzakelijke zorg te leveren. Hiermee wordt ook het verzekeringsrisico verlegd.

Download het volledige artikel hier:

 

Dienstapotheken: hoe verder?

De dienstapotheken verkeren in zwaar weer. Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en de Stichting Dienstapotheken Nederland (SDN) hebben een nieuw financieringsmodel bedacht: non-concurrentiële financiering op basis van een begroting. Biedt dit plan voldoende soelaas om de toegankelijkheid en het voortbestaan van de farmaceutische spoedzorg te waarborgen?

Aangezien de continuïteit van de farmaceutische spoedzorg in gevaar kwam, hebben SDN en ZN vorig jaar een plan bedacht dat nu wordt uitgerold. Carolijn Huizinga, apotheker en voorzitter van SDN: ‘De oplossing is dat dienstapotheken voortaan op basis van een eigen begroting in een non-concurrentiële setting worden gefinancierd. Op dezelfde wijze dus zoals huisartsenposten worden betaald. In overleg met de dominante zorgverzekeraar plus één andere zorgverzekeraar wordt op basis van de begroting een tarief berekend per receptregel dat alle overige zorgverzekeraars daarna zullen volgen. Dat maakt regionaal maatwerk mogelijk. De zorgverzekeraars betalen in deze constructie een kostendekkend tarief. Dat kan per dienstapotheek verschillen.’

Download het volledige artikel hier:

Is er marktwerking in de zorg?

In de zorg kennen we drie samenhangende markten: de zorgmarkt, de verzekeringsmarkt en de zorginkoopmarkt. Door de regels van de overheid spreken we vaak van gereguleerde marktwerking. Maar is nu daadwerkelijk sprake van marktwerking in de zorg? Jan Erik de Wildt beschrijft paar opvallende zaken, zonder daaruit harde conclusies te trekken. 

“Op de zorgverzekeringsmarkt stappen naar verwachting ruim 1,5 miljoen verzekerden over. Dat beeld is wat vertekend, want soms stapt men over binnen een concern, bijvoorbeeld naar een internetlabel. Die overstappers worden ook meegeteld. Toch wordt aangenomen dat de dreiging van overstappen al tot het gewenste marktgedrag leidt. Er zijn wel enkele vreemde markteffecten. Als een van de kleinste zorgverzekeraars zet DSW jaarlijks de toon met de premie voor de basisverzekering.”

Download het volledige artikel hier:

Dreigende chaos vanwege verschillende ordeningssystemen

Landelijke werkende concurrerende zorgverzekeraars hebben verzekerden. Regionale gemeenten hebben burgers. Deze twee ordeningssystemen zijn niet op elkaar afgestemd, maar raken door de verregaande decentralisatie en extramuralisatie steeds meer in elkaar verwikkeld. Dreigt er een chaos door verschillende bekostiging en geldstromen? Jan Erik de Wildt over botsende ordeningsystemen.

De toenemende integratie van zorg, welzijn, werk & inkomen, preventie, formele en informele zorg moet leiden tot betere uitkomsten, meer tevreden klanten en meer efficiency. Daarbij werken zorgverzekeraars en gemeenten steeds meer samen vanuit verschillende ordeningssystemen. Gaat dat goed samen of schuurt dat?

Download het volledige artikel hier: