Berichten

Teleconsultatie bij knie-, rug- en schildklierklachten scheelt kosten

Substitutie van medisch-specialistisch zorg door huisartsenzorg is een belangrijke pijler om de zorguitgaven te beperken. Teleconsultatie kan daarbij een belangrijke rol spelen, blijkt uit een pilot in de regio Nijmegen. Door teleconsultatie bij patiënten met knie-, rug- en schildklierklachten neemt het aantal verwijzingen naar de tweede lijn af. Grote kostenbesparingen zijn hierdoor mogelijk.

Het viel Guido Adriaansens, huisarts in Beuningen, en Marc ten Dam, internist-nefroloog en medisch manager transmurale zorg in het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis (CWZ) Nijmegen, al langer op. Bij veel patiënten die door de huisarts worden verwezen, vindt op de polikliniek van het CWZ geen medisch-specialistische ingreep plaats, zoals een operatie. Patiënten krijgen een advies en na enkele polikliniekbezoeken gaan ze retour huisarts. Adriaansens: “Zelfs bij de orthopeed, een snijdend specialisme, komen patiënten met knieklachten die niet geopereerd worden. We dachten: dat kost veel geld, het belast de tweede lijn en voor patiënten is het gedoe om naar het ziekenhuis te komen. Bovendien kost het ook hen geld, doordat ze hun eigen risico moeten aanspreken.”

Voor deze patiënten, stelt Adriaansens, heeft de huisarts genoeg aan een advies van de medisch specialist. Daarmee kan hij verder. De LHV-kring Nijmegen en het CWZ besloten daarom tot een pilot teleconsultatie bij patiënten met knie- rug- en schildklierklachten. Adriaansens: “Het houdt in dat de huisarts zijn consultvraag via een format in ZorgDomein voorlegt aan de medisch specialist.”

Meer gerichte verwijzingen

De specialist beoordeelt vervolgens de consultvraag en geeft advies. Ten Dam: “Bij een patiënt met knieklachten kan hij bijvoorbeeld adviseren over pijnstilling, leefstijl of fysiotherapie. Vaak zijn dat opties die de huisarts nog onvoldoende heeft benut. Maar soms is de uitkomst dat de specialist de patiënt alsnog wil zien in de tweede lijn. Het teleconsult levert in dat geval een meer gerichte verwijzing op.”

Het prettige van teleconsultatie is dat de medisch specialist geen informatie mist. Ten Dam: “Hij kan het consult rustig bestuderen, op een door hemzelf gekozen tijdstip. Dat is een voordeel vergeleken met een telefonisch consult. Internetconsultatie is effectiever. Uit onze pilot blijkt ook dat we meer dan 50 procent van de verwijzingen die anders zouden plaatsvinden, hiermee kunnen voorkomen.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Beleidsadviezen voor een nieuw kabinet

Wat gaat kabinet Rutte 3 doen met de (eerstelijns)gezondheidszorg? Het regeerakkoord zal het uitwijzen, maar als het aan de Eerstelijns ligt, kiest het kabinet voor een aantal logische, samenhangende oplossingen voor de (toekomstige) knelpunten.

De grootste uitdagingen betreffen de ouderenzorg, acute zorg, arbeidsmarkt en substitutie. Hoewel er al enkele stappen zijn gezet, is het niet genoeg. Zeker in de eerstelijnszorg zijn aanvullende maatregelen nodig.

Ouderenzorg

Door decentralisatie zijn oudere en kwetsbare mensen langer thuis. Dit heeft gevolgen voor de inrichting van zorg en welzijn. Door de sociale wijkteams verder te laten integreren en samenwerking met de eerstelijnszorg te intensiveren, kan meer en beter geïntervenieerd worden in een vroeg stadium.

Rutte 3 zet de Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo) voorlopig op dezelfde voet voort. In de eerstelijnszorg en de wijkverpleging betekent dat: aanbesteden op basis van een concessiemodel. Hoewel de individuele vrijheid bij het kiezen van een organisatie beperkt wordt, kan door het verminderen van transacties collectieve efficiencywinst worden geboekt. Ook het aantal transacties in de huisartsenzorg kan omlaag. Met name wanneer er regionale huisartsenorganisaties ontstaan die aanspreekbaar zijn voor alle (24 uurs)zorg. De module Organisatie & Infrastructuur (O&I) biedt hiertoe mogelijkheden, maar de nieuwe minister van VWS moet zorgverzekeraars wel tot actie manen. Tot op heden is er namelijk binnen die module alleen oog voor praktijkmanagement.

Acute zorg

De acute zorg heeft een fundamenteel probleem. De relatief goedkope ANW-zorg van huisartsen heeft een budgetmodel en is gratis toegankelijk, de dure SEH valt onder het eigen risico en heeft een productieprikkel. Dat moet anders. Rutte 3 los dit op, want de acute zorg loopt vast. Een structurele herziening is noodzakelijk.

Arbeidsmarkt

Het feit dat zorgverzekeraars weigeren om prijzen te indexeren terwijl de lonen wel stijgen, zou door de politiek moeten worden verboden. Niet indexeren kost arbeidsplaatsen, terwijl er tekorten ontstaan. De politiek kan marktmeester NZa (Nederlandse Zorgautoriteit) de opdracht geven om een verplichte indexatie op te nemen in de beleidsregels, aangezien er sprake is van marktfalen. Maar er is meer nodig. In alle andere economische sectoren is digitalisering een topprioriteit. In de (eerstelijns)zorg staat eHealth nog in de kinderschoenen. Rutte 3 moet hier beleidsrijk mee aan de slag.

Substitutie

Sinds 2006 is substitutie een onderdeel van het overheidsbeleid. Anno 2018 heeft de substitutie van zorg (deels) plaatsgevonden, maar de budgetten zijn nauwelijks ‘meeverhuisd’. De eerstelijnszorg met de kernfuncties huisartsen en wijkverpleegkundigen wordt volstrekt overvraagd, burn-out en discontinuïteit zijn aan de orde van de dag. En dit terwijl de zorgverzekeraars het beschikbare macrobudget voor huisartsen, multidisciplinaire zorg en wijkverpleging al twee jaar niet uitgeven. Daarop ingrijpen is stap één voor de nieuwe minister van VWS.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Hoofdlijnenakkoorden en macrobudgetten (2): consequenties voor wijkverpleging

Het demissionaire kabinet-Rutte II heeft een beleidsarme begroting gepresenteerd. De daadwerkelijke invulling wordt door een regeerakkoord mogelijk herzien. Eerder in het jaar is er een bestuurlijk akkoord overeengekomen voor de wijkverpleging, die als basis heeft gediend voor de rijksbegroting. Wat valt daaruit af te leiden en welk beleid gaan de grootste vier verzekeraars voeren?

De macrobudgetten 2018 voor de wijkverpleging zijn uiteengezet in het bestuurlijk akkoord ‘bouwen aan kwaliteit’. In 2018 is circa € 163 miljoen extra beschikbaar voor de wijkverpleging. De macrobudgetten worden vastgesteld op basis van prognoses over de ontwikkeling van de zorgvraag en vaststelling van zorgkosten. Deze worden afgezet tegen de algemene economische ontwikkeling en de inkomensontwikkeling, inclusief indexering van prijzen en lonen.

Voor de wijkverpleging resulteert dit voor 2018 in een kader van € 3.748 miljoen + € 30 miljoen substitutie. De groeiruimte voor de wijkverpleging is hiermee circa € 163 miljoen, exclusief de substitutiemiddelen.

Substitutie

Het streven is om zorg te substitueren en zo dicht mogelijk bij huis te leveren. Dit betekent voor de wijkverpleging een toename van de zorgvraag. Hiertoe wordt in dit akkoord (structureel) een bedrag van € 30 miljoen toegevoegd aan het macrokader wijkverpleging. Zorgverzekeraars zullen zich moeten inzetten om hier lokaal en regionaal afspraken over te maken en de beschikbare ruimte hiervoor optimaal te benutten.

Zorgkostenplafond

De inkoop van wijkverpleging kent een vast jaarlijks ritueel. Zorgverzekeraars en zorgaanbieders sluiten in het najaar een contract voor het komende jaar over hoeveel zorg er mag worden geleverd en tegen welke prijs – het zogeheten zorgkostenplafond. Gedurende het jaar blijkt of de zorg binnen dit plafond kan worden uitgevoerd. Vaak is dit niet het geval. Vervolgens ontstaat een ingewikkeld spel met de zorgverzekeraars om de extra zorg (deels) betaald te krijgen.

Tarieven

De huidige tarieven zijn niet kostendekkend. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) stelt per jaar per prestatie een maximum vast. Door de druk van de zorgverzekeraars ontvangt niemand meer dit maximale tarief en worden zorgaanbieders gedwongen om onder kostprijs te werken. Op korte termijn levert dit misschien voor de verzekeraars voordeel op, maar de duurzame inhoudelijke prikkel om kwalitatief en doelmatig met een juiste mix van goed opgeleide HBO en MBO opgeleide (wijk)verpleegkundigen en verzorgenden te kunnen anticiperen op de steeds complexer wordende thuissituatie, wordt hier onvoldoende in meegenomen.

Verzekeraars over inkoop wijkverpleging

Om zicht te krijgen op de inzet van de zorgverzekeraars voor 2018 heeft de Eerstelijns de vier grote zorgverzekeraars vragen gesteld over hun inkoopbeleid. Lees hun reacties in dit artikel.

Auteurs: Marcel de Groot, Harold Oldejans (ZZG Groep)

Download het volledige artikel hier:

Tijdelijk hoofdlijnenakkoord blijft beleidstaal

De besluitvorming heeft bij het in druk gaan van deze Eerstelijns net plaatsgevonden en onze voorspelling is dat partijen instemmen met het Hoofdlijnenakkoord 2018. Wat gaat er veranderen? De Eerstelijns analyseert.

Het grootste verschil tussen het akkoord uit 2013 en dat voor 2018 zit in de alinea’s over mensen die langer thuis wonen. Waar er in 2013 nog geen beeld was van de effecten daarvan, worden ouderen met een complexe zorgvraag, GGZ-problematiek, overbelasting van achterstandswijken en ANW-zorg nu expliciet genoemd. In 2013 kwamen de woorden gemeente en sociaal domein niet voor in de hoofdtekst. Nu wordt de verbinding gelegd. Dat geldt ook voor een multidisciplinaire benadering. Toch is er bij het nieuwe hoofdlijnenakkoord voor gekozen om alleen de huisartsen te betrekken: vertegenwoordigers van wijkverpleging of farmacie ontbreken bij de ondertekenaars. Terwijl juist gebleken is dat afstemming tussen de domeinen en sectoren nodig is. Wie houdt nu de regie over de samenhang?

Substitutie

Substitutie staat in 2018 niet meer op de eerste plaats. In de ouderenzorg en GGZ heeft substitutie al plaatsgevonden. In de curatieve sector is vastgesteld dat de zorgverzekeraars er niet in zijn geslaagd om substitutie te realiseren of te meten. Daarom is gekozen voor een andere aanpak. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) meet het substitutie-effect en het macrobudget (€75 miljoen) wordt vooraf gereserveerd voor substitutie uit ziekenhuizen. Onduidelijk is of er budget is voor andere ambities uit dit hoofdlijnenakkoord, zoals innovatie en Organisatie & Infrastructuur.

eHealth

De eHealth-ambities van de partijen in het hoofdlijnenakkoord zijn helaas laag. Dat was zo in 2013 en is onveranderd in 2018. Terwijl daar de sleutel ligt tot het ‘empoweren’ van de burger en het aanvullen of vervangen van reguliere zorg met digitale zorg.

Conclusie

Het hoofdlijnenakkoord blijft beleidstaal. Afgezien van de financiële kaders en het macrobeheersinstrument, die blijven er keihard in staan. Het is logisch dat deze landelijke lijn van afgelopen jaren wordt doorgetrokken, al zal de dynamiek op het thema ouderenzorg in regio’s moeten ontstaan door coalitions of the willing.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:
[/av_font

Wat brengt het zorginkoopbeleid 2018?

Wat valt op in het zorginkoopbeleid voor de eerste lijn, dat recent is gepubliceerd door de vier grote zorgverzekeraars Zilveren Kruis, VGZ, CZ en Menzis? De Eerstelijns analyseert hun plannen voor huisartsenzorg, multidisciplinaire zorg, farmacie, fysiotherapie en wijkverpleging.

De zorgverzekeraars moeten het zorginkoopbeleid ieder jaar op 1 april publiceren en doen dat trouw. De uitwerking op onderdelen volgt later, omdat de tijd tussen het afronden van de evaluatie 2016 en het publiceren van het beleid voor 2018 gewoon te kort is.

Het concept dat de zorgverzekeraars voor 2018 hanteren, is min of meer hetzelfde als dat voor van 2017, al is het taalgebruik wat aangepast. Terugkerende begrippen in het beleid 2018 zijn klantwaarde, zinnig, doelmatig en good practices. Goed is goed genoeg? Ook nieuw is de focus op de regio in de eigen kernwerkgebieden. Betekent dit dat de verzekeraars elkaar vaker automatisch gaan volgen? Het vormgeven van de zorg gebeurt per regio, geen blauwdrukken, maar wel kaders. Hoe dat zal uitpakken, is op dit moment niet duidelijk.

Er worden in 2018 beperkingen gesteld aan de niet gecontracteerde zorg (lagere vergoeding) en aan kleine contracten (op basis van een minimumbedrag of aantal FTE). Per discipline is dit anders, afhankelijk van de positie van de zorgverzekeraar en de zorgaanbieder. De doorleverplicht is bij sommige disciplines verdwenen, aangepast (bij overschrijding van het plafond krijgt men een ander tarief) of nog steeds als harde voorwaarde opgenomen. Ook hierbij zijn er verschillen per discipline.

Huisartsen- en multidisciplinaire zorg

De programmatische zorg voor chronisch zieken lijkt door zorgverzekeraars ter discussie te worden gesteld. Er wordt een voorbehoud gemaakt of openlijk aangegeven dat de ziektespecifieke benadering wordt ingeruild voor een persoonsgerichte benadering. Alle zorgverzekeraars vermelden de module Organisatie & Infrastructuur (O&I), zonder er harde toezeggingen over te doen. In de loop van 2017 wordt duidelijk of de financiering voor O&I doorgaat.

Substitutie, indexering en eHealth

Substitutie vanuit het medisch-specialistisch circuit, wat moeten we daarvan verwachten? Zorgverzekeraars zijn terughoudend bij het concreet maken van hun beleid. Ze broeden op nieuwe methoden, zoals shared savings bij een hogere omzetdaling dan afgesproken. Dat lijkt voor de komende jaren de trend te worden. Zorgverzekeraars lijken ook – deels terecht – te aarzelen over de kracht van de eerstelijnszorg. Het vragen van een stevige eerstelijnsorganisatie met een breed mandaat van de huisartsen is een nieuwe trend, die in bepaalde regio’s een versnelling kan bieden.

Maar misschien is het ontbreken van een expliciete eHealth-paragraaf wel het meest opvallende aan het zorginkoopbeleid van ‘de grote vier’. eHealth, zelfzorg en gestandaardiseerde informatie-uitwisseling zouden juist een speerpunt van beleid moeten zijn en zorgaanbieders zouden moeten worden uitgedaagd om hier initiatieven op te ontplooien.

Download het artikel voor de volledige analyse.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Maatregelen voor het versterken van de eerstelijnszorg

In de politiek lijkt de tijd rijp om vóóraf met budgetten te schuiven: van het kader medisch-specialistische zorg naar het kader eerstelijnszorg, in het bijzonder naar huisartsen- en multidisciplinaire zorg en wellicht naar wijkverpleging. Maar is dat voldoende om substitutie van zorg te laten slagen?

In 2013 hadden politiek en koepels een duidelijke ambitie om de eerstelijnszorg te versterken. De groeiruimte van 1,5 procent kon door substitutie toenemen tot 2,5 procent, was de verwachting. Zorggroepen en gezondheidscentra stonden klaar voor de uitbreiding van ketenzorgprogramma’s en substitutieprojecten. Terugkijkend moeten we vaststellen dat de versterking van de eerstelijnszorg niet of nauwelijks is gerealiseerd.

Resultaten

In 2015 is het totale macrokader huisartsen- en multidisciplinaire zorg ten gevolge van de substitutiemonitor met ca € 25 miljoen uitgebreid. Maar het macrobudget is onderschreden met € 106 miljoen. Ook in 2016 is de raming van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) dat het macrokader met 70 miljoen is onderschreden, waarbij S2 met € 40 miljoen is overschreden. De afsprakenmonitor  levert geen of nauwelijks inzichten op en dus is het macrobudget 2017 nagenoeg ongewijzigd.

Consequenties

Verzekeraars hebben het beschikbare budget voor de eerstelijnszorg niet opgemaakt, terwijl er wel meer zorg verleend wordt door de eerstelijnszorg. Dat betekent dat vooral de huisartsen meer zijn gaan doen voor minder geld. Bij de introductie van het segmentenmodel heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) gesteld dat om aan het norminkomen voor een huisarts te komen, integrale uurlonen nodig zijn in S2 en S3.  Die zijn er veelal niet gekomen en daar zijn individuele huisartsen de dupe van.

De uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) dat ook zonder contract ketenzorg geleverd kan worden, kan op de korte termijn een alternatief bieden voor huisartsen. De NZa heeft aangegeven voor 2018 nog met een (vrij) tarief te komen.

Doemscenario

Er zijn zorgverzekeraars die er een andere visie op nahouden als het gaat om de huidige en innovatieve programmatische zorg. Zij stoppen of beperken hun investeringen hierin.

Als dat doorzet en de programmatische zorg ontmanteld wordt, vallen we terug op de versnippering van voorheen. We moeten het dan stellen zonder georganiseerde inkoopmacht vanuit eerstelijnszorggroepen en gezondheidscentra. De huisartsenzorg zal dan binnen vijf jaar sterk geërodeerd zijn door kwaliteitsverlies en arbeidsmarktproblemen. Nederland verliest dan een van de kroonjuwelen van haar gezondheidssysteem. In dit scenario nemen de ziekenhuizen de regie over en wordt de medisch georiënteerde gezondheidszorg nog dominanter en duurder. Het goede nieuws is dat het tij nog kan worden gekeerd.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

De complexe onderhandelingsarena’s van ziekenhuizen

Bij substitutie wordt vaak gedacht aan verschuiving van zorg vanuit ziekenhuizen naar de eerstelijnszorg, bijvoorbeeld naar huisartsen en paramedici. Een maatschappelijk gewenste situatie, maar ziekenhuizen hebben hier geen direct belang of voordeel bij. Individuele medisch specialisten en soms huisartsen ook niet. De Eerstelijns analyseert. 

Substitutie vanuit ziekenhuizen naar de eerstelijnszorg is een maatschappelijk gewenste ontwikkeling om de kostengroei van de zorg te beperken en de patiënt de juiste zorg op de juiste plaats te kunnen bieden. Onze economische concurrentiepositie heeft belang bij kostenmatiging. Nederland staat tweede ter wereld qua kosten met vijftien procent van het Bruto Nationaal Product. Werkgevers betalen vijftig procent van de Zvw-premie. En hogere zorgkosten hebben effect op de loonontwikkeling.

Matiging van de zorgkosten is maatschappelijk nuttig. Mede daarom is in 2013 een Hoofdlijnenakkoord gesloten waarin de zorgkosten met maximaal een procent mogen stijgen in de periode 2014 – 2017. Hierin hebben partijen hun verantwoordelijkheid genomen. Maar in de uitvoering van het akkoord ontstaat discussie over een procent of minder. Mede door de daling van de productie in de ziekenhuizen.

De huidige ziekenhuisinfrastructuur is deels een uitvloeisel van (bouw)besluiten in de periode rond de eeuwwisseling of nog veel eerder. En er zijn grote maatschappelijke belangen. Ziekenhuizen zijn in regio’s vaak de grootste werkgever en zeker in krimpregio’s stellen lagere overheden, zoals provincie en gemeenten, alles in het werk om het ziekenhuis om die reden te behouden. Daarnaast heeft de centrale overheid de verantwoordelijkheid om de toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid van de zorg te garanderen. Overal in Nederland. Daarom is een bepaalde spreiding van ziekenhuiszorg nodig op basis van het afstandscriterium. Maar ook een concentratie van specialistische zorg vanuit het perspectief van kwaliteit en kostenoverwegingen. Tegelijk is het noodzakelijk om voldoende concurrentie te houden en leveren fusies een ongewenste machtsconcentratie op. Bij gezonde burgers, verzekerden met een incidentele specialistische zorgvraag, is keuzevrijheid van belang en de reisbereidheid groot. Maar voor chronisch zieken en ouderen is een regionale ziekenhuisvoorziening en samenhangende zorg gewenst.

Deze maatschappelijke belangen zijn soms verenigbaar, maar ook soms strijdig met elkaar. Tot slot zijn financiële duurzaamheid en economische continuïteit in een van de grootste sectoren van Nederland van belang. Aanpassingen van de ziekenhuisinfrastructuur zal daarom altijd een geleidelijk proces zijn. Volgens Arcadis en BDO komen kleine ziekenhuizen en daar waar meerdere ziekenhuizen in één regio zijn, het eerst in de problemen.

Al is er een maatschappelijk belang, dan is dat nog niet meteen een organisatiebelang. Ziekenhuizen hebben een maatschappelijke functie, maar onder andere ook een werknemersbelang. De ziekenhuizen en medisch specialisten hebben de afgelopen jaren al de nodige veranderingen meegemaakt. De introductie van DBC en DOT; een integraal tarief voor ziekenhuis en medisch specialisten, steeds meer financiële eisen, strakkere kwaliteitseisen door IGZ en zorgverzekeraars, wegvallen transitievergoeding, toetredingsdrempels door (hoge vrijwillige) eigen bijdrage van patiënten en strakker toezicht door de NZa. Maar vooral dure geneesmiddelen die een onderdeel van het integrale ziekenhuisbudget zijn geworden en fors op de (toekomstige) exploitatie drukken. Daarnaast is het in ziekenhuizen nog steeds uitermate complex om tot een goede transparante kostprijsberekening te komen.

Download het volledige artikel hier:

Het geld volgt de zorg… een beetje

De Eerstelijns beschouwt substitutie al jarenlang als het hoofdthema van de eerstelijnszorg. Het is een belangrijke randvoorwaarde om het groeiende volume de baas te kunnen. Wat vindt De Eerstelijns van de substitutiebrief van minister Schippers van oktober 2015?

In de substitutiebrief wordt verwezen naar de substitutiemonitor. In het “Onderhandelaarsresultaat eerste lijn” (16 juli 2013) is hier al over gesproken en nu worden aan de resultaten, nadat er al zorg is verplaatst, de eerste budgettaire consequenties gekoppeld. Dat is 2,5 jaar na dato en slechts ruim een jaar voor de afloop van het hoofdlijnenakkoord. De minister noemt de uitkomsten voldoende solide. Maar wat is dat? De substitutiemonitor is gebaseerd op de contractafspraken die de zorgverzekeraars hebben gemaakt, maar niet op de realisatie. Het zegt nog niets over het gerealiseerde volume.

Er wordt voor 2016 een verschuiving voorgesteld van 24,9 miljoen euro: 10,9 miljoen voor huisartsenzorg en 14 miljoen voor multidisciplinaire zorg. Dat is 0,1 procent van het budget van de tweedelijnszorg van 23 miljard. Dat doet absoluut geen recht aan de substitutievolumes die in de praktijk worden gerealiseerd in de diabetes, COPD en CVRM. Mede omdat de huisarts na ingrijpen van de NZa, S2 nodig heeft om ruim twintig procent van de praktijkkosten te betalen en twintig procent van het inkomen te genereren, zijn er meer huisartsen toegetreden tot zorggroepen, zijn meer huisartsen alle zorgprogramma’s gaan uitvoeren en zijn zorgverzekeraars nu ook meer zorggroepen gaan contracteren voor alledrie de programma’s. Het volume dat deze nieuwe contractafspraken genereert, zorgt in potentie voor een veel grotere toename van S2, waardoor bij Q1 en Q2 al een aanzienlijke overschrijding waar te nemen is. Het adagium is dus: het geld volgt de zorg… een beetje!

De POH-ggz is een groot succes. Steeds meer huisartsen, inmiddels zo’n zeventig tot tachtig procent, besluiten om een POH-ggz aan te stellen. Er is geen wezenlijke beperking meer in volume door het nieuwe NZa-uitgangspunt per 2016: 1 fte POH-ggz op 1 fte huisarts. Echter, NZa heeft het voor urenuitbreiding benodigde budget niet berekend.

Download het volledige artikel hier:

Effectieve substitutie vraagt om schaal en samenwerking

Ziekenhuizen en de eerstelijnszorg steken veel energie in substitutie. Verschillende organisaties experimenteren met nieuwe organisatievormen onder de noemer “anderhalvelijnszorg”. Echter het is onduidelijk op welke wijze zij substitutie het beste kunnen vormgeven, aangezien de Triple Aim-effecten onvoldoende zijn onderzocht. Dit artikel gaat in op een recente literatuurstudie van het Jan van Es Instituut (JVEI) naar de effecten van succesvolle organisatievormen in de extramurale gezondheidszorg met speciale aandacht voor Triple Aim-uitkomsten.

Er is al veel over geschreven dat door betere samenwerking tussen professionals – bijvoorbeeld rondom chronische zorg, ggz of zwangerschap en geboorte, maar ook tussen social en primary care – samenhangende zorg effectiever en efficiënter is. Een onderliggend mechanisme is dat ketenoptimalisatie leidt tot deze betere resultaten. Echter, het is nog onvoldoende duidelijk hoe we deze afzonderlijke ketentrajecten organisatorisch in de zorg moeten inbedden. Voor sommige individuen, maar zeker in een populatie, zijn meerdere ketentrajecten tegelijkertijd nodig. Meerdere aandoeningen komen gelijktijdig voor, maar prevalenties, incidenties en beloop van aandoeningen zijn verschillend.

Vanuit de theorie vragen verschillende aandoeningen voor optimalisatie om een ándere organisatiegraad. Toch trachten we deze verschillen in één systeem van organisaties te bundelen. Moet je dan juist integreren of fragmenteren? Is de huidige infrastructuur met de scheiding tussen eerste en tweede lijn (generalistisch en specialistisch) de meest optimale? En waar ligt dan de grens? Is deze verschillend voor diverse ziektebeelden? Of moeten we naar meer geïntegreerde organisatievormen waarin de generalistische en specialistische zorg wordt samengebracht, zoals anderhalvelijnscentra?

Download het volledige artikel hier:

Goede verwijsinformatie van nut bij monitoring substitutie

Jaarlijks publiceert het NIVEL landelijk representatieve verwijscijfers, dit jaar voor het eerst op basis van gegevens uit ZorgDomein. Deze cijfers kunnen huisartspraktijken inzicht geven in hun eigen verwijsgedrag ten opzichte van het landelijke beeld. Maar er is nog veel meer mogelijk met deze gegevens: het kan bijvoorbeeld ook van nut zijn bij het monitoren van de substitutie van de zorg.

Het landelijke zorgbeleid is er op gericht meer zorg in de eerste lijn te laten plaatsvinden en minder in de tweede lijn. Om substitutie te kunnen monitoren, is informatie nodig over zorggebruik in de tweede lijn én in de eerste lijn. Voor welke klachten en aandoeningen verwijst de huisarts naar de tweede lijn en wordt dit inderdaad minder? En welke veranderingen vinden er plaats sinds de invoering van de nieuwe bekostiging van de huisartsenzorg in 2015? Plaatsen huisartsen zelf nog spiraaltjes, of verwijzen ze hiervoor door naar de gynaecoloog nu het tarief voor deze verrichting omlaag is gegaan van 55 euro naar 18 euro, in ruil voor een verhoging van het inschrijftarief? NIVEL Zorgregistraties is mede opgezet om deze vragen te kunnen beantwoorden. In dit artikel beschrijven we welke gegevens verzameld worden om substitutie in de zorg te kunnen monitoren.

Substitutie kan worden gemonitord door declaratiegegevens van zorgverzekeraars te combineren met zorggegevens van huisartsen. In een recent verschenen artikel in Huisarts en Wetenschap nr. 58 (2015) wordt op deze manier gekeken naar variatie tussen huisartspraktijken in het zorggebruik van astmapatiënten in de tweede lijn. Om te bepalen of patiënten behandeld werden in de tweede lijn, zijn declaratiegegevens van DBC’s (diagnose-behandelcombinaties) gebruikt. Die declaratiegegevens lopen echter achter bij de werkelijkheid, omdat declaraties pas na afsluiting van een DBC kunnen worden ingediend. Een alternatief is gebruik te maken van gegevens over verwijzingen. Patiënten die worden verwezen, zullen die verwijzing immers meestal ook gebruiken. Het voordeel van het gebruik van verwijsgegevens is dat deze veel sneller beschikbaar zijn dan declaratiegegevens.

Download het volledige artikel hier: