Berichten

Lijnoverstijgende aanpak resulteert in betere COPD-zorg

Bij patiënten met een chronische aandoening kan medicatie vaak pas optimaal werken als de zorg rondom hen goed is georganiseerd. Bovendien moeten zij inspraak hebben in de interventie. Dat zijn de uitgangspunten van een aantal succesvolle COPD-initiatieven.

Sneller een diagnose en behandelplan. Lagere zorgkosten omdat de meeste patiënten onder controle zijn in de eerste lijn. Dat zijn voordelen die met COPDnet zijn bereikt in en rond ziekenhuis Bernhoven in Uden. Dit zorgpad is een aantal jaren geleden ontwikkeld in het Radboudumc. PICASSO, een programma gericht op verbetering van longzorg, meet de effecten. “Twee jaar na de implementatie in ziekenhuis Bernhoven hebben we onlangs geconcludeerd dat de ervaringen goed zijn”, vertelt Denise Schuiten. Zij is Customer Solution Manager bij Boehringer Ingelheim, een van de oprichters van PICASSO.

Gemotiveerde patiënt

Schuiten concretiseert: “Dankzij een geïntegreerde aanpak van eerste, tweede en derde lijn komen zorgverleners en de patiënt in Bernhoven snel to the point. De patiënt keert eerder met een goed behandelplan terug van het ziekenhuis naar de huisarts en hoeft ook niet zo vaak naar het ziekenhuis te komen. Dat heeft een positief effect op de zorgkosten. Verder blijken patiënten extra gemotiveerd te zijn om hun medicatie te gebruiken en te werken aan hun leefstijl. De reden is dat zij inspraak hebben in de interventie.”

Implementatie

Na de ontwikkeling en invoering van COPDnet in Nijmegen brak de volgende spannende fase aan: de implementatie in een ander ziekenhuis en bij andere zorgverleners. Schuiten: “Dit is binnen negen maanden gerealiseerd in ziekenhuis Bernhoven. Het is de ambitie dit zorgpad nu ook geschikt te maken voor andere regio’s.”

Met ‘implementatie’ is een essentiële term genoemd. Schuiten: “Ons land kent vele geslaagde initiatieven om zorg te verbeteren. Maar de implementatie ervan blijkt vaak niet goed te verlopen. Welke factoren zijn bepalend voor het al dan niet slagen van een implementatie? Hiervoor is een soort meetlat ontwikkeld door de School of Health Policy & Management Health Technology van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR). Boehringer Ingelheim heeft de EUR gevraagd om vanaf de herfst de meetlat langs vier Nederlandse COPD-projecten te leggen.”

De uitkomsten van het onderzoek moeten over een half jaar duidelijk zijn. Schuiten: “We verwachten daarmee beter inzicht te krijgen in hoe en waarom sommige initiatieven succesvol zijn en andere niet. Met die kennis zou je projecten kunnen aanpassen als ze ergens anders worden geïmplementeerd, met een grotere slagingskans als gevolg.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Waardegedreven zorg in de praktijk

Als de patiënt de maatstaf is voor waardegedreven zorg, zou die ook het uitgangspunt moeten zijn voor het meten van het succes ervan. Dat is kortweg waar het om gaat bij het in kaart brengen van de patient journey. Qualizorg en PharmaPartners werken samen om huisartsen en huisartsorganisaties te ondersteunen bij het toevoegen van waarde voor patiënten en het inzichtelijk maken van het resultaat daarvan. 

“Er zijn verschillende interpretaties van waardegedreven zorg. Als je het plat slaat gaat het om de vraag wat de waarde van geleverde zorg is voor een patiënt”, legt Rutger van Zuidam, directeur van Qualizorg uit. “En dat verschilt van patiënt tot patiënt. De ene zorgorganisatie neemt Triple Aim als uitgangspunt, de ander steekt in op value-based healthcare. Vanuit Qualizorg proberen we het resultaat daarvan aan de kant van de patiënt transparant te maken. Dat lukt het beste als je de patiënt verschillende keren op zijn pad door de zorg kort vraagt naar de ervaren uitkomsten. Als je de patient journey in kaart brengt dus.”

Op dit moment worden de uitkomsten van geleverde zorg meestal per silo bekeken. Van Zuidam: “De zorgdiscipline of het zorgpad staat centraal, terwijl de ervaring en uitkomsten van de zorg worden bepaald door de totale route die de zorgconsument aflegt. Als je de patiënt als uitgangspunt neemt voor het verzamelen van uitkomsten op het gebied van gezondheid, ervaren kwaliteit en kosten, krijg je een beeld van de effectiviteit van die hele ‘ketting’ van zorg.”

Samen waarde creëren

De omslag naar het verzamelen van outcome op basis van de patient journey stimuleert Qualizorg door met zorgorganisaties ervaring op te doen, maar ook door samenwerking te zoeken met partijen zoals PharmaPartners. Van Zuidam: “In het huisartsinformatiesysteem Medicom wordt bijvoorbeeld vastgelegd wanneer een patiënt langskomt en hoe het met hem of haar is. Dat zijn de triggers op basis waarvan we vanuit Qualizorg de patiëntbeleving kunnen gaan meten.”

“Medicom helpt huisartsenpraktijken bovendien bij het creëren van een beter ervaren kwaliteit van zorg en betere uitkomsten”, vult Suzanne van Aarle, manager sales & marketing bij PharmaPartners Huisartsenzorg aan. “Dat doen we door goede informatie-uitwisseling met andere partijen tot stand te brengen, zodat zorg op de juiste plek ondersteund wordt met volledige informatie. Daarnaast ontwikkelen we in nauwe samenwerking met huisartsen en zorggroepen functionaliteit om goed invulling te kunnen geven aan multidisciplinaire, persoonsgerichte zorg.”

Rutger van Zuidam: “PharmaPartners Huisartsenzorg en Qualizorg hebben veel dezelfde klanten. Als grote systeempartijen in de zorg hebben we de verantwoordelijkheid om te verbinden en een holistisch beeld van de patiënt en de uitkomsten van zorg tot stand te brengen.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

DOAC’s veranderen trombosezorg

De trombosezorg is met de komst van directe orale anticoagulantia (DOAC”s) als alternatief voor vitamine K antagonisten (cumarinederivaten) ingrijpend veranderd. De patiënt is hierdoor niet meer afhankelijk van de Trombosedienst, maar kan gewoon naar de huisarts. Dit blijft niet zonder gevolgen, stelt dr. Geert-Jan Geersing, huisarts in huisartsenpraktijk Buitenhof en assistant professor bij Julius Centrum.

Cumarinederivaten zijn ontdekt in de jaren veertig van de vorige eeuw toen koeien na het eten van bedorven klaver (rijk aan cumarinederivaten) massaal overleden aan inwendige bloedingen. Hiermee is meteen duidelijk waarom trombosepatiënten die ze gebruiken afhankelijk zijn van de Trombosedienst om goed ingesteld te worden en te blijven. “En dat luistert nauwkeurig”, zegt Geersing, “want cumarinederivaten remmen het vitamine K-metabolisme en hoeveel je ervan nodig hebt, hangt onder andere af van de hoeveelheid vitamine K die je via je voeding binnen krijgt. De benodigde dosering kan dan ook van dag tot dag verschillen.” Het betekent dus nogal wat dat zowel cardiologen als internisten in hun richtlijnen hebben opgenomen dat DOAC’s de voorkeur hebben boven vitamine K antagonisten. Geersing: “DOAC’s remmen heel gericht de werking van één specifiek stollingseiwit. De werking ervan is daarmee veel voorspelbaarder, waarmee de noodzakelijkheid van zorgvuldig titreren wegvalt. Alleen de leeftijd, nierfunctie en het gewicht van de patiënt spelen een rol in de dosering.”

Belangrijke voordelen

Dit betekent dat trombosepatiënten die gebruik kunnen maken van DOAC’s niet meer naar de Trombosedienst hoeven, maar gewoon naar hun eigen huisarts kunnen. Toch hebben huisartsen hierop aanvankelijk terughoudend gereageerd. “Terwijl de cardiologen en internisten dus al hun voorkeur voor DOAC’s boven vitamine K antagonisten uitspraken”, zegt Geersing. “Het belangrijkste argument daarvoor is dat DOAC’s net zo effectief zijn als vitamine K antagonisten, terwijl het risico op een hersenbloeding met vijftig procent te reduceren is. Met een half tot één procent van de patiënten een zeldzame complicatie weliswaar, maar we hebben het wel over 300.000 trombosepatiënten op jaarbasis. Ook de overall mortaliteit is bij DOAC’s lager dan bij vitamine K antagonisten. Maag- en darmbloedingen komen daarentegen juist twintig tot dertig procent vaker voor bij DOAC’s. En onduidelijk is nog of de voordelen van DOAC’s ook gelden bij kwetsbare ouderen. Vanuit het Julius Centrum hebben we hiernaar een onderzoek opgezet.” (zie www.noaconderzoek.nl, red.) Inmiddels beginnen huisartsen wel steeds vaker DOAC’s voor te schrijven.

Kennisdeling

De uitdaging voor nu is kennisdeling, stelt Geersing. Hij legt uit: “Omdat zo’n grote rol was weggelegd voor de Trombosedienst, heeft de trombosezorg zich grotendeels buiten ons blikveld ontwikkeld. Nu gaan we daar wel een grote rol in spelen en dit vraagt om aandacht voor het onderwerp in FTO’s en nascholingen. Gelukkig zien we dat die op gang begint te komen. Dat is nodig, want ook al betekent de komst van DOAC’s een enorme vooruitgang, het blijven toch bloedverdunners. We weten uit de HARM-studie naar geneesmiddel gerelateerde ziekenhuisopnamen dat die tot de meest gevaarlijke geneesmiddelen behoren.”

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Parnassia Groep portaal draagt bij aan transparantie in de GGZ

Begin 2017 lanceerde GGZ-aanbieder Parnassia Groep in samenwerking met softwareontwikkelaar Calculus een revolutionair online platform, het ‘Parnassia Groep portaal’, direct vanuit het huisartsinformatiesysteem (HIS). Via dit platform hebben huisartsen onder andere direct inzage in de status van hun patiënt wanneer deze in behandeling is bij een van de onderdelen van Parnassia Groep. Het streven is om de transparantie binnen de GGZ te vergroten.

Jordaan, bestuurder van Indigo (Parnassia Groep), begeleidde de ontwikkeling van het portaal. “Parnassia Groep biedt jaarlijks aan 150.000 patiënten geestelijke gezondheidszorg. Ruim vijfentachtig procent daarvan wordt verwezen via de huisartsen. De huisarts is voor de patiënt en voor ons een belangrijke partner. Wij zijn er om patiënten die zorg nodig hebben zo vroeg en zo licht mogelijk te behandelen. Dat betekent preventie en online zelfhulp voor de patiënt, begeleiding door POH-GGZ of generalistische behandeling door GZ-psycholoog in de basis-GGZ als het kan en meer specialistische zorg als meer nodig is. Goede samenwerking tussen huisartsenzorg en specialist helpt dat te overbruggen. We moeten elkaar in de zorgketen meer opzoeken. Transparantie is daarbij essentieel.”

Directe koppeling HIS

Het ontwikkelen van het portaal was een secuur werk. Jordaan: “We ontwikkelden eerst een bèta versie. Een tweede versie ontwikkelden we samen met softwareontwikkelaar Calculus, bekend van VIPLive. Het voordeel daarvan is dat vrijwel alle huisartsen VIPLive al kennen en er al een directe koppeling met hun HIS is. Ons portaal biedt niet alleen de mogelijkheid tot inzage in de status van een behandeling, maar huisartsen kunnen een psychiater of GZ-psycholoog ook online consulteren of een patiënt direct digitaal verwijzen. Sinds april 2018 kunnen huisartsen bovendien hun patiënten aanmelden voor een online zelfhulpmodule en een preventiecursus.”

Patiënt leidend

Het delen van informatie gebeurt veilig en met inachtneming van de privacywetgeving. “De patiënt is leidend”, zegt Jordaan beslist. “Wanneer de patiënt niet wil, wordt de informatie niet inzichtelijk voor de huisarts.” Huisarts Barbara de Doelder gebruikt het portaal vanaf het begin. “Boven alles is het een prijzenswaardige poging om de GGZ en de huisarts meer bij elkaar te brengen”, zegt ze. “Dat is ook hard nodig. Een landelijk onderzoek in het tijdschrift De Dokter eind vorig jaar wees uit dat contact met GGZ-instellingen door een wezenlijk deel van de ondervraagde huisartsen in Nederland als problematisch wordt ervaren. Parnassia Groep doet daar wat aan.”

Auteur: Ludo de Boo

Download het volledige artikel hier:

Hoogleraar Rudi Westendorp: “We moeten af van de dokter als god”

De huisarts van vroeger nam de tijd, hij informeerde naar de patiënt, de familie, zijn werk en zijn zorgen. Hij kwam gewoon langs als de patiënt te ziek was om te komen. Hij wist veel en legde allerlei verbanden. Volgens hoogleraar ouderengeneeskunde Rudi Westendorp moeten we terug naar deze generalist. Maar het primaat, dat gaat naar de patiënt.

De geneeskundige heeft grote sprongen voorwaarts gemaakt, maar gek genoeg helpt meer van hetzelfde ons niet meer vooruit, zegt Rudi Westendorp. “We kennen steeds meer specialisatie. Niets mis mee. Het is goed meer te weten over het hart of het gedrag van de mens. Maar blijven we specialiseren, dan wordt de patiënt steeds verder uiteengereten in allerlei fragmenten. En die fragmenten horen toch bij elkaar? We hebben generalisme nodig. Dat wordt te weinig onderkend. De patiënt is hier de dupe van.”

Ook de huisarts specialiseert zich steeds meer, volgens Westendorp. “Hij wil wel generalist zijn, maar het is verdraaid moeilijk. De problematiek stijgt hem boven het hoofd. Ik praat over het totale mensbeeld. Het integraal verantwoordelijk zijn voor de patiënt. Niet alleen voor zijn buikpijn. Ook weten of de patiënt net gescheiden is, want misschien heeft de patiënt daarom wel die buikpijn.”

Geen primaat

Dertig jaar geleden was de huisarts wel een generalist. Hij kende zijn patiënten en zijn familie van het wieg tot het graf. “In die integrale visie van toen zitten nu grote scheuren, zegt Westendorp. “We moeten terug naar de generalisatie. Maar wegblijven van het paternalistisch model. Het primaat dat de huisarts dacht te hebben, is hem nu niet meer gegeven. De beslissingsbevoegdheid moet weg bij de dokter. Wie dat bepaalt? De patiënt natuurlijk!”

Maar wat blijft er dan over voor de huisarts? “Een heleboel”, reageert Westendorp. “Een patiënt die bij hem komt met fragmentarische informatie van Google en de hele rataplan, heeft een professional nodig om deze informatie te duiden en in een groter geheel te plaatsen.”

Complexe situatie

Rudi Westendorp vervolgt: “De problemen van vandaag de dag zijn complex. Vroeger werden jonge kinderen oud totdat er iets faliekant misging; blijkbaar een fout in het systeem. Dat soort problemen worden tegenwoordig door preventieve maatregelen voorkomen of opgelost. De geneeskunde wordt geconfronteerd met oude mensen die steeds langer leven en bij wie het overal begint te rammelen. Hier iets fout, daar iets fout. Maak daar maar eens een goede afweging over. Hiervoor hebben we een generalistisch denkende huisarts nodig.”

Auteur: Betty Rombout

Download het volledige artikel hier:

“Mijn GezondheidsPlatform staat aan het begin van een reis”

Patiënten willen en krijgen steeds meer regie over hun eigen gezondheid. Zij willen hun gezondheid digitaal managen. En dat kan. Zoals een HIS de huisartsenpraktijk ondersteunt en een KIS de ketenzorg, zo ondersteunt Mijn GezondheidsPlatform (MGP) de patiënt of cliënt. Maar er is nog veel meer mogelijk. De komende tijd bouwt de Promedico Groep MGP uit naar een Persoonlijke GezondheidsOmgeving (PGO) met talloze mogelijkheden.

“De Promedico Groep richt zich op het ondersteunen van geïntegreerde zorg en daar hebben cliënten en burgers een belangrijk aandeel in”, zegt Yolanda Kollee. Zij is manager Implementatie & Support bij Care2U, onderdeel van de Promedico Groep, en ontwikkelaar van MGP. “De wereld verandert razendsnel. Ontwikkelingen binnen zelfmanagement, zelfservice en zelfredzaamheid zetten de komende jaren sterk door. Een digitale omgeving is van groot belang bij het ondersteunen, stimuleren en activeren van burgers en cliënten. De markt daarvoor is aan het ontstaan. Dit is het gouden moment om een nieuw platform te ontwikkelen. We staan aan het begin van een reis en het mooie is: iedereen reist mee.”

Dieet en data

Paul Borchers (83) en Truus Borchers-Coenen (80) uit Bladel laten zien dat er nu al een stevige basis ligt. Vooral Paul Borchers, die vroeger technicus was, is een fanatiek gebruiker van MGP: “Ik heb hartklachten gehad en problemen met mijn lever. Sinds een jaar heb ik MGP om mijn meetwaarden in de gaten te houden, onder andere om me voor te bereiden voordat ik naar de huisarts of praktijkondersteuner ga.” Terwijl hij vertelt, gaat de telefoon. ‘Aan de lijn’ is MGP om hem te waarschuwen dat het tijd is voor zijn medicijnen. Daarnaast volgt het echtpaar Borchers een afvalprogramma, ondersteund door MGP. “Ik kreeg vandaag een smiley omdat ik zes kilo ben afgevallen”, vertelt hij. Maar het belangrijkst is het managen van het dieet en de data van Truus Borchers. “Zij heeft diabetes type 2. Het is belangrijk dat we haar bloedsuikerwaarden in de gaten houden. Ze is nu zodanig afgevallen dat we een bericht kregen dat ze twee tabletten minder kan nemen.”

Regio-oplossing

Mooie eerste stappen, maar MGP wil meer. “We willen nog meer interactie rondom persoonlijke gegevens met bijvoorbeeld wearables, glucosemeters en apps, die data leveren om via het platform samen met je zorgverleners je zorg te managen”, zegt Yolanda Kollee. “Daarom zetten we de komende tijd een volgende stap in het ontwikkelen van functionaliteiten.” Met de doorontwikkeling van MGP naar een PGO sluit Care2U aan op het MedMij-programma.

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Direct toegang tot ziekenhuisdiagnostiek vanuit de huisartsenpraktijk

Voor het leveren van goede zorg hebben zorgverleners actuele, complete en betrouwbare informatie nodig over de patiënt. PharmaPartners is hierin al veertig jaar de ICT-partner van samenwerkende huisartsen en apotheken. Omdat steeds meer mensen zowel door de specialist in het ziekenhuis als door hun eigen huisarts worden behandeld, is het van belang dat ook zij alle relevante patiënteninformatie delen. PharmaPartners Huisartsenzorg en VANAD Enovation maken dat mogelijk door het huisartsinformatiesysteem Medicom en het ziekenhuissysteem met elkaar te verbinden.

De huisarts is de spil in de zorg ‘dicht bij huis’. Om patiënten goed te kunnen begeleiden op hun pad door de zorg, is betrouwbare informatie-uitwisseling met alle zorgverleners rondom hun patiënten van groot belang. “Iedere zorgregio richt die samenwerking op zijn eigen manier in. Als toonaangevende leverancier binnen de eerstelijnszorg-ICT is het onze missie om alle vormen van samenwerking optimaal te ondersteunen. Dat doen we met eigen zorgsystemen en e-healthtoepassingen én door slimme verbindingen te maken met andere platforms en systemen”, vertelt Piet Hein Knoop, manager innovatie van PharmaPartners Huisartsenzorg.

Stap voorwaarts

Het ontsluiten van ziekenhuisinformatie voor huisartsen is een grote stap voorwaarts. Het is al langer mogelijk om verwijsinformatie te delen, maar huisartsen hebben in de meeste regio’s nog geen directe toegang tot bijvoorbeeld bloedbepalingen, röntgenfoto’s en andere beelddiagnostiek die in opdracht van een specialist is uitgevoerd. PharmaPartners Huisartsenzorg en VANAD Enovation brengen daar samen op landelijk niveau verandering in.

Systemen laten ‘praten’

“Via onze dienst ZorgMail krijgt de huisarts nu al uitslagen binnen van ziekenhuizen. In aanvulling daarop maken we met Medicom een zogenaamde XDS-koppeling voor gegevensuitwisseling. Hierdoor kan het huisartsinformatiesysteem ‘praten’ met het ziekenhuisinformatiesysteem en kan de huisarts direct vanuit het patiëntendossier in Medicom informatie opvragen van het ziekenhuis”, legt Marcel van der Velden, vice president sales bij VANAD Enovation, uit. Die uitwisseling verloopt via een platform van VANAD Enovation (xdsConnect), waarop ieder ziekenhuis en iedere zorgpraktijk kan aansluiten. Hiervoor wordt de internationale standaard XDS gebruikt, dat alle Nederlandse ziekenhuizen gebruiken. Medicom is het eerste huisartsinformatiesysteem dat direct via XDS gaat communiceren.”

De opvraagfunctie voor huisartsen komt op korte termijn beschikbaar in Medicom. Daaropvolgend maken PharmaPartners en VANAD Enovation het voor specialisten in het ziekenhuis mogelijk om relevante informatie uit het huisartsendossier op te halen.

Download het volledige artikel hier:

Zorgplicht versus zorgplafond

Na ziekenhuizen en wijkverpleging zien ook huisartsen zich steeds vaker geconfronteerd met door zorgverzekeraars opgelegde zorg- of inclusieplafonds. Wat betekenen die eigenlijk? En hoe moet je hiermee omgaan? Advocaat Nicole Kien zocht het uit.

Zorgverzekeraars hebben op grond van de voor hen geldende Zorgverzekeringswet een zogenaamde zorgplicht. Zij moeten het verzekerde basispakket ook daadwerkelijk leveren (art. 11 Zorgverzekeringswet). Zorgverzekeraars ontvangen hiervoor de rijksbijdragen en premies van verzekerden. Al jarenlang wentelen zorgverzekeraars een deel van hun verplichtingen af op zorgaanbieders via zorgplafonds, volumeplafonds en doorleververplichtingen.

Betekenis zorgplafond

Plafonds zijn vooraf bepaalde eindgrenzen. Een zorgplafond betekent feitelijk dat je niet meer zorg kunt leveren dan het maximum. Als je toch meer zorg moet leveren, moet de patiënt eigenlijk naar een andere zorgaanbieder worden verwezen. Voor een inclusieplafond geldt hetzelfde. Als het maximum aantal patiënten is geïncludeerd in het programma, moet de patiënt eigenlijk naar een andere zorgaanbieder worden doorverwezen. Maar in de huisartsenzorg is dat in verband met de inschrijving op naam niet mogelijk. En het aanbieden van ‘ongecontracteerde ketenzorg’ is ook niet wenselijk, want dan moet de huisarts aan alle eisen van de NZa-beleidsregel voldoen, terwijl daar over het algemeen een lager tarief tegenover staat.

Soms wordt een zorg- of inclusieplafond voorzien van de bepaling dat wanneer de geleverde zorg of het aantal inclusies het plafond overstijgt, de kosten daarvan niet in rekening kunnen worden gebracht bij de zorgverzekeraar. De kosten van toch geleverde zorg komen dan geheel ten laste van de zorgaanbieder. Ziekenhuizen en wijkverpleging hebben daarbovenop soms bedingen in het contract waarbij een doorleverplicht geldt. Je mag dan niets anders dan zorg leveren ten laste van de eigen middelen.

Bezwaren

Aan het hanteren van dit soort plafonds lijken wezenlijke bezwaren te kleven. Welke patiënt zit er immers op te wachten om voor een behandeling naar een andere zorgaanbieder dan die van zijn of haar eerste keuze te worden doorverwezen als zijn huidige zorgaanbieder boven een overeengekomen plafond uitkomt? De geneeskundige behandelingsovereenkomst verplicht de hulpverlener om de patiënt de benodigde zorg in overeenstemming met de professionele standaard te verstrekken. Afwijken kan in principe niet, ook niet als er een zorgplafond geldt.

Wettelijke speelruimte

Plafonds worden overeengekomen tijdens contractonderhandelingen. En die worden in de basis beheerst door het gewone burgerlijk recht. Wij kennen in het burgerlijk recht contracteervrijheid; als een zorgverzekeraar zijn zorg met een plafond wil contracteren, dan staat in de basis niets dat in de weg. Maar het is aan de zorgaanbieder om dit zonder meer te accepteren of niet.

Auteur: Nicole Kien, advocaat bij LS&H Lawyers

Download het volledige artikel hier:

Diabeteszorg zonder protocol

In het project Protocol Los lieten vijf huisartspraktijken de protocollen voor diabetes varen om – binnen de marges van de NHG-richtlijnen – gericht aandacht te kunnen geven aan zelfmanagement voor de patiënt. Een proces dat tijd kost, maar het begint wel zijn vruchten af te werpen.

“In 2007 is ELZHA als zorggroep ontstaan met geprotocolleerde ketenzorg voor diabetes type 2. Vervolgens zijn ook andere ketenzorgprogramma’s opgezet”, zegt gezondheidswetenschapper en coördinerend stafverpleegkundige Karin Busch. Werken volgens protocollen bleek prettig omdat het helpt om een gestructureerd diabetesspreekuur te organiseren. “De patiënt is beter in beeld en zorginhoudelijk is het beter op orde”, zegt Busch. “Maar op een gegeven moment hoorden we: ‘Ik moet alles volgens protocol doen’. Het werd van een leidraad een verplichting.”

Opmaat naar zelfmanagement

Ondertussen begon binnen ELZHA meer aandacht te ontstaan voor zelfmanagement voor de diverse patiëntpopulaties waarmee de aangesloten praktijken te maken hadden. Samen met andere zorggroepen nam ELZHA plaats in de Landelijke Werkplaats Zelfmanagement van Vilans. Busch: “We zaten aan tafel met alle betrokken partijen, inclusief de patiënten, om te praten over wat zelfmanagement bij diabetes nu precies is. De zorgaanbieders wilden hiervoor inhoudelijk in gesprek kunnen met de patiënt, maar ja: dat protocol. Je móet eerst de bloeddruk meten en dan is er al amper tijd meer voor een gesprek. Dat gaf irritatie.”

De literatuur bood aanwijzingen voor de waarde van zelfmanagement en ook de zorgverzekeraars waren geïnteresseerd. “Maar als ELZHA zien we geen patiënten”, zegt psycholoog Sytske van Bruggen, beleidsmedewerker onderzoek. “Hoe geven we het creëren van ruimte voor het inhoudelijke gesprek met de patiënt dan vorm? Daarom is binnen ELZHA op een beleidsdag de knoop doorgehakt en gezegd: laten we het gewoon gaan doen in een aantal praktijken. In zo’n grote zorggroep als ELZHA bestaat de ruimte om een aantal praktijken uit de luwte te houden om te experimenteren.”

Protocolloos

Het project Protocol Los was geboren. Vijf praktijken, die de organisatie van hun zorg goed op orde hadden, mochten het ketenzorgprotocol loslaten en een zelfmanagementinterventie naar keuze implementeren – waarbij de NHG-richtlijnen voor diabeteszorg overigens wel werden aangehouden. Aangezien Van Bruggen ook werkzaam is bij de afdeling Public health en huisartsgeneeskunde van het LUMC, werd zij betrokken om als onderdeel van haar promotieonderzoek de wetenschappelijke uitkomsten van het project in kaart te brengen.

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Project Patient Empowerment verbetert gesprek met COPD-patiënt

Longfonds, Zilveren Kruis en AstraZeneca hebben recent een implementatieonderzoek Patient Empowerment voor COPD-patiënten afgerond. Dat betrof de invoering van handvatten en hulpmiddelen om te motiveren meer te bewegen en sneller te reageren op klachten om zo longaanvallen te voorkomen. Conclusie: de communicatie is opener en het aantal longaanvallen neemt af.

Het is een unieke samenwerking. Al vanaf 2010 zetten een patiëntenvereniging (het Longfonds), een zorgverzekeraar (Zilveren Kruis) en een farmaceut (AstraZeneca) zich in voor een betere kwaliteit van leven bij COPD-patiënten. Daarin speelt ‘Patient Empowerment’ een cruciale rol. In 2014 is een pilotproject Patient Empowerment (PE) succesvol afgerond. Er zijn voorlichtingsmaterialen en programma’s voor patiënten en zorgverleners ontwikkeld. Het vervolgtraject, de implementatie daarvan bij vijf zorggroepen, is geëvalueerd door onderzoeksbureau Rescon. Hun rapport ‘Patient Empowerment, Onderzoek naar zelfmanagement van COPD patiënten’ verscheen eind vorig jaar. Een van de meest opvallende resultaten: PE heeft geen significant effect op kwaliteit van leven, de ernst van de beperking in het dagelijks leven en ervaren zelfmanagement. Toch werpt de nieuwe aanpak zijn vruchten af. Zo bieden de middelen hulp bij een opener communicatie tussen zorgverlener en patiënt. En heel concreet: door een beter besef neemt het aantal exacerbaties en prednisonkuren af.

Materialen

De voorlichting voor patiënten bestaat uit duidelijke folders, filmpjes op longfonds.nl, een formulier gespreksvoorbereiding en een longaanval-actieplan. Er zijn stappentellers ingezet. Voor zorgprofessionals was er scholing in motivational interviewing, de mogelijkheid tot coaching on the job en gaandeweg de implementatie is er een placemat ontwikkeld voor het bespreken van bewegen bij COPD.

Oprecht geïnteresseerd

Het onderzoek vond onder meer plaats bij Huisartsengroep Drenthe (HZD). Jeanet Scheper werkt daar als POH in drie praktijken. Zij is zeer te spreken over de hulpmiddelen. “Een voorbeeld: een van mijn patiënten is een oud baasje. Hij vertelde mij dat hij op de site van het Longfonds had gekeken en van tevoren goed had bedacht wat hij mij wilde vragen. En ja, dan merk je: met een goede voorbereiding kom je sneller over persoonlijke doelen te spreken.” Het longaanval-actieplan met de codes maakt duidelijk waar de patiënt staat en inzichtelijk wat beter kan, zegt Bert van Bremen. Hij is kaderhuisarts astma/COPD i.o. bij HZD. “Daarna ga je in gesprek over de stappen om het beter te maken. Zo kun je samen iemands kracht versterken en dat is uiteindelijk toch waar het bij PE om draait!”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier: