Berichten

Vilans: Spoed in de ouderenketen

Mevrouw Pieterse komt na een glijpartij met een gebroken heup op de spoedeisende hulp (SEH) terecht, na de operatie maakt zij tijdelijk gebruik van het eerstelijnsverblijf (ELV). Na enkele weken komt zij thuis, maar vanwege een delier volgt opnieuw een ziekenhuisopname. Dat duurt langer dan gedacht en er komt een indicatie voor de Wet langdurige zorg (Wlz). Eenmaal opgenomen in het verpleeghuis sterft mevrouw binnen een maand.

Het liefst blijven we ons hele leven fit en gezond. Helaas ontstaan er met het toenemen van de jaren ongemakken. Door vergrijzing, hoge zorgkosten en krapte op de arbeidsmarkt wordt de druk om tot nieuwe concepten te komen groter. Bij spoedsituaties rond kwetsbare ouderen is er nog meer urgentie voor verandering. Door een toename van kwetsbare ouderen bij de huisartsenpost (HAP) en de spoedeisende hulp (SEH) neemt de druk toe, terwijl niet altijd sprake is van medische urgentie. Het ontbreekt vaak aan de juiste ouderenexpertise bij de huisarts, HAP en SEH.

Wat we beogen

Om de spoed in de ouderenketen te verbeteren, is een grote veranderingsbereidheid van alle professionals nodig om preventief, proactief en samen dichterbij de patiënt en naasten te werken. Ons inziens zou de zorg en ondersteuning van kwetsbare ouderen gericht moeten zijn op:

–          minder verplaatsingen van ouderen in spoedsituaties met aandacht voor eigen wensen en behoeften gericht op kwaliteit van leven;

–          beter informeren van ouderen en naasten over wat er mogelijk is aan ondersteuning en zorg, zodat zij samen met professionals goed geïnformeerde besluiten kunnen nemen over wat wenselijk is;

–          meer ondersteuning in het voortraject, waardoor men een crisis aan kan zien komen en kan voorkomen;

–          het benutten van ouderenexpertise in de thuissituatie en op de SEH door inzet van specialist ouderengeneeskunde, verpleegkundig specialist thuis en geriater op de SEH.

Model

Het model Spoed in de ouderenketen (in ontwikkeling) onderscheidt negen stappen in de patient journey, waarbij de ondersteuning en zorg oploopt. Het model ondersteunt de gedachte waar ons inziens de zorg en ondersteuning op gericht moet zijn: de shift naar preventie en proactieve zorg en ondersteuning als onderdeel van integrale dienstverlening voor persoonsgerichte ouderenzorg. Per stap identificeren we werkende principes die gebaseerd zijn op voorbeelden uit de literatuur en interviews met professionals en experts in de spoed- en ouderenzorg.

Op de hoogte blijven?

Komende tijd vindt er volop ontwikkeling plaats op dit thema. Vilans ziet het als haar taak om hierin samen met partners het goede te doen. Op de hoogte blijven of input leveren? Kijk op www.vilans.nl.

Auteurs: Monique Spierenburg, Barbara de Groen, Annemarie Koopman, Lieke Lovink, Sandra Dahmen (Vilans)

Download het volledige artikel hier:

Resultaten van vijf jaar experimenteren met populatiegerichte bekostiging

Het ophalen en verspreiden van kennis over de negen proeftuinregio’s voor Triple Aim. Daarvoor heeft kenniscentrum voor langdurende zorg Vilans zich de afgelopen jaren ingespannen, samen met partners RIVM, Jan van Es instituut en Optimedis Nederland. Stannie Driessen en Stephan Hermsen van Vilans kijken terug.

Voormalig minister Edith Schippers van VWS benoemde in 2013 negen regio’s tot proeftuinen voor de implementatie van Triple Aim in de praktijk. Onder de noemer ‘Betere zorg met minder kosten’ werken regionale samenwerkingsverbanden van aanbieders van zorg en welzijn, gemeenten, zorgverzekeraars, patiëntvertegenwoordiging en andere partners aan populatiemanagement.

Kennisproducten

Directeur Advies en Implementatie Stannie Driessen: “Wij werkten van januari 2014 tot en met december 2017 samen met het RIVM, het Jan van Es instituut en Optimedis Nederland aan de kennisuitwisseling rond dit project en andere initiatieven voor populatiemanagement. Daar deden ook veel regionale partijen aan mee. Dat deden we op gezamenlijke congressen en op het kennisplatform Triple Aim. We leverden ook verschillende kennisproducten op. Tijdens een congres hebben we met onze partners en deelnemers uit het veld zes principes om Triple Aim-doelen in Nederland te realiseren geformuleerd. En de Triple Aim-scan is ontwikkeld. Een hulpmiddel dat snel inzicht geeft in de manier van werken aan populatiegerichte bekostiging.”

Uitdagingen

De afgelopen vijf jaar hebben de negen proeftuinen met forse uitdagingen te maken gehad. De rol van de verzekeraars was cruciaal. Zij moesten zorgaanbieders de ruimte geven om anders te kunnen handelen binnen de proeftuinen. “Het frustrerende in een aantal gevallen was dat er ondanks alle goede voornemens toch aan de oude, ‘p maal q’ manier van vergoeden werd vastgehouden”, zegt senior adviseur Persoonsgerichte Zorg Stephan Hermsen. “En aan het inzetten van interventies vanuit één domein. Dit terwijl we weten dat bij bepaalde populaties betere kwaliteit en lagere kosten bereikt kunnen worden zodra je investeert in andere domeinen.” De problemen waarmee de proeftuinen, leertuinen en regioprojecten worstelden, waren voor een deel vergelijkbaar. “Dat zijn de historisch gegroeide hiërarchische verhoudingen van de partijen in de regio, de bekostiging van een nieuw portfolio, de cultuurkloven tussen partijen, de focusverschillen, de bestuurlijke drukte, verandermoeheid bij zorgprofessionals en ICT-perikelen.”

Successen

Ook de successen met Triple Aim lijken op elkaar, stelt Hermsen. “Waar influencers elkaar vinden, vertrouwen wordt opgebouwd, de externe druk van bijvoorbeeld krimp of wederzijdse afhankelijkheid groot is en financiers bereid zijn om te investeren zonder vooraf een sluitende business case te eisen, worden stappen gezet.”

Auteur: Wouter van den Elsen

Download het volledige artikel hier:

Vilans: Met patiënten werken aan betere zorg

In de wijk Kersenboogerd in Hoorn wonen relatief veel laaggeletterden en mensen uit verschillende culturen. Daar kun je geen standaard aanpak op loslaten. De beste weg naar betere zorg is een persoonsgerichte aanpak, besloot het managementteam van het gelijknamige gezondheidscentrum halverwege 2015. Met ondersteuning van Vilans en ZONH werd een driejarig project opgetuigd, dat nu zijn vruchten begint af te werpen.

De basis voor het project in Hoorn is het ‘Huis van Persoonsgerichte Zorg’. Een model dat kenniscentrum Vilans ontwikkelde om persoonsgerichte zorg voor mensen met chronische ziekten systematisch op te zetten. De essentie ervan is dat je met meer aspecten tegelijk aan de slag moet om persoonsgerichte zorg tot een succes te maken. “Je moet patiënten helpen om meer regie te nemen en professionals helpen om het in te passen in de dagelijkse drukte. Tegelijkertijd moet je de organisatie zo inrichten dat de nieuwe werkwijze wordt gefaciliteerd”, vat Joris Arts, bestuurder van het gezondheidscentrum, samen. Er zijn inmiddels twee jaar verstreken en mede dankzij een subsidie van zorgverzekeraar VGZ en de inzet van Paulien Vermunt van Vilans en Will Molenaar van ZONH is er veel bereikt.

Eerste stappen

“In 2015 zijn eerst de ervaringen en belangrijke thema’s voor verandering opgehaald bij alle betrokkenen: zorgverleners, managers, patiënten en mantelzorgers. In de tweede fase zijn we gaan kijken welke overstijgende thema’s we daaruit konden halen”, vertelt Paulien Vermunt. “Die zijn tegen de pijlers van het Huis van Persoonsgerichte Zorg gelegd en op basis daarvan zijn werkgroepen ingericht.”

Een van de werkgroepen ging aan de slag met het thema ‘naar één digitaal portaal’. Arts: “We hebben met behulp van het Vilans-project ‘Ken je klant’ in kaart gebracht wat de wensen zijn. Daarbij is met patiënten van verschillende leeftijden gesproken. Zowel zorgverleners als patiënten vonden het belangrijk dat relevante informatie makkelijk en veilig kan worden gedeeld tussen alle betrokkenen. De conclusie was dat we naar één systeem moeten waar alle zorgverleners en de patiënt makkelijk op kunnen inloggen. Een afvaardiging van patiënten en zorgverleners heeft inmiddels een platform gekozen waarmee we op kleine schaal gaan experimenteren.”

Kritisch durven kijken

De belangrijkste winst van het project tot dusver is volgens Vermunt dat professionals kritisch durven kijken naar hun eigen werkproces. “Het enthousiasme waarmee iedereen aan de slag ging met de vraag wat anders kan en hoe, was opvallend. Er is nog veel te doen, maar de wil om te veranderen is er.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Leren van de eerstelijnszorg in Nieuw-Zeeland

Hoe is de eerstelijnszorg geregeld in een ander land? Wat kunnen wij daarvan leren? Dat vroeg Corine van Maar zich af. Zij werkt als expert en senior adviseur kwetsbare ouderen en dementie bij Vilans en ging in 2013 vier maanden naar Nieuw-Zeeland om het antwoord op deze vragen te vinden. Ze interviewde mensen in verschillende praktijken en deelt haar ervaringen.

“Mijn echtgenoot en ik wilden graag voor langere tijd naar het buitenland. Ik wilde daar onderzoek doen. Onze eis was dat het een Engelstalig land moest zijn. Uiteindelijk besloten we naar Nieuw-Zeeland te gaan, met onze kinderen.” Het gezin reist eerst drie weken door het prachtige land. Daarna vestigen zij zich in Paraparaumu op het Noordereiland, waar de kinderen naar de middelbare school gaan. En Van Maar gaat aan de slag. “We maakten ruim drie maanden lang echt deel uit van de gemeenschap.”

Sneeuwbaleffect

Voor zij naar Nieuw-Zeeland vertrok, had Van Maar vanuit Nederland contact met een onderzoeker in Nieuw-Zeeland. “Ik gaf aan dat ik wilde onderzoeken hoe de eerstelijnszorg in Nieuw-Zeeland is georganiseerd. Ik heb gezocht naar voorbeelden waar wij wat van kunnen leren.” Eenmaal in Nieuw-Zeeland kwam Van Maar al snel in contact met beleidsmensen, huisartsen, verpleegkundigen en financiers. Van hen kreeg ze vijf namen van ‘best practice’ praktijken. Van Maar interviewde in totaal 25 mensen. Zij baseerde haar onderzoek op het Regenboogmodel voor geïntegreerde zorg van Pim Valentijn.

Huisartsenpraktijk in Nieuw-Zeeland

In Nieuw-Zeeland is veel vraag naar huisartsen, vooral voor praktijken op het platteland. “De huisartsenzorg lijkt in grote lijnen op die van Nederland”, vertelt Van Maar. “Maar er zijn ook verschillen. De huisartsen leggen bijvoorbeeld zelden visites af, omdat dat te veel tijd kost.” Het viel Van Maar op dat de huisartsenpraktijken goed georganiseerd zijn. “De teams zijn opvallend groot en bestaan uit huisartsen, verpleegkundigen, administratief medewerkers, nurse- en office-managers. Er is veel taakdelegatie en taakdifferentiatie. Er zijn verpleegkundigen voor de telefoon (triage), voor acute zorg (zien als eerste de patiënt), voor categorale zorg (astma, diabetes), voorlichting (smokers to quit) en voor wond- en botbreukbehandeling. Verpleegkundigen pakken vervolgacties op, dat ontlast de huisarts enorm. Een groot team administratief medewerkers, meestal zonder medische achtergrond, maakt alle afspraken, zorgt voor managementinformatie en facturering en heeft contact met de financier.

Auteur: Ria Monster

Download het volledige artikel hier:

Vilans: tijd voor de toekomst van de wijkverpleegkundige

“Waarom is er nooit iets voor ons?“, vroeg een oudere man met een rollator aan de wijkverpleegkundige in Amsterdam. Hij woont drie hoog en komt weinig buiten. Dat komt doordat er iemand met hem mee de trap af moet om vallen te voorkomen. De wijkverpleegkundige pakt zijn vraag op en organiseert met Sport en Welzijn, leerlingen van de hogeschool in de buurt en het verpleeghuis in haar wijk een ‘rollator-loop’. Een groot feest met muziek, waar ouderen met een rollator een bepaalde afstand kunnen lopen. Als beloning krijgen ze een medaille. De wijkverpleegkundige die hiermee startte, kon niet vermoeden dat haar initiatief overal in het land navolging zou krijgen en zelfs zou uitgroeien tot een landelijk evenement in het Olympisch Stadion.

Een simpel maar heel mooi voorbeeld van de nieuwe invulling van de rol van de wijkverpleegkundige. Door haar initiatief ontstaat letterlijk beweging. Door oefengroepjes krijgen mensen contact waardoor eenzaamheid vermindert. Gezondheid verbetert door bewegen en zingeving leidt tot nieuw perspectief. Tegelijkertijd ontstaat er op een laagdrempelige en zinvolle manier samenwerking in de wijk.

De wijkverpleegkundige is de spil in de wijk als het gaat om het verbinden van zorg, wonen en welzijn. De wijkverpleegkundige van nu en van de toekomst zet niet alleen in op de curatieve zorg, maar richt zich breed op de preventie van ziekte en de bevordering van gezondheid. We zien in de wijkverpleging nu nog veel wijkverpleegkundigen die vooral gericht zijn op het individuele zorgcontact met één cliënt en zijn directe omgeving. In dit artikel verkennen we welke thema’s voor de toekomstige ontwikkeling van de wijkverpleging van belang zijn.

Op grond van een inventarisatie onder experts en wijkverpleegkundigen lijken voor de wijkverpleegkundige drie speerpunten van belang voor verdere ontwikkeling:

  1. preventief werken,
  2. wijkgericht werken,
  3. en het versterken van de regie van de cliënt.

In het artikel worden deze speerpunten verder uitgewerkt.

Voorbeelden gezocht!

Veel mensen denken mee over de invulling en ontwikkeling van het vak van wijkverpleegkundige. Te vaak ontbreekt daarbij de inbreng van wijkverpleegkundigen zelf. Zij kunnen en moeten zelf aangeven wat zij signaleren en wat zij nodig hebben om ook dit deel van hun vak verder te ontwikkelen. Vilans wil hen steunen om deze uitdaging op te pakken en zoekt goede voorbeelden en rolmodellen, zodat elke wijkverpleegkundige binnenkort klaar is voor de toekomst.

Auteurs: Jannie Mast/Elsbeth Zielman/Huub Sibbing

Download het volledige artikel hier:

Transmurale ouderenzorg slaat brug tussen disciplines

Transmurale ouderenzorg stroomlijnt de overgang van zorg thuis naar het ziekenhuis en weer terug naar huis. Dit kan de situatie van ouderen in een kwetsbare positie, aanzienlijk verbeteren. Corine van Maar is expert en senior adviseur kwetsbare ouderen en dementie bij Vilans. Zij is trekker van de leergemeenschap Transmurale Zorg van BeterOud en is projectleider Transmurale ouderenzorg in Zeeland. “Het hogere doel is samen met de oudere zijn of haar leven weer op de rit te krijgen.”

“Uit onderzoek blijkt dat de functionaliteit van ouderen in een kwetsbare positie vaak slechter is na een verblijf in een ziekenhuis dan ervoor”, begint Van Maar. “Dikwijls speelt er meer dan datgene waarvoor de oudere in het ziekenhuis belandt.”
De overgang tussen de eerste en de tweede lijn beter organiseren, staat bij Transmurale ouderenzorg centraal. BeterOud organiseert drie keer per jaar de leergemeenschap Transmurale Zorg waar professionals van elkaar leren. Van Maar is dagvoorzitter. Het Nationaal Programma Ouderenzorg project ‘De Transmurale Zorgbrug’ vormt de basis voor deze leergemeenschap. Deze slaat letterlijk een brug door disciplines uit de eerste en de tweede lijn te verbinden.

Transmurale Zorgbrug

“Aan beide kanten loopt de informatieoverdracht niet altijd goed. Zo maakt het ziekenhuis nog te weinig gebruik van informatie die de huisarts over de kwetsbare oudere vaak al heeft. En is de overdracht vanuit het ziekenhuis naar huis of naar bijvoorbeeld een verpleeghuis, vaak niet optimaal”, stelt Van Maar. “Een voorbeeld waarbij dat speelt is medicatie. De oudere krijgt in het ziekenhuis vaak andere medicatie of medicatie onder een andere merknaam. Als hij weer thuis is, weet hij niet wat hij moet innemen.”
De zorgbrug start met screening in het ziekenhuis. Als de oudere kwetsbaar blijkt, volgt een uitgebreid geriatrisch onderzoek en wordt samen met de oudere een zorgbehandelplan opgesteld. En er is veel aandacht voor communicatie. Als de oudere naar huis gaat is er een persoonlijke overdracht, waarbij de wijkverpleeg­kundige contact heeft met de transferverpleegkundige. Als de oudere thuis is, krijgt hij binnen 48 uur bezoek van de wijkverpleegkundige, die samen met de oudere en mantelzorger doelen en acties formuleert. De wijkverpleegkundige houdt de oudere een half jaar in de gaten.

Van Maar adviseert partijen die met transmurale ouderenzorg aan de slag gaan. “Ga vooral met de mensen van de werkvloer om de tafel. Zij moeten ermee werken. Stel haalbare doelen en vier mijlpalen.”

Auteur: Ria Monster, Vilans

Download het volledige artikel hier:

Vilans: hoe meet je persoonsgerichte zorg?

Bij persoonsgerichte zorg staat de persoon centraal en niet de ziekte. De benadering wordt zowel in Nederland als internationaal breed gedragen. Bij een persoonsgerichte benadering in de zorgpraktijk gaat het om de vraag wat nodig is voor een cliënt om het leven te kunnen leiden zoals hij of zij dat wenst. Individuele verschillen tussen mensen kunnen bij vergelijkbare problematiek zo toch leiden tot een verschillende aanpak. Maar hoe meet je of zorg inderdaad persoonsgericht is? En zijn er verschillen tussen bijvoorbeeld intramurale zorg en de eerste lijn?

Om persoonsgerichte zorg goed en bewust toe te kunnen passen in de praktijk en waar nodig bij te sturen en te verbeteren, is het belangrijk om persoonsgerichte zorg te kunnen meten. In samenwerking met het Louis Bolk Instituut ontwikkelt Vilans daarom een monitor die dit mogelijk maakt. Met de monitor wordt inzichtelijk gemaakt hoe persoonsgerichte zorg in praktijk wordt gebracht en wat daarvan de effecten zijn. Het ontwikkelen van deze monitor is onderdeel van het grotere project ‘Proeftuinen persoonsgerichte zorg’. Hierin werkt Vilans gedurende twee jaar samen met vier verschillende zorgaanbieders uit zowel de eerste lijn als de intramurale ouderen- en gehandicaptenzorg. In deze zorgpraktijken wordt gewerkt aan ontwikkeling en versterking van persoonsgerichte zorg en ondersteuning. De ambitie is om een generieke monitor te ontwikkelen die persoonsgerichte zorg meet in diverse zorgpraktijken: in de eerste lijn, de intramurale ouderenzorg en de intramurale gehandicaptenzorg. 

Verkenning van bestaande kennis en meetinstrumenten

Bij de ontwikkeling van de monitor startte Vilans met de raadpleging van eerder opgedane kennis. Ten eerste door middel van een systematische literatuurstudie naar hoe anderen persoonsgerichte zorg meten. Hierbij werd gezocht naar bestaande indicatoren en meetinstrumenten om uitkomsten en effecten van persoonsgerichte zorg te meten. De onderzoekers vonden veel indicatoren en meetinstrumenten met betrekking tot aspecten van kwaliteit van leven, fysieke en mentale gezondheid en bedrijfsvoering van de zorgorganisatie.

Een expertgroep, bestaande uit wetenschappers, een vertegenwoordiger van een zorgverzekeraar, praktijkdeskundigen en zorgprofessionals uit de vier proeftuinen, heeft de uitkomsten uit de literatuurstudie besproken, bediscussieerd en in relatie gebracht met de vraag: hoe meet je persoonsgerichte zorg? Download het volledige artikel voor het lezen van de bevindingen. 

Auteur: Nick Zonneveld, Jeanny Engels, Marjolein Herps & Inge Boers

Download het volledige artikel hier:

Professionaliseren van palliatieve zorg in de thuissituatie

In Rotterdam zijn 16 groepen actief die zich bezig houden met palliatieve thuiszorg (PaTz). Wat bepaalt het succes van zo’n groep? Die vraag was de aanleiding voor het project Samen bouwen aan vertrouwen. Team Lokaal Organiseren van Vilans en Leerhuizen Palliatieve Zorg voeren het project uit in opdracht van het Netwerk Palliatieve Zorg Rotterdam e.o.. Mede dankzij subsidies voor twee jaar van ZonMw en KWF startte het project begin 2015. De stand van zaken tot nu toe.

Het doel van het project is PaTz in Rotterdam verder te professionaliseren. PaTz is een methodiek om de kwaliteit, samenwerking en overdracht rond de palliatieve zorg thuis te verbeteren. Huisartsen, (wijk)verpleegkundigen en consulenten (artsen en verpleegkundigen die door opleiding en praktijkervaring gespecialiseerd zijn in palliatieve zorg) komen regelmatig bij elkaar om cliënten in de palliatieve fase te bespreken. Samen stellen ze een plan op waarbij de wensen van de patiënt en zijn omgeving centraal staan.

Nulmeting

Het project Samen bouwen aan vertrouwen startte met interviews over de samenwerking in de PaTz-groepen. Dat leverde een schat aan informatie op. Om het vertrouwen en contact in de samenwerking binnen en buiten de palliatieve thuiszorgteams in kaart te brengen, ontvingen alle 234 leden van de (toen nog) 13 PaTz-groepen een vragenlijst; de nulmeting. De respondenten noemden drie onderdelen die bijdragen aan de verbetering van de PaTz-werkwijze: leren van elkaar, betere en meer samenwerking tussen de disciplines, en kortere lijnen.

Instrumenten en interventies

Met de gegevens uit de interviews en de nulmeting was het mogelijk instrumenten en interventies voor te stellen om de samenwerking binnen de PaTz-groepen te optimaliseren. Voorbeelden van inhoudelijke interventies zijn: gezamenlijk huisbezoek, Utrecht Symptoom Dagboek-Rotterdam (USD-R), After Death Analysis (ADA) en verbreding van de PaTz. Andere interventies moeten het proces ondersteunen, zoals: werken met de PaTz Portal, effectief inbrengen van een casus in een PaTz-bijeenkomst, moeilijke onderwerpen bespreekbaar maken en zelfevaluatie.

Download het volledige artikel hier:

Vilans

Vilans: Laat mensen niet tussen wal en schip vallen

Er zijn mensen die ondersteuning nodig hebben maar door de transitie tussen wal en schip dreigen te vallen. Dat wordt bevestigd in een peiling van Vilans. Het gaat om mensen waarvan je aan de buitenkant niet ziet dat ze een beperking hebben, zoals mensen met autisme of een psychische stoornis. Vilans roept iedereen in de eerste lijn op om alert te blijven op signalen van deze mensen en mee te denken: hoe zorgen we dat zij in beeld blijven?

Vilans hield de peiling onder zeventien professionals en ervaringsdeskundigen met specialistische kennis uit praktijk, beleid en management. Zij geven aan dat ze niet weten om hoeveel mensen het gaat, maar het betreft in ieder geval vijf groepen cliënten: met een zintuiglijke beperking, met een verstandelijke beperking en gedragsproblematiek, met autisme, met een niet-aangeboren hersenletsel en met een ernstige psychiatrische stoornis. Deze vijf groepen hebben gemeen dat je aan de buitenkant meestal niet ziet dat ze een kwetsbaarheid hebben. Ze functioneren vaak prima tot er een levensgebeurtenis plaatsvindt: ze krijgen kinderen of er overlijdt iemand in hun directe omgeving.

Uit de peiling van Vilans blijkt dat de uitgangspunten van de transitie gezien worden als een goede ontwikkeling, er liggen kansen. In de praktijk spelen echter knelpunten waardoor deze groepen in het nauw komen. Het gaat immers om mensen die steun krijgen vanuit diverse wetten vanwege hun complexe ondersteuningsvraag. Door de scheiding van de wetten gaat het te vaak over onder welke wet iemand valt en te weinig over wat iemand nodig heeft. Gemeenten lijken niet voldoende expertise in huis te hebben om de ondersteuningsvraag goed in beeld te krijgen en kennen de professionals met specialistische kennis van deze doelgroepen nog onvoldoende. In de situaties waarin het wijkteam en specialisten al wel samenwerken, zijn de professionals uit de praktijk positief.

Wees alert

De zeventien professionals waar Vilans mee sprak, komen met mogelijke oplossingen om te voorkomen dat deze mensen tussen wal en schip vallen. Hun belangrijkste advies voor wie werkt in de eerste lijn: wees bewust van deze groepen cliënten, juist omdat je aan de buitenkant niet ziet dat ze ondersteuning nodig hebben.

Download het volledige artikel hier:

De juiste professional op het juiste moment

Een sociaal wijkteam is breed samengesteld en biedt vooral generalistische kennis. Meestal kan met de aanwezige expertise de zorgvraag goed worden verkend. Soms is er meer nodig; het kunnen inschakelen van een casemanager dementie bijvoorbeeld of een expert niet-aangeboren-hersenletsel helpt de generalist de vraag effectiever en efficiënter op te pakken. Maar hoe gaat dat in de praktijk? Welke samenwerkingsvormen zijn er? Wat is de relatie met de huisarts? Wat zijn de ervaringen hierin?

Sinds de introductie van de sociale wijkteams in januari 2014, is in 85% van de Nederlandse gemeenten gekozen voor het sociaal wijkteam als toegang tot zorg en ondersteuning. De wijkteams zijn multidisciplinair en vertegenwoordigen diverse kennisgebieden.

Het sociaal wijkteam krijgt te maken met verschillende vragen en problemen. In de meeste gevallen weet het team daar raad mee. Het komt echter ook voor dat het wijkteam niet precies weet wat er aan de hand is en wat de beste ondersteuning voor een inwoner is. Op wie kan het wijkteam terugvallen? Vilans heeft drie samenwerkingsvormen verkend en getoetst aan de praktijk, zodat de juiste professional op het juiste moment wordt ingezet:

  1. Het sociaal wijkteam werkt samen met een expertiseteam

Een expertiseteam bestaat uit een vaste groep professionals met ieder eigen specialistische vakkennis. Dit team komt bij elkaar (niet per se fysiek) om casuïstiek te bespreken en kennis over te dragen. In ruim 11% van de gemeenten is een vorm van een expertiseteam ingevoerd (VNG Monitor, dec 2015).

  1. Het sociaal wijkteam werkt samen met een expertisenetwerk

Een expertisenetwerk of een expertisepool is een breed netwerk van verschillende deskundigen waar een wijkteam een beroep op kan doen. Een netwerk heeft geen vaste overlegmomenten, leden zoeken elkaar op indien nodig. Dit model komt in de praktijk het meest voor (68%), (VNG Monitor, dec 2015).

  1. De triagemedewerker als schakel

Een triagemedewerker zorgt voor de verbinding tussen het sociaal wijkteam en expertiseteam of -netwerk. In een klein deel van de Nederlandse gemeenten of regio’s (6%) treedt een triagemedewerker op.

Download het volledige artikel hier: