Berichten

Brancheverenigingen toetsen scenario’s voor toekomstbestendige ANW-zorg

Hoe kan de werkdruk op de huisartsenpost worden verminderd? InEen, LHV en VPhuisartsen zetten veelbelovende pilots op. Voorbeelden zijn strengere triage op de post, digitale zelftriage door patiënten en één loket voor basis-spoedeisende zorg.

Een toename, ook van patiënten met een complexe zorgvraag. Huisartsen zijn er in de afgelopen jaren mee geconfronteerd, zowel in hun eigen praktijk overdag als op de huisartsenpost (HAP) in de avond, nacht en weekenden (ANW). Zózeer zelfs, dat menigeen zegt dat het water hem aan de lippen staat. Leden van InEen, LHV en VPhuisartsen vroegen hun organisaties daarom vorig jaar de handschoen op te pakken en gezamenlijk op te trekken bij vermindering en ombuiging van de patiëntenstroom.

Erkenning problematiek

De hieruit voortgekomen gezamenlijke projectgroep ‘Werkdruk in de ANW’ volgt drie sporen. Jeroen van der Noordaa is sinds een half jaar de coördinator van de projectgroep. Hij vertelt hierover: “Allereerst hebben we op bestuurlijk niveau contact gezocht met ketenpartners in de acute zorg. Die toenadering heeft geleid tot de erkenning dat niet alleen de SEH overloopt, maar ook de HAP. Iedereen realiseert zich dat het een gedeeld probleem is binnen de keten van de acute zorg, we moeten er sámen iets tegen doen. De volgende stap is dat we hierover concrete afspraken maken.”

Daarnaast vroegen de brancheverenigingen aan huisartsen in praktijken en op HAP’s naar maatregelen die zij hebben getroffen om een daling van de werkdruk te realiseren. De vele nuttige en inspirerende reacties zijn gebundeld in een online ‘gereedschapskist’ met praktijkvoorbeelden uit de ANW, die via de LHV-website te vinden is.

Systeemveranderingen

Tegelijkertijd houden de drie brancheverenigingen de toekomstbestendigheid van het klassieke model van de HAP in bestaande ANW-zorg tegen het licht. Zijn er interventies en systeemveranderingen in de keten denkbaar die de huisartsenzorg toekomstbestendiger maken? Tijdens een gezamenlijke ledenvergadering hebben de brancheverenigingen eind vorig jaar de notitie ‘Naar een toekomstbestendige ANW-zorg’ vastgesteld. Er zijn mogelijke toekomstscenario’s opgesteld. In de vorm van pilots wordt een aantal scenario’s getoetst in de praktijk. Van der Noordaa licht drie pilots toe die vóór de zomer van start moeten gaan: strengere triage op de post, digitale zelftriage door patiënten en één loket voor basis-spoedeisende zorg.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Hoe waarderen patiënten het chronische zorgprogramma?

SGE en zorggroep DOH hebben in 2016 een integraal klantervaringsonderzoek uitgevoerd onder chronische patiënten. Dat aspect wordt wel de missing link genoemd binnen Triple Aim.

Kwaliteit, kosten en klantervaringen zijn de pijlers onder Triple Aim. En hoewel het begrip niet meer weg te denken is in de Nederlandse gezondheidszorg, is een kritische beschouwing op zijn plaats.

Kwaliteit

De kwaliteit meten SGE en DOH al bijna tien jaar. Hoewel er soms wijzigingen zijn in de indicatoren, bestaat er over het algemeen een goed beeld van de kwaliteit van de zorgprogramma’s diabetes, COPD, astma en CVRM. De Eindhovense zorgorganisaties nemen ook deel aan de landelijke benchmark van InEen.

Kosten

Het onderdeel kosten is minder ver ontwikkeld. De zorggroepen hebben zicht op hun eigen kosten, maar niet op de integrale kosten van de verschillende patiëntgroepen.

Klantervaringen

Klantervaringen zullen met de voortschrijdende persoonsgerichte zorg wellicht de ultieme resultaatsparameter worden. Tot op heden wordt echter door weinig organisaties de klanttevredenheid binnen de huisartsen- en multidisciplinaire zorg, structureel gemeten.

In samenwerking met InEen, kennisinstituut IQ Healthcare (Radboudumc), Stichting Miletus en Qualizorg hebben SGE en DOH een nieuwe vragenlijst ontwikkeld, getest en onderzocht. Bij DOH zijn twee verschillende antwoordcategorieën getest, bij SGE het verschil tussen het laatste contact en de klanttevredenheid gedurende het gehele zorgprogramma. De meting is volledig digitaal uitgevoerd.

Resultaten

Uit het onderzoek blijkt dat de vragenlijst geschikt is voor toepassing in de praktijk. Bij zorggroep DOH heeft bijna 30 procent van de patiënten de vragenlijst ingevuld. De feedbackrapporten laten de ervaringen zien van de patiënten in de praktijken en per type zorgverlener. De net promotor score (NPS) toont de klantloyaliteit. Met een NPS van 20 over het totaal heeft DOH een prima score. In de resultaten wordt een verbeterpotentieel per praktijk weergegeven in vergelijking met de drie hoogst scorende praktijken.

Bij SGE was de respons 21 procent. De NPS over het laatste contact lag op niveau van het gezondheidscentrum tussen de 13 en de 36. De NPS over het gehele zorgprogramma lag op het niveau van het gezondheidscentrum tussen de -2 en 18. De resultaten worden teruggekoppeld naar de afzonderlijke gezondheidscentra.

Hoe verder?

Hoewel er nu naast inzicht in kwaliteit en (in mindere mate) kosten ook inzicht bestaat in de klantervaringen, is het hieraan verbinden van uitkomsten nog een brug te ver. Dat komt omdat de onderzoekspopulatie niet dezelfde is. Toch is het waardevol. Bij DOH zal in ieder geval in 2017 eenzelfde meting plaatsvinden om te kunnen vergelijken. Voor de toekomst wordt continue meting overwogen.

SGE heeft nog niet besloten over het vervolg, maar dat er kwaliteitswinst te behalen is met het meten van klantervaringen staat voor beide zorgorganisaties vast.

Auteurs: Jessica Werther (DOH) en Marian Gersen (SGE)

Download het volledige artikel hier:

Betere online GGZ-zorg met regionaal eHealth-platform

eHealth is een belangrijke pijler voor het betaalbaar en toegankelijk houden van de GGZ. Op dit moment is het vaak slechts een instrument wat binnen de verschillende domeinen per aanbieder afzonderlijk wordt gebruikt. Toch is eHealth bij uitstek een instrument dat over de gehele keten kan worden ingezet, waardoor écht kan worden samengewerkt. Rudolf Keijzer, algemeen directeur PRO Praktijksteun, is een van de kartrekkers van regionale eHealth-platformen.

In samenwerking met Minddistrict ontwikkelde Rudolf Keijzer ‘eHealth in de keten’: een eHealth-platform dat regionaal voordelen biedt voor zowel de cliënt als de zorgverlener. Het levert (financieel) schaalvoordeel op, terwijl er tegelijkertijd wordt ingezet op goed gebruik van eHealth, passend bij de zorgzwaarte. “Eén platform dat ervoor zorgt dat patiënten bij een doorverwijzing niet opnieuw hoeven te beginnen met een eHealth-module. Waar oefeningen onthouden worden, zodat de patiënt toegang en regie heeft over zijn of haar werk, modules, dagboeken en psycho-educatie. Ook nadat de formele zorgverlening is gestopt. En dat voor kwalitatief betere, betaalbare en efficiëntere zorg, waarbij ingezet wordt op duurzame zelfredzaamheid”, aldus Keijzer.

Ontstaan

De POH-GGZ maakt steeds meer gebruik van eHealth. Veel modules sluiten goed aan op de zorgzwaarte en klachten binnen de huisartsenzorg. In de generalistische basis GGZ en specialistische GGZ is om voor een bepaald percentage gebruik te maken van eHealth. Daardoor is het goed mogelijk dat bij een doorverwijzing van de patiënt, de volgende aanbieder in de keten ook met eHealth werkt. Soms zelfs met exact dezelfde module. “Zonder eHealth in de keten moet de patiënt na een verwijzing vaak opnieuw beginnen en wordt er een tweede keer betaald aan de eHealth-leverancier. Dat is onnodig inefficiënt”, zegt Keijzer. “Vanuit het Triple Aim principe zijn we gaan kijken of we dat beter kunnen inrichten. Hieruit is het plan voor het inrichten van regionale eHealth-platforms ontstaan, uiteindelijk met de wens om één platform te creëren waarop alle leveranciers hun eHealth-oplossingen kunnen aanbieden.”

Schaalvoordeel

Sinds 2016 kan Keijzer samen met Minddistrict alle eHealth-modules van de regio onderbrengen op één regionaal platform. Regio’s, voornamelijk gevormd rondom eerstelijnszorggroepen, kunnen dus door gezamenlijke inkoop hun eigen platform neerzetten tegen gereduceerde tarieven. Regio’s die al met een regionaal platform van Minddistrict werken, kunnen ook aanhaken. Omdat Praktijksteun dit op grote schaal ontwikkelt, profiteren de partners in de regio van schaalvoordeel.

Auteur: Inge de Wit (Praktijksteun)

Download het volledige artikel hier:

Virtuele overlegtafel: “écht samenwerken, niet stapelen van zorg”

Het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) brengt met een visiedocument over de ICT-ondersteuning van multidisciplinaire samenwerking in de eerstelijnszorg structuur in de wirwar aan toepassingen en oplossingen. Opsteller Khing Njoo, senior wetenschappelijk medewerker bij de sectie Automatisering/afdeling Implementatie van het NHG, distilleerde uit spontane initiatieven in het veld het model van een virtuele overlegtafel.

De virtuele overlegtafel heeft veel voordelen: het leidt tot échte samenwerking. Maar er zijn ook nog drempels te nemen om het model optimaal te laten functioneren. Die liggen op het vlak van techniek en geld, vertelt Khing Njoo. Haar belangrijkste boodschap is: denk na over wat je nodig hebt en maak afspraken en standaarden met elkaar. Zowel op koepelniveau als op regioniveau.

Het multidisciplinair overleg (MDO) in fysieke zin raakt achterhaald, stelt Njoo. Er is veel meer behoefte aan een digitale ontmoetingsplek, waar alle informatie rond één patiënt en alle informatie van samenwerkingspartners samenkomt. Njoo noemt dat de ‘virtuele overlegtafel’. Sinds 2004 houdt zij regionale initiatieven op dit gebied in de gaten. De uitwerking verschilt, maar iedereen is het wel eens over de kern. Met het visiedocument wil het NHG de strategische koers op dit gebied bekrachtigen.

Snel en actueel

‘Virtuele overlegtafel’ is een systeem naast het HIS (huisartsen), AIS (apothekers), FIS (fysiotherapeuten) en andere informatiesystemen, waarin ook andere relevante en actuele informatie bijeenkomt. Njoo: “Om die plek waar alles samenkomt geen brij te laten worden, is structuur nodig, één methode van samenwerken. Die gaat uit van de patiënt.” Het Individueel Zorgplan (IZP) is leidend. Er moet een zorgverlener worden aangewezen als casemanager. Die houdt het IZP bij op het samenwerkingsplatform en de rest heeft inzage en/of rechten om informatie toe te voegen en het zorgplan aan te passen. Naast het IZP komen er delen van de basisdossiers uit het HIS, AIS of FIS op de digitale tafel. En er is de mogelijkheid om onderling berichten te versturen, zodat zorgverleners snel kunnen reageren op veranderingen en vragen.”

Het voordeel van een virtuele overlegtafel is dat alle zorgverleners de informatie per patiënt in samenhang zien, benadrukt Njoo. En het belangrijkste: de gegevens zijn altijd relevant en actueel.

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Multidisciplinaire aanpak armoedebestrijding in Hoorn

Armoede maakt levens kapot. In de Hoornse wijk Kersenboogerd kiezen ze daarom voor een bijzondere manier van armoedebestrijding. Met het project Stand-by helpen buurtbewoners medebewoners met financiële problemen. Het leidt tot meer zelfredzaamheid en sociale participatie van bewoners, ook op langere termijn. En het bespaart de gemeente Hoorn veel geld.

Dertien procent van de 22.000 inwoners van de wijk Kersenboogerd in Hoorn leeft onder de armoedegrens. Daar moest iets aan gebeuren, vonden Joke Brouwer, oud-bestuurder van gezondheidscentrum Kersenboogerd, en Maria van Nuland, sociaal werker bij de Hoornse welzijnsorganisatie Stichting Netwerk.

In 2015 startten Stichting Netwerk, gezondheidscentrum Kersenboogerd en budgetcoach Jacqueline Raven het project Stand-by, een bijzondere manier van armoedebestrijding in Kersenboogerd. Bewoners die in armoede leven, krijgen een buurtbewoner als maatje om hen te helpen, maximaal voor een half jaar. Niet de zorgprofessional, maar de buurvrouw drie straten verderop helpt de alleenstaande moeder om haar financiën op de rails te krijgen.

Planmaatjes en buurmaatjes

Dat werkt, vertelt Brouwer. “Sommige van de deelnemers aan Stand-by zijn zorgmijders. Zorgprofessionals komen bij hen niet binnen, maar hun maatje wel.” Stand-by werkt met planmaatjes en buurmaatjes, vult Van Nuland aan. “De planmaatjes helpen deelnemers bij hun financiën en thuisadministratie. De buurmaatjes zijn er voor de sociale dingen.” De maatjes krijgen coaching van een team professionals. Van Nuland: “Alle maatjes krijgen een basistraining in communicatie. Hoe kun je het beste contact maken met de deelnemers? De planmaatjes krijgen daarnaast training van onze budgetcoach.”

Zelfredzaamheidsmonitor

Stand-by gaat nu het derde jaar in. Het eerste jaar werden tien gezinnen begeleid, het tweede en derde 25. Uit de zelfredzaamheidsmonitor van de gemeente Hoorn blijkt dat de zelfredzaamheid van deelnemers een jaar na afloop nog altijd groter is. De gemeente heeft een bijdrage voor vier jaar toegezegd en daarvan zijn er nog twee te gaan. Het maatjesproject bespaart ook geld. Brouwer: “Onze ondersteuning van de eerste 35 gezinnen heeft de gemeente en de woningbouwvereniging samen 40.000 euro opgeleverd. Bijvoorbeeld doordat we een aantal gezinnen uit de schuldsanering hebben weten te houden. En drie huisontruimingen hebben weten te voorkomen.”

Multidisciplinair

De kracht van Stand-by, daar zijn Brouwer en Van Nuland het over eens, zit in de multidisciplinaire aanpak. Brouwer: “Dit is een samenwerkingsproject van verschillende organisaties die veel met elkaar samenwerken. We bouwen voort op een reeds bestaand sterk netwerk. Dat is een succesfactor van Stand-by.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Tijdelijk hoofdlijnenakkoord blijft beleidstaal

De besluitvorming heeft bij het in druk gaan van deze Eerstelijns net plaatsgevonden en onze voorspelling is dat partijen instemmen met het Hoofdlijnenakkoord 2018. Wat gaat er veranderen? De Eerstelijns analyseert.

Het grootste verschil tussen het akkoord uit 2013 en dat voor 2018 zit in de alinea’s over mensen die langer thuis wonen. Waar er in 2013 nog geen beeld was van de effecten daarvan, worden ouderen met een complexe zorgvraag, GGZ-problematiek, overbelasting van achterstandswijken en ANW-zorg nu expliciet genoemd. In 2013 kwamen de woorden gemeente en sociaal domein niet voor in de hoofdtekst. Nu wordt de verbinding gelegd. Dat geldt ook voor een multidisciplinaire benadering. Toch is er bij het nieuwe hoofdlijnenakkoord voor gekozen om alleen de huisartsen te betrekken: vertegenwoordigers van wijkverpleging of farmacie ontbreken bij de ondertekenaars. Terwijl juist gebleken is dat afstemming tussen de domeinen en sectoren nodig is. Wie houdt nu de regie over de samenhang?

Substitutie

Substitutie staat in 2018 niet meer op de eerste plaats. In de ouderenzorg en GGZ heeft substitutie al plaatsgevonden. In de curatieve sector is vastgesteld dat de zorgverzekeraars er niet in zijn geslaagd om substitutie te realiseren of te meten. Daarom is gekozen voor een andere aanpak. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) meet het substitutie-effect en het macrobudget (€75 miljoen) wordt vooraf gereserveerd voor substitutie uit ziekenhuizen. Onduidelijk is of er budget is voor andere ambities uit dit hoofdlijnenakkoord, zoals innovatie en Organisatie & Infrastructuur.

eHealth

De eHealth-ambities van de partijen in het hoofdlijnenakkoord zijn helaas laag. Dat was zo in 2013 en is onveranderd in 2018. Terwijl daar de sleutel ligt tot het ‘empoweren’ van de burger en het aanvullen of vervangen van reguliere zorg met digitale zorg.

Conclusie

Het hoofdlijnenakkoord blijft beleidstaal. Afgezien van de financiële kaders en het macrobeheersinstrument, die blijven er keihard in staan. Het is logisch dat deze landelijke lijn van afgelopen jaren wordt doorgetrokken, al zal de dynamiek op het thema ouderenzorg in regio’s moeten ontstaan door coalitions of the willing.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:
[/av_font

Veilige zorgmessenger voor betere samenwerking

Bijna alle huisartsen gebruiken ZorgDomein voor het doorverwijzen van patiënten. Sinds deze maand is ook zorgmessenger Patiëntoverleg kosteloos te activeren in het ZorgDomein-account. Zorgverleners kunnen met deze berichtenservice veilig communiceren via hun mobiel of computer. De eerste ervaringen onder huisartsen en apothekers zijn positief.

Met Patiëntoverleg springt ZorgDomein in op de groeiende behoefte aan een veilig digitaal kanaal waarop huisartsen, specialisten en andere zorgverleners eenvoudig kunnen overleggen. “Voor betere en betaalbaar zorg is een effectieve afstemming tussen zorgpartijen essentieel,” licht CEO Walter Balestra van ZorgDomein toe. “Zorgverleners communiceren nu nog vaak omslachtig via de telefoon of via het onbeveiligd internet. Dat is met het oog op privacy voor patiënten niet ideaal en ook lang niet altijd efficiënt.”

Patiëntoverleg is geïntegreerd in het digitale ZorgDomein-platform. Balestra: “De messenger is bedoeld voor overleg over niet-spoedeisende patiënten. Bijvoorbeeld over patiënten die intensieve zorg nodig hebben en waarbij asynchrone en veilige communicatie een uitkomst is. Of bij aanvullende vragen over een verwijzing of diagnostiekaanvraag. Andere relevante gegevens kunnen direct worden meegestuurd en opgeslagen in het patiëntendossier.”

Efficiënte ruggespraak

In de regio’s Rotterdam en Nijmegen draaiden afgelopen jaar bijna 500 huisartsen, apothekers en specialisten proef met Patiëntoverleg. De eerste reacties zijn enthousiast. Maartje Reijers, huisarts van Gezondheidscentrum Zuiderkroon in Rotterdam werkt bijvoorbeeld veel samen met specialisten van het Ikazia Ziekenhuis in Rotterdam. “Via de telefoon is het vaak lastig om de juiste specialist vlot te bereiken. Je belt drie keer langs elkaar heen, staat in de wacht…. dat kost een hoop tijd. Voor efficiënte ruggespraak over niet-spoedgevallen is Patiëntoverleg ideaal. Je kunt op zelfgekozen momenten contact zoeken of reageren. Het overleg hoeft niet snel-snel tussen de bedrijven door. Daardoor kun je net iets beter focussen en verdiepen.”

Privacy beschermd

Apotheker Trees Lepelaars van Apotheek Tarwezigt in Rotterdam ziet twee grote voordelen aan Patiëntoverleg: “De communicatie met andere zorgverleners is laagdrempeliger; ik krijg sneller antwoord op vragen waardoor patiënten eerder zijn geholpen. Daarnaast is hun privacy beter beschermd via dit systeem dan via email of WhatsApp.”

Auteur: Ingrid Beckers

Download het volledige artikel hier:

Wat brengt het zorginkoopbeleid 2018?

Wat valt op in het zorginkoopbeleid voor de eerste lijn, dat recent is gepubliceerd door de vier grote zorgverzekeraars Zilveren Kruis, VGZ, CZ en Menzis? De Eerstelijns analyseert hun plannen voor huisartsenzorg, multidisciplinaire zorg, farmacie, fysiotherapie en wijkverpleging.

De zorgverzekeraars moeten het zorginkoopbeleid ieder jaar op 1 april publiceren en doen dat trouw. De uitwerking op onderdelen volgt later, omdat de tijd tussen het afronden van de evaluatie 2016 en het publiceren van het beleid voor 2018 gewoon te kort is.

Het concept dat de zorgverzekeraars voor 2018 hanteren, is min of meer hetzelfde als dat voor van 2017, al is het taalgebruik wat aangepast. Terugkerende begrippen in het beleid 2018 zijn klantwaarde, zinnig, doelmatig en good practices. Goed is goed genoeg? Ook nieuw is de focus op de regio in de eigen kernwerkgebieden. Betekent dit dat de verzekeraars elkaar vaker automatisch gaan volgen? Het vormgeven van de zorg gebeurt per regio, geen blauwdrukken, maar wel kaders. Hoe dat zal uitpakken, is op dit moment niet duidelijk.

Er worden in 2018 beperkingen gesteld aan de niet gecontracteerde zorg (lagere vergoeding) en aan kleine contracten (op basis van een minimumbedrag of aantal FTE). Per discipline is dit anders, afhankelijk van de positie van de zorgverzekeraar en de zorgaanbieder. De doorleverplicht is bij sommige disciplines verdwenen, aangepast (bij overschrijding van het plafond krijgt men een ander tarief) of nog steeds als harde voorwaarde opgenomen. Ook hierbij zijn er verschillen per discipline.

Huisartsen- en multidisciplinaire zorg

De programmatische zorg voor chronisch zieken lijkt door zorgverzekeraars ter discussie te worden gesteld. Er wordt een voorbehoud gemaakt of openlijk aangegeven dat de ziektespecifieke benadering wordt ingeruild voor een persoonsgerichte benadering. Alle zorgverzekeraars vermelden de module Organisatie & Infrastructuur (O&I), zonder er harde toezeggingen over te doen. In de loop van 2017 wordt duidelijk of de financiering voor O&I doorgaat.

Substitutie, indexering en eHealth

Substitutie vanuit het medisch-specialistisch circuit, wat moeten we daarvan verwachten? Zorgverzekeraars zijn terughoudend bij het concreet maken van hun beleid. Ze broeden op nieuwe methoden, zoals shared savings bij een hogere omzetdaling dan afgesproken. Dat lijkt voor de komende jaren de trend te worden. Zorgverzekeraars lijken ook – deels terecht – te aarzelen over de kracht van de eerstelijnszorg. Het vragen van een stevige eerstelijnsorganisatie met een breed mandaat van de huisartsen is een nieuwe trend, die in bepaalde regio’s een versnelling kan bieden.

Maar misschien is het ontbreken van een expliciete eHealth-paragraaf wel het meest opvallende aan het zorginkoopbeleid van ‘de grote vier’. eHealth, zelfzorg en gestandaardiseerde informatie-uitwisseling zouden juist een speerpunt van beleid moeten zijn en zorgaanbieders zouden moeten worden uitgedaagd om hier initiatieven op te ontplooien.

Download het artikel voor de volledige analyse.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Minder verwijzingen met eenmalige consultatie specialist

Het project Eenmalige consultatie medisch specialist in Twente startte in april 2016. Het leidt tot goede resultaten in het streven naar het verlenen van zorg op de juiste plek: in het ziekenhuis als het moet, bij de huisarts als het kan.

Het project Eenmalige consultatie medisch specialist (ECMS) is een initiatief van het Zorgnetwerk Zenderen. Hierin participeren de zorggroepen THOON en FEA, Medisch Spectrum Twente (MST), Ziekenhuisgroep Twente (ZGT) en zorgverzekeraar Menzis. Adviesbureau Roset faciliteert het project.

Het concept

Binnen het project kan de huisarts een patiënt insturen voor een eenmalig consult bij de medisch specialist. Dit doet de huisarts als hij denkt de patiënt wel in de eerste lijn te kunnen behandelen, maar twijfels heeft over de diagnose of het behandelbeleid. Bij ECMS wordt het eigen risico van de patiënt niet aangesproken. De specialist roept de patiënt binnen twee weken op of beantwoordt de vraag via een eConsult. Vervolgens krijgt de huisarts een gericht advies over de behandeling. De specialist maakt geen gebruik van de diagnostische mogelijkheden van het ziekenhuis. Alleen ‘hoofd en handen’ worden ingezet. Carin Pipers, projectleider Roset, legt uit: ”Bij ECMS in Twente blijft de medisch specialist in het ziekenhuis. Dit in tegenstelling tot andere initiatieven, waarbij meekijkconsulten in de eerste lijn worden georganiseerd. Het voordeel van ECMS is dat de organisatorische impact gering is: er zijn geen aparte ruimtes of voorzieningen nodig, geen reizen van specialisten door de regio, geen verzameling van patiënten voor speciale spreekuren.”

Status pilot

Op 1 april 2016 is de pilot gestart in het adherentiegebied van MST en in samenwerking met de maatschappen neurologie, interne en reumatologie. Vanaf 1 juli 2016 is dat uitgebreid met kindergeneeskunde en dermatologie vanuit ZGT. In totaal nemen nu 58 huisartsen in Twente aan de pilot deel. De looptijd van de pilot is van april 2016 tot 1 januari 2018. In september 2017 worden de resultaten geëvalueerd en bepaald of ECMS reguliere zorg wordt in 2018.

Resultaten tot dusver

Vanaf het begin van de pilot wordt tot op patiëntniveau gemonitord hoe het proces verloopt. Zijn patiënten tevreden? Wordt er snel op een vraag door een specialist gereageerd? Kan de huisarts verder met de gegeven adviezen? Daarnaast wordt eens per kwartaal aan de deelnemers gevraagd of ze tevreden zijn over het proces. De resultaten tot dusver zijn heel positief. Wat cijfers:

  • Patiënten beoordelen het eenmalig consult bij de medisch specialist (ECMS) gemiddeld met een 8,5.
  • Huisartsen zouden zonder het ECMS in 88 procent van de gevallen direct verwijzen naar de specialist.
  • In 77 procent van de gevallen kan de behandeling worden voortgezet in de eerste lijn.
  • De specialisten achten de patiënt in 85 procent van de gevallen geschikt voor het ECMS.

Auteur: Carin Pipers, Roset

Download het volledige artikel hier:

Masterclass Eerstelijns Bestuurders nog altijd populair

In september 2017 start de negende editie van de Masterclass Eerstelijns Bestuurders. De opleiding is nog net zo relevant als bij de start. Door ontwikkelingen in het zorglandschap, wet- en regelgeving staan eerstelijnsbestuurders steeds voor nieuwe uitdagingen. De masterclass geeft hen de bagage om daarmee aan de slag te gaan.

Door de invoering van de zorgverzekeringswet in 2006 ontstond een nieuwe trend: schaalvergroting. Zorgverzekeraars, ziekenhuizen, patientenorganisaties, thuiszorg en farmacie. Niemand ontkwam eraan om bepaalde aspecten van de bedrijfsvoering op grotere schaal te organiseren. Ook de eerstelijnszorg met fysiotherapie, huisartsen, podotherapeuten en psychologen zetten organisaties of netwerken op. Monodisciplinair of multidisciplinair van aard.

Grootschaliger organiseren vraagt visie en inzicht van bestuurders over why, how en what. Maar er bestond geen geschikte opleiding voor eerstelijnsbestuurders. Het TRANZO departement van de Universiteit van Tilburg en Commonsense sprongen tien jaar geleden in dat gat en ontwikkelden de Masterclass Eerstelijns Bestuurders. Zij kleedden de MBA Health uit: een wetenschappelijk programma van 24 maanden met een studiebelasting van 1600 uur en een investering van enkele tienduizenden euro’s werd omgevormd tot een gerichte masterclass van negen maanden met een studiebelasting van maximaal 400 uur en interdisciplinaire uitwisseling voor nog geen € 10.000. Tot op de dag van vandaag met groot succes: de masterclass zit ieder jaar vol.

Strategische relevantie

Ontwikkelingen zoals de decentralisaties, de financiële crisis, voortschrijdende techniek, budgettaire krapte en toename van chronisch zieken leiden steeds weer tot nieuwe strategische ontwikkelingen en uitdagingen. De noodzaak om bestuurders van eerstelijnsorganisaties te scholen is dan ook onverminderd groot. De Masterclass Eerstelijns Bestuurders is na acht leergangen en met 180 alumni nog altijd ‘hot’. Het programma is gericht op de dagelijkse praktijk en er worden geregeld actuele thema’s en nieuwe docenten ingepast. Jan Erik de Wildt is de continue factor in het programma. Door zijn ervaring als zorggroepbestuurder en docent en de combinatie van rollen die hij op het gebied van strategie en innovatie in de zorg vervult, is hij als geen ander in staat om de actualiteit en samenhang tussen onderwerpen aan te geven. Dr. Caroline Baan, hoogleraar bij TRANZO, is met ingang van de masterclass die in september 2017 start zijn collega programma coördinator. Zij vervangt de in december overleden Dinny de Bakker.

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier: