Opschaling eerstelijnsinnovatie vereist water bij de wijn

De overheid stuurt op innovaties in de eerstelijnszorg als manier om kosten te besparen zonder dat dit leidt tot verschraling van de kwaliteit van zorg. Om innovaties op te kunnen zetten, wordt een bepaalde mate van vrijheid in het werk van de zorgverlener nodig geacht. Tegelijkertijd klinkt er al jaren kritiek over de toegenomen regel- en administratiedruk die ervaren wordt door zorgmedewerkers. De spanning tussen vrijheid en regeldruk staat centraal in recent onderzoek van Stijn Hogervorst, onderzoeker bij het instituut voor Gezondheidseconomie & Doelmatigheidsonderzoek van de VU, naar de ervaren ruimte van eerstelijnsmedewerkers bij het opzetten van zorginnovaties.

Bij het opstarten van een initiatief ervaren zorgverleners voldoende ruimte, maar in de opschalingsfase lopen zij vaak tegen belemmeringen aan waardoor initiatieven stranden. Het onderzoek van Hogervorst beschrijft een grote verscheidenheid aan kleinschalige innovaties in de eerstelijnszorg. Deze innovaties worden veelal door praktijkmedewerkers uitgedacht en uitgevoerd binnen één praktijk. Denk aan een wandel-, dieet- of mindfulness groepje. Niet elke zorgmedewerker heeft de ambitie om zijn of haar innovatie op te schalen, maar wanneer dit wél het geval was liepen zorgmedewerkers vaak tegen drie verschillende problemen aan: onderhandelen over financiering, schotten tussen domeinen en een gebrek aan organisatievaardigheden.

Schaalgrootte kan helpen

Het onderzoek laat ook voorbeelden zien van zorgmedewerkers die in de opschalingsfase meer succes hadden. Opvallend was dat deze zorgmedewerkers vrijwel allen samenwerkingen zijn aangegaan met partijen zoals koepelorganisaties, centrummanagers of ander ondersteunend personeel. Deze partijen konden de organisatie- en onderhandelingstaken van opschaling voor hun rekening nemen, voor integratie van zorg- en welzijnsorganisaties zorgen of verbindingen aangaan met andere zorginstellingen waardoor de schaalgrootte toeneemt.

Het proces van samenwerken met zorg- en welzijnsorganisaties onderling en van de eerste lijn met financiers moet niet onderschat worden. Samenwerking om tot opschaling te komen is een proces waarbij verschillende belangen met elkaar kunnen botsen. Zo laat het onderzoek van Hogervorst zien dat er onder sommige eerstelijnsmedewerkers weerstand heerst tegen samenwerking met andere partijen. Er kan ook een bepaalde weerstand tegen samenwerking, in de vorm van financiering, verwacht worden vanuit zorgverzekeraars. In eerder onderzoek van de Celsus Academie en het Talma Instituut wordt besproken dat het investeren in zorginnovaties een spanning met zich meebrengt tussen het stimuleren van zorginnovatie ter verbetering van de zorg enerzijds en het beperken van innovaties die niet doelmatig zijn anderzijds.

Auteurs Yvonne La Grouw en Stijn Hogervorst gaan hier in hun artikel dieper op in en concluderen dat de opschaling van innovaties afhankelijk is van het omgaan met de verschillende belangen en risico’s. Zowel zorgverleners als zorgverzekeraars zullen water bij de wijn moeten doen.

Auteurs: Yvonne La Grouw, Stijn Hogervorst

Download het volledige artikel hier:

Veelbelovend onderzoekparadigma voor complexe zorginnovaties

De gezondheidszorg is op vele fronten tegelijk in beweging. Bij innovatieve interventies willen we graag wetenschappelijk vaststellen wat de impact en resultaten zijn. De heersende toepassing van onderzoeksmethoden schiet tekort bij het in kaart brengen van de impact van complexe innovaties. ‘Realist evaluation’ biedt uitkomst.

Bij evaluaties van complexe interventies, waarbij niet alleen informatie over de uitkomsten gewenst is, bestaat dringend behoefte aan een ‘white box’ benadering die inzichtelijk maakt hoe veranderingen tot stand komen en welke factoren hierop van invloed zijn. ‘Realist evaluation’ biedt mogelijkheden om de ‘black box’ van complexe innovaties te doorgronden. Met deze benadering wordt in opdracht van InEen de meerwaarde van ketenzorg onderzocht.

Het doel van ‘realist evaluation’ is patronen in data te onderzoeken en deze beter te begrijpen. Het verkennen van causale mechanismen en het bloot leggen van de relatie met contextuele en sociale invloeden vergroot het inzicht in de vaak weerbarstige werkelijkheid. Bij ‘realist evaluation’ worden data verzameld over:

  • de context waarin de interventie wordt toegepast, zoals het beschikken over voldoende flexibiliteit bij de implementatie van het programma;
  • mechanismen die ten grondslag liggen aan complexe interventies, denk hierbij aan de mate van betrokkenheid bij een zorgprogramma voor mensen met een chronische ziekte;
  • de bereikte uitkomsten van de interventie, bijvoorbeeld het aantal mensen dat stopt met roken of de mate waarin zij actief zijn in het dagelijks leven;
  • de relaties tussen context, mechanismen en uitkomsten.

Hierbij wordt gebruikgemaakt van zowel kwantitatieve als kwalitatieve gegevens. Het startpunt bij ‘realist evaluation’ is het ontwikkelen van een conceptuele programmatheorie op basis van inzichten uit de literatuur en van experts. Deze programmatheorie wordt in de loop van de evaluatie gevalideerd, getest en verder aangepast en is daarmee een dynamisch onderzoeksinstrument.

De actieve betrokkenheid van experts uit het werkveld is bij ‘realist evaluation’ van groot belang. Zij spelen een rol bij het opstellen van de programmatheorie, leveren input tijdens de evaluatie en helpen met het maken van de vertaling van de verkregen inzichten naar de dagelijkse praktijk gericht op het verbeteren van de kwaliteit van zorg.

Auteurs: Bert Vrijhoef, Anam Ahmed, Janne Mewes

Download het volledige artikel hier:

Project Patient Empowerment verbetert gesprek met COPD-patiënt

Longfonds, Zilveren Kruis en AstraZeneca hebben recent een implementatieonderzoek Patient Empowerment voor COPD-patiënten afgerond. Dat betrof de invoering van handvatten en hulpmiddelen om te motiveren meer te bewegen en sneller te reageren op klachten om zo longaanvallen te voorkomen. Conclusie: de communicatie is opener en het aantal longaanvallen neemt af.

Het is een unieke samenwerking. Al vanaf 2010 zetten een patiëntenvereniging (het Longfonds), een zorgverzekeraar (Zilveren Kruis) en een farmaceut (AstraZeneca) zich in voor een betere kwaliteit van leven bij COPD-patiënten. Daarin speelt ‘Patient Empowerment’ een cruciale rol. In 2014 is een pilotproject Patient Empowerment (PE) succesvol afgerond. Er zijn voorlichtingsmaterialen en programma’s voor patiënten en zorgverleners ontwikkeld. Het vervolgtraject, de implementatie daarvan bij vijf zorggroepen, is geëvalueerd door onderzoeksbureau Rescon. Hun rapport ‘Patient Empowerment, Onderzoek naar zelfmanagement van COPD patiënten’ verscheen eind vorig jaar. Een van de meest opvallende resultaten: PE heeft geen significant effect op kwaliteit van leven, de ernst van de beperking in het dagelijks leven en ervaren zelfmanagement. Toch werpt de nieuwe aanpak zijn vruchten af. Zo bieden de middelen hulp bij een opener communicatie tussen zorgverlener en patiënt. En heel concreet: door een beter besef neemt het aantal exacerbaties en prednisonkuren af.

Materialen

De voorlichting voor patiënten bestaat uit duidelijke folders, filmpjes op longfonds.nl, een formulier gespreksvoorbereiding en een longaanval-actieplan. Er zijn stappentellers ingezet. Voor zorgprofessionals was er scholing in motivational interviewing, de mogelijkheid tot coaching on the job en gaandeweg de implementatie is er een placemat ontwikkeld voor het bespreken van bewegen bij COPD.

Oprecht geïnteresseerd

Het onderzoek vond onder meer plaats bij Huisartsengroep Drenthe (HZD). Jeanet Scheper werkt daar als POH in drie praktijken. Zij is zeer te spreken over de hulpmiddelen. “Een voorbeeld: een van mijn patiënten is een oud baasje. Hij vertelde mij dat hij op de site van het Longfonds had gekeken en van tevoren goed had bedacht wat hij mij wilde vragen. En ja, dan merk je: met een goede voorbereiding kom je sneller over persoonlijke doelen te spreken.” Het longaanval-actieplan met de codes maakt duidelijk waar de patiënt staat en inzichtelijk wat beter kan, zegt Bert van Bremen. Hij is kaderhuisarts astma/COPD i.o. bij HZD. “Daarna ga je in gesprek over de stappen om het beter te maken. Zo kun je samen iemands kracht versterken en dat is uiteindelijk toch waar het bij PE om draait!”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Wetenschappelijk onderzoek toont wat werkt bij inzet eHealth

Is eHealth een hype of levert het daadwerkelijk een bijdrage aan betere zorg? En onder welke omstandigheden werken digitale toepassingen optimaal? Esther Talboom-Kamp deed onderzoek naar de inzet van eHealth bij COPD- en trombosepatiënten. Op 21 november verdedigt zij haar promotieonderzoek ‘eHealth in primary care’ bij het LUMC. In de Eerstelijns deelt zij samen met promotor Niels Chavannes en research nurse Anneke Vass vast enkele onderzoeksresultaten en algemene conclusies.

Het doel van het promotieonderzoek Van Esther Talboom-Kamp was te achterhalen wat de effecten zijn van verschillende manieren van het invoeren van eHealth op het gebruik ervan en op de algemene gezondheidsstatus. Ook is er gekeken of die effecten afhankelijk zijn van intensieve begeleiding door de zorgverlener en van de mate waarin het onderdeel is van het zorgprogramma (blended care). Eigenlijk zijn er twee studies gedaan: e-Vita bij COPD-patiënten en PORTALS bij patiënten met orale antistollingstherapie (OAT), waarbij ook gekeken werd naar de effecten van eLearning.

“We onderzochten drie groepen COPD-patiënten”, legt Esther Talboom-Kamp uit. “Twee blended care-groepen, met verschillen in begeleiding, en één waarbij het digitale platform niet was geïntegreerd in het reguliere zorgprogramma. Er waren nauwelijks verschillen in de CCQ-uitkomsten (Clinical COPD Questionnaire) voor en na introductie van het eHealth-platform. Dat komt omdat we patiënten met een milde vorm van COPD onderzochten, daar is ook weinig ruimte voor verbetering. En we hebben de groepen elk vijftien maanden ondervraagd, mogelijk is er bij een langere onderzoektijd meer verschil.” Niels Chavannes: “Je kunt het ook zo zien: er is geen negatief effect te zien bij de inzet van eHealth. Dat biedt mogelijkheden voor meer digitaal zelfmanagement.”

Bij de trombosestudie zijn eveneens drie patiëntengroepen onderzocht: zij die de traditionele aanpak van de trombosedienst kregen, zij die een combinatie kregen van zelfmanagement met traditionele groepstraining en zij die zelfmanagement  plus eLearning kregen. Esther Talboom-Kamp: “Ook hier zag je dat bij alle groepen de controle over de bloedverdunning gelijk was. Dat biedt mogelijkheden voor zelfmanagement en impliceert dus dat je beter eLearning kunt inzetten in plaats van groepstraining, want dat is goedkoper en minder arbeidsintensief.”

Efficiënte eHealth

Het onderzoek bracht een aantal voorwaarden aan het licht voor optimale effectiviteit van de inzet van eHealth. Zo is er meer en beter gebruik als het goed en gemotiveerd wordt aangeboden door huisarts of POH. Een andere voorwaarde voor efficiënte eHealth is dat gebruikers er dagelijks gemak van moeten ondervinden. En daar valt nog wel wat werk te verzetten, constateren Chavannes, Vass en Talboom-Kamp.

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Diagnostiek op de huisartsenpost voorkomt verwijzingen

In oktober publiceerden huisarts/onderzoeker Martijn Rutten en collega’s de resultaten van een onderzoek naar directe toegang tot radiologie vanuit de huisartsenpost. Conclusie: wanneer de huisarts op de post toegang heeft tot röntgendiagnostiek worden minder patiënten onnodig naar de spoedeisende hulp verwezen. In Heerlen ervaren ze hetzelfde, vertelt Roger Eurelings, manager van de huisartsenpost Oostelijk Zuid-Limburg.

Verhoudingsgewijs zien huisartsen op de huisartsenpost aanzienlijk meer mogelijke fracturen dan in de eigen praktijk. Toch hebben zij juist overdag direct toegang tot radiologie en moet daarvoor bij tachtig procent van de huisartsenposten doorverwezen worden naar de Spoedeisende Hulp (SEH). Kan dat zinniger en zuiniger? Met die vraag gingen Rutten en consorten aan de slag.

Het onderzoek

Uit een inventarisatie van de onderzoekers in 2015 bleek dat twintig van de destijds 117 Nederlandse huisartsenposten toegang hebben tot radiologie. Bij zes is dat ongelimiteerd, bij zeven alleen overdag en bij de andere zeven gedurende bepaalde tijdvensters. “Wij vergeleken in ons onderzoek zes huisartsenposten met verschillende modellen. We hebben gekeken naar het fractuurpercentage en het aantal mensen dat in de eerste lijn kon blijven binnen de diverse modellen. Daarnaast hebben we de huisartsen gevraagd om op te schrijven met welke indicatie ze de röntgenfoto nodig vonden.” Bij de posten waar voor radiologie moest worden doorverwezen naar de SEH, bleek de helft van de doorverwezen patiënten een breuk of luxatie te hebben. De andere helft had dus in de eerste lijn kunnen blijven. Op de posten waar deels of volledig toegang was tot radiologie werd veertig procent doorverwezen naar de SEH met een afwijkende foto en kon zestig procent onder behandeling blijven van de huisarts.

Voordelen

Bij directe toegang lijken huisartsen wel iets makkelijker een foto aan te vragen (55 procent meldt een hoge verdenking op afwijkingen/fracturen) dan wanneer er beperkt of geen toegang is (68 procent meldt een hoge verdenking). Maar volgens Rutten wegen de voordelen van directe toegang tot radiologie hier ruimschoots tegenop. “De huisarts kan zijn rol van poortwachter beter vervullen en de regie houden. Voor patiënten betekent het een kortere wachttijd en een beperktere aanslag op hun eigen risico. En de SEH profiteert ook: de drukte neemt af waardoor zij zich meer kunnen richten op complexere zorgvragen.”

Roger Eurelings, manager van Huisartsenpost Oostelijk Zuid-Limburg (OZL) onderschrijft de voor- en nadelen. Bij hap OZL kunnen huisartsen mensen met een vermoedelijke breuk via ZorgDomein doorverwijzen voor een foto. Eurelings is heel tevreden over de samenwerking met het ziekenhuis en vindt directe toegang tot radiologie een aanrader voor andere huisartsenposten.

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

ZonMW: Zelfredzaamheid heeft de toekomst

Alex Burdorf, afdelingshoofd Maatschappelijke Gezondheidszorg bij Erasmus MC Rotterdam, is er zeker van: zelfredzaamheid en eigen kracht van individuen gaan in de toekomst een steeds grotere rol spelen. Hij vindt wel dat professionals in zorg en preventie scherper in het oog moeten houden bij wie zelfmanagement kans van slagen heeft en bij wie niet. Want het is niet alleen het individu die dat bepaalt. En als het onverhoopt niet lukt, ben je geen loser.

Burdorf is de laatste wetenschapper die in deze ZonMw-serie over zelfmanagement aan het woord komt. Hij stelt dat zelfmanagement complexer is dan het vaak gepresenteerd wordt. “Eigen verantwoordelijkheid is geen probleem van het individu, maar van het individu in zijn omgeving. En op die omgeving kun je als individu vaak weinig invloed uitoefenen.”

Burdorf vertelt over een onderzoek onder reumapatiënten. “We zagen dat mensen zelf aan de slag gingen met de consequenties van hun ziekte voor hun leven en hun werksituatie. Ze probeerden activiteiten in de vrije tijd en op het werk als het ware om hun ziekte heen te plannen. Dát is zelfmanagement. Maar om het op hun werk echt goed te kunnen regelen, hadden ze de infrastructuur van het bedrijf nodig, hun collega’s, de leidinggevende en de bedrijfsarts. Lang niet overal kun je zomaar zeggen: ik heb vandaag veel pijn, ik begin twee uur later.”

Grenzen aan zelfredzaamheid

Waarom zijn wetenschappers terughoudender dan politici? “Als meer verantwoordelijkheid voor het individu een politieke keuze is – en dat heeft het kabinet met verve uitgedragen – dan moet je zelfredzaamheid en eigen kracht stimuleren. Ik ben ook voor eigen verantwoordelijkheid, maar de omgeving moet zelfmanagement toelaten en stimuleren. En – heel belangrijk – je moet accepteren dat sommige mensen er gewoon niet goed in zijn. Houd nou toch eens op met roepen dat iedere burger op basis van zelfredzaamheid en eigen kracht zijn eigen verantwoordelijkheid kan invullen!”

Is zelfmanagement dan iets voor mensen die zich toch al aardig weten te redden in het leven? “Als je je zaakjes goed voor elkaar hebt, is dat inderdaad een illustratie van goed zelfmanagement. Maar als de omstandigheden veranderen, als een dierbare je ontvalt of je verliest je werk, kan het zelfmanagement een zware klap krijgen. In veel studies zien wij dat als de leefomstandigheden in ongunstige zin veranderen, het zelfmanagement min of meer ondergeschikt raakt en ongezond gedrag de overhand krijgt.”

Rol voor de overheid

Er zijn lichtpuntjes. De groeiende aandacht voor het werk van patiënten in de eerste lijn en in de klinische zorg, bijvoorbeeld. Om in de ruimere omgeving, de wijk, het dorp, de stad iets te veranderen, is volgens Burdorf een overheid nodig die het voortouw neemt.

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

ZonMw: Zelfmanagementondersteuning: van theorie naar praktijk

“Patiënten noch zorgprofessionals kunnen zelfmanagement en zelfmanagementondersteuning uit een boek leren, je maakt het je eigen door het te dóén.” Een opvallende uitspraak van AnneLoes van Staa, die redacteur is van het verpleegkundige leerboek over zelfmanagement en eigen regie dat binnenkort verschijnt.

Leren van ervaringen in de praktijk staat centraal bij zelfmanagement en zelfmanagementondersteuning, stelt Van Staa. Reflectie is een belangrijk onderdeel: wat doe ik en wat is het effect? “Natuurlijk is er wel een aantal vaardigheden die je kunt verwerven. Zorgprofessionals denken vaak dat ze het wel weten en kunnen, zelfmanagementondersteuning, maar er bestaat een discrepantie tussen kunnen en doen. Ze vinden het vaak lastig om zelfmanagementondersteuning echt in de praktijk te brengen.” Een oorzaak is volgens Van Staa het theoretisch niveau waarop de discussie over zelfmanagement zich afspeelt. Binnen haar onderzoeksprogramma is een curriculumscan uitgevoerd bij opleidingen verpleegkunde. Daar kwam die theoretische insteek duidelijk naar voren. “Achtergronden, concepten en ideaalsituaties. Over hoe het hoort, maar niet over het handelen in alledaagse werksituaties.” Dat was de aanleiding om een leerboek te ontwikkelen voor hbo-verpleegkundigen, waarin de nadruk ligt op concrete toepassing bij uiteenlopende ziektebeelden.”

5A-model

Een van de hulpmiddelen die ontwikkeld zijn om professionals beter toe te rusten voor zelfmanagementondersteuning, is een lijst van benodigde competenties. Het zogenoemde 5A-model is een verzameling van vijf werkwoorden die de professional in een circulair proces zou moeten hanteren. Het begint met achterhalen wat voor de patiënt belangrijk is. De tweede stap behelst het op maat adviseren over bijvoorbeeld de voordelen van verandering. De derde stap is het afspreken, het samen stellen van doelen, geleid door de behoeften van de patiënt. Dit is gezamenlijke besluitvorming, een essentieel onderdeel van zelfmanagementondersteuning. De vierde stap is het assisteren, bijvoorbeeld bij de omgang met persoonlijke barrières. De vijfde stap is het arrangeren, het samen opstellen van een vervolgplan.

Oplossingsgericht

Het Zelfmanagement Web is een andere tool die samen met verpleegkundigen is ontwikkeld. Een interventie voor alle zorgverleners die op een open manier met de patiënt in gesprek willen gaan over wat hem of haar bezighoudt. “Het gaat niet louter om in kaart brengen, maar vooral om het hanteren van een kortdurende, oplossingsgerichte gesprekstechniek. Met de solution focused brief therapy, een gespreksmethode uit de psychologie, ga je de problemen van de patiënt niet uitdiepen, maar zoek je samen naar oplossingen. Die moeten van de patiënt komen, de professional helpt om haalbare doelen te stellen.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

“Data worden waardevol als je er met verstand naar kijkt”

Big data kan een vliegwiel zijn voor persoonsgerichte, doelmatige zorg. In de proeftuin Gezonde zorg, Gezonde regio wordt daarmee geëxperimenteerd en andere regio’s staan te trappelen om te volgen. Apotheker/bedrijfskundige Eric Hiddink en apotheker/epidemioloog Ron Herings ontwikkelden het dataconcept voor de proeftuin. Ze zijn blij met de toenemende interesse voor inzet van zorgdata, maar waarschuwen voor te snelle conclusies.

In de zomermaanden worden meer ijsjes gegeten en overlijden meer mensen door verdrinking. Leg je deze cijfers naast elkaar, dan is er een correlatie van meer dan negentig procent. “Zonder causaal verband zeggen zulke cijfers niets”, ontzenuwt Eric Hiddink alle mogelijke speculaties over het verhoogd risico dat ijseters hebben op verdrinking. In dit geval is er een logische verklaring: in de zomer is het warmer, daardoor worden er meer ijsjes gegeten en gaan meer mensen zwemmen. Als er meer mensen zwemmen, verdrinken er ook meer mensen.” Wat Hiddink hiermee wil zeggen is dat het gevaarlijk is om snelle conclusies te trekken op basis van data. “Waardevol wordt het pas als iemand er met verstand naar kijkt.”

Complete informatie

Dat klinkt nogal voor de hand liggend, maar als het gaat om big data in de zorg is de menselijke neiging om overhaast conclusies te trekken erg groot merkt ook Ron Herings, directeur van de PD Groep (Pharmo Instituut, Stizon) en gespecialiseerd in het verzamelen en analyseren van gestructureerde en ongestructureerde data.

Hiddink en Herings werken sinds 2013 samen aan slimmere inzet van zorgdata binnen Gezonde zorg, Gezonde regio. In die proeftuin hebben ze de ruimte om te experimenteren met ‘slim kijken naar data’. “Ziek zijn is een langdurig proces”, vertelt Herings. “Een groot deel van de patiënten die je als zorgverlener ziet, heeft al jaren behandeling achter de rug. In die periode zijn allerlei beslissingen genomen op basis van de kennis van vroeger en het kostenplaatje van toen. Als je daarover geen informatie hebt en conclusies trekt, kun je er flink naast zitten.”

Van protocol naar individu

Kort gezegd doen Herings en Hiddink in de proeftuin vier dingen: ze verzamelen patiëntdata, halen daar behandelprotocollen en standaarden overheen, matchen de data van een specifieke patiënt hiermee en kijken of deze afwijken van de standaard. De bevindingen worden vervolgens omgezet in een gepersonaliseerd advies. Herings: “Zo helpen we zorgverleners met het onderbouwen van afgewogen keuzes. We vertalen het protocol naar het individu en maken daarmee meer zorg op maat voor het individu mogelijk.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

eHealth: de stuwende kracht bij zelfmanagementondersteuning

Voor zelfmanagementondersteuning met eHealth-interventies is een cultuurverandering bij leidinggevenden en zorgprofessionals essentieel, stelt verpleegkundig onderzoeker Betsie van Gaal van IQ healthcare in het zesde deel van de serie Zelfmanagement in samenwerking met ZonMw. Ze is projectleider van Self-Made & Sound, een langlopende onderzoekslijn waarin eHealth-zelfmanagementprogramma’s worden ontwikkeld en geëvalueerd.

“Mijn ouders, mensen van eenvoudige komaf, meten thuis zelf hun bloeddruk. Mijn moeder had hypertensie en wilde niets weten van medicatie. Toen heb ik een doodgewoon Excel-bestandje gemaakt waarop ze kunnen zien wat de normale waarden zijn voor mensen van hun leeftijd en daarna zijn ze gaan meten en registreren. Gaandeweg kregen ze plezier in het simpele grafiekje. Het wordt een soort spelletje, maar intussen gaan de pillen er wel in en blijft de bloeddruk binnen de grenzen.”

Betsie van Gaal wil maar zeggen: zelf monitoren, zelf registreren, zelf interpreteren, kan een krachtige impuls geven aan het zelfmanagement van mensen. Momenteel evalueert Van Gaal bij IQ healthcare in het Radboudumc de resultaten van vier online zelfmanagementprogramma’s. Ze houdt een slag om de arm omdat de evaluatie nog niet is afgerond. “Wat er telkens uitspringt, is de invloed van persoonlijkheidskenmerken. Enerzijds zien we deelnemers die echt profijt hebben van het programma, zonder dat ze ook maar enigszins positief gestimuleerd worden door een verpleegkundige of door anderen. Anderzijds zijn er deelnemers die het niet voor elkaar krijgen zonder face-to-face-aanmoediging. eHealth geeft geen warme schouderklopjes!”

Oefenen

Van Gaal is ervan overtuigd dat zowel patiënten als artsen en verpleegkundigen profijt kúnnen hebben van eHealth-interventies en technologische oplossingen bij zorgmanagementondersteuning. Maar de zorg moet dan wel anders ingericht worden. “En daarbij gaat het niet alleen om technologie, maar ook om een cultuurverandering. Een voorbeeld: artsen hebben de neiging om de resultaten van thuismetingen op het spreekuur te negeren, ze gaan bij voorkeur af op gegevens die ze zelf verzamelen. Het zou heel normaal moeten zijn dat een arts of verpleegkundige informeert naar wat de patiënt heeft bijgehouden en die gegevens dan samen doorneemt. Maar bovenal moeten artsen en verpleegkundigen paternalisme vaarwel zeggen, de patiënt als expert zien en aansluiten bij wat hij of zij wil. Die houding moeten wij oefenen. Pas dan kan eHealth een goede plek krijgen in de zorgketen.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Tien principes voor regionale samenwerking rond doelmatig geneesmiddelgebruik

Hoe geef je succesvol vorm aan regionale samenwerking? Het RIVM onderzoekt dit op verschillende fronten. Om te beginnen zijn nu tien leidende principes in kaart gebracht voor verbetering van regionale samenwerking om veilig geneesmiddelengebruik en doelmatig voorschrijven van medicatie te bevorderen.

Een betere inrichting van preventie, zorg en welzijn. Hogere kwaliteit van zorg, betere gezondheid en lagere kosten. Met die doelen voor ogen zijn in de afgelopen jaren regionale samenwerkingsverbanden ontstaan. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) volgt sinds 2013 een aantal van deze regionale initiatieven, namelijk de proeftuinen ‘Betere zorg met minder kosten’. Een van de hoofdvragen daarvan is: ‘Hoe geef je succesvol vorm aan regionale samenwerking?’

“Een van de eerste concrete interventies van deze regionale samenwerkingsverbanden was betere en meer efficiënte farmaceutische zorg”, zegt onderzoeker Hanneke Drewes, coördinator van de landelijke monitor proeftuinen van het RIVM. “Wij hebben in zeven regionale initiatieven onderzocht hoe die samenwerking rondom farmaceutische zorg tot stand is gekomen”, vertelt Betty Steenkamer, die promotieonderzoek verricht bij Caroline Baan, hoofd van de RIVM-afdeling Kwaliteit van Zorg en Gezondheidseconomie en hoogleraar integrale gezondheidszorg aan de Tilburg Universiteit.

Leidende principes

De onderzoekers spraken met dertig personen over de regionale samenwerking rondom doelmatig geneesmiddelengebruik. Het ging om huisartsen, apothekers, internisten, cardiologen, vertegenwoordigers van Zorgbelang, representanten van zorgverzekeraars en projectmanagers. Verder onderzochten ze wat op papier was gezet. Welke afspraken lagen er bijvoorbeeld en hoe waren de processen ingericht?

Het resultaat: tien leidende principes die een inspiratiebron kunnen zijn voor andere regionale samenwerkingsverbanden. Tien principes die, zo stelt Baan, de organisatie van goede samenwerking onderbouwen wanneer ze in samenhang worden geïmplementeerd. En waarschijnlijk eveneens toepasbaar zijn op andere terreinen dan dat van geneesmiddelen”, aldus Drewes.

  1. Organiseer commitment op basis van een langetermijnvisie
  2. Organiseer samenwerkingen met coöperatie en representatie op bestuurlijk niveau
  3. Maak gebruik van een gelaagde governance-structuur
  4. Creëer bewustzijn op alle niveaus
  5. Organiseer interpersoonlijke relaties op alle niveaus
  6. Richt een lerende omgeving in
  7. Organiseer gezamenlijke verantwoordelijkheid
  8. Stem financiële strategieën af op de markt
  9. Organiseer gezamenlijke voordelen
  10. Toets regionale afspraken aan landelijk beleid en landelijke wet- en regelgeving
Meer inzicht

De kracht zit hem in de inzichten uit de ervaringen van de proeftuinen die ónder de tien principes liggen, vertelt Steenkamer. Inzicht in deze details geeft je de mogelijkheid de strategie vorm te geven die past bij jouw omgeving.”

Download voor meer inzicht het volledige artikel.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier: