Structureel ziekenhuiszorg voorkomen naar Zweeds voorbeeld

Professionals en ziekenhuizen zoeken naarstig naar oplossingen om overvolle SEH’s te voorkomen. Hoe gaan onze buurlanden met dat vraagstuk om? Proactive Health Coaching is een buitenlandse innovatie die mogelijk perspectief biedt. Het is in Scandinavië geïntroduceerd en succesvol opgeschaald in Engeland. In Nederland worden de mogelijkheden verkend.

Proactive Health Coaching richt zich op patiënten die disproportioneel veel zorg gebruiken. Zij hebben vaak complexe multimorbiditeit, soms in combinatie met problemen op psychisch of sociaal vlak. Mede door beperkte gezondheidsvaardigheden is het lastig om te begrijpen hoe om te gaan met de eigen gezondheid. Met realtime data kunnen deze patiënten geïdentificeerd worden, om vervolgens direct te kunnen interveniëren. Dat is noodzakelijk, gezien de grote kans op een heropname.

De interventie

Via een digitaal platform integreert de Zweedse organisatie Health Navigator patiëntdata van ziekenhuis, huisarts en verzekeraar. De data worden elke 24 uur opnieuw aangeleverd en tonen alle zorgactiviteit van de patiënt. Op basis van een beproefd voorspellend model worden patiënten geïdentificeerd en ingedeeld naar risico op heropname. De coach bekijkt vervolgens elke individuele situatie apart. Zo ontstaat een selectie van patiënten die in de komende zes tot negen maanden met hoge waarschijnlijkheid een onnodig hoog beroep zullen gaan doen op de gezondheidszorg.

Zodra een patiënt meedoet, wordt de huisarts door de coach geïnformeerd. In een kennismakingsgesprek zet hij met de patiënt een op maat gemaakt ondersteuningsplan op. Een intensief coachingsprogramma van zes tot negen maanden volgt. De coaching verloopt telefonisch. Wanneer de patiënt progressie boekt en het risico op een heropname daalt, wordt het aantal gesprekken afgebouwd. Een follow-up van twee jaar zorgt ervoor dat bij terugval opnieuw actie ondernomen kan worden.

Resultaten

Resultaten uit Scandinavië en Engeland laten zien dat de kwaliteit van leven van de patiënten toeneemt. Ook is een reductie in zorg(kosten) zichtbaar. Twee studies laten zien dat er minder ongeplande opnames zijn, minder bezoek aan de SEH, minder poliklinische bezoeken en minder ziekenhuisdagen. In Engeland daalde ook het aantal diagnostische onderzoeken. De eerste signalen lijken dus positief, al zijn de effecten niet overal even groot.

Onderzoek

Vilans heeft in samenwerking met Centre of Expertise Healthwise van de Rijksuniversiteit Groningen en TIAS/Tilburg University de Nederlandse situatie vergeleken met die in Engeland en Scandinavië. Duidelijk wordt dat de health coach in Nederland uit zou kunnen komen op een nieuwe functie. Een functie waarbij niet het behandelen centraal staat, maar het coördineren van zorg dat gericht is op het ondersteunen van de persoon.

Auteurs: Cecile van der Wilk, Jeanny Engels en Mirella Minkman

Download het volledige artikel hier:

Eenvoudige handleiding helpt huisartsen om onnodig ICS-gebruik te stoppen

Veel patiënten met lichte tot matige COPD gebruiken onnodig inhalatiecorticosteroïden (ICS). Het gebruik in deze groep is niet altijd effectief, maar kan wel leiden tot onnodige bijwerkingen en zorgkosten. Een groep longzorg experts bundelde de krachten in een samenwerkingsverband en bouwde een handleiding om onnodig ICS-gebruik af te bouwen. Deze ICS-reductietool wordt nu getest.

De NHG-standaard is helder: inhalatiecorticosteroïden schrijf je als huisarts alléén voor aan patiënten die vaak COPD-exacerbaties hebben ondanks goede luchtwegverwijders. Dat is zo’n twaalf procent van alle COPD-patiënten. “In de praktijk zien we dat ongeveer zestig procent van de COPD-patiënten vaak jaren, of zelfs levenslang ICS gebruikt”, aldus Niels Chavannes, hoogleraar huisartsgeneeskunde en COPD-deskundige van het LUMC.

Het probleem van overmatig ICS-gebruik bestaat al lang. Huisartsen schreven veel pufjes voor vanuit eerdere COPD-richtlijnen. En vanaf dat moment is een groot deel van de patiënten ze blijven gebruiken. Huisartsen schatten de preventieve werking van ICS op exacerbaties nog onterecht hoog in. Chavannes: “Inzichten zijn veranderd. Zo weten we sinds kort dat ICS naast relatief milde bijwerkingen zoals keelschimmel, blauwe plekken en osteoporose de kans op longontsteking vergroot. Als je het immuunsysteem onterecht plat legt, bereik je een tegenovergesteld effect. Los daarvan kost medicatie voor COPD en astma de maatschappij veel geld dat niet altijd doelmatig wordt gebruikt.”

Veilig stoppen

Maar stoppen met ICS is niet gemakkelijk, zorgvuldige begeleiding is daarom belangrijk. Met steun van het farmaceutisch bedrijf Boehringer Ingelheim ontwikkelden onderzoekers op basis van recente wetenschappelijke inzichten en kennis een handleiding voor huisartsenpraktijken om patiënten veilig te laten stoppen met ICS. Er werd op toegezien dat de ICS-reductietool voor álle huisartsen en POH’s begrijpelijk is.

De tool bestaat uit een stroomschema waarin twee belangrijke hoofdvragen worden gesteld. Is er sprake van astma? Zo ja, continueer ICS. Was er afgelopen jaar sprake van twee lichte exacerbaties of één ernstige? Zo niet, dan kan ICS worden stopgezet. De handleiding bevat naast het stroomschema ook een monitoring-gedeelte waarin staat hoe vaak en wanneer een patiënt die gestopt is met ICS moet worden gezien, wat er gedaan moet worden als er klachten zijn en wanneer ICS gebruik heroverwogen moet worden. Chavannes: “Monitoring is belangrijk. We hebben het over mensen die vaak levenslang hun pufjes namen. Twintig tot dertig procent krijgt toch klachten terug. Ook ligt het nocebo-effect op de loer. Mensen missen hun pufjes en kunnen in paniek raken zonder.”

Auteur: Ingrid Beckers

Download het volledige artikel hier:

Patiëntervaringen onderdeel van kwaliteitscyclus chronische zorg

De ervaring van patiënten met hun zorgverlening was lange tijd een ondergeschoven kindje voor zorggroepen. Daar komt verandering in. Steeds meer zorggroepen starten met de PREM Chronische zorg, een korte en gevalideerde vragenlijst over patiëntervaringen. Die krijgen daarmee een belangrijke plek binnen het kwaliteitsbeleid van de zorggroepen.

Bij hoeveel diabetespatiënten in de huisartsenpraktijken is de bloeddruk gemeten, bij hoeveel van hen is het HbA1c-gehalte op het gewenste niveau? Dat zijn belangrijke proces- en uitkomstindicatoren voor zorggroepen en huisartsenpraktijken, weet Nout Willems, manager Zorgprogramma’s van zorggroep PoZoB (Praktijkondersteuning Zuidoost-Brabant en Noord-Limburg). Zo’n 150 huisartsenpraktijken in de regio zijn daarbij aangesloten.

Toch is dat niet voldoende om optimale kwaliteit van zorg te leveren voor patiënten met een chronische aandoening, vervolgt hij meteen. “We willen als zorggroep zorg op maat bieden voor onze patiënten. Dat lukt alleen als we meer doen dan sturen op een optimale bloeddruk- of bloedsuikerwaarde. Voor patiënten zijn andere zaken minstens zo belangrijk. Hoe ga ik als diabetes- of COPD-patiënt om met mijn sociale relaties, hoe geef ik antwoord op bepaalde zingevingsvragen? Dat zijn andere dimensies van kwaliteit. We willen die eveneens een plek geven in ons kwaliteitsbeleid, om onze zorg verder te verbeteren.”

Dat is ook nodig, stelt Willems. “We praten met z’n allen over Triple Aim: onze zorg moet gericht zijn op betere gezondheid, minder kosten én een betere patiëntervaring. Het zorgveld heeft zich de afgelopen jaren vooral gericht op betere gezondheid en beperking van de zorgkosten. We hadden echter onvoldoende aandacht voor de patiëntervaringen. Dat geldt niet alleen voor zorgverleners, maar ook voor zorgverzekeraars. In hun zorginkoopbeleid besteden zij nauwelijks aandacht aan patiëntervaringen. Het zit niet in hun inkoopkaders. Ik confronteer zorginkopers daar wel mee. Ze hebben dan geen antwoord.”

Nieuwe dimensie kwaliteit

Om ervaringen van patiënten met chronische aandoeningen op te nemen in het kwaliteitsbeleid, is PoZoB in samenwerking met Qualizorg in 2018 begonnen met de PREM-pilot (patient reported experience measurement) Chronische zorg. Dat is een overzichtelijke en gevalideerde vragenlijst om ervaringen van patiënten met hun behandeling en bejegening in de chronische ketenzorg te verzamelen, te analyseren én te laten meewegen in de kwaliteitscyclus van de zorggroep [zie kadertekst]. Twintig huisartsenpraktijken van PoZoB doen mee aan de pilot. In de loop van dit jaar wordt die afgerond.

Auteurs: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Streven naar klachtenvrij leven met astma

Slechts dertig procent van de astmapatiënten heeft de ziekte onder controle en is volledig klachtenvrij. Maar dat kunnen er veel en veel meer zijn. “Gestructureerde transmurale zorg kan de levenskwaliteit van astmapatiënten enorm verbeteren”, zegt huisarts en onderzoeker Janwillem Kocks van het Universitair Medisch Centrum Groningen. “Vooral van de patiënt die daar zelf niet om vraagt.”

Het gros van de astmapatiënten vindt zelf dat het goed met ze gaat. “Wat ze zich vaak niet realiseren, is dat het zoveel beter kan. Op een kleine groep van ongeveer vijftien procent na horen astmapatiënten klachtenvrij te zijn. Slechts dertig procent heeft de ziekte écht onder controle. De rest neemt met minder genoegen.”

Die conclusie trekt Janwillem Kocks, programmaleider longziekten binnen het UMCG, onder meer uit de gegevens van de Astma-/COPD-dienst van het huisartsenlaboratorium in Groningen en uit het Europese REALISE onderzoek onder achtduizend astmapatiënten. Kocks roept huisartsen dan ook op om astma binnen de eerste lijn beter in kaart te brengen en gestructureerd te behandelen. “De levenskwaliteit van astmapatiënten kan daardoor écht aanzienlijk verbeterd worden. En je voorkomt dat astma tot problemen leidt zoals depressie, vermoeidheid, werk- en leermoeilijkheden of bijwerkingen door prednisonkuren.”

Gewend aan ongemak

Astma wordt vaak onderbelicht doordat de patiënten gauw tevreden zijn. Vaak hebben ze niet door dat hun ziekte niet optimaal onder controle is. Twee of meer prednisonkuren per jaar of veelvuldig gebruik van salbutamol is volgens Kocks een teken aan de wand. Als een patiënt dat nodig heeft, zou de huisarts moeten onderzoeken waarom de astma niet onder controle is. Blijft een helder antwoord achterwege na zorgvuldig nalopen van oorzaken, dan is verwijzing naar de longarts op zijn plaats. Dat gebeurt te weinig, volgens Kocks, omdat huisartsen patiënten niet altijd gestructureerd nakijken of niet op de hoogte zijn van nieuwe behandelmogelijkheden, zoals het toedienen van biologicals.

Game changer

“Zonde, want bij de juiste patiënt met een goede respons kunnen biologicals een game changer zijn”, licht longarts Annelies Beukert toe. Zij is specialist op het gebied van astma in het Martini Ziekenhuis Groningen. “Het aantal astma-aanvallen neemt af, prednison wordt afgebouwd. Mensen voelen zich gauw een stuk beter.” Biologicals zijn alleen geschikt voor een selecte groep ernstige astmapatiënten. Beukert: “Daarom is het wel belangrijk de juiste groep te selecteren. En we kunnen ook bij patiënten die niet in aanmerking komen voor een biological aanzienlijke verbeteringen behalen.”

Auteur: Ingrid Beckers

Download het volledige artikel hier:

Opschaling eerstelijnsinnovatie vereist water bij de wijn

De overheid stuurt op innovaties in de eerstelijnszorg als manier om kosten te besparen zonder dat dit leidt tot verschraling van de kwaliteit van zorg. Om innovaties op te kunnen zetten, wordt een bepaalde mate van vrijheid in het werk van de zorgverlener nodig geacht. Tegelijkertijd klinkt er al jaren kritiek over de toegenomen regel- en administratiedruk die ervaren wordt door zorgmedewerkers. De spanning tussen vrijheid en regeldruk staat centraal in recent onderzoek van Stijn Hogervorst, onderzoeker bij het instituut voor Gezondheidseconomie & Doelmatigheidsonderzoek van de VU, naar de ervaren ruimte van eerstelijnsmedewerkers bij het opzetten van zorginnovaties.

Bij het opstarten van een initiatief ervaren zorgverleners voldoende ruimte, maar in de opschalingsfase lopen zij vaak tegen belemmeringen aan waardoor initiatieven stranden. Het onderzoek van Hogervorst beschrijft een grote verscheidenheid aan kleinschalige innovaties in de eerstelijnszorg. Deze innovaties worden veelal door praktijkmedewerkers uitgedacht en uitgevoerd binnen één praktijk. Denk aan een wandel-, dieet- of mindfulness groepje. Niet elke zorgmedewerker heeft de ambitie om zijn of haar innovatie op te schalen, maar wanneer dit wél het geval was liepen zorgmedewerkers vaak tegen drie verschillende problemen aan: onderhandelen over financiering, schotten tussen domeinen en een gebrek aan organisatievaardigheden.

Schaalgrootte kan helpen

Het onderzoek laat ook voorbeelden zien van zorgmedewerkers die in de opschalingsfase meer succes hadden. Opvallend was dat deze zorgmedewerkers vrijwel allen samenwerkingen zijn aangegaan met partijen zoals koepelorganisaties, centrummanagers of ander ondersteunend personeel. Deze partijen konden de organisatie- en onderhandelingstaken van opschaling voor hun rekening nemen, voor integratie van zorg- en welzijnsorganisaties zorgen of verbindingen aangaan met andere zorginstellingen waardoor de schaalgrootte toeneemt.

Het proces van samenwerken met zorg- en welzijnsorganisaties onderling en van de eerste lijn met financiers moet niet onderschat worden. Samenwerking om tot opschaling te komen is een proces waarbij verschillende belangen met elkaar kunnen botsen. Zo laat het onderzoek van Hogervorst zien dat er onder sommige eerstelijnsmedewerkers weerstand heerst tegen samenwerking met andere partijen. Er kan ook een bepaalde weerstand tegen samenwerking, in de vorm van financiering, verwacht worden vanuit zorgverzekeraars. In eerder onderzoek van de Celsus Academie en het Talma Instituut wordt besproken dat het investeren in zorginnovaties een spanning met zich meebrengt tussen het stimuleren van zorginnovatie ter verbetering van de zorg enerzijds en het beperken van innovaties die niet doelmatig zijn anderzijds.

Auteurs Yvonne La Grouw en Stijn Hogervorst gaan hier in hun artikel dieper op in en concluderen dat de opschaling van innovaties afhankelijk is van het omgaan met de verschillende belangen en risico’s. Zowel zorgverleners als zorgverzekeraars zullen water bij de wijn moeten doen.

Auteurs: Yvonne La Grouw, Stijn Hogervorst

Download het volledige artikel hier:

Veelbelovend onderzoekparadigma voor complexe zorginnovaties

De gezondheidszorg is op vele fronten tegelijk in beweging. Bij innovatieve interventies willen we graag wetenschappelijk vaststellen wat de impact en resultaten zijn. De heersende toepassing van onderzoeksmethoden schiet tekort bij het in kaart brengen van de impact van complexe innovaties. ‘Realist evaluation’ biedt uitkomst.

Bij evaluaties van complexe interventies, waarbij niet alleen informatie over de uitkomsten gewenst is, bestaat dringend behoefte aan een ‘white box’ benadering die inzichtelijk maakt hoe veranderingen tot stand komen en welke factoren hierop van invloed zijn. ‘Realist evaluation’ biedt mogelijkheden om de ‘black box’ van complexe innovaties te doorgronden. Met deze benadering wordt in opdracht van InEen de meerwaarde van ketenzorg onderzocht.

Het doel van ‘realist evaluation’ is patronen in data te onderzoeken en deze beter te begrijpen. Het verkennen van causale mechanismen en het bloot leggen van de relatie met contextuele en sociale invloeden vergroot het inzicht in de vaak weerbarstige werkelijkheid. Bij ‘realist evaluation’ worden data verzameld over:

  • de context waarin de interventie wordt toegepast, zoals het beschikken over voldoende flexibiliteit bij de implementatie van het programma;
  • mechanismen die ten grondslag liggen aan complexe interventies, denk hierbij aan de mate van betrokkenheid bij een zorgprogramma voor mensen met een chronische ziekte;
  • de bereikte uitkomsten van de interventie, bijvoorbeeld het aantal mensen dat stopt met roken of de mate waarin zij actief zijn in het dagelijks leven;
  • de relaties tussen context, mechanismen en uitkomsten.

Hierbij wordt gebruikgemaakt van zowel kwantitatieve als kwalitatieve gegevens. Het startpunt bij ‘realist evaluation’ is het ontwikkelen van een conceptuele programmatheorie op basis van inzichten uit de literatuur en van experts. Deze programmatheorie wordt in de loop van de evaluatie gevalideerd, getest en verder aangepast en is daarmee een dynamisch onderzoeksinstrument.

De actieve betrokkenheid van experts uit het werkveld is bij ‘realist evaluation’ van groot belang. Zij spelen een rol bij het opstellen van de programmatheorie, leveren input tijdens de evaluatie en helpen met het maken van de vertaling van de verkregen inzichten naar de dagelijkse praktijk gericht op het verbeteren van de kwaliteit van zorg.

Auteurs: Bert Vrijhoef, Anam Ahmed, Janne Mewes

Download het volledige artikel hier:

Project Patient Empowerment verbetert gesprek met COPD-patiënt

Longfonds, Zilveren Kruis en AstraZeneca hebben recent een implementatieonderzoek Patient Empowerment voor COPD-patiënten afgerond. Dat betrof de invoering van handvatten en hulpmiddelen om te motiveren meer te bewegen en sneller te reageren op klachten om zo longaanvallen te voorkomen. Conclusie: de communicatie is opener en het aantal longaanvallen neemt af.

Het is een unieke samenwerking. Al vanaf 2010 zetten een patiëntenvereniging (het Longfonds), een zorgverzekeraar (Zilveren Kruis) en een farmaceut (AstraZeneca) zich in voor een betere kwaliteit van leven bij COPD-patiënten. Daarin speelt ‘Patient Empowerment’ een cruciale rol. In 2014 is een pilotproject Patient Empowerment (PE) succesvol afgerond. Er zijn voorlichtingsmaterialen en programma’s voor patiënten en zorgverleners ontwikkeld. Het vervolgtraject, de implementatie daarvan bij vijf zorggroepen, is geëvalueerd door onderzoeksbureau Rescon. Hun rapport ‘Patient Empowerment, Onderzoek naar zelfmanagement van COPD patiënten’ verscheen eind vorig jaar. Een van de meest opvallende resultaten: PE heeft geen significant effect op kwaliteit van leven, de ernst van de beperking in het dagelijks leven en ervaren zelfmanagement. Toch werpt de nieuwe aanpak zijn vruchten af. Zo bieden de middelen hulp bij een opener communicatie tussen zorgverlener en patiënt. En heel concreet: door een beter besef neemt het aantal exacerbaties en prednisonkuren af.

Materialen

De voorlichting voor patiënten bestaat uit duidelijke folders, filmpjes op longfonds.nl, een formulier gespreksvoorbereiding en een longaanval-actieplan. Er zijn stappentellers ingezet. Voor zorgprofessionals was er scholing in motivational interviewing, de mogelijkheid tot coaching on the job en gaandeweg de implementatie is er een placemat ontwikkeld voor het bespreken van bewegen bij COPD.

Oprecht geïnteresseerd

Het onderzoek vond onder meer plaats bij Huisartsengroep Drenthe (HZD). Jeanet Scheper werkt daar als POH in drie praktijken. Zij is zeer te spreken over de hulpmiddelen. “Een voorbeeld: een van mijn patiënten is een oud baasje. Hij vertelde mij dat hij op de site van het Longfonds had gekeken en van tevoren goed had bedacht wat hij mij wilde vragen. En ja, dan merk je: met een goede voorbereiding kom je sneller over persoonlijke doelen te spreken.” Het longaanval-actieplan met de codes maakt duidelijk waar de patiënt staat en inzichtelijk wat beter kan, zegt Bert van Bremen. Hij is kaderhuisarts astma/COPD i.o. bij HZD. “Daarna ga je in gesprek over de stappen om het beter te maken. Zo kun je samen iemands kracht versterken en dat is uiteindelijk toch waar het bij PE om draait!”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Wetenschappelijk onderzoek toont wat werkt bij inzet eHealth

Is eHealth een hype of levert het daadwerkelijk een bijdrage aan betere zorg? En onder welke omstandigheden werken digitale toepassingen optimaal? Esther Talboom-Kamp deed onderzoek naar de inzet van eHealth bij COPD- en trombosepatiënten. Op 21 november verdedigt zij haar promotieonderzoek ‘eHealth in primary care’ bij het LUMC. In de Eerstelijns deelt zij samen met promotor Niels Chavannes en research nurse Anneke Vass vast enkele onderzoeksresultaten en algemene conclusies.

Het doel van het promotieonderzoek Van Esther Talboom-Kamp was te achterhalen wat de effecten zijn van verschillende manieren van het invoeren van eHealth op het gebruik ervan en op de algemene gezondheidsstatus. Ook is er gekeken of die effecten afhankelijk zijn van intensieve begeleiding door de zorgverlener en van de mate waarin het onderdeel is van het zorgprogramma (blended care). Eigenlijk zijn er twee studies gedaan: e-Vita bij COPD-patiënten en PORTALS bij patiënten met orale antistollingstherapie (OAT), waarbij ook gekeken werd naar de effecten van eLearning.

“We onderzochten drie groepen COPD-patiënten”, legt Esther Talboom-Kamp uit. “Twee blended care-groepen, met verschillen in begeleiding, en één waarbij het digitale platform niet was geïntegreerd in het reguliere zorgprogramma. Er waren nauwelijks verschillen in de CCQ-uitkomsten (Clinical COPD Questionnaire) voor en na introductie van het eHealth-platform. Dat komt omdat we patiënten met een milde vorm van COPD onderzochten, daar is ook weinig ruimte voor verbetering. En we hebben de groepen elk vijftien maanden ondervraagd, mogelijk is er bij een langere onderzoektijd meer verschil.” Niels Chavannes: “Je kunt het ook zo zien: er is geen negatief effect te zien bij de inzet van eHealth. Dat biedt mogelijkheden voor meer digitaal zelfmanagement.”

Bij de trombosestudie zijn eveneens drie patiëntengroepen onderzocht: zij die de traditionele aanpak van de trombosedienst kregen, zij die een combinatie kregen van zelfmanagement met traditionele groepstraining en zij die zelfmanagement  plus eLearning kregen. Esther Talboom-Kamp: “Ook hier zag je dat bij alle groepen de controle over de bloedverdunning gelijk was. Dat biedt mogelijkheden voor zelfmanagement en impliceert dus dat je beter eLearning kunt inzetten in plaats van groepstraining, want dat is goedkoper en minder arbeidsintensief.”

Efficiënte eHealth

Het onderzoek bracht een aantal voorwaarden aan het licht voor optimale effectiviteit van de inzet van eHealth. Zo is er meer en beter gebruik als het goed en gemotiveerd wordt aangeboden door huisarts of POH. Een andere voorwaarde voor efficiënte eHealth is dat gebruikers er dagelijks gemak van moeten ondervinden. En daar valt nog wel wat werk te verzetten, constateren Chavannes, Vass en Talboom-Kamp.

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Diagnostiek op de huisartsenpost voorkomt verwijzingen

In oktober publiceerden huisarts/onderzoeker Martijn Rutten en collega’s de resultaten van een onderzoek naar directe toegang tot radiologie vanuit de huisartsenpost. Conclusie: wanneer de huisarts op de post toegang heeft tot röntgendiagnostiek worden minder patiënten onnodig naar de spoedeisende hulp verwezen. In Heerlen ervaren ze hetzelfde, vertelt Roger Eurelings, manager van de huisartsenpost Oostelijk Zuid-Limburg.

Verhoudingsgewijs zien huisartsen op de huisartsenpost aanzienlijk meer mogelijke fracturen dan in de eigen praktijk. Toch hebben zij juist overdag direct toegang tot radiologie en moet daarvoor bij tachtig procent van de huisartsenposten doorverwezen worden naar de Spoedeisende Hulp (SEH). Kan dat zinniger en zuiniger? Met die vraag gingen Rutten en consorten aan de slag.

Het onderzoek

Uit een inventarisatie van de onderzoekers in 2015 bleek dat twintig van de destijds 117 Nederlandse huisartsenposten toegang hebben tot radiologie. Bij zes is dat ongelimiteerd, bij zeven alleen overdag en bij de andere zeven gedurende bepaalde tijdvensters. “Wij vergeleken in ons onderzoek zes huisartsenposten met verschillende modellen. We hebben gekeken naar het fractuurpercentage en het aantal mensen dat in de eerste lijn kon blijven binnen de diverse modellen. Daarnaast hebben we de huisartsen gevraagd om op te schrijven met welke indicatie ze de röntgenfoto nodig vonden.” Bij de posten waar voor radiologie moest worden doorverwezen naar de SEH, bleek de helft van de doorverwezen patiënten een breuk of luxatie te hebben. De andere helft had dus in de eerste lijn kunnen blijven. Op de posten waar deels of volledig toegang was tot radiologie werd veertig procent doorverwezen naar de SEH met een afwijkende foto en kon zestig procent onder behandeling blijven van de huisarts.

Voordelen

Bij directe toegang lijken huisartsen wel iets makkelijker een foto aan te vragen (55 procent meldt een hoge verdenking op afwijkingen/fracturen) dan wanneer er beperkt of geen toegang is (68 procent meldt een hoge verdenking). Maar volgens Rutten wegen de voordelen van directe toegang tot radiologie hier ruimschoots tegenop. “De huisarts kan zijn rol van poortwachter beter vervullen en de regie houden. Voor patiënten betekent het een kortere wachttijd en een beperktere aanslag op hun eigen risico. En de SEH profiteert ook: de drukte neemt af waardoor zij zich meer kunnen richten op complexere zorgvragen.”

Roger Eurelings, manager van Huisartsenpost Oostelijk Zuid-Limburg (OZL) onderschrijft de voor- en nadelen. Bij hap OZL kunnen huisartsen mensen met een vermoedelijke breuk via ZorgDomein doorverwijzen voor een foto. Eurelings is heel tevreden over de samenwerking met het ziekenhuis en vindt directe toegang tot radiologie een aanrader voor andere huisartsenposten.

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

ZonMW: Zelfredzaamheid heeft de toekomst

Alex Burdorf, afdelingshoofd Maatschappelijke Gezondheidszorg bij Erasmus MC Rotterdam, is er zeker van: zelfredzaamheid en eigen kracht van individuen gaan in de toekomst een steeds grotere rol spelen. Hij vindt wel dat professionals in zorg en preventie scherper in het oog moeten houden bij wie zelfmanagement kans van slagen heeft en bij wie niet. Want het is niet alleen het individu die dat bepaalt. En als het onverhoopt niet lukt, ben je geen loser.

Burdorf is de laatste wetenschapper die in deze ZonMw-serie over zelfmanagement aan het woord komt. Hij stelt dat zelfmanagement complexer is dan het vaak gepresenteerd wordt. “Eigen verantwoordelijkheid is geen probleem van het individu, maar van het individu in zijn omgeving. En op die omgeving kun je als individu vaak weinig invloed uitoefenen.”

Burdorf vertelt over een onderzoek onder reumapatiënten. “We zagen dat mensen zelf aan de slag gingen met de consequenties van hun ziekte voor hun leven en hun werksituatie. Ze probeerden activiteiten in de vrije tijd en op het werk als het ware om hun ziekte heen te plannen. Dát is zelfmanagement. Maar om het op hun werk echt goed te kunnen regelen, hadden ze de infrastructuur van het bedrijf nodig, hun collega’s, de leidinggevende en de bedrijfsarts. Lang niet overal kun je zomaar zeggen: ik heb vandaag veel pijn, ik begin twee uur later.”

Grenzen aan zelfredzaamheid

Waarom zijn wetenschappers terughoudender dan politici? “Als meer verantwoordelijkheid voor het individu een politieke keuze is – en dat heeft het kabinet met verve uitgedragen – dan moet je zelfredzaamheid en eigen kracht stimuleren. Ik ben ook voor eigen verantwoordelijkheid, maar de omgeving moet zelfmanagement toelaten en stimuleren. En – heel belangrijk – je moet accepteren dat sommige mensen er gewoon niet goed in zijn. Houd nou toch eens op met roepen dat iedere burger op basis van zelfredzaamheid en eigen kracht zijn eigen verantwoordelijkheid kan invullen!”

Is zelfmanagement dan iets voor mensen die zich toch al aardig weten te redden in het leven? “Als je je zaakjes goed voor elkaar hebt, is dat inderdaad een illustratie van goed zelfmanagement. Maar als de omstandigheden veranderen, als een dierbare je ontvalt of je verliest je werk, kan het zelfmanagement een zware klap krijgen. In veel studies zien wij dat als de leefomstandigheden in ongunstige zin veranderen, het zelfmanagement min of meer ondergeschikt raakt en ongezond gedrag de overhand krijgt.”

Rol voor de overheid

Er zijn lichtpuntjes. De groeiende aandacht voor het werk van patiënten in de eerste lijn en in de klinische zorg, bijvoorbeeld. Om in de ruimere omgeving, de wijk, het dorp, de stad iets te veranderen, is volgens Burdorf een overheid nodig die het voortouw neemt.

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier: