eHealth: de stuwende kracht bij zelfmanagementondersteuning

Voor zelfmanagementondersteuning met eHealth-interventies is een cultuurverandering bij leidinggevenden en zorgprofessionals essentieel, stelt verpleegkundig onderzoeker Betsie van Gaal van IQ healthcare in het zesde deel van de serie Zelfmanagement in samenwerking met ZonMw. Ze is projectleider van Self-Made & Sound, een langlopende onderzoekslijn waarin eHealth-zelfmanagementprogramma’s worden ontwikkeld en geëvalueerd.

“Mijn ouders, mensen van eenvoudige komaf, meten thuis zelf hun bloeddruk. Mijn moeder had hypertensie en wilde niets weten van medicatie. Toen heb ik een doodgewoon Excel-bestandje gemaakt waarop ze kunnen zien wat de normale waarden zijn voor mensen van hun leeftijd en daarna zijn ze gaan meten en registreren. Gaandeweg kregen ze plezier in het simpele grafiekje. Het wordt een soort spelletje, maar intussen gaan de pillen er wel in en blijft de bloeddruk binnen de grenzen.”

Betsie van Gaal wil maar zeggen: zelf monitoren, zelf registreren, zelf interpreteren, kan een krachtige impuls geven aan het zelfmanagement van mensen. Momenteel evalueert Van Gaal bij IQ healthcare in het Radboudumc de resultaten van vier online zelfmanagementprogramma’s. Ze houdt een slag om de arm omdat de evaluatie nog niet is afgerond. “Wat er telkens uitspringt, is de invloed van persoonlijkheidskenmerken. Enerzijds zien we deelnemers die echt profijt hebben van het programma, zonder dat ze ook maar enigszins positief gestimuleerd worden door een verpleegkundige of door anderen. Anderzijds zijn er deelnemers die het niet voor elkaar krijgen zonder face-to-face-aanmoediging. eHealth geeft geen warme schouderklopjes!”

Oefenen

Van Gaal is ervan overtuigd dat zowel patiënten als artsen en verpleegkundigen profijt kúnnen hebben van eHealth-interventies en technologische oplossingen bij zorgmanagementondersteuning. Maar de zorg moet dan wel anders ingericht worden. “En daarbij gaat het niet alleen om technologie, maar ook om een cultuurverandering. Een voorbeeld: artsen hebben de neiging om de resultaten van thuismetingen op het spreekuur te negeren, ze gaan bij voorkeur af op gegevens die ze zelf verzamelen. Het zou heel normaal moeten zijn dat een arts of verpleegkundige informeert naar wat de patiënt heeft bijgehouden en die gegevens dan samen doorneemt. Maar bovenal moeten artsen en verpleegkundigen paternalisme vaarwel zeggen, de patiënt als expert zien en aansluiten bij wat hij of zij wil. Die houding moeten wij oefenen. Pas dan kan eHealth een goede plek krijgen in de zorgketen.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Tien principes voor regionale samenwerking rond doelmatig geneesmiddelgebruik

Hoe geef je succesvol vorm aan regionale samenwerking? Het RIVM onderzoekt dit op verschillende fronten. Om te beginnen zijn nu tien leidende principes in kaart gebracht voor verbetering van regionale samenwerking om veilig geneesmiddelengebruik en doelmatig voorschrijven van medicatie te bevorderen.

Een betere inrichting van preventie, zorg en welzijn. Hogere kwaliteit van zorg, betere gezondheid en lagere kosten. Met die doelen voor ogen zijn in de afgelopen jaren regionale samenwerkingsverbanden ontstaan. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) volgt sinds 2013 een aantal van deze regionale initiatieven, namelijk de proeftuinen ‘Betere zorg met minder kosten’. Een van de hoofdvragen daarvan is: ‘Hoe geef je succesvol vorm aan regionale samenwerking?’

“Een van de eerste concrete interventies van deze regionale samenwerkingsverbanden was betere en meer efficiënte farmaceutische zorg”, zegt onderzoeker Hanneke Drewes, coördinator van de landelijke monitor proeftuinen van het RIVM. “Wij hebben in zeven regionale initiatieven onderzocht hoe die samenwerking rondom farmaceutische zorg tot stand is gekomen”, vertelt Betty Steenkamer, die promotieonderzoek verricht bij Caroline Baan, hoofd van de RIVM-afdeling Kwaliteit van Zorg en Gezondheidseconomie en hoogleraar integrale gezondheidszorg aan de Tilburg Universiteit.

Leidende principes

De onderzoekers spraken met dertig personen over de regionale samenwerking rondom doelmatig geneesmiddelengebruik. Het ging om huisartsen, apothekers, internisten, cardiologen, vertegenwoordigers van Zorgbelang, representanten van zorgverzekeraars en projectmanagers. Verder onderzochten ze wat op papier was gezet. Welke afspraken lagen er bijvoorbeeld en hoe waren de processen ingericht?

Het resultaat: tien leidende principes die een inspiratiebron kunnen zijn voor andere regionale samenwerkingsverbanden. Tien principes die, zo stelt Baan, de organisatie van goede samenwerking onderbouwen wanneer ze in samenhang worden geïmplementeerd. En waarschijnlijk eveneens toepasbaar zijn op andere terreinen dan dat van geneesmiddelen”, aldus Drewes.

  1. Organiseer commitment op basis van een langetermijnvisie
  2. Organiseer samenwerkingen met coöperatie en representatie op bestuurlijk niveau
  3. Maak gebruik van een gelaagde governance-structuur
  4. Creëer bewustzijn op alle niveaus
  5. Organiseer interpersoonlijke relaties op alle niveaus
  6. Richt een lerende omgeving in
  7. Organiseer gezamenlijke verantwoordelijkheid
  8. Stem financiële strategieën af op de markt
  9. Organiseer gezamenlijke voordelen
  10. Toets regionale afspraken aan landelijk beleid en landelijke wet- en regelgeving
Meer inzicht

De kracht zit hem in de inzichten uit de ervaringen van de proeftuinen die ónder de tien principes liggen, vertelt Steenkamer. Inzicht in deze details geeft je de mogelijkheid de strategie vorm te geven die past bij jouw omgeving.”

Download voor meer inzicht het volledige artikel.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Hoe waarderen patiënten het chronische zorgprogramma?

SGE en zorggroep DOH hebben in 2016 een integraal klantervaringsonderzoek uitgevoerd onder chronische patiënten. Dat aspect wordt wel de missing link genoemd binnen Triple Aim.

Kwaliteit, kosten en klantervaringen zijn de pijlers onder Triple Aim. En hoewel het begrip niet meer weg te denken is in de Nederlandse gezondheidszorg, is een kritische beschouwing op zijn plaats.

Kwaliteit

De kwaliteit meten SGE en DOH al bijna tien jaar. Hoewel er soms wijzigingen zijn in de indicatoren, bestaat er over het algemeen een goed beeld van de kwaliteit van de zorgprogramma’s diabetes, COPD, astma en CVRM. De Eindhovense zorgorganisaties nemen ook deel aan de landelijke benchmark van InEen.

Kosten

Het onderdeel kosten is minder ver ontwikkeld. De zorggroepen hebben zicht op hun eigen kosten, maar niet op de integrale kosten van de verschillende patiëntgroepen.

Klantervaringen

Klantervaringen zullen met de voortschrijdende persoonsgerichte zorg wellicht de ultieme resultaatsparameter worden. Tot op heden wordt echter door weinig organisaties de klanttevredenheid binnen de huisartsen- en multidisciplinaire zorg, structureel gemeten.

In samenwerking met InEen, kennisinstituut IQ Healthcare (Radboudumc), Stichting Miletus en Qualizorg hebben SGE en DOH een nieuwe vragenlijst ontwikkeld, getest en onderzocht. Bij DOH zijn twee verschillende antwoordcategorieën getest, bij SGE het verschil tussen het laatste contact en de klanttevredenheid gedurende het gehele zorgprogramma. De meting is volledig digitaal uitgevoerd.

Resultaten

Uit het onderzoek blijkt dat de vragenlijst geschikt is voor toepassing in de praktijk. Bij zorggroep DOH heeft bijna 30 procent van de patiënten de vragenlijst ingevuld. De feedbackrapporten laten de ervaringen zien van de patiënten in de praktijken en per type zorgverlener. De net promotor score (NPS) toont de klantloyaliteit. Met een NPS van 20 over het totaal heeft DOH een prima score. In de resultaten wordt een verbeterpotentieel per praktijk weergegeven in vergelijking met de drie hoogst scorende praktijken.

Bij SGE was de respons 21 procent. De NPS over het laatste contact lag op niveau van het gezondheidscentrum tussen de 13 en de 36. De NPS over het gehele zorgprogramma lag op het niveau van het gezondheidscentrum tussen de -2 en 18. De resultaten worden teruggekoppeld naar de afzonderlijke gezondheidscentra.

Hoe verder?

Hoewel er nu naast inzicht in kwaliteit en (in mindere mate) kosten ook inzicht bestaat in de klantervaringen, is het hieraan verbinden van uitkomsten nog een brug te ver. Dat komt omdat de onderzoekspopulatie niet dezelfde is. Toch is het waardevol. Bij DOH zal in ieder geval in 2017 eenzelfde meting plaatsvinden om te kunnen vergelijken. Voor de toekomst wordt continue meting overwogen.

SGE heeft nog niet besloten over het vervolg, maar dat er kwaliteitswinst te behalen is met het meten van klantervaringen staat voor beide zorgorganisaties vast.

Auteurs: Jessica Werther (DOH) en Marian Gersen (SGE)

Download het volledige artikel hier:

Ethische vraagstukken bij zelfmanagement

In de veronderstelling dat de hedendaagse chronische patiënt als een autonome en rationele solist door het leven gaat, propageren politici zelfmanagement. Die aanname wordt gretig opgepikt en iedereen gaat geloven dat het zo werkt. In het vijfde deel van de serie Zelfmanagement in samenwerking met ZonMw kijkt Jeannette Pols, bijzonder hoogleraar Social Theory, humanism and materialities aan de Universiteit van Amsterdam en de sectie medische ethiek van het AMC, met open blik naar het zorgveld.

‘Meer bewegen, zelf meten? Daar ga ik op mijn leeftijd niet meer aan beginnen, dokter…’ Het model van zelfmanagement past niet iedereen. Dat roept ethische vraagstukken op, zegt Pols. “Het uitgangspunt moet zijn dat mensen het willen. Als iemand met COPD zegt dat stoppen met roken geen haalbare kaart is, dan ga je als zorgverlener onderhandelen. Wat wil hij wel? En wat kan hij wel? En dáár begin je, vergeet heroïsche gedragsveranderingen, zoek de middenweg, probeer het stapje voor stapje.”

Schijnveiligheid

Pols vertelt over een project voor mensen met hartfalen. Dagelijks maten ze keurig hun gewicht en bloeddruk. Verpleegkundigen in een callcenter hielden bij of er grenswaarden overschreden werden en grepen zo nodig in. “Na het invoeren van hun gegevens, leunden de patiënten tevreden achterover. Ze gingen niet aan de slag met de resultaten, dat konden de verpleegkundigen beter. Patiënten waanden zich veilig en werden juist passiever.” Niet alleen is zelfmanagement hier ver te zoeken, er rijst ook een ethisch dilemma. “De veiligheid die mensen voelen doordat de verpleegkundige een oogje in het zeil houdt, is schijnveiligheid.”

Verbinding

Pols ziet meer ethische dilemma’s en concludeert: zelfmanagement opdringen is altijd uit den boze. “Het is gemakkelijk gezegd: u moet beslissen. Mensen kunnen dan voor vraagstukken komen te staan die ze niet alleen kunnen oplossen. De patiënt heeft het laatste woord, maar de dokter mag niet in de coulissen verdwijnen.”

Het beeld van het rationele, zelfmanagende individu klopt niet, stelt Pols. “Zeker als we ziek zijn, willen we schouderklopjes, nabijheid en steun. Dat lijkt een verstandiger uitgangspunt dan het op het individu gerichte zelfmanagement.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Ontwikkelen van eigen kracht

Gemeenten, zorgaanbieders en onderwijs moeten er sinds 2015 samen voor zorgen dat jongeren veilig en gezond kunnen opgroeien. Het ontwikkelen van eigen kracht en eigen regie is daarbij een kernbegrip. ST-RAW brengt enerzijds wetenschap dichter bij praktijk en beleid en zet anderzijds praktijk en beleid aan tot reflectie. Coördinator Wilma Jansen brengt de lijntjes bij elkaar. 

In de artikelenserie Zelfmanagement van ZonMw en De Eerstelijns presenteren wetenschappers een breed palet aan inzichten en visies. De vierde aflevering gaat in op de vraag welke kennis gemeenten en praktijkinstellingen nodig hebben bij hun nieuwe rol in het jeugdstelsel. ST-RAW (www.st-raw.nl) brengt die partijen samen.

Jansen en haar collega’s gebruiken het woord zelfmanagement overigens zelden. Zij spreken doorgaans over de eigen kracht van jongeren en gezinnen, over eigen regie en zelf verantwoordelijkheid nemen. Of zelf bepalen hoe je hulptraject eruitziet. Dat gebeurt ook bij ‘Mijn Pad’, een begeleidingsmethodiek voor jongeren met ernstige gedragsproblemen in de residentiële jeugdzorg. Jansen: “In feite is het een vragenboekje en een app die eigendom zijn van de jongere zelf. Waar willen ze het met hun hulpverlener over hebben? Wat willen ze veranderen? En welke stappen zijn daarvoor nodig?”

Het is een van de talrijke projecten die bij wijze van spreken onder de academische werkplaats hangen, legt Jansen uit. “Wij hebben veertien kennispartners, die samen veel onderzoek hebben gedaan en over veel kennis beschikken. Die kennis brengen we samen en delen we om zo het werkveld verder te helpen.”

Kansrijk

De transformatie in de jeugdzorg moet ertoe leiden dat zoveel mogelijk kinderen in de regio Rijnmond zich kansrijk ontwikkelen. Om de transformatie te ondersteunen stroomlijnt ST-RAW zijn werk via vijf projecten. Eén daarvan is ‘De kracht van preventie’. De eerste drie artikelen van deze serie lieten zien hoe belangrijk steun van de omgeving is bij zelfmanagement. Ook bij ‘Ouders in actie’, ontwikkeld door het Centrum voor Jeugd en Gezin Rijnmond, komt dat naar voren.

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Zelfmanagement bij chronische ziekten

In acht artikelen verkennen we verschillende aspecten van zelfmanagement. ZonMw deelt hierin de resultaten van onderzoek en ontwikkelprojecten. In deel drie is NIVEL-onderzoeker Monique Heijmans aan het woord, een van de pioniers in het onderzoek naar zelfmanagement. Zij kijkt vooral vanuit het perspectief van patiënten en is projectleider van het Nationaal Panel Chronisch Zieken en Gehandicapten.

De twee wetenschappers die eerder in deze serie aan het woord kwamen, Jaap Trappenburg en Yvonne Heerkens, constateerden dat de hoge verwachtingen rond zelfmanagement slechts ten dele waargemaakt worden. Heijmans sluit zich daarbij aan. “Op medische aspecten als bloedsuikerwaarden, bloeddruk en longfunctie zien we een duidelijk positief effect. Die betere klinische waarden zijn een vrij hard gegeven. Maar leidt zelfmanagement er ook toe dat mensen zich in het dagelijkse leven beter staande kunnen houden? Vallen ze minder snel uit op hun werk? Maken ze minder gebruik van zorg? Dat weten we niet, want dat is nog onvoldoende onderzocht of de bewijzen zijn niet eenduidig.”

Heijmans vindt dat zelfmanagement breder is dan alleen medisch management. De kern is het inpassen van ziekte en beperkingen in het leven als geheel. “Het gaat er vooral om hoe mensen hun ziekte een plek geven in hun leven en welke zorg ze daarbij zelf willen inzetten en hoe ze omgaan met de langetermijngevolgen en veranderde toekomstverwachtingen.” Waarom dat de ene mens beter lukt dan de andere, is een vraag die de NIVEL-onderzoeker al twintig jaar intrigeert.

Patiëntprofielen

De effectiviteit van zelfmanagement zou niet alleen afgemeten moeten worden aan medische criteria, maar ook aan maatstaven die de patiënt als belangrijk ervaart. “Zelfmanagement op maat ontbreekt nog. Aan de hand van patiëntprofielen probeert men tegenwoordig binnen de grote groep chronisch zieken verschillende factoren te onderscheiden die de individuele verschillen tussen mensen verklaren. Als je dat weet, kun je subgroepen onderkennen en weet je ook welke groepen meer baat hebben bij zelfmanagementondersteuning dan andere. Zo kun je zelfmanagementondersteuning gerichter, efficiënter en effectiever inzetten. Die differentiatie gebeurt nog veel te weinig.”

Investeringen

Aantonen dat zelfmanagement werkt, hoe ingewikkeld dat ook is, vindt Heijmans noodzakelijk. “Zelfmanagement komt moeizaam van de grond in de zorgpraktijk. Professionals en bestuurders twijfelen, want het vraagt een andere manier van handelen en dat vergt investeringen in opleiding en scholing en op korte termijn in extra personeel en materiaal. Om hen over de streep te trekken, moet duidelijk worden dat het werkt en dat het zich op de lange duur vertaalt in positieve effecten en kostenbesparing.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Fragmentatie dreigt voor dementiezorg

Uit onderzoek van VUmc en AMC blijkt dat een gespecialiseerde casemanager dementie binnen een dementieketen van enorme toegevoegde waarde is voor thuiswonende mensen met dementie en hun mantelzorgers. Door wijziging in de financiering vallen die ketens echter uiteen. Volgens onderzoeker Hein van Hout is een interessant alternatief dat zorggroepen dementiezorg integreren in hun ketens.

Hein van Hout is verbonden aan de vakgroep huisarts- en ouderengeneeskunde van het VUmc. In november publiceerde hij, samen met andere onderzoekers van VUmc en AMC, in het Tijdschrift voor Gerontologie en Geriatrie de resultaten van hun COMPAS-studie naar de effecten van dementieketens met gespecialiseerde begeleiding voor thuiswonende mensen met dementie en hun mantelzorgers. Het is een pleidooi voor de casemanager dementie: een gespecialiseerde verpleegkundige met aanvullende scholing op het gebied van dementiezorg in een geïntegreerde keten. Het is voor het eerst dat dit effect is onderzocht, terwijl dergelijke casemanagers al jaren werkzaam waren in de ouderenzorg. Tot 2015 werden ze veelal gefinancierd vanuit projectpotjes. Na de transitie viel de financiering voor casemanagement dementiezorg onder het algemene budget voor wijkverpleging. “Dat leek geweldig, maar heeft onbedoeld het uiteenvallen van veel langlopende ketens in de hand gewerkt. Want financiering voor samenwerking ontbreekt”, zo constateert Van Hout.

“Patiënten die worden bijgestaan door een casemanager hebben minder gezondheidsproblemen, en hun mantelzorgers minder stress”, zegt Hein van Hout. En dat komt ook de maatschappij ten goede. Uit de studie blijkt dat langdurige begeleiding van thuiswonende mensen met dementie flinke besparingen kan opleveren: van 11.000 tot 16.000 euro per jaar per persoon. Eén casemanager, die vijftig cliënten begeleidt, kan de samenleving dus jaarlijks 5,5 tot acht ton besparen. “Dat komt onder meer doordat casemanagers de mantelzorgers veel regelwerk en uitzoekwerk uit handen nemen. En dat scheelt heel veel tijd en stress”, legt Hein van Hout uit.

Gespecialiseerde organisatie

Van Hout volgde drie groepen thuiswonenden met dementie: een groep die gebruikelijke zorg kreeg zonder casemanager, een groep die zorg kreeg vanuit een netwerk en een groep die zorg kreeg van casemanagers binnen een geïntegreerd, multifunctioneel expertteam binnen de eigen organisatie. In het zogenaamde ‘netwerkmodel’ delen samenwerkende thuiszorgorganisaties een wachtlijst, ze delen expertise en casemanagers kunnen advies vragen aan externe experts – zoals een geriater. Vergeleken met de controlegroep bleken de zorgkosten lager als personen worden begeleid vanuit een netwerk (22 procent), maar vooral vanuit een gespecialiseerde organisatie (33 procent).

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Zelfmanagement en arbeidsparticipatie

In acht artikelen verkennen we verschillende aspecten van zelfmanagement. ZonMw deelt hierin de resultaten van onderzoek en ontwikkelprojecten. In deel twee staat het groeiend aantal werknemers met een chronische ziekte centraal. Waar lopen ze tegenaan? En hoe kunnen ze optimaal meedoen op de arbeidsmarkt? Yvonne Heerkens onderzoekt hoe zelfmanagement kwetsbare mensen kan helpen om met plezier aan het werk te blijven, nu en in de toekomst.

In het eerste artikel over zelfmanagement vertelde UMCU-onderzoeker Jaap Trappenburg hoe het concept zelfmanagement omstreeks de eeuwwisseling uit Amerika kwam overwaaien. Ook het lectoraat Arbeid & Gezondheid van de HAN richtte de blik op Amerika. Aan Stanford University ontwikkelde Kate Lorig een zelfmanagementprogramma voor mensen met een chronische aandoening. Het lectoraat pakte dit programma op en paste het aan voor werkenden met een chronische ziekte en later specifiek voor mensen met klachten van arm, nek en schouder onder de naam Grip op KANS. Momenteel wordt het programma verbreed naar kwetsbare werkenden met andere aandoeningen. Zo deed BijnierNET, een platform van en voor mensen met ziekten aan de bijnieren, een beroep op Heerkens. Het platform kreeg signalen dat werkenden met een chronische endocriene ziekte te maken krijgen met (zorg)professionals die onvoldoende zicht hebben op de specifieke problemen die zij op hun werk ervaren. BijnierNET heeft ook een project voor jongeren die op de drempel van volwassenheid merken dat hun bijnierziekte opleiding en werk in de weg staat. In het onderzoek van het lectoraat gaat veel aandacht uit naar stress. Stress kan ontstaan door het werk, door privéomstandigheden of door een combinatie van beide. Ervaren stress kan grote invloed hebben op het werk.

Uitval voorkomen

Momenteel zijn er 5,3 miljoen Nederlanders met een chronische ziekte, onder wie 2,3 miljoen werkenden. Eén op de vijf werkenden heeft een of meer chronische ziekten. Het in maart 2016 uitgebrachte SER-advies Werk: van belang voor iedereen, stelt de actuele vraag hoe je mensen aan het werk houdt nu werkenden met een chronische ziekte steeds langer actief blijven. Het wegwerken van obstakels is huiswerk voor alle betrokkenen, luidt het antwoord. In de eerste plaats voor de werkende zelf. Maar hoe? Heerkens legt uit dat zelfmanagement een belangrijk hulpmiddel kan zijn. “De werknemer moet de symptomen begrijpen, hoe die zijn werk kunnen beïnvloeden en omgekeerd: hoe het werk van invloed kan zijn op de symptomen.” Door zelfmanagement krijgen mensen niet zozeer minder klachten, zegt Heerkens, maar weten ze beter hoe ze ermee om moeten gaan.

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Patiënten met boezemfibrilleren op controle bij de huisarts

Huisarts Bob Meijer en cardioloog René van Dijk uit Groningen besloten samen te onderzoeken of patiënten met boezemfibrilleren de juiste zorg op de juiste plek krijgen. In een pilot met vier huisartsenpraktijken in Noord-Groningen werd een model ontwikkeld om de zorg – indien mogelijk en gewenst – naar de eerste lijn te verplaatsen. Een ICT-tool ondersteunt de screening van patiënten in de huisartsenpraktijk.

Boezemfibrilleren komt veel voor. Een goede behandeling is van belang en meestal niet complex. Dat maakt het een interessant ziektebeeld voor substitutie van de tweede naar de eerste lijn. Huisarts Bob Meijer wilde weten welke patiënten hij had, of het in alle gevallen noodzakelijk was om controles in het ziekenhuis uit te voeren en of zijn patiënten conform de richtlijn werden behandeld. In cardioloog René van Dijk vond hij de ideale partner. Van Dijk is naast cardioloog ook mede-ontwikkelaar van software gericht op onder meer het behandelen van boezemfibrilleren. Het Disease Management Systeem Atriumfibrilleren, dat zich bewezen heeft op de poli’s voor atriumfibrilleren in Groningen en Maastricht, werd ook ingezet bij de pilot in de Groningse huisartsenpraktijken.

Boezemfibrillerenpoli

Voor de pilot selecteerden de huisartsen in overleg met de cardioloog patiënten met boezemfibrilleren die onder controle waren bij zowel de huisarts als de specialist. Zij werden uitgenodigd voor een eenmalig onderzoek in een tijdelijke boezemfibrillerenpoli in de huisartsenpraktijk. Voorafgaand aan hun komst werd de relevante medische historie ingevoerd in het Disease Management Systeem Atriumfibrilleren. De patiënten vulden een digitale anamnese in en bespraken deze met de cardioloog of physician assistant. Er werd lichamelijk onderzoek gedaan en er werden een ECG en een echo gemaakt. Alle resultaten kwamen samen in het Disease Management Systeem en zo ontstond een overzichtelijk profiel van de patiënt. Dit resultaat besprak de cardioloog met de patiënt. Van ieder onderzoek werd een verslag gemaakt voor de huisarts.

Resultaten

“Over het algemeen was de zorg vanuit de huisartsenpraktijk goed op orde”, vat Meijer samen. 64 van de 79 in het onderzoek geïncludeerde patiënten werden volgens de richtlijn behandeld. Met de antistolling bleek het minder goed gesteld: bij 38 patiënten (48 procent) was deze niet optimaal. De vraag of de patiënt ook verantwoord door de eigen huisarts kan worden gecontroleerd, werd in bijna alle gevallen (92 procent) positief beantwoord.

De bevindingen uit de pilot zijn veelbelovend, vindt Van Dijk. “Het is gelukt om substantiële substitutie samen te laten gaan met een verbetering van de zorg. Bovendien vinden veel patiënten het prettig om in de huisartsenpraktijk te blijven voor de controles.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Zeg maar dag tegen diabetes

Diabetes type 1 heeft grote impact op het leven van kind en omgeving. Nieuwe inzichten in de oorzaak leiden tot effectievere therapieën. Over vijf jaar kunnen de eerste patiënten genezen zijn. Met dank aan wetenschappelijk onderzoek en toepassing van eHealth. Arts en onderzoeker Henk-Jan Aanstoot van behandelcentrum Diabeter is hiervan overtuigd.

Over een aantal jaren hoeft diabetes type 1 geen aandoening meer te zijn die een zware wissel trekt op het leven van de patiënt. Dan hebben patiënten spuit en pomp omgeruild voor een automatische alvleesklier die zorgt voor de juiste bloedsuikerwaarde in het lichaam. “Over vijf jaar lopen patiënten rond met zo’n ‘automaat’ en is hun leven definief veranderd. De volgende stap is genezing”, zo stelt Henk-Jan Aanstoot, kinderarts, diabetoloog, onderzoeker en oprichter van behandelcentrum Diabeter.

Voor de behandeling van diabetes is geen ziekenhuisomgeving nodig, zo dacht Dr. Henk-Jan Aanstoot toen hij samen met Henk Veeze in 2006 Diabeter in Rotterdam startte, waar wetenschappelijk onderzoek de basis moet vormen voor zinvolle zorgvernieuwing. Tien jaar later is Diabeter gegroeid van één naar vijf locaties. Maar belangrijker nog: het zorgbedrijf maakt het verschil voor diabetespatiënten in Nederland.

Doorbraak in onderzoek

Door een fout van het afweersysteem is bij type 1 diabetes de insulineproductie kapot. Cellen van het afweersysteem vallen de zogenaamde bètacellen in de alvleesklier aan. Het lichaam kan niet voldoende insuline maken. Sinds kort is er een doorbraak in onderzoek naar type 1: het is niet een en dezelfde ziekte, maar bestaat uit varianten. Een onderzoek van Diabeter richt zich op het vinden van een verklaring waarom type 1 diabetes in verschillende verschijningsvormen voorkomt. “We zoeken naar merkstoffen in het bloed, biomarkers, die deze verscheidenheid aangeven. Als we nieuwe biomarkers opsporen, begrijpen we de ziekte beter. Biomarkers zijn nodig om de beste behandeling voor ieder individu te vinden. We zijn al lang het laboratorium uit en testen nieuwe therapieën bij kinderen met type 1. Op termijn levert dat nieuwe behandelmogelijkheden op. Nu we weten dat diabetes niet één en hetzelfde ziektebeeld is, zal er ook niet één manier zijn van genezing. We gaan naar behandeling op maat.”

Ondertussen richt de behandeling zich op het verbeteren van de insulinepomp en sensortechnologie. Deze technologie is al ver. “Een sensor op het lichaam – maar ook gegevens uit een glucosemeter of een insulinepomp –  meet continu de bloedsuikerwaarde en stuurt via de smartphone data naar de cloud. We kunnen zo persoonlijke adviezen geven. Met deze cloudcare gebruiken we persoonlijke data voor advies op maat. Of neem de hybride alvleesklier: een apparaat dat met een continu metende sensor en een algoritme te lage (hypo) en te hoge (hyper) waardes voorkomt door tijdig de insulinedosis aan te passen.”

Auteur: Niels van Haarlem

Download het volledige artikel hier: