Ontwikkelen van eigen kracht

Gemeenten, zorgaanbieders en onderwijs moeten er sinds 2015 samen voor zorgen dat jongeren veilig en gezond kunnen opgroeien. Het ontwikkelen van eigen kracht en eigen regie is daarbij een kernbegrip. ST-RAW brengt enerzijds wetenschap dichter bij praktijk en beleid en zet anderzijds praktijk en beleid aan tot reflectie. Coördinator Wilma Jansen brengt de lijntjes bij elkaar. 

In de artikelenserie Zelfmanagement van ZonMw en De Eerstelijns presenteren wetenschappers een breed palet aan inzichten en visies. De vierde aflevering gaat in op de vraag welke kennis gemeenten en praktijkinstellingen nodig hebben bij hun nieuwe rol in het jeugdstelsel. ST-RAW (www.st-raw.nl) brengt die partijen samen.

Jansen en haar collega’s gebruiken het woord zelfmanagement overigens zelden. Zij spreken doorgaans over de eigen kracht van jongeren en gezinnen, over eigen regie en zelf verantwoordelijkheid nemen. Of zelf bepalen hoe je hulptraject eruitziet. Dat gebeurt ook bij ‘Mijn Pad’, een begeleidingsmethodiek voor jongeren met ernstige gedragsproblemen in de residentiële jeugdzorg. Jansen: “In feite is het een vragenboekje en een app die eigendom zijn van de jongere zelf. Waar willen ze het met hun hulpverlener over hebben? Wat willen ze veranderen? En welke stappen zijn daarvoor nodig?”

Het is een van de talrijke projecten die bij wijze van spreken onder de academische werkplaats hangen, legt Jansen uit. “Wij hebben veertien kennispartners, die samen veel onderzoek hebben gedaan en over veel kennis beschikken. Die kennis brengen we samen en delen we om zo het werkveld verder te helpen.”

Kansrijk

De transformatie in de jeugdzorg moet ertoe leiden dat zoveel mogelijk kinderen in de regio Rijnmond zich kansrijk ontwikkelen. Om de transformatie te ondersteunen stroomlijnt ST-RAW zijn werk via vijf projecten. Eén daarvan is ‘De kracht van preventie’. De eerste drie artikelen van deze serie lieten zien hoe belangrijk steun van de omgeving is bij zelfmanagement. Ook bij ‘Ouders in actie’, ontwikkeld door het Centrum voor Jeugd en Gezin Rijnmond, komt dat naar voren.

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Zelfmanagement bij chronische ziekten

In acht artikelen verkennen we verschillende aspecten van zelfmanagement. ZonMw deelt hierin de resultaten van onderzoek en ontwikkelprojecten. In deel drie is NIVEL-onderzoeker Monique Heijmans aan het woord, een van de pioniers in het onderzoek naar zelfmanagement. Zij kijkt vooral vanuit het perspectief van patiënten en is projectleider van het Nationaal Panel Chronisch Zieken en Gehandicapten.

De twee wetenschappers die eerder in deze serie aan het woord kwamen, Jaap Trappenburg en Yvonne Heerkens, constateerden dat de hoge verwachtingen rond zelfmanagement slechts ten dele waargemaakt worden. Heijmans sluit zich daarbij aan. “Op medische aspecten als bloedsuikerwaarden, bloeddruk en longfunctie zien we een duidelijk positief effect. Die betere klinische waarden zijn een vrij hard gegeven. Maar leidt zelfmanagement er ook toe dat mensen zich in het dagelijkse leven beter staande kunnen houden? Vallen ze minder snel uit op hun werk? Maken ze minder gebruik van zorg? Dat weten we niet, want dat is nog onvoldoende onderzocht of de bewijzen zijn niet eenduidig.”

Heijmans vindt dat zelfmanagement breder is dan alleen medisch management. De kern is het inpassen van ziekte en beperkingen in het leven als geheel. “Het gaat er vooral om hoe mensen hun ziekte een plek geven in hun leven en welke zorg ze daarbij zelf willen inzetten en hoe ze omgaan met de langetermijngevolgen en veranderde toekomstverwachtingen.” Waarom dat de ene mens beter lukt dan de andere, is een vraag die de NIVEL-onderzoeker al twintig jaar intrigeert.

Patiëntprofielen

De effectiviteit van zelfmanagement zou niet alleen afgemeten moeten worden aan medische criteria, maar ook aan maatstaven die de patiënt als belangrijk ervaart. “Zelfmanagement op maat ontbreekt nog. Aan de hand van patiëntprofielen probeert men tegenwoordig binnen de grote groep chronisch zieken verschillende factoren te onderscheiden die de individuele verschillen tussen mensen verklaren. Als je dat weet, kun je subgroepen onderkennen en weet je ook welke groepen meer baat hebben bij zelfmanagementondersteuning dan andere. Zo kun je zelfmanagementondersteuning gerichter, efficiënter en effectiever inzetten. Die differentiatie gebeurt nog veel te weinig.”

Investeringen

Aantonen dat zelfmanagement werkt, hoe ingewikkeld dat ook is, vindt Heijmans noodzakelijk. “Zelfmanagement komt moeizaam van de grond in de zorgpraktijk. Professionals en bestuurders twijfelen, want het vraagt een andere manier van handelen en dat vergt investeringen in opleiding en scholing en op korte termijn in extra personeel en materiaal. Om hen over de streep te trekken, moet duidelijk worden dat het werkt en dat het zich op de lange duur vertaalt in positieve effecten en kostenbesparing.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Fragmentatie dreigt voor dementiezorg

Uit onderzoek van VUmc en AMC blijkt dat een gespecialiseerde casemanager dementie binnen een dementieketen van enorme toegevoegde waarde is voor thuiswonende mensen met dementie en hun mantelzorgers. Door wijziging in de financiering vallen die ketens echter uiteen. Volgens onderzoeker Hein van Hout is een interessant alternatief dat zorggroepen dementiezorg integreren in hun ketens.

Hein van Hout is verbonden aan de vakgroep huisarts- en ouderengeneeskunde van het VUmc. In november publiceerde hij, samen met andere onderzoekers van VUmc en AMC, in het Tijdschrift voor Gerontologie en Geriatrie de resultaten van hun COMPAS-studie naar de effecten van dementieketens met gespecialiseerde begeleiding voor thuiswonende mensen met dementie en hun mantelzorgers. Het is een pleidooi voor de casemanager dementie: een gespecialiseerde verpleegkundige met aanvullende scholing op het gebied van dementiezorg in een geïntegreerde keten. Het is voor het eerst dat dit effect is onderzocht, terwijl dergelijke casemanagers al jaren werkzaam waren in de ouderenzorg. Tot 2015 werden ze veelal gefinancierd vanuit projectpotjes. Na de transitie viel de financiering voor casemanagement dementiezorg onder het algemene budget voor wijkverpleging. “Dat leek geweldig, maar heeft onbedoeld het uiteenvallen van veel langlopende ketens in de hand gewerkt. Want financiering voor samenwerking ontbreekt”, zo constateert Van Hout.

“Patiënten die worden bijgestaan door een casemanager hebben minder gezondheidsproblemen, en hun mantelzorgers minder stress”, zegt Hein van Hout. En dat komt ook de maatschappij ten goede. Uit de studie blijkt dat langdurige begeleiding van thuiswonende mensen met dementie flinke besparingen kan opleveren: van 11.000 tot 16.000 euro per jaar per persoon. Eén casemanager, die vijftig cliënten begeleidt, kan de samenleving dus jaarlijks 5,5 tot acht ton besparen. “Dat komt onder meer doordat casemanagers de mantelzorgers veel regelwerk en uitzoekwerk uit handen nemen. En dat scheelt heel veel tijd en stress”, legt Hein van Hout uit.

Gespecialiseerde organisatie

Van Hout volgde drie groepen thuiswonenden met dementie: een groep die gebruikelijke zorg kreeg zonder casemanager, een groep die zorg kreeg vanuit een netwerk en een groep die zorg kreeg van casemanagers binnen een geïntegreerd, multifunctioneel expertteam binnen de eigen organisatie. In het zogenaamde ‘netwerkmodel’ delen samenwerkende thuiszorgorganisaties een wachtlijst, ze delen expertise en casemanagers kunnen advies vragen aan externe experts – zoals een geriater. Vergeleken met de controlegroep bleken de zorgkosten lager als personen worden begeleid vanuit een netwerk (22 procent), maar vooral vanuit een gespecialiseerde organisatie (33 procent).

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Zelfmanagement en arbeidsparticipatie

In acht artikelen verkennen we verschillende aspecten van zelfmanagement. ZonMw deelt hierin de resultaten van onderzoek en ontwikkelprojecten. In deel twee staat het groeiend aantal werknemers met een chronische ziekte centraal. Waar lopen ze tegenaan? En hoe kunnen ze optimaal meedoen op de arbeidsmarkt? Yvonne Heerkens onderzoekt hoe zelfmanagement kwetsbare mensen kan helpen om met plezier aan het werk te blijven, nu en in de toekomst.

In het eerste artikel over zelfmanagement vertelde UMCU-onderzoeker Jaap Trappenburg hoe het concept zelfmanagement omstreeks de eeuwwisseling uit Amerika kwam overwaaien. Ook het lectoraat Arbeid & Gezondheid van de HAN richtte de blik op Amerika. Aan Stanford University ontwikkelde Kate Lorig een zelfmanagementprogramma voor mensen met een chronische aandoening. Het lectoraat pakte dit programma op en paste het aan voor werkenden met een chronische ziekte en later specifiek voor mensen met klachten van arm, nek en schouder onder de naam Grip op KANS. Momenteel wordt het programma verbreed naar kwetsbare werkenden met andere aandoeningen. Zo deed BijnierNET, een platform van en voor mensen met ziekten aan de bijnieren, een beroep op Heerkens. Het platform kreeg signalen dat werkenden met een chronische endocriene ziekte te maken krijgen met (zorg)professionals die onvoldoende zicht hebben op de specifieke problemen die zij op hun werk ervaren. BijnierNET heeft ook een project voor jongeren die op de drempel van volwassenheid merken dat hun bijnierziekte opleiding en werk in de weg staat. In het onderzoek van het lectoraat gaat veel aandacht uit naar stress. Stress kan ontstaan door het werk, door privéomstandigheden of door een combinatie van beide. Ervaren stress kan grote invloed hebben op het werk.

Uitval voorkomen

Momenteel zijn er 5,3 miljoen Nederlanders met een chronische ziekte, onder wie 2,3 miljoen werkenden. Eén op de vijf werkenden heeft een of meer chronische ziekten. Het in maart 2016 uitgebrachte SER-advies Werk: van belang voor iedereen, stelt de actuele vraag hoe je mensen aan het werk houdt nu werkenden met een chronische ziekte steeds langer actief blijven. Het wegwerken van obstakels is huiswerk voor alle betrokkenen, luidt het antwoord. In de eerste plaats voor de werkende zelf. Maar hoe? Heerkens legt uit dat zelfmanagement een belangrijk hulpmiddel kan zijn. “De werknemer moet de symptomen begrijpen, hoe die zijn werk kunnen beïnvloeden en omgekeerd: hoe het werk van invloed kan zijn op de symptomen.” Door zelfmanagement krijgen mensen niet zozeer minder klachten, zegt Heerkens, maar weten ze beter hoe ze ermee om moeten gaan.

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Patiënten met boezemfibrilleren op controle bij de huisarts

Huisarts Bob Meijer en cardioloog René van Dijk uit Groningen besloten samen te onderzoeken of patiënten met boezemfibrilleren de juiste zorg op de juiste plek krijgen. In een pilot met vier huisartsenpraktijken in Noord-Groningen werd een model ontwikkeld om de zorg – indien mogelijk en gewenst – naar de eerste lijn te verplaatsen. Een ICT-tool ondersteunt de screening van patiënten in de huisartsenpraktijk.

Boezemfibrilleren komt veel voor. Een goede behandeling is van belang en meestal niet complex. Dat maakt het een interessant ziektebeeld voor substitutie van de tweede naar de eerste lijn. Huisarts Bob Meijer wilde weten welke patiënten hij had, of het in alle gevallen noodzakelijk was om controles in het ziekenhuis uit te voeren en of zijn patiënten conform de richtlijn werden behandeld. In cardioloog René van Dijk vond hij de ideale partner. Van Dijk is naast cardioloog ook mede-ontwikkelaar van software gericht op onder meer het behandelen van boezemfibrilleren. Het Disease Management Systeem Atriumfibrilleren, dat zich bewezen heeft op de poli’s voor atriumfibrilleren in Groningen en Maastricht, werd ook ingezet bij de pilot in de Groningse huisartsenpraktijken.

Boezemfibrillerenpoli

Voor de pilot selecteerden de huisartsen in overleg met de cardioloog patiënten met boezemfibrilleren die onder controle waren bij zowel de huisarts als de specialist. Zij werden uitgenodigd voor een eenmalig onderzoek in een tijdelijke boezemfibrillerenpoli in de huisartsenpraktijk. Voorafgaand aan hun komst werd de relevante medische historie ingevoerd in het Disease Management Systeem Atriumfibrilleren. De patiënten vulden een digitale anamnese in en bespraken deze met de cardioloog of physician assistant. Er werd lichamelijk onderzoek gedaan en er werden een ECG en een echo gemaakt. Alle resultaten kwamen samen in het Disease Management Systeem en zo ontstond een overzichtelijk profiel van de patiënt. Dit resultaat besprak de cardioloog met de patiënt. Van ieder onderzoek werd een verslag gemaakt voor de huisarts.

Resultaten

“Over het algemeen was de zorg vanuit de huisartsenpraktijk goed op orde”, vat Meijer samen. 64 van de 79 in het onderzoek geïncludeerde patiënten werden volgens de richtlijn behandeld. Met de antistolling bleek het minder goed gesteld: bij 38 patiënten (48 procent) was deze niet optimaal. De vraag of de patiënt ook verantwoord door de eigen huisarts kan worden gecontroleerd, werd in bijna alle gevallen (92 procent) positief beantwoord.

De bevindingen uit de pilot zijn veelbelovend, vindt Van Dijk. “Het is gelukt om substantiële substitutie samen te laten gaan met een verbetering van de zorg. Bovendien vinden veel patiënten het prettig om in de huisartsenpraktijk te blijven voor de controles.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Zeg maar dag tegen diabetes

Diabetes type 1 heeft grote impact op het leven van kind en omgeving. Nieuwe inzichten in de oorzaak leiden tot effectievere therapieën. Over vijf jaar kunnen de eerste patiënten genezen zijn. Met dank aan wetenschappelijk onderzoek en toepassing van eHealth. Arts en onderzoeker Henk-Jan Aanstoot van behandelcentrum Diabeter is hiervan overtuigd.

Over een aantal jaren hoeft diabetes type 1 geen aandoening meer te zijn die een zware wissel trekt op het leven van de patiënt. Dan hebben patiënten spuit en pomp omgeruild voor een automatische alvleesklier die zorgt voor de juiste bloedsuikerwaarde in het lichaam. “Over vijf jaar lopen patiënten rond met zo’n ‘automaat’ en is hun leven definief veranderd. De volgende stap is genezing”, zo stelt Henk-Jan Aanstoot, kinderarts, diabetoloog, onderzoeker en oprichter van behandelcentrum Diabeter.

Voor de behandeling van diabetes is geen ziekenhuisomgeving nodig, zo dacht Dr. Henk-Jan Aanstoot toen hij samen met Henk Veeze in 2006 Diabeter in Rotterdam startte, waar wetenschappelijk onderzoek de basis moet vormen voor zinvolle zorgvernieuwing. Tien jaar later is Diabeter gegroeid van één naar vijf locaties. Maar belangrijker nog: het zorgbedrijf maakt het verschil voor diabetespatiënten in Nederland.

Doorbraak in onderzoek

Door een fout van het afweersysteem is bij type 1 diabetes de insulineproductie kapot. Cellen van het afweersysteem vallen de zogenaamde bètacellen in de alvleesklier aan. Het lichaam kan niet voldoende insuline maken. Sinds kort is er een doorbraak in onderzoek naar type 1: het is niet een en dezelfde ziekte, maar bestaat uit varianten. Een onderzoek van Diabeter richt zich op het vinden van een verklaring waarom type 1 diabetes in verschillende verschijningsvormen voorkomt. “We zoeken naar merkstoffen in het bloed, biomarkers, die deze verscheidenheid aangeven. Als we nieuwe biomarkers opsporen, begrijpen we de ziekte beter. Biomarkers zijn nodig om de beste behandeling voor ieder individu te vinden. We zijn al lang het laboratorium uit en testen nieuwe therapieën bij kinderen met type 1. Op termijn levert dat nieuwe behandelmogelijkheden op. Nu we weten dat diabetes niet één en hetzelfde ziektebeeld is, zal er ook niet één manier zijn van genezing. We gaan naar behandeling op maat.”

Ondertussen richt de behandeling zich op het verbeteren van de insulinepomp en sensortechnologie. Deze technologie is al ver. “Een sensor op het lichaam – maar ook gegevens uit een glucosemeter of een insulinepomp –  meet continu de bloedsuikerwaarde en stuurt via de smartphone data naar de cloud. We kunnen zo persoonlijke adviezen geven. Met deze cloudcare gebruiken we persoonlijke data voor advies op maat. Of neem de hybride alvleesklier: een apparaat dat met een continu metende sensor en een algoritme te lage (hypo) en te hoge (hyper) waardes voorkomt door tijdig de insulinedosis aan te passen.”

Auteur: Niels van Haarlem

Download het volledige artikel hier:

Zelfmanagement ontrafeld

In acht artikelen verkennen we verschillende aspecten van zelfmanagement. ZonMw deelt hierin de resultaten van onderzoek en ontwikkelprojecten. In deel één ontrafelt Jaap Trappenburg het begrip. Hij legt uit dat zelfmanagement geen haarlemmerolie is en signaleert toekomstige ontwikkelingen. Trappenburg is senior onderzoeker bij het Julius Centrum Utrecht en projectleider van de onderzoekslijn TASTE (Tailored Self-management & eHealth).

Een jaar of vijftien vormt zelfmanagement al de rode draad in het onderzoek van Jaap Trappenburg en het onderwerp intrigeert hem nog altijd. “Amerikaanse gedragswetenschappers hebben het concept zelfmanagement ontwikkeld. Het programma (Stanford Chronic Disease Self-management Program) bleek in Amerika zeer succesvol. Vervolgens zijn in verschillende landen aan de lokale zorgcontext aangepaste versies ontwikkeld. In Canada bijvoorbeeld, bleek Living Well With COPD zeer succesvol. In Nederland, rond het millennium, had het programma echter beduidend minder effect. Hoe kan dat? Die vraag vormt de aanleiding voor de ‘ontrafelende’ onderzoekslijn TASTE.”

Herschikking

Als je uitspraken wilt doen over de meerwaarde, moet je wel weten wáár je het over hebt, zegt Trappenburg. Dat is lastig, want interpretaties en perspectieven buitelen over elkaar heen. Beleidsmakers en overheid die zelfmanagement omarmen, interpreteren het volgens de onderzoeker vaak als verschuiving in verantwoordelijkheid. Taken die eerst door een zorgverlener of andere partij uitgevoerd worden, gaan naar de patiënt. Niet zozeer omdat dat goed is voor de patiënt, maar om de zorg betaalbaar te houden. “Tegelijkertijd sluit zelfmanagement goed aan bij de tijdgeest. Burgers vinden het fijn om meer autonomie en eigen regie te hebben.”

Maar, die interpretatie is niet in lijn met het oorspronkelijke Amerikaanse concept, benadrukt Trappenburg. “Daar ging het primair om het actief bevorderen van competenties en kennis bij de chronische patiënt om zijn eigen ziekte te managen. Vanuit een therapeutische stimulus.”

Massale investering

Iedereen doet aan zelfmanagement, maar niemand is automatisch een goede zelfmanager van zijn ziekte. Dat moet je van anderen leren, benadrukt Trappenburg. “Wanneer ik een aandoening krijg, moet ik in een leertraject competenties en kennis opdoen om mijn ziekte te monitoren en mijn leven met de ziekte in goede banen te leiden. Onderschat dit niet! Ik durf te stellen dat een groot deel van de Nederlandse chronisch zieken bij dit leerproces suboptimaal begeleid is.”

Het is een van de redenen waarom de vraag of zelfmanagement wérkt zo moeilijk te beantwoorden is. “Zelfmanagementprogramma’s waarbij patiënten zes maanden lang een didactische ‘stootkuur’ krijgen met multidisciplinaire ondersteuning om alles te leren wat ze nodig hebben om zelfmanagend te kunnen zijn, blijken in de literatuur en in experimentele settings effectief. Maar die programma’s komen in de dagelijkse praktijk niet voor.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Instrument maakt barrières bij zelfmanagement helder en bespreekbaar

Praten over zelfmanagement blijkt een uitdaging voor de zorgverlener en voor de patiënt. Er is nu een instrument ontwikkeld dat kan helpen het gesprek te openen. Bovendien legt het eventuele barrières voor het toepassen van zelfmanagement bloot: SeMaS (Self Management Screening). Hoe werkt SeMaS en wat zijn de ervaringen in de praktijk?

Hoe kan ik mensen stimuleren om meer aan zelfmanagement te doen? Hoe kom je erachter wat de belemmeringen voor patiënten zijn om aan zelfmanagement te doen? Zorggroep DOH in Eindhoven stelde zich een aantal jaar geleden deze vragen. Samen met IQ Healthcare, CZ en VGZ werd een grondig onderzoek gestart. Vanuit het onderzoek werd SeMaS ontwikkeld. “Dit instrument helpt de zorgverlener en de patiënt om in kaart te brengen waar barrières voor het toepassen van zelfmanagement liggen en welke interventies geschikt zijn voor de patiënt”, licht Jeanny Engels, expert zelfmanagement en persoonsgerichte zorg bij Vilans toe.

Engels werd vier jaar geleden vanuit Vilans bij de ontwikkeling van het instrument betrokken. Met SeMaS vullen patiënten via een digitale link een vragenlijst met 26 vragen in. Ze geven antwoord op vragen als: Bent u bereid om aan zelfzorg te doen? Hoeveel last ervaart u meestal van uw ziekte? Bent u wel eens angstig of depressief? De digitale score is in een oogopslag zichtbaar voor de zorgverlener en de patiënt. Met grotere en kleinere bolletjes wordt meteen duidelijk wat goed gaat en waar krachten en belemmeringen liggen. Het is de bedoeling dat de zorgverlener, meestal de praktijkondersteuner, met de patiënt in gesprek gaat over de SeMaS resultaten. Als een van deze belemmeringen bijvoorbeeld angst is, dan zal daar eerst over gesproken moeten worden.

Ander gesprek

In opdracht van Huisartsen Centrum Maassluis en Zorgorganisatie Eerste Lijn (ZEL) werd Vilans gevraagd om te ondersteunen bij de implementatie van de SeMaS vragenlijst. ZEL, die vanaf 2014 de persoonsgerichte zorg in de regio sterk bepleit en uitdraagt, wilde met SeMaS onder andere laten zien hoe persoonsgerichte zorg en zelfmanagement vertaald kan worden naar de dagelijkse praktijk. Sinds een aantal maanden wordt de screening in deze huisartsenpraktijk ingezet. Een van de positieve resultaten is dat door een andere insteek van het gesprek een bredere kijk op de patiënt ontstaat. Dat geeft mooie gesprekken in de spreekkamer. Uit onderzoek van Eikelenboom (2016) blijkt ook dat er door toepassing van SeMaS meer individuele zorgplannen met patiënten worden gemaakt.

Auteur: Sigrid Starremans

Download het volledige artikel hier:

Een kuurtje bewegen is een gezond medicijn

Ons lichaam is gemaakt om te bewegen. Als we onze spieren aanspannen, beïnvloeden we ons immuunsysteem, ons brein en onze weerstand. Voor mensen met COPD komt het er extra op aan dat ze dit ‘verdedigingsmechanisme’ in stelling brengen om de ziekte af te remmen. Bewegingswetenschapper Mathieu de Greef is ervan overtuigd dat mensen hun sportieve grenzen kunnen verleggen en geeft ze graag een duwtje in de goede richting.

Mathieu de Greef verricht onderzoek naar de effecten van lichamelijke activiteit op het verouderingsproces en het ziektebeloop bij chronische aandoeningen. Het Centrum voor Bewegingswetenschappen van het UMCG/Rijksuniversiteit Groningen is zijn thuishaven. Ook is hij als lector verbonden aan de Hanzehogeschool Groningen. De Greef weet als geen ander hoe moeilijk sommigen in beweging komen.

Hij legt er sterk de nadruk op dat blijven bewegen juist voor mensen met COPD (chronisch obstructief longlijden) van elementair belang is. “Net zo belangrijk als medicatie. Als we onze spieren aanspannen, beïnvloeden we ons immuunsysteem, ons brein en onze weerstand in gunstige zin. Voor mensen met COPD is dat nóg belangrijker. COPD is een ziekte die leidt tot ontstekingsreacties in het lichaam. Daardoor treden er biologische en fysiologische veranderingen op. De spiermassa wordt minder en de kans op bijvoorbeeld depressie en stress groeit. Door te bewegen, maken de spieren eiwitten aan die de ontstekingseiwitten die bij COPD horen als het ware in toom houden. Bewegen is voor COPD-patiënten dus een ‘verdedigingsmechanisme’ om de ziekte af te remmen. Door bewegen word je niet beter – met de inzichten van nu is COPD een onomkeerbaar proces – maar de kwaliteit van leven verbetert en longaanvallen (exacerbaties) worden minder als patiënten stoppen met roken en meer gaan bewegen.” Voor een COPD-patiënt kost bewegen in het begin meer moeite dan voor iemand zonder longklachten. Meer beweging inbouwen in het dagelijkse leven is een goed alternatief, zegt De Greef.

Volgens De Greef zou aandacht voor een gezonde leefstijl veel meer dan nu onderdeel moeten zijn van de zorg. “Het moet in het DNA van de zorg komen.” Daarbij ziet hij leefstijladviezen en ondersteuning bij gedragsverandering bij voorkeur gekoppeld aan andere vormen van zorg. “Er zou in de eerste lijn een ondersteuningsstructuur moeten komen. Die hoeven huisartsen niet alleen op te zetten, dat is een zaak van samenwerkende eerstelijnspartners. Als iedere COPD-patiënt die medicatie krijg ook een realistisch leefstijladvies ontvangt, vermindert het risico op longaanvallen aanzienlijk.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Adviezen uit Maastricht-Heuvelland voor ketenzorg bij astma

Per 1 oktober 2013 is in regio Maastricht-Heuvelland de ketenzorg astma van start gegaan. Gelijktijdig is een uitvoerige evaluatie gestart om zicht te krijgen op verandering in gezondheidstoestand van de patiënten, de kwaliteit van zorg vanuit patiënt- en zorgverlenersperspectief en in patiënttevredenheid. Hoe ziet het ketenzorgprogramma astma er uit? Wat is er geleerd? En hoe luiden de adviezen voor andere zorggroepen?

Het ketenzorgprogramma astma in de regio Maastricht-Heuvelland is bedoeld voor mensen vanaf 16 jaar met de diagnose astma, die onder behandeling zijn van de huisarts. De zorg binnen de keten wordt door praktijkondersteuners en huisartsen geleverd. Astmapatiënten worden gemiddeld tweemaal per jaar gezien door de praktijkondersteuner. Tijdens het consult wordt naar klachten, leefstijl en (problemen met) medicatiegebruik gevraagd, de inhalatietechniek gecontroleerd, educatie gegeven en lichamelijk onderzoek verricht. Binnen de ketenzorg valt ook begeleiding bij stoppen met roken en consultatie van longarts en longverpleegkundige. Door alle betrokken zorgverleners wordt geregistreerd in het regionale Keten Informatie Systeem, dat voor uitwisseling van een deel van de gegevens is gekoppeld aan het huisartsinformatiesysteem.

Voorafgaand aan implementatie is een zorgprotocol opgesteld waarin het traject van diagnosestelling tot behandeling staat beschreven. Dit zorgprotocol is gebaseerd op de NHG-standaard en de Zorgstandaard Astma bij volwassenen en wordt continu gemonitord en geëvalueerd. Op 1 januari 2016 hebben 46 (van de in totaal 55) huisartsenpraktijken in de regio een contract bij de zorggroep voor ketenzorg astma. In totaal zijn dan 829 patiënten in zorg binnen deze keten.

Resultaat

Uit onderzoek blijkt dat ketenzorg voor astmapatiënten haalbaar is, tot verbeteringen in de gezondheidsstatus van astmapatiënten en, volgens zorgverleners, tot positieve veranderingen in de kwaliteit van zorg leidt. Het organiseren van astmazorg in ketenverband leidt tot meer gestructureerde zorg ten aanzien van de verschillende elementen uit het CCM.

Adviezen

Op basis van de ervaringen zijn een aantal adviezen geformuleerd voor zorggroepen die astmaketenzorg willen inrichten:

  • Ondersteun zorgverleners bij het leveren van persoonsgerichte astmazorg die aansluit bij de behoeften van de patiënt.
  • Registreer de uitgangssituatie van de patiënt en het beloop.
  • Geef patiënten een actieve rol bij het managen van astma.
  • Begeleid de implementatie van een ketenzorgprogramma intensief en ondersteun op maat.
  • Garandeer dat patiënten voorlichting over omgaan met astma en instructie van de inhalatietechniek ontvangen.
  • Vervolgonderzoek naar de effecten in meerdere regio’s en op langere termijn wordt aanbevolen.

Auteur: Maud van Hoof

Download het volledige artikel hier: