Lijnoverstijgende aanpak resulteert in betere COPD-zorg

Bij patiënten met een chronische aandoening kan medicatie vaak pas optimaal werken als de zorg rondom hen goed is georganiseerd. Bovendien moeten zij inspraak hebben in de interventie. Dat zijn de uitgangspunten van een aantal succesvolle COPD-initiatieven.

Sneller een diagnose en behandelplan. Lagere zorgkosten omdat de meeste patiënten onder controle zijn in de eerste lijn. Dat zijn voordelen die met COPDnet zijn bereikt in en rond ziekenhuis Bernhoven in Uden. Dit zorgpad is een aantal jaren geleden ontwikkeld in het Radboudumc. PICASSO, een programma gericht op verbetering van longzorg, meet de effecten. “Twee jaar na de implementatie in ziekenhuis Bernhoven hebben we onlangs geconcludeerd dat de ervaringen goed zijn”, vertelt Denise Schuiten. Zij is Customer Solution Manager bij Boehringer Ingelheim, een van de oprichters van PICASSO.

Gemotiveerde patiënt

Schuiten concretiseert: “Dankzij een geïntegreerde aanpak van eerste, tweede en derde lijn komen zorgverleners en de patiënt in Bernhoven snel to the point. De patiënt keert eerder met een goed behandelplan terug van het ziekenhuis naar de huisarts en hoeft ook niet zo vaak naar het ziekenhuis te komen. Dat heeft een positief effect op de zorgkosten. Verder blijken patiënten extra gemotiveerd te zijn om hun medicatie te gebruiken en te werken aan hun leefstijl. De reden is dat zij inspraak hebben in de interventie.”

Implementatie

Na de ontwikkeling en invoering van COPDnet in Nijmegen brak de volgende spannende fase aan: de implementatie in een ander ziekenhuis en bij andere zorgverleners. Schuiten: “Dit is binnen negen maanden gerealiseerd in ziekenhuis Bernhoven. Het is de ambitie dit zorgpad nu ook geschikt te maken voor andere regio’s.”

Met ‘implementatie’ is een essentiële term genoemd. Schuiten: “Ons land kent vele geslaagde initiatieven om zorg te verbeteren. Maar de implementatie ervan blijkt vaak niet goed te verlopen. Welke factoren zijn bepalend voor het al dan niet slagen van een implementatie? Hiervoor is een soort meetlat ontwikkeld door de School of Health Policy & Management Health Technology van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR). Boehringer Ingelheim heeft de EUR gevraagd om vanaf de herfst de meetlat langs vier Nederlandse COPD-projecten te leggen.”

De uitkomsten van het onderzoek moeten over een half jaar duidelijk zijn. Schuiten: “We verwachten daarmee beter inzicht te krijgen in hoe en waarom sommige initiatieven succesvol zijn en andere niet. Met die kennis zou je projecten kunnen aanpassen als ze ergens anders worden geïmplementeerd, met een grotere slagingskans als gevolg.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Huisartsen hechten grote waarde aan de apotheker in de wijk

Huisartsen beschouwen de openbare apotheker als farmacotherapeutisch expert, ze stellen prijs op rechtstreeks contact met hem voor farmacotherapeutisch overleg en ze vinden het belangrijk dat de apotheker laagdrempelig in de wijk aanwezig is. Dit zijn de belangrijkste uitkomsten van een marktonderzoek onder huisartsen, dat Service Apotheek in het voorjaar van 2018 liet uitvoeren.

Huisartsen zijn heel tevreden over de apotheker, dat is een van de meest opvallende uitkomsten van het marktonderzoek, waaraan 159 huisartsen deelnamen. “Eigenlijk is het vanzelfsprekend om huisartsen te vragen wat ze van het werk van openbare apothekers vinden”, stelt Giel Jansen, apotheker van Service Apotheek Zenderpark in IJsselstein en lid van de franchiseraad. “Zij zijn onze belangrijkste partners in de zorg. Toch is dat volgens mij nooit eerder aan hen gevraagd. Dat maakt dit onderzoek uniek.”

En de uitkomsten mogen er wezen. Zo scoren alle apotheken gemiddeld een 8 bij de huisartsen. De Service-apothekers scoren zelfs nóg hoger. Een 8,7 bij huisartsen die weten dat hun vaste apotheker een Service-apotheker is, een 8,1 bij huisartsen die dat niet weten, constateert Iris van der Valk, algemeen directeur van Service Apotheek.

Service en goed overleg zijn de door huisartsen meest genoemde aspecten van wat een apotheek tot een goede apotheek maakt. Huisartsen hechten veel waarde aan het contact met de apotheker, legt Van der Valk uit. “Ze vinden het belangrijk om met de apotheker te kunnen overleggen. Dat is een prettige uitkomst van het onderzoek. De huisarts ziet de apotheker als medebehandelaar. Hij beschouwt hem als de farmacotherapeutisch expert, als partner met wie hij op voet van gelijkwaardigheid van gedachten kan wisselen over het farmacotherapeutisch beleid.”

Wake-up call

Huisartsen willen daarom graag vaker rechtstreeks contact met de aanwezige apotheker. Uit het onderzoek blijkt echter dat het vaak de apothekersassistent is die contact opneemt. Dat dit directe contact met de huisartsen niet altijd tot stand komt, is geen onwil van de apothekers, benadrukt Van der Valk. “Het is eerder ingeslopen in hun werkwijze. Maar deze uitkomst is voor ons wel een wake-up call. We gaan onze franchisenemers zeker vragen hoe vaak zij de huisarts spreken. Het is belangrijk dat ze zich er meer van bewust worden hoeveel prijs de huisarts stelt op het onderling contact.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Verbeterstrategie voor interprofessionele samenwerking

Professionals van verschillende disciplines in zorg en welzijn werken steeds meer samen om goed invulling te geven aan de hulp- of zorgvraag van een individu. Lokaal wordt daar op verschillende manieren invulling aan gegeven en zijn verschillende mensen betrokken. Teamreflectie vanuit een groepsdynamisch perspectief kan helpen om die ‘interprofessionele samenwerking’ kritisch te bekijken en naar een hoger plan brengen.

Bij interprofessioneel samenwerken wordt er gestreefd naar een holistische aanpak, waarbij de mens centraal staat en niet langer de ziekte en waarbij wordt toegewerkt naar een gezamenlijk zorg- of ondersteuningsplan. Interprofessionele teamsamenwerking kent verschillende vormen. Voorbeelden zijn het multidisciplinaire overleg (MDO), hometeam, sociaal team, wijkteam, zorgteam of Interprofessioneel teamoverleg.

Team reflexiviteit

Aangezien elk interprofessioneel team anders is samengesteld, te maken heeft met een andere context en zijn eigen specifieke kenmerken heeft, kan reflexiviteit – de mate waarin teams kunnen reflecteren op het eigen functioneren – worden gezien als basis voor verdere doorontwikkeling. Reflexiviteit hangt positief samen met team effectiviteit. Daarnaast is bekend dat team reflexiviteit een belangrijke voorspeller is voor innovatie. Meer recent beschrijft de Haan in zijn boek de volgende resultaten van teamreflectie: begrip en inzicht, combineren van uiteenlopende meningen en gezichtspunten en feedback voor alle teamleden vanuit alle niveaus.

Het door Goossens ontwikkelde model Integrale Procesbegeleiding van Groepen (IPG) is als algemeen groepsdynamisch model  breed bruikbaar om groepsdynamieken en groepsprocessen te observeren, te analyseren, om vervolgens strategie te bepalen, te interveniëren en te evalueren. Voor wat betreft teamreflectie biedt het IPG model vanuit vier basiscomponenten mogelijkheden om te reflecteren op:

  • de invloed van de context op het teamfunctioneren;
  • de fase van groepsontwikkeling waarin het team zich bevindt;
  • de vijf communicatieniveaus;
  • de invloed van leiderschap en leiderschapsstijlen op de ontwikkeling en communicatie
Vijf communicatieniveaus

Elk interprofessioneel team communiceert op verschillende communicatieniveaus. Om als team goed te kunnen reflecteren op het functioneren en onderliggende groepsprocessen is inzicht in deze communicatieniveaus nodig. De in het IPG-model beschreven communicatieniveaus zijn: inhoudsniveau, procedureniveau, interactieniveau en bestaansniveau. Naast de communicatieniveaus zijn ook invloeden van de buitenwereld zoals maatschappelijke invloeden, overheidsbeleid of voormalige groepservaringen zichtbaar in de communicatie van het team. Dit wordt ook wel het contextniveau genoemd.

In het model interprofessioneel  teamoverleg hebben Van Dongen en Goossens de verschillende communicatieniveaus vertaald naar: Wie zitten er aan tafel? (het contextniveau); Waar overleggen we over? (het inhoudsniveau); Hoe overleggen we? (het procedureniveau); Hoe gaan we met elkaar om (interactieniveau); en Wat is mijn persoonlijke plek in het team? (het bestaansniveau). Op elk niveau kan een aantal reflectievragen worden gesteld.

Auteurs: Jerôme van Dongen, Wim Goossens

Download het volledige artikel hier:

“Zorg voor patiënten met ernstig astma is ondergeschoven kindje”

Lange tijd was er in zorgverlenersland meer aandacht voor patiënten met COPD, dan voor patiënten met ernstig astma. Daar komt gaandeweg verandering in. Dit voorjaar verscheen er zowel een onderzoek naar het patiëntenperspectief bij patiënten met ernstig astma, als een verkenning naar de zorg en behandeling bij patiënten met ernstig astma. Beide onderzoeken brachten meerdere knelpunten aan het licht in de zorg voor deze kwetsbare groepen patiënten.

‘Ik moest stoppen met werken. Je lichaam laat je in de steek, je valt weg uit de maatschappij. Een heel raar gevoel.‘ ‘Nieuwe vrienden maak ik niet, doordat ik weinig buiten kom, maar ook omdat het vermoeiend is om steeds te moeten uitleggen wat je hebt en wat dat betekent.’

Dit zijn citaten van patiënten met ernstig astma. Zij namen deel aan het kwalitatief onderzoek ‘Patiëntenperspectief op ernstig astma: Inzicht in de patiëntreis van mensen met ernstig astma’. Zomer 2018 voerde onderzoeksbureau Beautiful Lives deze studie uit bij twaalf patiënten met ernstig astma en hun naasten, in opdracht van AstraZeneca. Doel is meer inzicht te krijgen in hoe patiënten ernstig astma beleven, op welke wijze zij meebeslissen over hun behandeling en in hoeverre ze op de hoogte zijn van ontwikkelingen in de zorg en behandeling van ernstig astma. Zo kan worden bijgedragen aan betere zorg voor deze patiëntengroep.

Meest opvallende conclusie uit het onderzoek is dat ernstig astma het leven van deze patiënten domineert. Ze ervaren veel ziektelast en hun wereld wordt in de loop der tijd kleiner. Het ziektebeloop is grillig en in vier fasen in te delen: zoeken naar een oplossing, erkenning & hoop, opgegeven zijn en acceptatie van de ziekte. Deze fasen gaan met uiteenlopende emoties gepaard. Zoals moedeloosheid, omdat het soms jaren kan duren voordat de huisarts doorverwijst naar de longarts of voordat de juiste diagnose wordt gesteld. Maar ook verlies van zelfwaardering, wanneer de patiënt noodgedwongen moet stoppen met werken en plotseling niet meer meetelt in de samenleving.

Onvoldoende (h)erkenning

De uitkomsten van het Beautiful Lives-onderzoek komen overeen met de verkenning ‘Zorgveld ernstig astma en moeilijk behandelbaar astma’, een initiatief van Long Alliantie Nederland (LAN) en de Vereniging Nederland Davos (VND). Marjo Poulissen, projectleider Zorg bij het Longfonds en VND, patiëntenverenigingen voor patiënten met (ernstig) astma, voert deze uit met Heleen den Besten van de LAN. Dit voorjaar presenteerden ze hun eerste bevindingen tijdens de LAN ledenvergadering.

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Werken aan betere therapietrouw van patiënten met astma en COPD

Stoppen met medicatiegebruik, zich niet goed geïnformeerd voelen, het gevoel dat ze onvoldoende kunnen meebeslissen over de behandeling, de zorg voor patiënten met astma en COPD is nog lang niet optimaal. Dat blijkt uit de recente Longmonitor naar therapietrouw bij patiënten met astma en COPD van Longfonds en NIVEL. Monique Heijmans (NIVEL) en Hendrien Witte (Longfonds) over de bevindingen.

Eén op de drie patiënten met astma en één op de vier patiënten met COPD neemt hun medicatie niet in volgens voorschrift van de arts. Ruim de helft van de patiënten met astma (56%), en bijna de helft van de patiënten met COPD (45%) heeft behoefte aan extra hulp bij het omgaan met medicijnen. Het zijn opmerkelijke cijfers, komend uit de dit jaar gepubliceerde Longmonitor van NIVEL en Longfonds.

Monique Heijmans, senior-onderzoeker van het NIVEL: “De helft van de patiënten met astma heeft hun klachten slecht onder controle. Dat houdt in dat ze er ondanks hun medicatie hinder van blijven ondervinden in het dagelijks leven. Denk aan kortademigheid, benauwdheid, er ‘s nachts wakker van worden. De voornaamste oorzaak is dat ze de voorgeschreven ontstekingsremmers niet goed innemen.”

Voorlichten én navragen

De voorlichting over goed medicatiegebruik schiet tekort, stelt Heijmans. “We zien dat terug in de uitkomsten van de Longmonitor. 43 procent van de COPD-patiënten geeft aan onvoldoende informatie te hebben over waarom ze bepaalde medicijnen moeten gebruiken of niet. En 34 procent van de mensen met astma vindt dat ze onvoldoende zijn geïnformeerd over wanneer ze medicijnen wel of juist niet moeten inhaleren.”

Wat hierbij een rol speelt, is dat zorgverleners onvoldoende controleren of patiënten het medicatieadvies begrepen hebben en of ze hun medicatie wel daadwerkelijk innemen. Heijmans vindt het een taak van de huisarts om bij de patiënt uit te vragen waarom deze zijn medicatie niet inneemt.

Betere inhalatie-instructie

Hendrien Witte, directeur Patiënt, Zorg en Participatie van het Longfonds, opdrachtgever van de Longmonitor, is het met Heijmans eens. Ze zou daarom graag zien dat er tenminste twee keer per jaar een controle op medicatiegebruik zou plaatsvinden bij patiënten met astma en COPD. Patiënten willen vooral zorg op maat, stelt Witte. “Ze willen een motiverend gesprek met hun behandelaar over wat de ziekte voor hen betekent. Het is belangrijk dat zorgverleners rekening houden met persoonlijke omstandigheden.”

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Structureel ziekenhuiszorg voorkomen naar Zweeds voorbeeld

Professionals en ziekenhuizen zoeken naarstig naar oplossingen om overvolle SEH’s te voorkomen. Hoe gaan onze buurlanden met dat vraagstuk om? Proactive Health Coaching is een buitenlandse innovatie die mogelijk perspectief biedt. Het is in Scandinavië geïntroduceerd en succesvol opgeschaald in Engeland. In Nederland worden de mogelijkheden verkend.

Proactive Health Coaching richt zich op patiënten die disproportioneel veel zorg gebruiken. Zij hebben vaak complexe multimorbiditeit, soms in combinatie met problemen op psychisch of sociaal vlak. Mede door beperkte gezondheidsvaardigheden is het lastig om te begrijpen hoe om te gaan met de eigen gezondheid. Met realtime data kunnen deze patiënten geïdentificeerd worden, om vervolgens direct te kunnen interveniëren. Dat is noodzakelijk, gezien de grote kans op een heropname.

De interventie

Via een digitaal platform integreert de Zweedse organisatie Health Navigator patiëntdata van ziekenhuis, huisarts en verzekeraar. De data worden elke 24 uur opnieuw aangeleverd en tonen alle zorgactiviteit van de patiënt. Op basis van een beproefd voorspellend model worden patiënten geïdentificeerd en ingedeeld naar risico op heropname. De coach bekijkt vervolgens elke individuele situatie apart. Zo ontstaat een selectie van patiënten die in de komende zes tot negen maanden met hoge waarschijnlijkheid een onnodig hoog beroep zullen gaan doen op de gezondheidszorg.

Zodra een patiënt meedoet, wordt de huisarts door de coach geïnformeerd. In een kennismakingsgesprek zet hij met de patiënt een op maat gemaakt ondersteuningsplan op. Een intensief coachingsprogramma van zes tot negen maanden volgt. De coaching verloopt telefonisch. Wanneer de patiënt progressie boekt en het risico op een heropname daalt, wordt het aantal gesprekken afgebouwd. Een follow-up van twee jaar zorgt ervoor dat bij terugval opnieuw actie ondernomen kan worden.

Resultaten

Resultaten uit Scandinavië en Engeland laten zien dat de kwaliteit van leven van de patiënten toeneemt. Ook is een reductie in zorg(kosten) zichtbaar. Twee studies laten zien dat er minder ongeplande opnames zijn, minder bezoek aan de SEH, minder poliklinische bezoeken en minder ziekenhuisdagen. In Engeland daalde ook het aantal diagnostische onderzoeken. De eerste signalen lijken dus positief, al zijn de effecten niet overal even groot.

Onderzoek

Vilans heeft in samenwerking met Centre of Expertise Healthwise van de Rijksuniversiteit Groningen en TIAS/Tilburg University de Nederlandse situatie vergeleken met die in Engeland en Scandinavië. Duidelijk wordt dat de health coach in Nederland uit zou kunnen komen op een nieuwe functie. Een functie waarbij niet het behandelen centraal staat, maar het coördineren van zorg dat gericht is op het ondersteunen van de persoon.

Auteurs: Cecile van der Wilk, Jeanny Engels en Mirella Minkman

Download het volledige artikel hier:

Eenvoudige handleiding helpt huisartsen om onnodig ICS-gebruik te stoppen

Veel patiënten met lichte tot matige COPD gebruiken onnodig inhalatiecorticosteroïden (ICS). Het gebruik in deze groep is niet altijd effectief, maar kan wel leiden tot onnodige bijwerkingen en zorgkosten. Een groep longzorg experts bundelde de krachten in een samenwerkingsverband en bouwde een handleiding om onnodig ICS-gebruik af te bouwen. Deze ICS-reductietool wordt nu getest.

De NHG-standaard is helder: inhalatiecorticosteroïden schrijf je als huisarts alléén voor aan patiënten die vaak COPD-exacerbaties hebben ondanks goede luchtwegverwijders. Dat is zo’n twaalf procent van alle COPD-patiënten. “In de praktijk zien we dat ongeveer zestig procent van de COPD-patiënten vaak jaren, of zelfs levenslang ICS gebruikt”, aldus Niels Chavannes, hoogleraar huisartsgeneeskunde en COPD-deskundige van het LUMC.

Het probleem van overmatig ICS-gebruik bestaat al lang. Huisartsen schreven veel pufjes voor vanuit eerdere COPD-richtlijnen. En vanaf dat moment is een groot deel van de patiënten ze blijven gebruiken. Huisartsen schatten de preventieve werking van ICS op exacerbaties nog onterecht hoog in. Chavannes: “Inzichten zijn veranderd. Zo weten we sinds kort dat ICS naast relatief milde bijwerkingen zoals keelschimmel, blauwe plekken en osteoporose de kans op longontsteking vergroot. Als je het immuunsysteem onterecht plat legt, bereik je een tegenovergesteld effect. Los daarvan kost medicatie voor COPD en astma de maatschappij veel geld dat niet altijd doelmatig wordt gebruikt.”

Veilig stoppen

Maar stoppen met ICS is niet gemakkelijk, zorgvuldige begeleiding is daarom belangrijk. Met steun van het farmaceutisch bedrijf Boehringer Ingelheim ontwikkelden onderzoekers op basis van recente wetenschappelijke inzichten en kennis een handleiding voor huisartsenpraktijken om patiënten veilig te laten stoppen met ICS. Er werd op toegezien dat de ICS-reductietool voor álle huisartsen en POH’s begrijpelijk is.

De tool bestaat uit een stroomschema waarin twee belangrijke hoofdvragen worden gesteld. Is er sprake van astma? Zo ja, continueer ICS. Was er afgelopen jaar sprake van twee lichte exacerbaties of één ernstige? Zo niet, dan kan ICS worden stopgezet. De handleiding bevat naast het stroomschema ook een monitoring-gedeelte waarin staat hoe vaak en wanneer een patiënt die gestopt is met ICS moet worden gezien, wat er gedaan moet worden als er klachten zijn en wanneer ICS gebruik heroverwogen moet worden. Chavannes: “Monitoring is belangrijk. We hebben het over mensen die vaak levenslang hun pufjes namen. Twintig tot dertig procent krijgt toch klachten terug. Ook ligt het nocebo-effect op de loer. Mensen missen hun pufjes en kunnen in paniek raken zonder.”

Auteur: Ingrid Beckers

Download het volledige artikel hier:

Patiëntervaringen onderdeel van kwaliteitscyclus chronische zorg

De ervaring van patiënten met hun zorgverlening was lange tijd een ondergeschoven kindje voor zorggroepen. Daar komt verandering in. Steeds meer zorggroepen starten met de PREM Chronische zorg, een korte en gevalideerde vragenlijst over patiëntervaringen. Die krijgen daarmee een belangrijke plek binnen het kwaliteitsbeleid van de zorggroepen.

Bij hoeveel diabetespatiënten in de huisartsenpraktijken is de bloeddruk gemeten, bij hoeveel van hen is het HbA1c-gehalte op het gewenste niveau? Dat zijn belangrijke proces- en uitkomstindicatoren voor zorggroepen en huisartsenpraktijken, weet Nout Willems, manager Zorgprogramma’s van zorggroep PoZoB (Praktijkondersteuning Zuidoost-Brabant en Noord-Limburg). Zo’n 150 huisartsenpraktijken in de regio zijn daarbij aangesloten.

Toch is dat niet voldoende om optimale kwaliteit van zorg te leveren voor patiënten met een chronische aandoening, vervolgt hij meteen. “We willen als zorggroep zorg op maat bieden voor onze patiënten. Dat lukt alleen als we meer doen dan sturen op een optimale bloeddruk- of bloedsuikerwaarde. Voor patiënten zijn andere zaken minstens zo belangrijk. Hoe ga ik als diabetes- of COPD-patiënt om met mijn sociale relaties, hoe geef ik antwoord op bepaalde zingevingsvragen? Dat zijn andere dimensies van kwaliteit. We willen die eveneens een plek geven in ons kwaliteitsbeleid, om onze zorg verder te verbeteren.”

Dat is ook nodig, stelt Willems. “We praten met z’n allen over Triple Aim: onze zorg moet gericht zijn op betere gezondheid, minder kosten én een betere patiëntervaring. Het zorgveld heeft zich de afgelopen jaren vooral gericht op betere gezondheid en beperking van de zorgkosten. We hadden echter onvoldoende aandacht voor de patiëntervaringen. Dat geldt niet alleen voor zorgverleners, maar ook voor zorgverzekeraars. In hun zorginkoopbeleid besteden zij nauwelijks aandacht aan patiëntervaringen. Het zit niet in hun inkoopkaders. Ik confronteer zorginkopers daar wel mee. Ze hebben dan geen antwoord.”

Nieuwe dimensie kwaliteit

Om ervaringen van patiënten met chronische aandoeningen op te nemen in het kwaliteitsbeleid, is PoZoB in samenwerking met Qualizorg in 2018 begonnen met de PREM-pilot (patient reported experience measurement) Chronische zorg. Dat is een overzichtelijke en gevalideerde vragenlijst om ervaringen van patiënten met hun behandeling en bejegening in de chronische ketenzorg te verzamelen, te analyseren én te laten meewegen in de kwaliteitscyclus van de zorggroep [zie kadertekst]. Twintig huisartsenpraktijken van PoZoB doen mee aan de pilot. In de loop van dit jaar wordt die afgerond.

Auteurs: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Streven naar klachtenvrij leven met astma

Slechts dertig procent van de astmapatiënten heeft de ziekte onder controle en is volledig klachtenvrij. Maar dat kunnen er veel en veel meer zijn. “Gestructureerde transmurale zorg kan de levenskwaliteit van astmapatiënten enorm verbeteren”, zegt huisarts en onderzoeker Janwillem Kocks van het Universitair Medisch Centrum Groningen. “Vooral van de patiënt die daar zelf niet om vraagt.”

Het gros van de astmapatiënten vindt zelf dat het goed met ze gaat. “Wat ze zich vaak niet realiseren, is dat het zoveel beter kan. Op een kleine groep van ongeveer vijftien procent na horen astmapatiënten klachtenvrij te zijn. Slechts dertig procent heeft de ziekte écht onder controle. De rest neemt met minder genoegen.”

Die conclusie trekt Janwillem Kocks, programmaleider longziekten binnen het UMCG, onder meer uit de gegevens van de Astma-/COPD-dienst van het huisartsenlaboratorium in Groningen en uit het Europese REALISE onderzoek onder achtduizend astmapatiënten. Kocks roept huisartsen dan ook op om astma binnen de eerste lijn beter in kaart te brengen en gestructureerd te behandelen. “De levenskwaliteit van astmapatiënten kan daardoor écht aanzienlijk verbeterd worden. En je voorkomt dat astma tot problemen leidt zoals depressie, vermoeidheid, werk- en leermoeilijkheden of bijwerkingen door prednisonkuren.”

Gewend aan ongemak

Astma wordt vaak onderbelicht doordat de patiënten gauw tevreden zijn. Vaak hebben ze niet door dat hun ziekte niet optimaal onder controle is. Twee of meer prednisonkuren per jaar of veelvuldig gebruik van salbutamol is volgens Kocks een teken aan de wand. Als een patiënt dat nodig heeft, zou de huisarts moeten onderzoeken waarom de astma niet onder controle is. Blijft een helder antwoord achterwege na zorgvuldig nalopen van oorzaken, dan is verwijzing naar de longarts op zijn plaats. Dat gebeurt te weinig, volgens Kocks, omdat huisartsen patiënten niet altijd gestructureerd nakijken of niet op de hoogte zijn van nieuwe behandelmogelijkheden, zoals het toedienen van biologicals.

Game changer

“Zonde, want bij de juiste patiënt met een goede respons kunnen biologicals een game changer zijn”, licht longarts Annelies Beukert toe. Zij is specialist op het gebied van astma in het Martini Ziekenhuis Groningen. “Het aantal astma-aanvallen neemt af, prednison wordt afgebouwd. Mensen voelen zich gauw een stuk beter.” Biologicals zijn alleen geschikt voor een selecte groep ernstige astmapatiënten. Beukert: “Daarom is het wel belangrijk de juiste groep te selecteren. En we kunnen ook bij patiënten die niet in aanmerking komen voor een biological aanzienlijke verbeteringen behalen.”

Auteur: Ingrid Beckers

Download het volledige artikel hier:

Opschaling eerstelijnsinnovatie vereist water bij de wijn

De overheid stuurt op innovaties in de eerstelijnszorg als manier om kosten te besparen zonder dat dit leidt tot verschraling van de kwaliteit van zorg. Om innovaties op te kunnen zetten, wordt een bepaalde mate van vrijheid in het werk van de zorgverlener nodig geacht. Tegelijkertijd klinkt er al jaren kritiek over de toegenomen regel- en administratiedruk die ervaren wordt door zorgmedewerkers. De spanning tussen vrijheid en regeldruk staat centraal in recent onderzoek van Stijn Hogervorst, onderzoeker bij het instituut voor Gezondheidseconomie & Doelmatigheidsonderzoek van de VU, naar de ervaren ruimte van eerstelijnsmedewerkers bij het opzetten van zorginnovaties.

Bij het opstarten van een initiatief ervaren zorgverleners voldoende ruimte, maar in de opschalingsfase lopen zij vaak tegen belemmeringen aan waardoor initiatieven stranden. Het onderzoek van Hogervorst beschrijft een grote verscheidenheid aan kleinschalige innovaties in de eerstelijnszorg. Deze innovaties worden veelal door praktijkmedewerkers uitgedacht en uitgevoerd binnen één praktijk. Denk aan een wandel-, dieet- of mindfulness groepje. Niet elke zorgmedewerker heeft de ambitie om zijn of haar innovatie op te schalen, maar wanneer dit wél het geval was liepen zorgmedewerkers vaak tegen drie verschillende problemen aan: onderhandelen over financiering, schotten tussen domeinen en een gebrek aan organisatievaardigheden.

Schaalgrootte kan helpen

Het onderzoek laat ook voorbeelden zien van zorgmedewerkers die in de opschalingsfase meer succes hadden. Opvallend was dat deze zorgmedewerkers vrijwel allen samenwerkingen zijn aangegaan met partijen zoals koepelorganisaties, centrummanagers of ander ondersteunend personeel. Deze partijen konden de organisatie- en onderhandelingstaken van opschaling voor hun rekening nemen, voor integratie van zorg- en welzijnsorganisaties zorgen of verbindingen aangaan met andere zorginstellingen waardoor de schaalgrootte toeneemt.

Het proces van samenwerken met zorg- en welzijnsorganisaties onderling en van de eerste lijn met financiers moet niet onderschat worden. Samenwerking om tot opschaling te komen is een proces waarbij verschillende belangen met elkaar kunnen botsen. Zo laat het onderzoek van Hogervorst zien dat er onder sommige eerstelijnsmedewerkers weerstand heerst tegen samenwerking met andere partijen. Er kan ook een bepaalde weerstand tegen samenwerking, in de vorm van financiering, verwacht worden vanuit zorgverzekeraars. In eerder onderzoek van de Celsus Academie en het Talma Instituut wordt besproken dat het investeren in zorginnovaties een spanning met zich meebrengt tussen het stimuleren van zorginnovatie ter verbetering van de zorg enerzijds en het beperken van innovaties die niet doelmatig zijn anderzijds.

Auteurs Yvonne La Grouw en Stijn Hogervorst gaan hier in hun artikel dieper op in en concluderen dat de opschaling van innovaties afhankelijk is van het omgaan met de verschillende belangen en risico’s. Zowel zorgverleners als zorgverzekeraars zullen water bij de wijn moeten doen.

Auteurs: Yvonne La Grouw, Stijn Hogervorst

Download het volledige artikel hier: