Wetenschappelijk onderzoek toont wat werkt bij inzet eHealth

Is eHealth een hype of levert het daadwerkelijk een bijdrage aan betere zorg? En onder welke omstandigheden werken digitale toepassingen optimaal? Esther Talboom-Kamp deed onderzoek naar de inzet van eHealth bij COPD- en trombosepatiënten. Op 21 november verdedigt zij haar promotieonderzoek ‘eHealth in primary care’ bij het LUMC. In de Eerstelijns deelt zij samen met promotor Niels Chavannes en research nurse Anneke Vass vast enkele onderzoeksresultaten en algemene conclusies.

Het doel van het promotieonderzoek Van Esther Talboom-Kamp was te achterhalen wat de effecten zijn van verschillende manieren van het invoeren van eHealth op het gebruik ervan en op de algemene gezondheidsstatus. Ook is er gekeken of die effecten afhankelijk zijn van intensieve begeleiding door de zorgverlener en van de mate waarin het onderdeel is van het zorgprogramma (blended care). Eigenlijk zijn er twee studies gedaan: e-Vita bij COPD-patiënten en PORTALS bij patiënten met orale antistollingstherapie (OAT), waarbij ook gekeken werd naar de effecten van eLearning.

“We onderzochten drie groepen COPD-patiënten”, legt Esther Talboom-Kamp uit. “Twee blended care-groepen, met verschillen in begeleiding, en één waarbij het digitale platform niet was geïntegreerd in het reguliere zorgprogramma. Er waren nauwelijks verschillen in de CCQ-uitkomsten (Clinical COPD Questionnaire) voor en na introductie van het eHealth-platform. Dat komt omdat we patiënten met een milde vorm van COPD onderzochten, daar is ook weinig ruimte voor verbetering. En we hebben de groepen elk vijftien maanden ondervraagd, mogelijk is er bij een langere onderzoektijd meer verschil.” Niels Chavannes: “Je kunt het ook zo zien: er is geen negatief effect te zien bij de inzet van eHealth. Dat biedt mogelijkheden voor meer digitaal zelfmanagement.”

Bij de trombosestudie zijn eveneens drie patiëntengroepen onderzocht: zij die de traditionele aanpak van de trombosedienst kregen, zij die een combinatie kregen van zelfmanagement met traditionele groepstraining en zij die zelfmanagement  plus eLearning kregen. Esther Talboom-Kamp: “Ook hier zag je dat bij alle groepen de controle over de bloedverdunning gelijk was. Dat biedt mogelijkheden voor zelfmanagement en impliceert dus dat je beter eLearning kunt inzetten in plaats van groepstraining, want dat is goedkoper en minder arbeidsintensief.”

Efficiënte eHealth

Het onderzoek bracht een aantal voorwaarden aan het licht voor optimale effectiviteit van de inzet van eHealth. Zo is er meer en beter gebruik als het goed en gemotiveerd wordt aangeboden door huisarts of POH. Een andere voorwaarde voor efficiënte eHealth is dat gebruikers er dagelijks gemak van moeten ondervinden. En daar valt nog wel wat werk te verzetten, constateren Chavannes, Vass en Talboom-Kamp.

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Diagnostiek op de huisartsenpost voorkomt verwijzingen

In oktober publiceerden huisarts/onderzoeker Martijn Rutten en collega’s de resultaten van een onderzoek naar directe toegang tot radiologie vanuit de huisartsenpost. Conclusie: wanneer de huisarts op de post toegang heeft tot röntgendiagnostiek worden minder patiënten onnodig naar de spoedeisende hulp verwezen. In Heerlen ervaren ze hetzelfde, vertelt Roger Eurelings, manager van de huisartsenpost Oostelijk Zuid-Limburg.

Verhoudingsgewijs zien huisartsen op de huisartsenpost aanzienlijk meer mogelijke fracturen dan in de eigen praktijk. Toch hebben zij juist overdag direct toegang tot radiologie en moet daarvoor bij tachtig procent van de huisartsenposten doorverwezen worden naar de Spoedeisende Hulp (SEH). Kan dat zinniger en zuiniger? Met die vraag gingen Rutten en consorten aan de slag.

Het onderzoek

Uit een inventarisatie van de onderzoekers in 2015 bleek dat twintig van de destijds 117 Nederlandse huisartsenposten toegang hebben tot radiologie. Bij zes is dat ongelimiteerd, bij zeven alleen overdag en bij de andere zeven gedurende bepaalde tijdvensters. “Wij vergeleken in ons onderzoek zes huisartsenposten met verschillende modellen. We hebben gekeken naar het fractuurpercentage en het aantal mensen dat in de eerste lijn kon blijven binnen de diverse modellen. Daarnaast hebben we de huisartsen gevraagd om op te schrijven met welke indicatie ze de röntgenfoto nodig vonden.” Bij de posten waar voor radiologie moest worden doorverwezen naar de SEH, bleek de helft van de doorverwezen patiënten een breuk of luxatie te hebben. De andere helft had dus in de eerste lijn kunnen blijven. Op de posten waar deels of volledig toegang was tot radiologie werd veertig procent doorverwezen naar de SEH met een afwijkende foto en kon zestig procent onder behandeling blijven van de huisarts.

Voordelen

Bij directe toegang lijken huisartsen wel iets makkelijker een foto aan te vragen (55 procent meldt een hoge verdenking op afwijkingen/fracturen) dan wanneer er beperkt of geen toegang is (68 procent meldt een hoge verdenking). Maar volgens Rutten wegen de voordelen van directe toegang tot radiologie hier ruimschoots tegenop. “De huisarts kan zijn rol van poortwachter beter vervullen en de regie houden. Voor patiënten betekent het een kortere wachttijd en een beperktere aanslag op hun eigen risico. En de SEH profiteert ook: de drukte neemt af waardoor zij zich meer kunnen richten op complexere zorgvragen.”

Roger Eurelings, manager van Huisartsenpost Oostelijk Zuid-Limburg (OZL) onderschrijft de voor- en nadelen. Bij hap OZL kunnen huisartsen mensen met een vermoedelijke breuk via ZorgDomein doorverwijzen voor een foto. Eurelings is heel tevreden over de samenwerking met het ziekenhuis en vindt directe toegang tot radiologie een aanrader voor andere huisartsenposten.

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

ZonMW: Zelfredzaamheid heeft de toekomst

Alex Burdorf, afdelingshoofd Maatschappelijke Gezondheidszorg bij Erasmus MC Rotterdam, is er zeker van: zelfredzaamheid en eigen kracht van individuen gaan in de toekomst een steeds grotere rol spelen. Hij vindt wel dat professionals in zorg en preventie scherper in het oog moeten houden bij wie zelfmanagement kans van slagen heeft en bij wie niet. Want het is niet alleen het individu die dat bepaalt. En als het onverhoopt niet lukt, ben je geen loser.

Burdorf is de laatste wetenschapper die in deze ZonMw-serie over zelfmanagement aan het woord komt. Hij stelt dat zelfmanagement complexer is dan het vaak gepresenteerd wordt. “Eigen verantwoordelijkheid is geen probleem van het individu, maar van het individu in zijn omgeving. En op die omgeving kun je als individu vaak weinig invloed uitoefenen.”

Burdorf vertelt over een onderzoek onder reumapatiënten. “We zagen dat mensen zelf aan de slag gingen met de consequenties van hun ziekte voor hun leven en hun werksituatie. Ze probeerden activiteiten in de vrije tijd en op het werk als het ware om hun ziekte heen te plannen. Dát is zelfmanagement. Maar om het op hun werk echt goed te kunnen regelen, hadden ze de infrastructuur van het bedrijf nodig, hun collega’s, de leidinggevende en de bedrijfsarts. Lang niet overal kun je zomaar zeggen: ik heb vandaag veel pijn, ik begin twee uur later.”

Grenzen aan zelfredzaamheid

Waarom zijn wetenschappers terughoudender dan politici? “Als meer verantwoordelijkheid voor het individu een politieke keuze is – en dat heeft het kabinet met verve uitgedragen – dan moet je zelfredzaamheid en eigen kracht stimuleren. Ik ben ook voor eigen verantwoordelijkheid, maar de omgeving moet zelfmanagement toelaten en stimuleren. En – heel belangrijk – je moet accepteren dat sommige mensen er gewoon niet goed in zijn. Houd nou toch eens op met roepen dat iedere burger op basis van zelfredzaamheid en eigen kracht zijn eigen verantwoordelijkheid kan invullen!”

Is zelfmanagement dan iets voor mensen die zich toch al aardig weten te redden in het leven? “Als je je zaakjes goed voor elkaar hebt, is dat inderdaad een illustratie van goed zelfmanagement. Maar als de omstandigheden veranderen, als een dierbare je ontvalt of je verliest je werk, kan het zelfmanagement een zware klap krijgen. In veel studies zien wij dat als de leefomstandigheden in ongunstige zin veranderen, het zelfmanagement min of meer ondergeschikt raakt en ongezond gedrag de overhand krijgt.”

Rol voor de overheid

Er zijn lichtpuntjes. De groeiende aandacht voor het werk van patiënten in de eerste lijn en in de klinische zorg, bijvoorbeeld. Om in de ruimere omgeving, de wijk, het dorp, de stad iets te veranderen, is volgens Burdorf een overheid nodig die het voortouw neemt.

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

ZonMw: Zelfmanagementondersteuning: van theorie naar praktijk

“Patiënten noch zorgprofessionals kunnen zelfmanagement en zelfmanagementondersteuning uit een boek leren, je maakt het je eigen door het te dóén.” Een opvallende uitspraak van AnneLoes van Staa, die redacteur is van het verpleegkundige leerboek over zelfmanagement en eigen regie dat binnenkort verschijnt.

Leren van ervaringen in de praktijk staat centraal bij zelfmanagement en zelfmanagementondersteuning, stelt Van Staa. Reflectie is een belangrijk onderdeel: wat doe ik en wat is het effect? “Natuurlijk is er wel een aantal vaardigheden die je kunt verwerven. Zorgprofessionals denken vaak dat ze het wel weten en kunnen, zelfmanagementondersteuning, maar er bestaat een discrepantie tussen kunnen en doen. Ze vinden het vaak lastig om zelfmanagementondersteuning echt in de praktijk te brengen.” Een oorzaak is volgens Van Staa het theoretisch niveau waarop de discussie over zelfmanagement zich afspeelt. Binnen haar onderzoeksprogramma is een curriculumscan uitgevoerd bij opleidingen verpleegkunde. Daar kwam die theoretische insteek duidelijk naar voren. “Achtergronden, concepten en ideaalsituaties. Over hoe het hoort, maar niet over het handelen in alledaagse werksituaties.” Dat was de aanleiding om een leerboek te ontwikkelen voor hbo-verpleegkundigen, waarin de nadruk ligt op concrete toepassing bij uiteenlopende ziektebeelden.”

5A-model

Een van de hulpmiddelen die ontwikkeld zijn om professionals beter toe te rusten voor zelfmanagementondersteuning, is een lijst van benodigde competenties. Het zogenoemde 5A-model is een verzameling van vijf werkwoorden die de professional in een circulair proces zou moeten hanteren. Het begint met achterhalen wat voor de patiënt belangrijk is. De tweede stap behelst het op maat adviseren over bijvoorbeeld de voordelen van verandering. De derde stap is het afspreken, het samen stellen van doelen, geleid door de behoeften van de patiënt. Dit is gezamenlijke besluitvorming, een essentieel onderdeel van zelfmanagementondersteuning. De vierde stap is het assisteren, bijvoorbeeld bij de omgang met persoonlijke barrières. De vijfde stap is het arrangeren, het samen opstellen van een vervolgplan.

Oplossingsgericht

Het Zelfmanagement Web is een andere tool die samen met verpleegkundigen is ontwikkeld. Een interventie voor alle zorgverleners die op een open manier met de patiënt in gesprek willen gaan over wat hem of haar bezighoudt. “Het gaat niet louter om in kaart brengen, maar vooral om het hanteren van een kortdurende, oplossingsgerichte gesprekstechniek. Met de solution focused brief therapy, een gespreksmethode uit de psychologie, ga je de problemen van de patiënt niet uitdiepen, maar zoek je samen naar oplossingen. Die moeten van de patiënt komen, de professional helpt om haalbare doelen te stellen.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

“Data worden waardevol als je er met verstand naar kijkt”

Big data kan een vliegwiel zijn voor persoonsgerichte, doelmatige zorg. In de proeftuin Gezonde zorg, Gezonde regio wordt daarmee geëxperimenteerd en andere regio’s staan te trappelen om te volgen. Apotheker/bedrijfskundige Eric Hiddink en apotheker/epidemioloog Ron Herings ontwikkelden het dataconcept voor de proeftuin. Ze zijn blij met de toenemende interesse voor inzet van zorgdata, maar waarschuwen voor te snelle conclusies.

In de zomermaanden worden meer ijsjes gegeten en overlijden meer mensen door verdrinking. Leg je deze cijfers naast elkaar, dan is er een correlatie van meer dan negentig procent. “Zonder causaal verband zeggen zulke cijfers niets”, ontzenuwt Eric Hiddink alle mogelijke speculaties over het verhoogd risico dat ijseters hebben op verdrinking. In dit geval is er een logische verklaring: in de zomer is het warmer, daardoor worden er meer ijsjes gegeten en gaan meer mensen zwemmen. Als er meer mensen zwemmen, verdrinken er ook meer mensen.” Wat Hiddink hiermee wil zeggen is dat het gevaarlijk is om snelle conclusies te trekken op basis van data. “Waardevol wordt het pas als iemand er met verstand naar kijkt.”

Complete informatie

Dat klinkt nogal voor de hand liggend, maar als het gaat om big data in de zorg is de menselijke neiging om overhaast conclusies te trekken erg groot merkt ook Ron Herings, directeur van de PD Groep (Pharmo Instituut, Stizon) en gespecialiseerd in het verzamelen en analyseren van gestructureerde en ongestructureerde data.

Hiddink en Herings werken sinds 2013 samen aan slimmere inzet van zorgdata binnen Gezonde zorg, Gezonde regio. In die proeftuin hebben ze de ruimte om te experimenteren met ‘slim kijken naar data’. “Ziek zijn is een langdurig proces”, vertelt Herings. “Een groot deel van de patiënten die je als zorgverlener ziet, heeft al jaren behandeling achter de rug. In die periode zijn allerlei beslissingen genomen op basis van de kennis van vroeger en het kostenplaatje van toen. Als je daarover geen informatie hebt en conclusies trekt, kun je er flink naast zitten.”

Van protocol naar individu

Kort gezegd doen Herings en Hiddink in de proeftuin vier dingen: ze verzamelen patiëntdata, halen daar behandelprotocollen en standaarden overheen, matchen de data van een specifieke patiënt hiermee en kijken of deze afwijken van de standaard. De bevindingen worden vervolgens omgezet in een gepersonaliseerd advies. Herings: “Zo helpen we zorgverleners met het onderbouwen van afgewogen keuzes. We vertalen het protocol naar het individu en maken daarmee meer zorg op maat voor het individu mogelijk.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

eHealth: de stuwende kracht bij zelfmanagementondersteuning

Voor zelfmanagementondersteuning met eHealth-interventies is een cultuurverandering bij leidinggevenden en zorgprofessionals essentieel, stelt verpleegkundig onderzoeker Betsie van Gaal van IQ healthcare in het zesde deel van de serie Zelfmanagement in samenwerking met ZonMw. Ze is projectleider van Self-Made & Sound, een langlopende onderzoekslijn waarin eHealth-zelfmanagementprogramma’s worden ontwikkeld en geëvalueerd.

“Mijn ouders, mensen van eenvoudige komaf, meten thuis zelf hun bloeddruk. Mijn moeder had hypertensie en wilde niets weten van medicatie. Toen heb ik een doodgewoon Excel-bestandje gemaakt waarop ze kunnen zien wat de normale waarden zijn voor mensen van hun leeftijd en daarna zijn ze gaan meten en registreren. Gaandeweg kregen ze plezier in het simpele grafiekje. Het wordt een soort spelletje, maar intussen gaan de pillen er wel in en blijft de bloeddruk binnen de grenzen.”

Betsie van Gaal wil maar zeggen: zelf monitoren, zelf registreren, zelf interpreteren, kan een krachtige impuls geven aan het zelfmanagement van mensen. Momenteel evalueert Van Gaal bij IQ healthcare in het Radboudumc de resultaten van vier online zelfmanagementprogramma’s. Ze houdt een slag om de arm omdat de evaluatie nog niet is afgerond. “Wat er telkens uitspringt, is de invloed van persoonlijkheidskenmerken. Enerzijds zien we deelnemers die echt profijt hebben van het programma, zonder dat ze ook maar enigszins positief gestimuleerd worden door een verpleegkundige of door anderen. Anderzijds zijn er deelnemers die het niet voor elkaar krijgen zonder face-to-face-aanmoediging. eHealth geeft geen warme schouderklopjes!”

Oefenen

Van Gaal is ervan overtuigd dat zowel patiënten als artsen en verpleegkundigen profijt kúnnen hebben van eHealth-interventies en technologische oplossingen bij zorgmanagementondersteuning. Maar de zorg moet dan wel anders ingericht worden. “En daarbij gaat het niet alleen om technologie, maar ook om een cultuurverandering. Een voorbeeld: artsen hebben de neiging om de resultaten van thuismetingen op het spreekuur te negeren, ze gaan bij voorkeur af op gegevens die ze zelf verzamelen. Het zou heel normaal moeten zijn dat een arts of verpleegkundige informeert naar wat de patiënt heeft bijgehouden en die gegevens dan samen doorneemt. Maar bovenal moeten artsen en verpleegkundigen paternalisme vaarwel zeggen, de patiënt als expert zien en aansluiten bij wat hij of zij wil. Die houding moeten wij oefenen. Pas dan kan eHealth een goede plek krijgen in de zorgketen.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Tien principes voor regionale samenwerking rond doelmatig geneesmiddelgebruik

Hoe geef je succesvol vorm aan regionale samenwerking? Het RIVM onderzoekt dit op verschillende fronten. Om te beginnen zijn nu tien leidende principes in kaart gebracht voor verbetering van regionale samenwerking om veilig geneesmiddelengebruik en doelmatig voorschrijven van medicatie te bevorderen.

Een betere inrichting van preventie, zorg en welzijn. Hogere kwaliteit van zorg, betere gezondheid en lagere kosten. Met die doelen voor ogen zijn in de afgelopen jaren regionale samenwerkingsverbanden ontstaan. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) volgt sinds 2013 een aantal van deze regionale initiatieven, namelijk de proeftuinen ‘Betere zorg met minder kosten’. Een van de hoofdvragen daarvan is: ‘Hoe geef je succesvol vorm aan regionale samenwerking?’

“Een van de eerste concrete interventies van deze regionale samenwerkingsverbanden was betere en meer efficiënte farmaceutische zorg”, zegt onderzoeker Hanneke Drewes, coördinator van de landelijke monitor proeftuinen van het RIVM. “Wij hebben in zeven regionale initiatieven onderzocht hoe die samenwerking rondom farmaceutische zorg tot stand is gekomen”, vertelt Betty Steenkamer, die promotieonderzoek verricht bij Caroline Baan, hoofd van de RIVM-afdeling Kwaliteit van Zorg en Gezondheidseconomie en hoogleraar integrale gezondheidszorg aan de Tilburg Universiteit.

Leidende principes

De onderzoekers spraken met dertig personen over de regionale samenwerking rondom doelmatig geneesmiddelengebruik. Het ging om huisartsen, apothekers, internisten, cardiologen, vertegenwoordigers van Zorgbelang, representanten van zorgverzekeraars en projectmanagers. Verder onderzochten ze wat op papier was gezet. Welke afspraken lagen er bijvoorbeeld en hoe waren de processen ingericht?

Het resultaat: tien leidende principes die een inspiratiebron kunnen zijn voor andere regionale samenwerkingsverbanden. Tien principes die, zo stelt Baan, de organisatie van goede samenwerking onderbouwen wanneer ze in samenhang worden geïmplementeerd. En waarschijnlijk eveneens toepasbaar zijn op andere terreinen dan dat van geneesmiddelen”, aldus Drewes.

  1. Organiseer commitment op basis van een langetermijnvisie
  2. Organiseer samenwerkingen met coöperatie en representatie op bestuurlijk niveau
  3. Maak gebruik van een gelaagde governance-structuur
  4. Creëer bewustzijn op alle niveaus
  5. Organiseer interpersoonlijke relaties op alle niveaus
  6. Richt een lerende omgeving in
  7. Organiseer gezamenlijke verantwoordelijkheid
  8. Stem financiële strategieën af op de markt
  9. Organiseer gezamenlijke voordelen
  10. Toets regionale afspraken aan landelijk beleid en landelijke wet- en regelgeving
Meer inzicht

De kracht zit hem in de inzichten uit de ervaringen van de proeftuinen die ónder de tien principes liggen, vertelt Steenkamer. Inzicht in deze details geeft je de mogelijkheid de strategie vorm te geven die past bij jouw omgeving.”

Download voor meer inzicht het volledige artikel.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Hoe waarderen patiënten het chronische zorgprogramma?

SGE en zorggroep DOH hebben in 2016 een integraal klantervaringsonderzoek uitgevoerd onder chronische patiënten. Dat aspect wordt wel de missing link genoemd binnen Triple Aim.

Kwaliteit, kosten en klantervaringen zijn de pijlers onder Triple Aim. En hoewel het begrip niet meer weg te denken is in de Nederlandse gezondheidszorg, is een kritische beschouwing op zijn plaats.

Kwaliteit

De kwaliteit meten SGE en DOH al bijna tien jaar. Hoewel er soms wijzigingen zijn in de indicatoren, bestaat er over het algemeen een goed beeld van de kwaliteit van de zorgprogramma’s diabetes, COPD, astma en CVRM. De Eindhovense zorgorganisaties nemen ook deel aan de landelijke benchmark van InEen.

Kosten

Het onderdeel kosten is minder ver ontwikkeld. De zorggroepen hebben zicht op hun eigen kosten, maar niet op de integrale kosten van de verschillende patiëntgroepen.

Klantervaringen

Klantervaringen zullen met de voortschrijdende persoonsgerichte zorg wellicht de ultieme resultaatsparameter worden. Tot op heden wordt echter door weinig organisaties de klanttevredenheid binnen de huisartsen- en multidisciplinaire zorg, structureel gemeten.

In samenwerking met InEen, kennisinstituut IQ Healthcare (Radboudumc), Stichting Miletus en Qualizorg hebben SGE en DOH een nieuwe vragenlijst ontwikkeld, getest en onderzocht. Bij DOH zijn twee verschillende antwoordcategorieën getest, bij SGE het verschil tussen het laatste contact en de klanttevredenheid gedurende het gehele zorgprogramma. De meting is volledig digitaal uitgevoerd.

Resultaten

Uit het onderzoek blijkt dat de vragenlijst geschikt is voor toepassing in de praktijk. Bij zorggroep DOH heeft bijna 30 procent van de patiënten de vragenlijst ingevuld. De feedbackrapporten laten de ervaringen zien van de patiënten in de praktijken en per type zorgverlener. De net promotor score (NPS) toont de klantloyaliteit. Met een NPS van 20 over het totaal heeft DOH een prima score. In de resultaten wordt een verbeterpotentieel per praktijk weergegeven in vergelijking met de drie hoogst scorende praktijken.

Bij SGE was de respons 21 procent. De NPS over het laatste contact lag op niveau van het gezondheidscentrum tussen de 13 en de 36. De NPS over het gehele zorgprogramma lag op het niveau van het gezondheidscentrum tussen de -2 en 18. De resultaten worden teruggekoppeld naar de afzonderlijke gezondheidscentra.

Hoe verder?

Hoewel er nu naast inzicht in kwaliteit en (in mindere mate) kosten ook inzicht bestaat in de klantervaringen, is het hieraan verbinden van uitkomsten nog een brug te ver. Dat komt omdat de onderzoekspopulatie niet dezelfde is. Toch is het waardevol. Bij DOH zal in ieder geval in 2017 eenzelfde meting plaatsvinden om te kunnen vergelijken. Voor de toekomst wordt continue meting overwogen.

SGE heeft nog niet besloten over het vervolg, maar dat er kwaliteitswinst te behalen is met het meten van klantervaringen staat voor beide zorgorganisaties vast.

Auteurs: Jessica Werther (DOH) en Marian Gersen (SGE)

Download het volledige artikel hier:

Ethische vraagstukken bij zelfmanagement

In de veronderstelling dat de hedendaagse chronische patiënt als een autonome en rationele solist door het leven gaat, propageren politici zelfmanagement. Die aanname wordt gretig opgepikt en iedereen gaat geloven dat het zo werkt. In het vijfde deel van de serie Zelfmanagement in samenwerking met ZonMw kijkt Jeannette Pols, bijzonder hoogleraar Social Theory, humanism and materialities aan de Universiteit van Amsterdam en de sectie medische ethiek van het AMC, met open blik naar het zorgveld.

‘Meer bewegen, zelf meten? Daar ga ik op mijn leeftijd niet meer aan beginnen, dokter…’ Het model van zelfmanagement past niet iedereen. Dat roept ethische vraagstukken op, zegt Pols. “Het uitgangspunt moet zijn dat mensen het willen. Als iemand met COPD zegt dat stoppen met roken geen haalbare kaart is, dan ga je als zorgverlener onderhandelen. Wat wil hij wel? En wat kan hij wel? En dáár begin je, vergeet heroïsche gedragsveranderingen, zoek de middenweg, probeer het stapje voor stapje.”

Schijnveiligheid

Pols vertelt over een project voor mensen met hartfalen. Dagelijks maten ze keurig hun gewicht en bloeddruk. Verpleegkundigen in een callcenter hielden bij of er grenswaarden overschreden werden en grepen zo nodig in. “Na het invoeren van hun gegevens, leunden de patiënten tevreden achterover. Ze gingen niet aan de slag met de resultaten, dat konden de verpleegkundigen beter. Patiënten waanden zich veilig en werden juist passiever.” Niet alleen is zelfmanagement hier ver te zoeken, er rijst ook een ethisch dilemma. “De veiligheid die mensen voelen doordat de verpleegkundige een oogje in het zeil houdt, is schijnveiligheid.”

Verbinding

Pols ziet meer ethische dilemma’s en concludeert: zelfmanagement opdringen is altijd uit den boze. “Het is gemakkelijk gezegd: u moet beslissen. Mensen kunnen dan voor vraagstukken komen te staan die ze niet alleen kunnen oplossen. De patiënt heeft het laatste woord, maar de dokter mag niet in de coulissen verdwijnen.”

Het beeld van het rationele, zelfmanagende individu klopt niet, stelt Pols. “Zeker als we ziek zijn, willen we schouderklopjes, nabijheid en steun. Dat lijkt een verstandiger uitgangspunt dan het op het individu gerichte zelfmanagement.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Ontwikkelen van eigen kracht

Gemeenten, zorgaanbieders en onderwijs moeten er sinds 2015 samen voor zorgen dat jongeren veilig en gezond kunnen opgroeien. Het ontwikkelen van eigen kracht en eigen regie is daarbij een kernbegrip. ST-RAW brengt enerzijds wetenschap dichter bij praktijk en beleid en zet anderzijds praktijk en beleid aan tot reflectie. Coördinator Wilma Jansen brengt de lijntjes bij elkaar. 

In de artikelenserie Zelfmanagement van ZonMw en De Eerstelijns presenteren wetenschappers een breed palet aan inzichten en visies. De vierde aflevering gaat in op de vraag welke kennis gemeenten en praktijkinstellingen nodig hebben bij hun nieuwe rol in het jeugdstelsel. ST-RAW (www.st-raw.nl) brengt die partijen samen.

Jansen en haar collega’s gebruiken het woord zelfmanagement overigens zelden. Zij spreken doorgaans over de eigen kracht van jongeren en gezinnen, over eigen regie en zelf verantwoordelijkheid nemen. Of zelf bepalen hoe je hulptraject eruitziet. Dat gebeurt ook bij ‘Mijn Pad’, een begeleidingsmethodiek voor jongeren met ernstige gedragsproblemen in de residentiële jeugdzorg. Jansen: “In feite is het een vragenboekje en een app die eigendom zijn van de jongere zelf. Waar willen ze het met hun hulpverlener over hebben? Wat willen ze veranderen? En welke stappen zijn daarvoor nodig?”

Het is een van de talrijke projecten die bij wijze van spreken onder de academische werkplaats hangen, legt Jansen uit. “Wij hebben veertien kennispartners, die samen veel onderzoek hebben gedaan en over veel kennis beschikken. Die kennis brengen we samen en delen we om zo het werkveld verder te helpen.”

Kansrijk

De transformatie in de jeugdzorg moet ertoe leiden dat zoveel mogelijk kinderen in de regio Rijnmond zich kansrijk ontwikkelen. Om de transformatie te ondersteunen stroomlijnt ST-RAW zijn werk via vijf projecten. Eén daarvan is ‘De kracht van preventie’. De eerste drie artikelen van deze serie lieten zien hoe belangrijk steun van de omgeving is bij zelfmanagement. Ook bij ‘Ouders in actie’, ontwikkeld door het Centrum voor Jeugd en Gezin Rijnmond, komt dat naar voren.

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier: