Berichten

Hoofdlijnenakkoord huisartsenzorg: bestuurlijk commitment voor ambitieuze beleidsagenda

‘The proof of the pudding is in the eating’, zeggen de Engelsen. En zo is het. Op 11 juli jongstleden ondertekenden InEen, LHV, Zorgverzekeraars Nederland, de Patiëntenfederatie Nederland en het ministerie van VWS het hoofdlijnenakkoord huisartsen 2019-2022. Wat de afspraken waard zijn, zal de toekomst uitwijzen. De Eerstelijns analyseert.

Waar in het hoofdlijnenakkoord 2014–2017 nog sprake was van ‘eerstelijnszorg’, is nu een duidelijke keuze gemaakt voor ‘huisartsenzorg’. Enerzijds handig, anderzijds staat het een integrale multidisciplinaire benadering in de weg.

Samenhang akkoorden

De regering heeft gekozen voor hoofdlijnenakkoorden. Was er anders besloten, dan was er waarschijnlijk geen huisartsenakkoord gekomen. Zorgverzekeraars waren namelijk niet zo’n voorstander van een hoofdlijnenakkoord met huisartsen, omdat men erop rekende toch wel contracten te kunnen sluiten.

Er zijn meer sectorale akkoorden en ook sector brede programma’s. Het is de vraag wie bij VWS hierover het overzicht bewaart. Door sommige alinea’s letterlijk overal op te nemen, wordt samenhang gesuggereerd. Komt dat ook terug in de uitvoering? Dat is de vraag, want het zorgveld en de zorgverzekeraars zijn verdeeld in afdelingen en worden als zodanig bekostigd. En wat gebeurt er als er ontwikkelingen zijn in een bepaald domein of op een thema die het akkoord sterk beïnvloeden? Bijna vijf jaar vooruit kijken is een heikele zaak. Zijn de partijen flexibel genoeg en hebben ze voldoende vertrouwen om dynamisch om te gaan met het hoofdlijnenakkoord als dat nodig is?

Thema’s huisartsenakkoord

De inhoudelijke basis voor alle zorgakkoorden is de Juiste Zorg Op de Juiste Plek. Dit rapport kan beschouwd worden als de zorgparagraaf in het regeerakkoord van Rutte III. Specifieke thema’s als meer tijd voor de patiënt, versterking organisatiegraad, zorg voor kwetsbare groepen, zorg in ANW-uren, verbetering samenwerking sociaal domein, kwaliteit en ICT-zorginfrastructuur zijn door InEen en de LHV ingebracht en komen terug in het huisartsenakkoord. Ook is er aandacht voor de arbeidsmarkt en acute zorg en zijn er toezeggingen over de compensatie van de loonstijging in de cao. De erkenning dat bestuurlijk commitment op landelijk niveau nodig is om de ambities te realiseren, is een belangrijk gegeven. Dit kan houvast geven aan de regionale agenda. En hoewel wordt vermeld dat er geen centrale regie of monitoring komt, zal de Nederlandse Zorgautoriteit wel periodiek rapporteren.

Het is aan de zorgverzekeraars om de uitgangspunten van dit akkoord toe te voegen aan het zorginkoopbeleid 2019, dat in april is gepubliceerd. In regio’s waar contracten tot 2020 zijn gesloten, is het aan partijen om samen te beoordelen hoe zij nu toch al kunnen inspelen op de uitkomsten van het hoofdlijnenakkoord huisartsenzorg.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Brancheverenigingen toetsen scenario’s voor toekomstbestendige ANW-zorg

Hoe kan de werkdruk op de huisartsenpost worden verminderd? InEen, LHV en VPhuisartsen zetten veelbelovende pilots op. Voorbeelden zijn strengere triage op de post, digitale zelftriage door patiënten en één loket voor basis-spoedeisende zorg.

Een toename, ook van patiënten met een complexe zorgvraag. Huisartsen zijn er in de afgelopen jaren mee geconfronteerd, zowel in hun eigen praktijk overdag als op de huisartsenpost (HAP) in de avond, nacht en weekenden (ANW). Zózeer zelfs, dat menigeen zegt dat het water hem aan de lippen staat. Leden van InEen, LHV en VPhuisartsen vroegen hun organisaties daarom vorig jaar de handschoen op te pakken en gezamenlijk op te trekken bij vermindering en ombuiging van de patiëntenstroom.

Erkenning problematiek

De hieruit voortgekomen gezamenlijke projectgroep ‘Werkdruk in de ANW’ volgt drie sporen. Jeroen van der Noordaa is sinds een half jaar de coördinator van de projectgroep. Hij vertelt hierover: “Allereerst hebben we op bestuurlijk niveau contact gezocht met ketenpartners in de acute zorg. Die toenadering heeft geleid tot de erkenning dat niet alleen de SEH overloopt, maar ook de HAP. Iedereen realiseert zich dat het een gedeeld probleem is binnen de keten van de acute zorg, we moeten er sámen iets tegen doen. De volgende stap is dat we hierover concrete afspraken maken.”

Daarnaast vroegen de brancheverenigingen aan huisartsen in praktijken en op HAP’s naar maatregelen die zij hebben getroffen om een daling van de werkdruk te realiseren. De vele nuttige en inspirerende reacties zijn gebundeld in een online ‘gereedschapskist’ met praktijkvoorbeelden uit de ANW, die via de LHV-website te vinden is.

Systeemveranderingen

Tegelijkertijd houden de drie brancheverenigingen de toekomstbestendigheid van het klassieke model van de HAP in bestaande ANW-zorg tegen het licht. Zijn er interventies en systeemveranderingen in de keten denkbaar die de huisartsenzorg toekomstbestendiger maken? Tijdens een gezamenlijke ledenvergadering hebben de brancheverenigingen eind vorig jaar de notitie ‘Naar een toekomstbestendige ANW-zorg’ vastgesteld. Er zijn mogelijke toekomstscenario’s opgesteld. In de vorm van pilots wordt een aantal scenario’s getoetst in de praktijk. Van der Noordaa licht drie pilots toe die vóór de zomer van start moeten gaan: strengere triage op de post, digitale zelftriage door patiënten en één loket voor basis-spoedeisende zorg.

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

ZonMW: Zelfredzaamheid heeft de toekomst

Alex Burdorf, afdelingshoofd Maatschappelijke Gezondheidszorg bij Erasmus MC Rotterdam, is er zeker van: zelfredzaamheid en eigen kracht van individuen gaan in de toekomst een steeds grotere rol spelen. Hij vindt wel dat professionals in zorg en preventie scherper in het oog moeten houden bij wie zelfmanagement kans van slagen heeft en bij wie niet. Want het is niet alleen het individu die dat bepaalt. En als het onverhoopt niet lukt, ben je geen loser.

Burdorf is de laatste wetenschapper die in deze ZonMw-serie over zelfmanagement aan het woord komt. Hij stelt dat zelfmanagement complexer is dan het vaak gepresenteerd wordt. “Eigen verantwoordelijkheid is geen probleem van het individu, maar van het individu in zijn omgeving. En op die omgeving kun je als individu vaak weinig invloed uitoefenen.”

Burdorf vertelt over een onderzoek onder reumapatiënten. “We zagen dat mensen zelf aan de slag gingen met de consequenties van hun ziekte voor hun leven en hun werksituatie. Ze probeerden activiteiten in de vrije tijd en op het werk als het ware om hun ziekte heen te plannen. Dát is zelfmanagement. Maar om het op hun werk echt goed te kunnen regelen, hadden ze de infrastructuur van het bedrijf nodig, hun collega’s, de leidinggevende en de bedrijfsarts. Lang niet overal kun je zomaar zeggen: ik heb vandaag veel pijn, ik begin twee uur later.”

Grenzen aan zelfredzaamheid

Waarom zijn wetenschappers terughoudender dan politici? “Als meer verantwoordelijkheid voor het individu een politieke keuze is – en dat heeft het kabinet met verve uitgedragen – dan moet je zelfredzaamheid en eigen kracht stimuleren. Ik ben ook voor eigen verantwoordelijkheid, maar de omgeving moet zelfmanagement toelaten en stimuleren. En – heel belangrijk – je moet accepteren dat sommige mensen er gewoon niet goed in zijn. Houd nou toch eens op met roepen dat iedere burger op basis van zelfredzaamheid en eigen kracht zijn eigen verantwoordelijkheid kan invullen!”

Is zelfmanagement dan iets voor mensen die zich toch al aardig weten te redden in het leven? “Als je je zaakjes goed voor elkaar hebt, is dat inderdaad een illustratie van goed zelfmanagement. Maar als de omstandigheden veranderen, als een dierbare je ontvalt of je verliest je werk, kan het zelfmanagement een zware klap krijgen. In veel studies zien wij dat als de leefomstandigheden in ongunstige zin veranderen, het zelfmanagement min of meer ondergeschikt raakt en ongezond gedrag de overhand krijgt.”

Rol voor de overheid

Er zijn lichtpuntjes. De groeiende aandacht voor het werk van patiënten in de eerste lijn en in de klinische zorg, bijvoorbeeld. Om in de ruimere omgeving, de wijk, het dorp, de stad iets te veranderen, is volgens Burdorf een overheid nodig die het voortouw neemt.

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Carrièrefases en vermogensontwikkeling huisarts

De overeenkomst tussen een huisartsenpraktijk opzetten, een huisartsenpraktijk tot bloei brengen en een huisartsenpraktijk overdragen? Er dienen zich tal van financiële vraagstukken aan. Van Lanschot Healthcare denkt in dergelijke fases financieel, fiscaal en strategisch mee, zowel zakelijk als privé. Huisartsen in loondienst hebben ook baat bij deze expertise, bijvoorbeeld wanneer zij willen verkennen welke hypotheek ze kunnen afsluiten voor een woning.

Iedere huisarts verkeert tijdens zijn carrière verschillende malen in een situatie die flink wat financieel en strategisch denkwerk vergt. Besluit de dokter bijvoorbeeld zich wel of niet in te kopen in een maatschap? Of wordt een overname overwogen? Of is een uitbreiding of verkoop van de praktijk aan de orde? De Eerstelijns heeft een partner die de zorgverlener kan bijstaan met deskundig advies op maat: Van Lanschot Healthcare.

Behoud levensstijl

Met grote regelmaat voorziet Petra van de Hoef huisartsen van advies. Dat doet zij in haar functie van Senior Healthcare Banker bij Van Lanschot Healthcare. Van de Hoef : “Wie zijn opleiding tot huisarts heeft afgerond, staat voor belangrijke keuzes. Ga je werken in loondienst of geef je er de voorkeur aan een eigen praktijk te starten? Het antwoord op deze vraag bepaalt voor welke financiële kwesties je komt te staan. Treed je in dienstverband, dan zullen je financiële behoeften vooral betrekking hebben op de privésituatie. Begin je een eigen praktijk, dan krijg je te maken met de financiële en fiscale aspecten van het ondernemerschap. Een voorbeeld: voor de oudedagsvoorziening bouw je in elk geval al vermogen op via het verplichte pensioenfonds. Maar is dit voldoende om na het pensioen de gewenste levensstijl te behouden? Misschien is het de moeite waard nu al extra voorzieningen te treffen, zoals sparen of een eigen beleggingsportefeuille.”

Toekomstbestendig?

Van de Hoef  benadrukt: beslissingen die de huisarts nu neemt, hebben impact op de toekomst. Zij zegt: “Van Lanschot Healthcare heeft als uitgangspunt dat de onderneming en de privésituatie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Het is daarom essentieel op beide vlakken mee te denken. Wij doen dit in de vorm van vermogensregie. Zo krijgt de huisarts inzicht in zijn huidige en toekomstige financiële situatie. Het doel: niet alleen je droom van vandaag realiseren, maar ook je wensen voor later.”

Auteur: Gerben Stolk

Download het volledige artikel hier:

Positieve Gezondheid stimuleert domeinoverstijgende samenwerking in Meppel

Positieve Gezondheid is een van de belangrijkste pijlers van gezondheidszorg in de toekomst. Vanuit die overtuiging realiseerde huisarts Carola Penninx met drie collega huisartsen, een fysiotherapeut en een apotheker een multidisciplinair gezondheidscentrum in Meppel. “Het geeft ons een ingang om op een andere manier met zorg bezig te zijn”, vertelt ze enthousiast.

Het initiatief voor een nieuw gezondheidscentrum in Meppel ontstond vier jaar geleden. Na een college transitiekunde van Jan Rotmans zochten de initiatiefnemers contact met Machteld Huber. Vervolgens trokken ze zich letterlijk terug op de hei om te brainstormen over gezondheidszorg in de toekomst en de uitgangspunten van hun nieuwe multidisciplinaire gezondheidscentrum. “Het aantal ouderen en mensen met chronische ziekten neemt toe en er komt steeds meer zorg naar de eerste lijn”, constateert Penninx. “Het vak van huisarts wordt hierdoor breder. We krijgen meer taken waarvoor we buiten ons eigen domein moeten treden en moeten samenwerken met welzijn en preventie. Positieve Gezondheid verbindt de domeinen en biedt mij als dokter een ingang om breed naar mensen te kijken.”

Letterlijke integratie

Een voormalige bouwmarkt bleek de ideale ruimte om de geïntegreerde zorg voor ‘de mens als geheel’ vorm te geven. Penninx: “Om invulling te geven aan Positieve Gezondheid moeten de eerste lijn, maatschappelijk werk en welzijn echt samenwerken. Dankzij de grote oppervlakte van ons pand konden we de disciplines allemaal op de begane grond huisvesten, rondom een plein waar we elkaar tegenkomen.”

Regie bij de patiënt

Het mooie van Positieve Gezondheid is dat je de regie teruglegt bij de mensen zelf, vindt Penninx. “Ik kan als dokter wel vinden dat iemand meer moet bewegen, maar waar wil hij of zij zelf mee aan de slag? Dat ontdek je wanneer je gebruikmaakt van het spinnenweb voor Positieve Gezondheid. De oplossing ligt vaak op maatschappelijk vlak. Aan chronische artritis kun je niet zoveel doen, maar de beleving van pijn kan positief beïnvloed worden wanneer iemand afleiding zoekt bij welzijnsactiviteiten in de buurt.”

Verbindingen

De samenwerking met andere zorgverleners en domeinen heeft een impuls gekregen door de nieuwe aanpak. “Er zijn 120 professionals verbonden aan het centrum en iedereen is er enthousiast mee aan de slag. Binnenkort komen we weer een avond bij elkaar om Positieve Gezondheid in workshops verder uit te diepen. Dat levert enorm veel inzichten en verbindingen op, bijvoorbeeld met initiatieven gericht op beweging, de ouderenpoli, de stresspoli, verloskundige zorg, de ADHD-poli. Deze aanpak zorgt ervoor dat we geïntegreerd blijven samenwerken en niet terugvallen in ons eigen kunstje.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Verleden, heden en toekomst van organisaties in de eerstelijnszorg

De eerstelijnszorg is sinds de invoering van de Zorgverzekeringswet in 2006 een steeds belangrijker onderdeel van het zorgsysteem in Nederland. Hoe is die ontwikkeling verlopen en wat brengt de toekomst voor de eerstelijnszorg? Een inventarisatie met een reflectie van één van de key note speakers van de InEen Tweedaagse  op 28 en 29 september: Michel van Schaik.

De eerstelijnszorg is geen hard gedefinieerd begrip. Het is een containerbegrip voor professionals die individueel of collectief in organisaties in de directe omgeving van de zorgvrager diensten aanbieden die onder het regiem van de zorgverzekeringswet of de aanvullende verzekering vallen. Simpeler gezegd: eerstelijnszorgverleners kun je als Nederlander in principe zelf bezoeken zonder doorverwijzing van andere professionals. Sinds 1970 heeft de eerste lijn een aantal ontwikkelingen doorgemaakt die uiteindelijk hebben geleid tot de huidige organisatiestructuur.

Nieuwe ordening

De toenemende invloed van patiënten, het streven naar gepersonaliseerde zorg, een veranderende maatschappijvisie op gezondheid en de effecten van eHealth en digitalisering als tijd- en plaatsonafhankelijke variant op traditionele zorg, zetten de huidige organisatie van de eerstelijnszorg het komende decennium op zijn kop. Ook de verdere vervlechting en wellicht bekostiging van bepaalde eerstelijnsdisciplines/organisaties met het sociale domein, zullen effect hebben op professionals en organisaties. De verwachting is dat door gewijzigde randvoorwaarden, zoals directe toegankelijkheid en aangepaste of afgeschafte eigen risico/betalingen, de verschillen tussen eerste-, tweede en derdelijnszorg snel verder zullen verwateren en de integratie van echelons zal versnellen. Door experimenten met (deel)populatiebekostiging en onder invloed van de beweging Positieve Gezondheid wordt ook preventie een integraal onderdeel van het gezondheidssysteem. Door de complexiteit van en samenhang met het sociale domein – waarvoor de verantwoordelijkheid door de decentralisaties voor het grootste gedeelte bij de gemeenten zal komen te liggen – is te voorzien dat de regionale benadering  het komende decennium het leidende ordening- en organisatieprincipe zal worden. De eerstelijnszorg als zelfstandig domein zal opgaan in een samenhangend gezondheids-, zorg- en welzijnssysteem.

Vanwege deze toekomstige nieuwe ordening is het zaak dat de georganiseerde eerstelijnszorg zich nu vast langzaam die kant op beweegt. Om te werken in dit nieuwe ordeningsprincipe zal de sector geleidelijk moeten omvormen.

Hoe verder?

De tweedaagse van InEen biedt een platform om de toekomstige ontwikkelingen die in dit artikel worden geschetst, te verbinden met actuele uitdagingen. Centrale vraag dit jaar is hoe we de eerstelijnszorgorganisaties verder brengen en gereed krijgen voor het 24/7 leveren van continuïteit van zorg bij een toenemende en steeds complexer wordende patiëntvraag. Key note speakers Loek Winter, Michel van Schaik, Laurens van der Tang en Wouter Hart gaan hier op in vanuit het perspectief van respectievelijk de patiënt, het systeem, ICT en de organisatie.

Auteurs: Lisa Tiggelaar, Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Nieuw HIS kost energie, maar levert winst in werkdruk

Andreas Keck, huisarts en directeur zorg bij GAZO, staat nog steeds achter de keuze voor de overstap naar een ander HIS. “Maar je doet het niet zomaar. Het is een intensief traject.” GAZO koos voor een HIS dat toekomstbestendig is. Het werd vorig jaar geïmplementeerd.

Stichting Gezondheidscentra Amsterdam Zuidoost (GAZO) heeft een breed en multidisciplinair aanbod aan eerstelijnsgezondheidszorg voor ruim 45.000 patiënten. Het bedrijfsbureau van de stichting ondersteunt de zes GAZO-gezondheidscentra op het gebied van financiën, personeelszaken, ICT en facilitaire zaken. Andreas Keck huisarts en bestuurder/directeur zorg: “Ongeveer vier jaar geleden waren we toe aan vervanging van het huisartsinformatiesysteem dat we toen hadden”, vertelt hij. “Als directie kun je makkelijk tot zo’n besluit komen, maar voor de gebruikers is het een hele stap. Zorgverleners zitten niet te wachten op veranderingen.” De keuze om over te stappen op een ander HIS is genomen door het bedrijfsbureau, samen met de zes gezondheidscentra.

Potenties

“Daarna hebben we een plan van aanpak en een pakket van eisen opgesteld”, vervolgt Keck. “Op basis daarvan hebben we verschillende HIS-leveranciers uitgenodigd en tenders laten maken.” Een van de eisen van GAZO was dat het HIS niet alleen voor huisartsenpraktijken is ingericht, maar ook de mogelijkheid biedt om in de toekomst uit te breiden naar andere disciplines. GAZO keek dus niet alleen naar wat het HIS al heeft, maar ook welke potenties het in zich heeft. Het hele pakket van eisen is samen te vatten in één statement, zo vat Keck samen: ‘ik wil wat ik heb, maar dan beter’. “Dat bleek ook de ambitie van Promedico.” GAZO vond in Promedico de partner met potenties en dus kwam er in 2015 een ‘go’.

Overstap

Toen volgde de ingewikkelde klus om zo naadloos mogelijk over te gaan, aldus Andreas Keck uit. “We hebben 25 tot 30 jaar data verzameld en die waren natuurlijk ‘vervuild’. Iedereen legt gegevens weer anders vast en het was de uitdaging om ze na de transitie op de goede plek terecht te laten komen.” De tweede lastige klus is het meenemen van de gebruikers in de implementatie van het nieuwe systeem. De impact van zo’n overstap verschilt per persoon, afhankelijk van de ICT-gevoeligheid van een medewerker. Om de knelpunten op te vangen heeft GAZO een projectgroep van ‘super-users’ ingesteld. Die bekeek per vraag of probleem of het lag aan de onbekendheid van de medewerker met het HIS of aan het (ontbreken van een optie in het) systeem zelf. Een jaar na dato stelt Keck vast dat de overstap succesvol is verlopen.

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Zorgbestuurder Dick Herfst over afbouwen en voorsorteren op de toekomst

Ervaren bestuurder Dick Herfst kijkt terug en, wat veel beter bij hem past, blikt naar de toekomst en ziet hoe zorgprofessionals zich meer en meer gaan richten op datgene wat er werkelijk toedoet voor cliënten. De voorzitter van de raad van bestuur van ZZG zorggroep is van plan om over enkele jaren afscheid te nemen, de weg daarnaartoe vult hij op een bijzondere manier in.

Herfst begon zijn loopbaan in de jaren zeventig als leerling-verpleegkundige in wat toen het Kennemer Gasthuis heette. Vervolgens werkte hij in verschillende ziekenhuizen in allerlei rangen en functies. Ook in de eerste lijn en in verpleeg- en verzorgingshuizen verdiende hij zijn sporen. Zijn professionele lijn getuigt van een sterke drive om iets te betekenen in de zorg. “Ik heb mijn ervaring opgebouwd op een manier die past bij mij en mijn capaciteiten. Uit ervaring weet ik wat belangrijk is voor mensen die zorg nodig hebben en dat heeft mijn rol als bestuurder mede vormgegeven.”

Herfst springt naar de huidige tijd. “Structuren en processen zijn voor een organisatie belangrijk en noodzakelijk, maar het zijn slechts hulpmiddelen om doelen te bereiken. Als ze niet langer bijdragen aan het bereiken van je doel, moet je ze afschaffen. Structuren en processen die niet geschraagd worden door bepaalde waarden zijn lege hulzen.”

Kwaliteit van leven

Herfst, die zijn organisatie de afgelopen jaren door een belangrijke transitie leidde, geeft een sprekend voorbeeld: de ZZG zorggroep bouwde vanaf 2009 zijn verpleeg- en verzorgingshuizen om tot kleinschalige woonvoorzieningen. “Als ik cliënt zou zijn en ik krijg te horen dat ik zelf de regie in handen moet nemen, dan stel ik eisen aan mijn woonomgeving, dan laat ik me niet langer wegstoppen op vijfentwintig vierkante meter. Door anders te denken, door de vraagstukken niet te benaderen vanuit de zorg maar vanuit kwaliteit van leven, krijg je andere uitkomsten, andere zorgvormen of zorgvoorzieningen. En die zijn best te financieren. We kunnen nu appartementjes bouwen van zestig vierkante meter binnen de sociale woningbouw. Ook mensen met dementie kunnen hun familie dan in hun eigen huis ontvangen.” De keuzes die een bestuurder maakt, moeten altijd een inhoudelijke legitimering hebben, zodat ze maatschappelijk te verantwoorden zijn, benadrukt Herfst.

Fysiek afwezig

Ten tijde van zijn start bij ZZG in 2003 bij ZZG dacht Herfst op zijn zestigste te stoppen. Toen hij de 65 naderde kwam de vraag of hij nog enkele jaren wilde blijven. De weg naar zijn afscheid geeft hij op een bijzondere manier vorm. Er is een overgangssituatie gecreëerd waarbij de ZZG-voorman één week per maand niet fysiek aanwezig is. “Maar als je het aan m’n vrouw vraagt, ben ik er via e-mail wel.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

GGZ dicht bij de burger

Het gaat goed met de GGZ in de huisartsenpraktijk. In 2015 had meer dan 83 procent van de huisartsen een POH-GGZ, volgens de Monitor Generalistische Basis GGZ. In Zuidoost-Brabant gaan ze nog een stapje verder. Huisartsen, eerstelijns GGZ en specialistische GGZ werken gebroederlijk samen in het eerstelijnsketenzorgproject GGZ. De huisarts is hoofdbehandelaar in een traject van matched care. En, als de voortekenen niet liegen, met succes.

Het programma gaat uit van de vraag van de patiënt en beantwoordt die zo dicht mogelijk bij huis. De huisarts of de POH doet een intake en gebruikt daarbij gestandaardiseerde vragenlijsten die ook worden gebruikt voor monitoring van de zorg. Uitgangspunt is matched care: de zorg wordt zo laagdrempelig mogelijk aangeboden, maar ook zo specialistisch als noodzakelijk, uitgaand van de vraag van de patiënt. Dat kan doordat niet de DSM-diagnose, maar de hulpvraag leidend is. Er is dus één betaaltitel per patiënt. Om de zorg te realiseren kunnen huisarts of POH een eerstelijnspsycholoog, verslavingsconsulent en een psychiater consulteren. Voorlopige aanwijzingen duiden op aanzienlijk minder verwijzingen naar de specialistische GGZ en goed herstel.

Kansen grijpen

De samenwerking tussen huisartsen en GGZe is gestart voor 2008. Een reeks gunstige omstandigheden kwam samen. GGZe wilde haar aanwezigheid in de eerste lijn verbeteren. Bovendien had de organisatie volgens GGZe-directeur Marileen Bouts te kampen met wachtlijsten. Bouts zocht contact met de drie grote huisartsengroepen in de regio: Praktijkondersteuning Zuidoost-Brabant (PoZoB), De Ondernemende Huisarts (DOH) en Stichting Gezondheidscentra Eindhoven (SGE). Samen brachten ze de ervaring van patiënten grondig in beeld.

De huisartsengroepen hadden om verschillende redenen speciale belangstelling voor GGZ. Toen de aanbieders gezamenlijk naar verzekeraars VGZ en CZ stapten, zagen die een kans voor versterking van integrale zorg en substitutie van de tweede naar de eerste lijn.

Integrale financiering

Ondanks de goede start was het financieren van de samenwerking een traject van lange adem. Via de Beleidsregel Innovatie van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) werd een pilot van drie jaar opgezet zonder eigen bijdrage ten opzichte van reguliere bekostiging. Het experiment liep van december 2011 tot december 2014 en werd vervolgens verlengd.

De innovatiegelden maakten integrale financiering mogelijk. Een DBC per patiënt ondersteunt het matched care proces. De patiënten krijgen een geïntegreerd aanbod en betalen geen eigen bijdrage voor de GGZ of verslavingszorg.

Toekomst

Hoe moet ketenzorg op termijn worden gefinancierd? Zorginkoper Angelique Gillis (VGZ): “Je zou je kunnen voorstellen dat keten-GGZ onderdeel zou kunnen zijn van huisartsenzorg in segment 2. Alleen heb je dan wel onherroepelijk communicerende vaten tussen macrokader GGZ en macrokader huisartsenzorg nodig.” Bovendien zou de ketenzorg gevrijwaard blijven van eigen risico. De verzekeraars vinden het lastig om andere eerstelijnsaanbieders uit te leggen waarom voor dezelfde zorg in de ene praktijk wel eigen risico wordt gevraagd en in de andere niet. Dit sluit aan bij landelijke discussies over het eigen risico. Daarmee doet het experiment precies waar het voor bedoeld is: bestaande zorgpraktijken openbreken.

Auteurs: Susan Hommerson, Fleur Thomése, Piet de Bekker

Download het volledige artikel hier:

Vilans: tijd voor de toekomst van de wijkverpleegkundige

“Waarom is er nooit iets voor ons?“, vroeg een oudere man met een rollator aan de wijkverpleegkundige in Amsterdam. Hij woont drie hoog en komt weinig buiten. Dat komt doordat er iemand met hem mee de trap af moet om vallen te voorkomen. De wijkverpleegkundige pakt zijn vraag op en organiseert met Sport en Welzijn, leerlingen van de hogeschool in de buurt en het verpleeghuis in haar wijk een ‘rollator-loop’. Een groot feest met muziek, waar ouderen met een rollator een bepaalde afstand kunnen lopen. Als beloning krijgen ze een medaille. De wijkverpleegkundige die hiermee startte, kon niet vermoeden dat haar initiatief overal in het land navolging zou krijgen en zelfs zou uitgroeien tot een landelijk evenement in het Olympisch Stadion.

Een simpel maar heel mooi voorbeeld van de nieuwe invulling van de rol van de wijkverpleegkundige. Door haar initiatief ontstaat letterlijk beweging. Door oefengroepjes krijgen mensen contact waardoor eenzaamheid vermindert. Gezondheid verbetert door bewegen en zingeving leidt tot nieuw perspectief. Tegelijkertijd ontstaat er op een laagdrempelige en zinvolle manier samenwerking in de wijk.

De wijkverpleegkundige is de spil in de wijk als het gaat om het verbinden van zorg, wonen en welzijn. De wijkverpleegkundige van nu en van de toekomst zet niet alleen in op de curatieve zorg, maar richt zich breed op de preventie van ziekte en de bevordering van gezondheid. We zien in de wijkverpleging nu nog veel wijkverpleegkundigen die vooral gericht zijn op het individuele zorgcontact met één cliënt en zijn directe omgeving. In dit artikel verkennen we welke thema’s voor de toekomstige ontwikkeling van de wijkverpleging van belang zijn.

Op grond van een inventarisatie onder experts en wijkverpleegkundigen lijken voor de wijkverpleegkundige drie speerpunten van belang voor verdere ontwikkeling:

  1. preventief werken,
  2. wijkgericht werken,
  3. en het versterken van de regie van de cliënt.

In het artikel worden deze speerpunten verder uitgewerkt.

Voorbeelden gezocht!

Veel mensen denken mee over de invulling en ontwikkeling van het vak van wijkverpleegkundige. Te vaak ontbreekt daarbij de inbreng van wijkverpleegkundigen zelf. Zij kunnen en moeten zelf aangeven wat zij signaleren en wat zij nodig hebben om ook dit deel van hun vak verder te ontwikkelen. Vilans wil hen steunen om deze uitdaging op te pakken en zoekt goede voorbeelden en rolmodellen, zodat elke wijkverpleegkundige binnenkort klaar is voor de toekomst.

Auteurs: Jannie Mast/Elsbeth Zielman/Huub Sibbing

Download het volledige artikel hier: