Berichten

Patiënten met boezemfibrilleren op controle bij de huisarts

Huisarts Bob Meijer en cardioloog René van Dijk uit Groningen besloten samen te onderzoeken of patiënten met boezemfibrilleren de juiste zorg op de juiste plek krijgen. In een pilot met vier huisartsenpraktijken in Noord-Groningen werd een model ontwikkeld om de zorg – indien mogelijk en gewenst – naar de eerste lijn te verplaatsen. Een ICT-tool ondersteunt de screening van patiënten in de huisartsenpraktijk.

Boezemfibrilleren komt veel voor. Een goede behandeling is van belang en meestal niet complex. Dat maakt het een interessant ziektebeeld voor substitutie van de tweede naar de eerste lijn. Huisarts Bob Meijer wilde weten welke patiënten hij had, of het in alle gevallen noodzakelijk was om controles in het ziekenhuis uit te voeren en of zijn patiënten conform de richtlijn werden behandeld. In cardioloog René van Dijk vond hij de ideale partner. Van Dijk is naast cardioloog ook mede-ontwikkelaar van software gericht op onder meer het behandelen van boezemfibrilleren. Het Disease Management Systeem Atriumfibrilleren, dat zich bewezen heeft op de poli’s voor atriumfibrilleren in Groningen en Maastricht, werd ook ingezet bij de pilot in de Groningse huisartsenpraktijken.

Boezemfibrillerenpoli

Voor de pilot selecteerden de huisartsen in overleg met de cardioloog patiënten met boezemfibrilleren die onder controle waren bij zowel de huisarts als de specialist. Zij werden uitgenodigd voor een eenmalig onderzoek in een tijdelijke boezemfibrillerenpoli in de huisartsenpraktijk. Voorafgaand aan hun komst werd de relevante medische historie ingevoerd in het Disease Management Systeem Atriumfibrilleren. De patiënten vulden een digitale anamnese in en bespraken deze met de cardioloog of physician assistant. Er werd lichamelijk onderzoek gedaan en er werden een ECG en een echo gemaakt. Alle resultaten kwamen samen in het Disease Management Systeem en zo ontstond een overzichtelijk profiel van de patiënt. Dit resultaat besprak de cardioloog met de patiënt. Van ieder onderzoek werd een verslag gemaakt voor de huisarts.

Resultaten

“Over het algemeen was de zorg vanuit de huisartsenpraktijk goed op orde”, vat Meijer samen. 64 van de 79 in het onderzoek geïncludeerde patiënten werden volgens de richtlijn behandeld. Met de antistolling bleek het minder goed gesteld: bij 38 patiënten (48 procent) was deze niet optimaal. De vraag of de patiënt ook verantwoord door de eigen huisarts kan worden gecontroleerd, werd in bijna alle gevallen (92 procent) positief beantwoord.

De bevindingen uit de pilot zijn veelbelovend, vindt Van Dijk. “Het is gelukt om substantiële substitutie samen te laten gaan met een verbetering van de zorg. Bovendien vinden veel patiënten het prettig om in de huisartsenpraktijk te blijven voor de controles.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Deventer luistert naar wat inwoners écht vitaal maakt

“Haak in op de intrinsieke levenslust van mensen met gezondheidsklachten en je zult zien dat ze opbloeien.” Dat is de filosofie achter het transitieproject Vitale Burger van de gemeente Deventer en Salland Zorgverzekeringen. Eerstelijnszorg- en welzijnspartijen werken samen om de focus van zorg & ziekte te verleggen naar gezondheid & gedrag. En ja, nu eens écht te luisteren naar wat de inwoner zélf wil.

Meer vitale inwoners krijg je als gemeente niet door alles maar lekker bij het oude te laten. “Je moet barrières slechten en soms overgaan tot zeer onorthodoxe middelen”, merkt PvdA-wethouder Jan Jaap Kolkman van Deventer. “Zo gaven we heel recent een man die in de schuldsanering zit een fiets cadeau. Hij gaf zelf aan graag meer te bewegen. Maar ja, geen geld voor een fiets… Voor een ander financierde de gemeente tandartskosten buiten zijn basispakket om. Deze meneer schaamde zich zo erg voor zijn slechte gebit, dat hij niet durfde te solliciteren en thuis zat weg te kwijnen. Ik weet zeker: dit soort kleine investeringen kunnen naast een enorme welzijnswinst op de lange termijn duizenden euro’s aan zorgkosten besparen. Kijk, langs dat soort lijnen moeten we dus dúrven denken.”

Vitale Burger

Deventer startte, na een succesvolle pilot, in 2016 met het driejarige transitieproject Vitale Burger. De gemeente en Salland Zorgverzekeringen trekken er jaarlijks drie ton voor uit. Martijn van der Most, projectleider van Salland licht toe: “Als maatschappij geven we al jaren veel geld uit aan de zorg, in veel gevallen voor leefstijl gerelateerde problemen. We handelen zodra mensen ziek zijn, maar dan is het kwaad al geschied en de gezondheidswinst marginaal. Wij denken meer gezondheidswinst te boeken door problemen in een veel eerder stadium en bij de bron aan te pakken. Door ziekte en zorg preventief om te buigen naar gezond gedrag.” Kolkman vult aan: “Veel huisartsconsulten zijn terug te voeren op sociale problematiek, bijvoorbeeld eenzaamheid. Deventer heeft genoeg aanbod op welzijnsgebied om eenzame mensen op te vangen. Maar huisartsen, praktijkondersteuners en buurtmedewerkers kennen elkaar niet. Of ze worden gehinderd door karikaturale vooroordelen.” Belangrijk doel van de Vitale Burger is dan ook om enerzijds het zorg- en ziektedomein te verbinden met het gemeentelijke domein van gezondheid en gedrag, en anderzijds geldstromen van gemeente en zorgverzekeraar te koppelen.

In Deventer ‘transformeerden’ vorig jaar drie wijken van zorg & ziekte naar gezondheid & gedrag; dit jaar komen daar nog eens drie wijken bij.

Auteur: Ingrid Beckers

Download het volledige artikel hier:

Daar is de huisarts 3.0

Een nieuwe generatie huisartsen staat te popelen om het bestuurdersstokje over te nemen. Christian de Groot en Anniek Sonnenschein over de moderne bestuurder en de huisarts 3.0.

Toen ze begonnen met de studie geneeskunde wilden ze vooral huisarts worden. En zeker geen bestuurder in de zorg. Tien jaar later kijkt een groep huisartsen daar toch een beetje anders naar: voor de toekomst van het vak huisarts is het goed dat een nieuwe generatie huisartsen steeds harder aan de poorten rammelt.

Neem Christian de Groot, huisarts bij medisch centrum De Linden en huisarts Anniek Sonnenschein, werkzaam bij medisch centrum De Plataan. Beide centra zijn onderdeel van zorggroep DOH in de regio Eindhoven.

Na tien jaar als huisarts te hebben gewerkt en net de veertig te zijn gepasseerd, hebben De Groot en Sonnenschein de huisartsenpraktijk wel op orde. En dan begint het te kriebelen: ga ik me meer inhoudelijk specialiseren of kies ik voor de bestuurlijke kant van het vak? Toen beiden zich actief gingen bezighouden met het strategisch jaarplan van de zorggroep en zich inschreven voor de postdoctorale Masterclass Eerstelijnsbestuurders wisten ze het zeker: nieuwe tijden vragen om nieuwe bestuurders. En dat zouden zij weleens kunnen zijn, want willen huisartsen ook in de toekomst zorg dicht bij de patiënt blijven leveren, dan moet er volgens het koppel het een en ander veranderen. Sonnenschein: “Ik neem mijn verantwoordelijkheid. Huisartsen kunnen heel goed commentaar leveren op de zorg en hoe dingen georganiseerd zijn, maar het wordt tijd dat we ook iets gaan doen. Niet zeuren maar aanpakken!”

Visie op het vak

De twee hebben een visie op de toekomst van de eerste lijn. “Het sociaal domein, wijkgericht werken en ga maar door. Huisartsen zullen veel meer op het niveau van de wijk en zelfs regionaal moeten acteren en samenwerken. Een enkele praktijk die afspraken wil gaan maken met zorgverzekeraars, dat gaat niet werken. Huisartsen die regionaal de handen ineen slaan, staan veel sterker richting zorgverzekeraars en zorgpartners”, zo stelt De Groot.

“Neem de Wmo en de jeugdzorg. Nu moet de gemeente met drie verschillende zorggroepen aan tafel. Beter is het als de gemeente één aanspreekpunt heeft. Misschien moeten zorggroepen wel gaan fuseren op termijn. Want alleen door samenwerking sta je sterk”, vult Sonnenschein aan.

Auteur: Niels van Haarlem

Download het volledige artikel hier:

“Neem middelen voor preventie op in het regeerakkoord”

Volgens ziekenhuisbestuurder Jos Aartsen is het zaak preventie, vroegsignalering en gebruik van moderne technologie nú prioriteit op de politieke agenda te geven om te voorkomen dat de zorgkosten in de (nabije) toekomst volledig uit de hand lopen. Twee door het RIVM gecoördineerde projecten laten zien dat er op het gebied van preventie vanuit het ministerie van VWS wel degelijk iets gebeurt. Maar ook het RIVM erkent dat er meer kansen zijn voor preventie.

Hoewel ziekenhuisbestuurder Jos Aartsen (UMC Groningen) zijn nieuwjaarstoespraak primair richtte op de professionals die in dit ziekenhuis werken, zat in zijn verhaal een duidelijke boodschap voor de landelijke politiek: maak werk van preventie, vroegsignalering en toepassing van moderne technologie. “In het huidige stelsel bestaat hiervoor veel te weinig aandacht”, zegt hij. “De focus ligt op behandeling in plaats van op het voorkomen dat behandeling nodig is. Ook in de verkiezingsprogramma’s voor de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart zie ik het onderwerp weinig terugkomen. De Volksgezondheid Toekomstvoorspellingen wijzen erop dat we in 2030 acht miljoen chronisch zieken zullen hebben en dat ouderen een kwart van de bevolking zullen uitmaken. Als je naar die cijfers kijkt, is het belang van inzetten op preventie, vroegdetectie en zorg op afstand met gebruikmaking van nieuwe technieken voldoende duidelijk.”

Verder kijken

De kern van het probleem, stelt Aartsen, is dat politieke partijen niet verder kijken dan één regeertermijn. “Hierdoor blijft de focus op het stelsel zoals dat nu is ingericht, maar dat gaat onherroepelijk vastlopen.” Wat moet nu gebeuren? “Feitelijk zijn alle partijen aan zet”, zegt Aartsen. “Het begint natuurlijk bij de minister van VWS, die middelen beschikbaar moet stellen. Voor de zorgverzekeraars is preventie nog geen prioriteit en van de ziekenhuizen kan ik mij de reflex voorstellen van willen behouden wat je hebt. Toch zullen we boven onszelf moeten uitstijgen.”

Beperkt budget

Loes Lanting, waarnemend afdelingshoofd van het RIVM Centrum Gezond Leven: “Aartsen heeft gelijk dat ons stelsel nu vooral is ingericht op het herstellen van schade. In preventie schuilen grote winstkansen. En daar is ook wel oog voor, maar het budget is beperkt, zeker in relatie tot de zorguitgaven.”

Dit neemt niet weg dat binnen dat budget wel stappen worden gezet, benadrukt ze, en hierin speelt het RIVM een belangrijke rol. Twee projecten verdienen bijzondere aandacht: Preventie in de buurt en Preventie in het zorgstelsel.

Auteur: Frank van Wijck

Download het volledige artikel hier:

Spelregels voor een Persoonlijke GezondheidsOmgeving

In 2019 moet iedereen die dat wil zijn eigen gegevens kunnen inzien via een Persoonlijke GezondheidsOmgeving. Dat is het doel van MedMij, een samenwerking van de zorgkoepels die verenigd zijn in het Informatieberaad Zorg. MedMij bouwt geen software, maar regelt met standaarden en afspraken de uitwisseling van data tussen patiënten en partijen die informatie over hen hebben. “Als een iDeal voor de zorg”, legt Dianda Veldman van Patiëntenfederatie Nederland uit.

In april 2011 verwierp de Eerste Kamer de wettelijke regeling voor een elektronisch patiëntendossier. Dat was de opmaat voor een initiatief van Patiëntenfederatie Nederland, dat nu vorm krijgt in MedMij, vertelt Veldman. “We vonden dat het niet zo kon zijn dat anderen wel in jouw zorgdossier kunnen kijken en jijzelf niet. Dus besloten we de alternatieven voor een landelijk patiëntendossier te onderzoeken.”

De Patiëntenfederatie beschreef in een meerjarig project de functies van en voorwaarden voor wat zij een Persoonlijk GezondheidsDossier (PGD) noemden. “Het PGD-kader 2020. In zo’n digitale omgeving moet je de data van je ziekenhuis, huisarts, tandarts, apotheker, fysiotherapeut enzovoort, kunnen inzien. Daarnaast moet er een mogelijkheid zijn om informatie toe te voegen, variërend van het ouderwetse operatielogboek tot eigen metingen. Daar hebben we schetsen van gemaakt en die zijn in 2015 gepresenteerd tijdens een slotsymposium. ‘Nu doorpakken’ was het thema. En dat hebben we gedaan.” het Informatieberaad Zorg – een ICT-platform van bestuurders van zorgkoepels – gaf een aantal partijen opdracht om het PGD-kader te concretiseren. Het ministerie van VWS en de zorgverzekeraars stelden de benodigde financiën beschikbaar. De Patiëntenfederatie werd aangewezen als trekker van het project, dat nu gestalte krijgt onder de naam MedMij.

Belemmeringen oplossen

Bij de totstandkoming van het PGD-kader zijn belemmeringen benoemd die het opschalen van de vele kleine initiatieven op het gebied van eHealth verhinderen. MedMij lost die vraagstukken niet op door één groot landelijk patiëntenplatform te bouwen. “We bouwen helemaal niets”, benadrukt Dianda Veldman. “Er zijn genoeg andere partijen die dat willen en kunnen. MedMij ontwikkelt een pakket van standaarden en -afspraken dat ervoor zorgt dat portalen, zorgsystemen en apps aan elkaar gekoppeld kunnen worden en veilig informatie kunnen uitwisselen.”

De gedachte is dat patiënten straks zelf kunnen kiezen voor een aanbieder van wat inmiddels een Persoonlijke GezondheidsOmgeving (PGO) is gaan heten. Als een PGO gebruikmaakt van de MedMij-standaarden, kan het alle informatiesystemen van zorgaanbieders en welzijnsorganisaties, eHealth-applicaties en apps die dat ook doen, ontsluiten. Op die manier krijgt de patiënt één platform met één inlog voor alles wat met zijn zorg en gezondheid te maken heeft.

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Praktijkverpleegkundige schept duidelijkheid voor patiënt en huisarts

Sinds anderhalf jaar werkt Gezond op Zuid, een samenwerkingsverband van zes eerstelijnsgezondheidscentra, met een praktijkverpleegkundige voor de coördinerende taken in de zorg. Een spin in het web die zorgt voor snellere oplossingen en vroegere signalering. Dat biedt duidelijkheid en overzicht voor patiënten én zorgverleners, vertellen centrummanager Marieke Sikkens en huisarts Bette van Melle.

Een voorbeeld uit de praktijk maakt het duidelijk. Een man van 86 jaar met forse comorbiditeit wordt na een hartoperatie naar huis gestuurd. Hij zit met een boodschappentas vol medicijnen aan zijn keukentafel, helemaal in paniek. Hij weet niet wat hij wanneer moet innemen. Anneke Roobol, de praktijkverpleegkundige in Rotterdam Zuid, neemt standaard contact op met kwetsbare ouderen na ontslag uit het ziekenhuis. Daardoor kan een huisbezoek met een polyfarmaciegesprek makkelijk worden ingepland. Samen met de patiënt neemt ze contact op met het ziekenhuis om duidelijkheid te krijgen en samen ordenen ze de medicatie. Als het nodig is vraagt de praktijkverpleegkundige een baxter aan. De huisarts leest mee in het dossier en blijft volledig op de hoogte door nauw contact met de praktijkverpleegkundige.

In de huisartsenpraktijk

Dit voorbeeld toont de spil- en signaalfunctie van de coördinerend praktijkverpleegkundige aan, maar ook de directe band met de huisartsenpraktijken. Die is essentieel, legt Marieke Sikkens uit. “Dat is een van de lessen die we hebben geleerd van het project Zichtbare Schakels. Daarbij lagen de coördinerende taken bij een wijkverpleegkundige. Maar die is niet bij ons in dienst, dus er zijn te weinig contactmomenten en er wordt niet gewerkt in hetzelfde dossier.” Om succesvol te kunnen werken moet de praktijkverpleegkundige dagelijks op de praktijk aanwezig zijn. Zo kan ze een vertrouwensband opbouwen met alle artsen. 

Laagdrempelig

De praktijkverpleegkundige heeft alle vrijheid, vertelt Bette van Melle. “Ze is onze ‘ogen in de wijk’. Ze werkt samen met wijkteams, wijkagenten, thuiszorg en vrijwilligersorganisaties en is laagdrempelig voor iedereen. Mensen stappen gewoon binnen en vragen: Is Anneke er? Dan krijgt ze heel veel boven tafel.” Dat maakt dat je patiënten beter in beeld hebt en bij een verwijzing beter kunt inschatten wat er nodig is, zo vindt Gezond op Zuid. “En het voorkomt onnodige ‘troubleshooting’ – acute opnames omdat signalen niet werden opgepikt, terwijl er preventief veel meer mogelijk was geweest”, vult Sikkens aan. En dat bespaart de huisartsen enorm veel tijd. En uiteindelijk ook veel geld.

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Duurzame zorg door regionaal samenwerken

De Nieuwe-Zorgbijeenkomst ‘2017: begin van het morele tijdperk?’ op 13 december 2016 ging over de regioregie proeftuinen Mijn Zorg en Anders Beter in Zuid-Limburg. Ze zijn een gezamenlijk initiatief van de drie partijen in de zorgdriehoek patiënten, zorgaanbieders en zorgverzekeraars, samen met gemeenten en maatschappelijke organisaties, ondersteund door Robuust. Het doel is werken aan kwalitatief goede zorg en gezondheid én lagere zorgkosten.

De regio, dat is de schaal waarop je het beste veranderingen in de zorg kunt organiseren. Jo Maes, directeur van Huis voor de Zorg, is daarvan overtuigd. Zorgaanbieders, patiënten, gemeenten, zorgverzekeraar, ze kennen elkaar én zijn bereid om samen de handen ineen te slaan om de zorg te verbeteren.

Oostelijk Zuid-Limburg en de Westelijke Mijnstreek zijn modelregio’s waar dat gebeurt. Dat is ook nodig, stelt Wim van der Meeren, voorzitter Raad van Bestuur van CZ. Al was het maar omdat Zuid-Limburg een regio is met grootverbruikers in de zorg. “Mensen worden sneller ziek, gaan snel naar de dokter, er is aangeleerde hulpeloosheid. Bewoners weten vaak niet goed hoe ze de regie over hun leven moeten oppakken.”

Daar zijn genoeg oorzaken voor, weet Jo Maes. Armoede, hoge werkloosheid, de pijn van de mijnsluitingen. “We moeten de bewoners van Zuid-Limburg daarom laten weten dat zij erbij horen. Doen we dat niet, dan gaan we de gewenste zorgveranderingen niet bereiken.”

Het patiëntgerichte gesprek

Voor zorgverleners betekent dit dat ze leren luisteren naar de wens van de patiënt, vertelt Mariëlle Krekels, internist-nefroloog in Zuyderland Medisch Centrum en tevens medisch directeur van MCC Omnes. Empathie, communicatie, goed luisteren, dat zijn kernwoorden van goede zorg. De medisch specialisten van Zuyderland investeren daarom in het patiëntgerichte gesprek. “Onze belangrijkste boodschap voor dokters is: behandel patiënten zoals je zelf behandeld zou willen worden. Dat is dé leidraad voor goed medisch handelen.”

Vergrijzing, ongezonde leefstijl, hoge zorgconsumptie, Esther van Engelshoven, algemeen directeur van HuisartsenOZL, met 135 vrijgevestigde huisartsen, weet dat niets doen in haar regio geen optie meer is. De huisartsen zijn daarom gestart met PlusPraktijken. Veertien praktijken met 80.000 ingeschreven patiënten doen daaraan mee. “Met PlusPraktijken zijn we een reeks interventies gestart om te komen tot duurzame huisartsenzorg. We werken aan patiënt empowerment. Patiënten van PlusPraktijken kunnen digitaal afspraken maken en online hun patiëntendossier inkijken en herhaalrecepten aanvragen.”

PlusPunt medisch centrum

Daarnaast werken de huisartsen aan leefstijlcoaching. En besteden ze extra aandacht aan de groep patiënten die de meeste zorg vraagt. “Acht procent van onze patiënten is goed voor zestig procent van alle zorgconsumptie. Als we hen beter kunnen helpen, kunnen we een enorm rendement halen.” Zorgkosten worden echter vooral veroorzaakt door doorverwijzingen naar de tweede lijn. “Door onze poortwachtersfunctie te versterken, kunnen we veel winst behalen”, legt Van Engelshoven uit. De huisartsen doen dat met PlusPunt medisch centrum.

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Vergoeding voor specialist ouderenzorg in de eerste lijn

De specialist ouderengeneeskunde kan een plek krijgen in de Zorgverzekeringswet. Dat concludeert Zorginstituut Nederland na een onderzoek dat het uitvoerde in opdracht van staatssecretaris Van Rijn. Maar er zijn nog wel wat hobbels te nemen voor er aansluiting is met de praktijk. De Eerstelijns analyseert.

Wanneer de specialist ouderengeneeskunde (SO) binnen de Zorgverzekeringswet valt, kan de verzekerde aanspraak maken op vergoeding van door de SO geleverde eerstelijnszorg. Vanaf 1 januari 2018 moet dat geregeld zijn. Bij wijze van overgangsregeling geldt voor 2017 een subsidieregeling. Het Zorginstituut constateert dat door de transities vanuit de AWBZ naar Wmo en Jeugdwet niet meer goed is vast te stellen welk budget nodig is. Het is dan ook niet duidelijk of het budget voor de subsidieregeling toereikend is, maar een subsidieregime is eindig. Hoe dit wordt uitgewerkt, is nog onduidelijk. Wellicht met een bepaald productievolume voor een aanbieder, maar dan kan aan het eind van het jaar niet meer gedeclareerd worden. Of per patiënt, maar als de subsidiepot dan leeg is, houdt het ook op. De bekostiging in 2017 is dus nog niet zeker.

Tariefbeschikking per 2018

In 2017 zal de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een tariefbeschikking opstellen waar in 2018 mee gewerkt kan worden. Dan bestaat er recht op zorg door middel van een aanspraak. Er zijn twee mogelijkheden: een eigenstandige vergoeding van de SO of een integrale vergoeding voor een multidisciplinaire zorgprestatie. Er is inmiddels enige ervaring opgedaan met een DBC kwetsbare oudere in segment 3. De inclusie is tussen de 0,6 en 1 procent, waarbij de zorgzwaarte uiteen loopt van ZZP 6 tot en met 8. De gemiddelde kosten bedragen tussen de € 700 en € 1400 per jaar, afhankelijk van de omvang van de multidisciplinaire zorg en het feit of de patiënt of diens vertegenwoordiger bij het multidisciplinaire overleg (MDO) aanwezig is. De coördinatiekosten maken een belangrijk deel uit van de prijs. De afstemming binnen het multidisciplinaire team van huisarts, POH ouderenzorg, wijkverpleegkundige, trajectbegeleider, meekijkconsult, medicatiereview, verslavingsdeskundige, ouderen psycholoog, kost immers al flink wat moeite en dus geld. Ook kosten van gevalideerde vragenlijsten, eHealth of blended care en netwerkinformatiesysteem maken soms wel en soms niet onderdeel uit van de integrale kostprijs. Daarnaast afstemming met mantelzorgers, sociaal wijkteam, dagbesteding of dagbehandeling, woningorganisaties en welzijnsorganisaties. Ook vervangt deze DBC kwetsbare oudere alle andere somatische DBC’s, die bij deze multimorbide groep veel voorkomen. De kosten lijken hoog, maar maatschappelijk is de business case aantrekkelijk.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

GGZ dicht bij de burger

Het gaat goed met de GGZ in de huisartsenpraktijk. In 2015 had meer dan 83 procent van de huisartsen een POH-GGZ, volgens de Monitor Generalistische Basis GGZ. In Zuidoost-Brabant gaan ze nog een stapje verder. Huisartsen, eerstelijns GGZ en specialistische GGZ werken gebroederlijk samen in het eerstelijnsketenzorgproject GGZ. De huisarts is hoofdbehandelaar in een traject van matched care. En, als de voortekenen niet liegen, met succes.

Het programma gaat uit van de vraag van de patiënt en beantwoordt die zo dicht mogelijk bij huis. De huisarts of de POH doet een intake en gebruikt daarbij gestandaardiseerde vragenlijsten die ook worden gebruikt voor monitoring van de zorg. Uitgangspunt is matched care: de zorg wordt zo laagdrempelig mogelijk aangeboden, maar ook zo specialistisch als noodzakelijk, uitgaand van de vraag van de patiënt. Dat kan doordat niet de DSM-diagnose, maar de hulpvraag leidend is. Er is dus één betaaltitel per patiënt. Om de zorg te realiseren kunnen huisarts of POH een eerstelijnspsycholoog, verslavingsconsulent en een psychiater consulteren. Voorlopige aanwijzingen duiden op aanzienlijk minder verwijzingen naar de specialistische GGZ en goed herstel.

Kansen grijpen

De samenwerking tussen huisartsen en GGZe is gestart voor 2008. Een reeks gunstige omstandigheden kwam samen. GGZe wilde haar aanwezigheid in de eerste lijn verbeteren. Bovendien had de organisatie volgens GGZe-directeur Marileen Bouts te kampen met wachtlijsten. Bouts zocht contact met de drie grote huisartsengroepen in de regio: Praktijkondersteuning Zuidoost-Brabant (PoZoB), De Ondernemende Huisarts (DOH) en Stichting Gezondheidscentra Eindhoven (SGE). Samen brachten ze de ervaring van patiënten grondig in beeld.

De huisartsengroepen hadden om verschillende redenen speciale belangstelling voor GGZ. Toen de aanbieders gezamenlijk naar verzekeraars VGZ en CZ stapten, zagen die een kans voor versterking van integrale zorg en substitutie van de tweede naar de eerste lijn.

Integrale financiering

Ondanks de goede start was het financieren van de samenwerking een traject van lange adem. Via de Beleidsregel Innovatie van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) werd een pilot van drie jaar opgezet zonder eigen bijdrage ten opzichte van reguliere bekostiging. Het experiment liep van december 2011 tot december 2014 en werd vervolgens verlengd.

De innovatiegelden maakten integrale financiering mogelijk. Een DBC per patiënt ondersteunt het matched care proces. De patiënten krijgen een geïntegreerd aanbod en betalen geen eigen bijdrage voor de GGZ of verslavingszorg.

Toekomst

Hoe moet ketenzorg op termijn worden gefinancierd? Zorginkoper Angelique Gillis (VGZ): “Je zou je kunnen voorstellen dat keten-GGZ onderdeel zou kunnen zijn van huisartsenzorg in segment 2. Alleen heb je dan wel onherroepelijk communicerende vaten tussen macrokader GGZ en macrokader huisartsenzorg nodig.” Bovendien zou de ketenzorg gevrijwaard blijven van eigen risico. De verzekeraars vinden het lastig om andere eerstelijnsaanbieders uit te leggen waarom voor dezelfde zorg in de ene praktijk wel eigen risico wordt gevraagd en in de andere niet. Dit sluit aan bij landelijke discussies over het eigen risico. Daarmee doet het experiment precies waar het voor bedoeld is: bestaande zorgpraktijken openbreken.

Auteurs: Susan Hommerson, Fleur Thomése, Piet de Bekker

Download het volledige artikel hier:

Iedere patiënt een eigen zorgplan en zelfmanagementondersteuning op maat

Er is ontegenzeglijk kwaliteitswinst geboekt met het protocollair uitvoeren van chronische zorg op basis van zorgstandaarden. Maar patiënten zijn niet standaard, dus moet er in ketenzorg ook ruimte zijn voor individuele afwijkingen. Zorggroep DOH zet sinds begin 2016 een veelbelovende trend in naar meer persoonsgerichte zorg.

Dit jaar is DOH begonnen met meer persoonsgerichte zorg op basis van zorgzwaarte en patiëntkenmerken en -voorkeuren. Nathalie Eikelenboom, stafmedewerker zelfmanagement & eHealth, vat de essentie samen van wat de zorggroep beoogt. “Ketenzorg heeft veel positiefs teweeggebracht: de multidisciplinaire zorg gebeurt vaker zoals de richtlijnen het voorschrijven en ook de uitkomsten zijn aantoonbaar beter. Nu is er echter behoefte aan doorontwikkeling. Door het protocol wat meer los te laten, komt er ruimte voor het gesprek. Juist in de persoonsgerichte zorg kun je differentiëren. Een patiënt die wat meer begeleiding nodig heeft, die extra zorg ook geven. En een patiënt die minder behoefte aan zorg heeft, stimuleren tot zelfmanagement in de mate die hij aankan en prettig vindt.”

Eikelenboom geeft een voorbeeld: “Mensen met diabetes komen standaard vier keer per jaar op controle. Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat voor goed ingestelde patiënten twee keer voldoende is, dat leidt niet tot extra complicaties. Iemand daarentegen die net de diagnose gehoord heeft en zich onzeker voelt, zal misschien wat vaker willen komen. We houden er bijvoorbeeld ook rekening mee dat een patiënt met GGZ-klachten zich misschien beter voelt in groepsverband dan in een-op-een-contact. De volgende vraag is dan hoe we ons aanbod daarop kunnen afstemmen. Zo bieden we in de GGZ-zorg Minddistrict (digitale zorg) en groepscursussen, die gecombineerd kunnen worden met face-to-face-contact. Op deze wijze kan de patiënt, samen met zijn zorgverlener, op basis van zijn voorkeuren een zorgplan opstellen.”

Zelfmanagement

Soms is het wennen voor patiënten. “Als iemand al vijf jaar komt om de uitslagen van het bloedprikken te bespreken en dan gewoontegetrouw zijn jas weer aantrekt, is het een hele verandering als er plots een meer actieve inbreng verwacht wordt. Zo’n gesprek vraagt voorbereiding, zowel van de praktijkondersteuner als van de patiënt. Natuurlijk zijn er patiënten voor wie zo’n actieve rol te veel gevraagd is. Variaties zijn mogelijk, daar is het persoonsgerichte zorg voor.”

Kitty van Gorp van de Patiëntenadviesraad van DOH is warm voorstander van de persoonsgerichte benadering: “De zorgverlener wil dat alles volgens het boekje verloopt en daar is wat voor te zeggen, maar de mens achter de chronische patiënt wil gehóórd worden en zelf bepalen hoe hij zijn leven inricht. Ik ben blij dat er meer ruimte komt voor zorg op maat.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier: