Berichten

Het formularium nieuwe stijl

Een oud fenomeen in een nieuw jasje. In Groningen (1991) en Nijmegen bestond het formularium al jaren. Door apothekers, huisartsen en medisch specialisten bedacht om de medicatie te standaardiseren. Maar er zijn ook moderne varianten. De Eerstelijns analyseert.

De eerste golf formularia is opgekomen door initiatieven van zorgaanbieders: apothekers, huisartsen en medisch specialisten. Soms zelfs – toen al – in afstemming met patiëntenorganisaties. De belangrijkste redenen waren kwaliteitsverbetering, therapietrouw en transmurale standaardisatie. Doelmatigheid was een bijkomend voordeel.

Kwaliteit versus kosten

Inmiddels is er een nieuwe golf van formularia. Hoewel kwaliteit nog steeds in de doelstellingen staat, is kostenbeheersing vaak het belangrijkste geworden. De medicatie in een formularium wordt niet langer uitgekozen op basis van kwaliteitsvraagstukken, maar op basis van kosten. gaat het niet meer (alleen) om het molecuul, maar ook om het device, zoals de inhalator of insulinepen. En dat roept wel wat vragen en reacties op.

Kanttekeningen

Het Longfonds is geen voorstander van de nieuwe benadering . Zij vindt dat het zou moeten gaan om de optimale match tussen mens, ziekte, medicatie en device. In combinatie met een goede diagnose en regelmatige, eenduidige inhalatie-instructie. Het Longfonds constateert echter dat er formularia ontstaan die beïnvloed worden door zorgverzekeraars op basis van de prijs. De zorgaanbieders – apotheek, huisartsen en medisch specialisten – ontwikkelen een formularium en op basis daarvan organiseert de zorgverzekeraar een aanbesteding. De farmaceut met de laagste prijs wint en hun middel komt in het formularium te staan voor een bepaalde periode. Hoewel er meestal bepaald is dat bestaande patiënten niet worden overgezet en het formularium alleen van toepassing is op nieuwe patiënten, wordt in de praktijk door zorgverzekeraars ruim de mogelijkheid ingebouwd om ook bestaande patiënten zoveel mogelijk in te passen in het formularium.

De individuele patiënt wordt met financiële voordelen verleid om hierin mee te gaan. Door het overstappen naar een ander middel, neemt de kans op therapie-ontrouw en praktische problemen met het gebruik toe. Hierdoor kan de controle over de ziekte verminderen, constateert het Longfonds. En het vergroot de kans op longproblemen die elders in de zorgketen tot veel hogere kosten kunnen leiden, zoals een exacerbatie. Huisartsen zijn over het algemeen niet blij met een formularium dat de autonomie van het voorschrijven beperkt.

Formularia kunnen bijdragen aan beter op elkaar afgestemde zorg aan patiëntengroepen in een bepaalde regio. Oriëntatie op kwaliteit lijkt voor een breed gedragen toepassing van formularia de beste benadering. Kostenbesparing kan een resultante zijn van uniforme toepassing van het formularium. Essentieel hierbij is dat zorgverleners aan het roer staan.

Auteur: Xana van Jaarsveld (Longfonds) en Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Bekostiging van gemeenten

De gemeente is een steeds belangrijkere partij voor de eerstelijnszorg. Enerzijds doordat zij als co-financier voor zorg- en welzijnstaken voor de eerstelijnszorg fungeren, anderzijds doordat bijvoorbeeld preventiebeleid invloed heeft op de gezondheidszorgketen. Daarom is het van belang om te weten hoe gemeenten eigenlijk aan hun geld komen. De Eerstelijns zocht het uit.

De gemeente heeft vier bronnen van inkomsten. Het overgrote deel komt van de Rijksoverheid. Gemeenten ontvangen een algemene uitkering die op basis van een verdeelsleutel met zestig indicatoren per gemeente wordt vastgesteld. Daarmee wordt circa vijftig procent van de jaarlijkse inkomsten gerealiseerd. Dit zogenaamde maatstavensysteem wordt jaarlijks onderhouden en waar nodig aangepast (vergelijkbaar met het risicovereveningssysteem in de Zorgverzekeringswet). De gemeenten hebben volledige beleidsvrijheid bij de verdeling van deze inkomsten. Door aanpalende wetregelgeving kan er echter wel enige sturing ontstaan.

Naast de algemene uitkering is er een decentralisatie- en integratie-uitkering die zo’n 34 procent van de inkomsten oplevert. Dit is een doeluitkering die moet worden uitgegeven aan specifieke doelen. De gemeenten hebben hierin weinig beleidsvrijheid. Het onderscheid tussen de algemene- en de specifieke uitkering komt voort uit de wens van de Rijksoverheid om voor bepaalde uitgaven de verschillen tussen burgers te beperken. Denk aan onderwijs, huisvesting, beschut werk  of gezondheidszorg. De algemene uitkering en de decentralisatie- en integratie-uitkering vormen samen het grootste deel van de inkomsten van gemeenten.

Er is een meerjarenbegroting die beïnvloed kan worden door aanpassing van de maatstaven (maximaal vijf procent mutatie per jaar) en de algemene belastinginkomsten van de Rijksoverheid, die fluctueren door de economie. De uitkering aan de gemeenten loopt op en af met de inkomsten van het Rijk. In de praktijk legt de Rijksoverheid soms nog een extra korting op, wat in strijd is met de afspraken. Voor gemeenten met een robuuste meerjarenbegroting is dit uitermate frustrerend.

De lokale (doel)belastingen zoals OZB, honden- of afvalstoffenbelasting, levert ongeveer de resterende zestien procent aan inkomsten op. Ook hier moet de gemeente de directe relatie tussen inkomsten en uitgaven handhaven . Daarnaast mogen de verschillen tussen gemeenten niet dusdanig worden dat dit invloed krijgt op het vestigingsgedrag van burgers. Dat wordt bewaakt en gestuurd met benchmarks.

Download het artikel voor het lezen van de volledige analyse.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Zelfmanagement bij chronische ziekten

In acht artikelen verkennen we verschillende aspecten van zelfmanagement. ZonMw deelt hierin de resultaten van onderzoek en ontwikkelprojecten. In deel drie is NIVEL-onderzoeker Monique Heijmans aan het woord, een van de pioniers in het onderzoek naar zelfmanagement. Zij kijkt vooral vanuit het perspectief van patiënten en is projectleider van het Nationaal Panel Chronisch Zieken en Gehandicapten.

De twee wetenschappers die eerder in deze serie aan het woord kwamen, Jaap Trappenburg en Yvonne Heerkens, constateerden dat de hoge verwachtingen rond zelfmanagement slechts ten dele waargemaakt worden. Heijmans sluit zich daarbij aan. “Op medische aspecten als bloedsuikerwaarden, bloeddruk en longfunctie zien we een duidelijk positief effect. Die betere klinische waarden zijn een vrij hard gegeven. Maar leidt zelfmanagement er ook toe dat mensen zich in het dagelijkse leven beter staande kunnen houden? Vallen ze minder snel uit op hun werk? Maken ze minder gebruik van zorg? Dat weten we niet, want dat is nog onvoldoende onderzocht of de bewijzen zijn niet eenduidig.”

Heijmans vindt dat zelfmanagement breder is dan alleen medisch management. De kern is het inpassen van ziekte en beperkingen in het leven als geheel. “Het gaat er vooral om hoe mensen hun ziekte een plek geven in hun leven en welke zorg ze daarbij zelf willen inzetten en hoe ze omgaan met de langetermijngevolgen en veranderde toekomstverwachtingen.” Waarom dat de ene mens beter lukt dan de andere, is een vraag die de NIVEL-onderzoeker al twintig jaar intrigeert.

Patiëntprofielen

De effectiviteit van zelfmanagement zou niet alleen afgemeten moeten worden aan medische criteria, maar ook aan maatstaven die de patiënt als belangrijk ervaart. “Zelfmanagement op maat ontbreekt nog. Aan de hand van patiëntprofielen probeert men tegenwoordig binnen de grote groep chronisch zieken verschillende factoren te onderscheiden die de individuele verschillen tussen mensen verklaren. Als je dat weet, kun je subgroepen onderkennen en weet je ook welke groepen meer baat hebben bij zelfmanagementondersteuning dan andere. Zo kun je zelfmanagementondersteuning gerichter, efficiënter en effectiever inzetten. Die differentiatie gebeurt nog veel te weinig.”

Investeringen

Aantonen dat zelfmanagement werkt, hoe ingewikkeld dat ook is, vindt Heijmans noodzakelijk. “Zelfmanagement komt moeizaam van de grond in de zorgpraktijk. Professionals en bestuurders twijfelen, want het vraagt een andere manier van handelen en dat vergt investeringen in opleiding en scholing en op korte termijn in extra personeel en materiaal. Om hen over de streep te trekken, moet duidelijk worden dat het werkt en dat het zich op de lange duur vertaalt in positieve effecten en kostenbesparing.”

Auteur: Els van Thiel

Download het volledige artikel hier:

Nieuwe Governancecode Zorg ook van belang voor georganiseerde eerste lijn

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Governancecode Zorg van kracht. Deze code vervangt de Zorgbrede Governancecode uit 2010. De Governancecode Zorg geldt als lidmaatschapsverplichting voor leden van de Brancheorganisaties Zorg (BoZ). Organisaties in de eerstelijnszorg zijn daar in de regel geen lid van. Toch is het ook voor bestuurders en commissarissen in de georganiseerde eerstelijnszorg aan te raden om kennis te nemen van de nieuwe code. Waarom? En wat zijn de uitgangspunten van de nieuwe Governancecode Zorg?

Op dit moment bestaat er geen wettelijke verplichting voor zorgorganisaties om de code toe te passen. Governance in de zorgsector heeft echter al een aantal jaren de aandacht van de minister van VWS. In 2013 kondigde de inmiddels demissionair minister Schippers nog een specifiek wetsvoorstel voor Goed bestuur in de zorg aan. Hier heeft zij in 2015 bij brief vanaf gezien, met als kernreden dat ‘good governance’ moeilijk in wet- en regelgeving te vatten is en op gespannen voet kan staan met de eigen verantwoordelijkheid van bestuurders en commissarissen zelf. Zij stelt: ‘Een cultuur van goed bestuur is niet te vatten in afvinklijstjes’.

In diezelfde brief uit 2015 wordt duidelijk dat de Governancecode Zorg zich wat het ministerie betreft niet beperkt tot BoZ-leden: ‘Heel duidelijk wordt de lijn dat de Zorgbrede Governancecode ook voor zorgaanbieders die niet bij de BoZ zijn aangesloten geldt. Hiermee wordt bereikt dat de verplichtingen in de code ook gelden voor zorgaanbieders die geen lid zijn van de BoZ, zoals verschillende groepen aanbieders in de eerstelijnszorg. Dit vereist mogelijk wel een verbreding van de basis voor een dergelijke code.’

Minder regel gedreven

Onder de code uit 2010 was dit standpunt moeilijk voor te stellen, omdat die code behoorlijk regel gedreven was en een raad van commissarissen (in de code: raad van toezicht) bij een zorgorganisatie als vanzelfsprekend leek te zien. Met name bij zorgaanbieders in de eerstelijnszorg is dit lang niet altijd een vanzelfsprekendheid en wordt een raad van commissarissen gelet op de omvang vaak als ‘te zwaar’ ervaren. In de nieuwe Governancecode Zorg is hier goed op ingespeeld, omdat die code minder regel gedreven is, het hebben van een raad van commissarissen niet als uitgangspunt stelt en een aparte paragraaf kent voor kleine organisaties.

Ook vanuit andere hoeken verschijnt de Governancecode steeds meer in de georganiseerde eerstelijnszorg. Lees in het volledige artikel wat de belangrijkste punten zijn uit de Governancecode Zorg.

Auteurs: Oskar Gietema en Linda Koeslag-Meijer, Gietema Wevers notarissen

Download het volledige artikel hier:

Samenwerking gemeenten en huisartsenpraktijken is maatwerk

Zorggroep ZIO (Zorg in Ontwikkeling) is sinds 2011 betrokken bij de ontwikkelingen rond de gemeentelijke zorgtaken. ZIO ziet het als haar taak om huisartsenpraktijken te ondersteunen in de samenwerking met gemeenten rondom jeugdzorg, wijkteams en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het tot stand brengen van een goede verbinding tussen huisartsen en gemeente staat daarbij centraal.

ZIO constateerde in 2010 dat samenwerking tussen huisartsenpraktijken en gemeente (Wmo) binnen de Keten Ouderenzorg een knelpunt was. De zorggroep legde daarop de eerste contacten met de gemeente Maastricht, wat leidde tot de uitvoering van een project waarin een vaste Wmo-contactpersoon gekoppeld werd aan twee huisartsenpraktijken. De ervaringen waren positief, maar de gemeentelijke prioriteiten lagen op dat moment op een ander gebied, waardoor verdere uitrol stokte. Wel ontstond door dit project een intensieve samenwerking tussen ZIO en de gemeenten in Maastricht-Heuvelland. Ook andere partners sloten bij deze samenwerking aan.

Invoering van de nieuwe Jeugdwet leidde in 2014 tot een nieuwe impuls voor de samenwerking tussen huisartsen en het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) in Maastricht. Er werd een experiment gestart waarin vijf samenwerkingsvormen met CJG-medewerkers in vijf huisartsenpraktijken werden beproefd. Alle pilotvormen leidden tot betere samenwerking, maar er bleek geen blauwdruk te zijn voor optimale samenwerking tussen huisartsen en jeugdzorg. Maatwerk is noodzakelijk.

Nieuwe knelpunten

Per 1 januari 2015 veranderde er veel door nieuwe wetgeving op het gebied van Wmo en Jeugd. Nieuwe knelpunten kwamen bovendrijven en ZIO ging daarmee aan de slag. Samen met de gemeenten werden voor huisartsen en praktijkondersteuners bijeenkomsten georganiseerd over de gemeentelijke ontwikkelingen. En op verzoek van ZIO wezen de gemeenten een Wmo– en jeugdcontactpersoon per huisartsenpraktijk aan. Daarnaast is met de huisartsen een visie ontwikkeld over de positionering van de huisartsen in de regio bij de inrichting van de gemeentelijke stelselwijzigingen. Ook werd een aanvraagformulier ontwikkeld waarmee gemeenten (Wmo en Jeugd) gerichte medische informatie over een cliënt bij de huisarts kunnen opvragen. Momenteel onderzoeken de partijen de mogelijkheden voor het inzetten van een ICT-systeem voor multidisciplinaire samenwerking en veilige digitale informatie-uitwisseling.

Samenwerking nader onderzocht

Hoe wordt de samenwerking tussen huisarts en gemeente in het kader van Wmo en Jeugdwet nu ervaren? En wat kan nog beter? Dat liet ZIO in de eerste helft van 2016 onderzoeken. Huisartsen en gemeente blijken op een aantal punten anders tegen de samenwerking aan te kijken. Er zijn bijvoorbeeld cultuurverschillen en de gemeente, huisartsen en zorgverzekeraar hebben een andere kijk op de rol die de huisarts moet spelen. Hoewel de samenwerking nog pril is, bestaat bij alle partijen wel de wil om de samenwerking te verbeteren en toekomstbestendig te maken.

Auteurs:

Ingeborg Wijnands, senior beleidsadviseur, ZIO

Thijs Leuven, student geneeskunde, Universiteit Maastricht

Sanne Stauder, beleidsmedewerker gemeentelijke ontwikkelingen, ZIO

Mariëlle Kroese, senior onderzoeker, Universiteit Maastricht

Anna Huizing, coördinator chronische zorg en onderzoek, ZIO en Universiteit Maastricht

Download het volledige artikel hier:

Ontschotten in zorg-ICT

Regionalisering van de eerstelijnszorg staat al enkele decennia op de politieke agenda. Anno 2017 is er veel bereikt, toch is de regionalisering minder ver dan menigeen zou willen. “Domeindenken, de financieringsstructuur, regelgeving. Daar zijn allerlei redenen voor te bedenken”, reageert Dorinda van Oosten, managing director van PharmaPartners Huisartsenzorg. Ze geeft een reflectie op haar eigen vakgebied: de automatisering van de zorg.

“Ook in de zorg-ICT moet domeindenken plaatsmaken voor ontschotting. We moeten nog meer gebruikmaken van landelijke standaarden en regionale informatie-uitwisseling mogelijk maken”, vindt Van Oosten. Uit het onafhankelijke HIS-onderzoek van de LHV uit 2016 blijkt dat PharmaPartners vooral op eHealth en gegevensuitwisseling tussen zorgverleners opvallend hoog scoort. “We hebben een enorme expertise opgebouwd in het ondersteunen van de samenwerking tussen huisarts en apotheker. En bij het ontstaan van de eerste zorgpaden zijn we direct met de grootste KIS-leveranciers om tafel gegaan om die multidisciplinaire samenwerking goed in onze zorgsystemen te laten landen. Daarop bouwen we nu verder. Onze zorgsystemen hebben samen meer dan 200 koppelingen met systemen van andere zorgaanbieders en leveranciers.  Belangrijk daarbij is dat relevante informatie altijd terugkomt in het bronsysteem van huisarts en apotheker.”

Starten met koppelingen

De behoefte van klanten is leidend bij het realiseren van die koppelingen, benadrukt Van Oosten. “We geloven erin dat we door het standaardiseren van gegevensuitwisseling systemen van verschillende leveranciers goed kunnen laten communiceren en samenwerken. Op die manier kan de informatie-uitwisseling binnen een regio systeemonafhankelijk plaatsvinden. Daar werken we hard aan, ook in samenwerking met andere leveranciers en organisaties als VZVZ en Nictiz. Dat kost natuurlijk tijd en de behoefte om samen te werken in de regio is er al. We kunnen het ons dus niet permitteren om daarop te wachten. Daarom leggen we nu al de verbinding met goede, veilige koppelingen.”

Regionaal platform

Het fundament voor een brede, regionale ICT-samenwerking over disciplines en domeinen heen, is een regionaal platform. Van Oosten: “Binnen de Medicom-Pharmacom samenwerkingsverbanden in een regio faciliteren we 24-uurs huisartsenzorg en farmaceutische zorg. Bij de samenwerking in de regio zijn echter meer disciplines en domeinen betrokken en in iedere regio is het net weer een beetje anders. Door samen te werken met aanbieders van  regionale platformen en slimme koppelingen te maken tussen systemen kunnen we alle partijen verbinden op een manier die past bij de betreffende regio.” Het ontsluiten van de patiënt via een Persoonlijke GezondheidsOmgeving is een van de speerpunten van PharmaPartners. Eerder ontvouwde het bedrijf al zijn eHealth-strategie.

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Digitale en gestandaardiseerde verwijzingen voor een compleet dossier

Bijna alle huisartsen gebruiken het digitale platform van ZorgDomein voor hun verwijzingen naar de tweede lijn. Daarmee heeft  oprichter Walter Balestra een belangrijke en relatief dure stap in de zorg verbeterd. ZorgDomein wil zo een bijdrage leveren aan de betaalbaarheid, kwaliteit en transparantie van zorg. De kennis en ervaring die is opgedaan, zet het bedrijf nu ook in om verwijzingen binnen de eerste lijn te stroomlijnen. De focus ligt daarbij op vindbaarheid van het zorgaanbod en het gestructureerd uitwisselen van noodzakelijke informatie.

De  afstemming tussen huisarts en ziekenhuis is voor een groot deel te verbeteren. Vanuit die gedachte is in 2000 ZorgDomein opgericht, vertelt Walter Balestra. Hij was destijds vanuit onderzoeksbureau Plexus betrokken bij het ontwikkelen van een model om de wachtlijstproblematiek bij ziekenhuizen op te lossen, zonder uitbreiding van de capaciteit. “We zijn met huisartsen en specialisten om tafel gegaan om per patiëntgroep in kaart te brengen wat de huisarts bij de verwijzing moet doen, wat de ontvanger gaat doen, welke informatie daarvoor nodig is, welke criteria er gelden voor de verwijzing en wat de patiënt voorafgaand aan zijn bezoek vast moet weten.” Verwijzingen komen nu bij ziekenhuizen binnen via ZorgDomein, inclusief alle voor de verwijsvraag relevante informatie.

Informatieoverdracht

ZorgDomein biedt zorgaanbieders de mogelijkheid om hun diensten en specialismen te etaleren naar verwijzers, maar het is veel meer dan een smoelenboek, benadrukt Balestra. “Waar het echt om gaat is de digitale overdracht van informatie, die direct wordt doorgezet naar het zorginformatiesysteem van de ontvanger.“ Naast ziekenhuizen ontsluit ZorgDomein inmiddels GGZ-instellingen, diagnostische centra en zelfstandige behandelcentra. De volgende stap is het lokaal verbinden van eerstelijnszorgprofessionals. “Ook bij het digitaliseren en standaardiseren van verwijzingen en retourberichten tussen (para)medische professionals in de eerste lijn valt nog een wereld te winnen. ZorgDomein kan daar een grote rol in spelen. We hebben de ervaring, het platform én vrijwel alle huisartsen  zijn al aangesloten.”

ZorgDomein Lokaal

Dat verwijzingen binnen de eerste lijn wezenlijk verschillen van die tussen eerste en tweede lijn, realiseert Balestra zich heel goed. “De winst zit voor de eerste lijn vooral in het transparant maken van het lokale zorgaanbod, het standaardiseren van verwijzingen en retourinformatie en het beter en tijdig informeren van zorgverleners én hun patiënten.” Met ZorgDomein Lokaal is het platform geschikt gemaakt voor eerstelijnspraktijken.

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Maatregelen voor het versterken van de eerstelijnszorg

In de politiek lijkt de tijd rijp om vóóraf met budgetten te schuiven: van het kader medisch-specialistische zorg naar het kader eerstelijnszorg, in het bijzonder naar huisartsen- en multidisciplinaire zorg en wellicht naar wijkverpleging. Maar is dat voldoende om substitutie van zorg te laten slagen?

In 2013 hadden politiek en koepels een duidelijke ambitie om de eerstelijnszorg te versterken. De groeiruimte van 1,5 procent kon door substitutie toenemen tot 2,5 procent, was de verwachting. Zorggroepen en gezondheidscentra stonden klaar voor de uitbreiding van ketenzorgprogramma’s en substitutieprojecten. Terugkijkend moeten we vaststellen dat de versterking van de eerstelijnszorg niet of nauwelijks is gerealiseerd.

Resultaten

In 2015 is het totale macrokader huisartsen- en multidisciplinaire zorg ten gevolge van de substitutiemonitor met ca € 25 miljoen uitgebreid. Maar het macrobudget is onderschreden met € 106 miljoen. Ook in 2016 is de raming van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) dat het macrokader met 70 miljoen is onderschreden, waarbij S2 met € 40 miljoen is overschreden. De afsprakenmonitor  levert geen of nauwelijks inzichten op en dus is het macrobudget 2017 nagenoeg ongewijzigd.

Consequenties

Verzekeraars hebben het beschikbare budget voor de eerstelijnszorg niet opgemaakt, terwijl er wel meer zorg verleend wordt door de eerstelijnszorg. Dat betekent dat vooral de huisartsen meer zijn gaan doen voor minder geld. Bij de introductie van het segmentenmodel heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) gesteld dat om aan het norminkomen voor een huisarts te komen, integrale uurlonen nodig zijn in S2 en S3.  Die zijn er veelal niet gekomen en daar zijn individuele huisartsen de dupe van.

De uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) dat ook zonder contract ketenzorg geleverd kan worden, kan op de korte termijn een alternatief bieden voor huisartsen. De NZa heeft aangegeven voor 2018 nog met een (vrij) tarief te komen.

Doemscenario

Er zijn zorgverzekeraars die er een andere visie op nahouden als het gaat om de huidige en innovatieve programmatische zorg. Zij stoppen of beperken hun investeringen hierin.

Als dat doorzet en de programmatische zorg ontmanteld wordt, vallen we terug op de versnippering van voorheen. We moeten het dan stellen zonder georganiseerde inkoopmacht vanuit eerstelijnszorggroepen en gezondheidscentra. De huisartsenzorg zal dan binnen vijf jaar sterk geërodeerd zijn door kwaliteitsverlies en arbeidsmarktproblemen. Nederland verliest dan een van de kroonjuwelen van haar gezondheidssysteem. In dit scenario nemen de ziekenhuizen de regie over en wordt de medisch georiënteerde gezondheidszorg nog dominanter en duurder. Het goede nieuws is dat het tij nog kan worden gekeerd.

Auteur: Jan Erik de Wildt

Download het volledige artikel hier:

Samen gezondheidsachterstanden tegengaan

Het bevorderen van gezondheid en het bestrijden van achterstanden daarin is een taak van de hele gemeenschap en de lokale overheid. Dat bewijst de aanpak van Gezond in…, het stimuleringsprogramma waar 164 GIDS-gemeenten (Gezond In De Stad) aan meedoen. Multiproblematiek speelt een belangrijke rol bij gezondheidsachterstanden. Per 5000 gezinnen zijn er zo’n 25 waar alle zorg- en welzijnskosten samenkomen. Als problemen zich opstapelen is een uitkomst soms ver weg. Het initiatief Eigen Plan in Noord-Holland doorbreekt de vicieuze cirkel.

Het programma Gezond in… verbindt partijen en stimuleert de samenwerking tussen bijvoorbeeld gemeente, buurtteams en zorgverleners. Het loopt vanaf 2014 en duurt vier jaar, vertellen programmaleider Daphne Ketelaars en adviseur Frea Haker. Het wordt uitgevoerd door Pharos en Platform31 in het kader van het Nationaal Programma Preventie. De GIDS-gemeenten krijgen in die vier jaar, via de decentralisatieregeling van het ministerie van VWS, in totaal 70 miljoen uitgekeerd. Dat wordt ingezet om gezondheidsachterstanden terug te dringen.

Verbinden

Gezond in… adviseert gemeenten een aanpak via vijf sporen: participatie, sociale omgeving, preventie en zorg, fysieke omgeving en gedrag en vaardigheden. Een procesgerichte aanpak met een actieve rol voor de burger zelf. De rol van de eerstelijnszorg is heel belangrijk, betogen Ketelaars en Haker. “Huisartsenpraktijken zijn de ogen en oren van de wijk. Problemen worden hier als eerste gesignaleerd.” Gemeenten zien dit ook en zetten volop in op samenwerking, vertelt Haker. “Maar dat is best ingewikkeld. Wijkteams en huisartsen hebben het heel druk. De extra inzet vraagt een enorme tijdsinvestering en die uren blijven meestal onbetaald.” Bovendien spreken de partijen niet altijd dezelfde taal. Ze moeten elkaar leren kennen. Juist daarbij kan Gezond in… uitkomst bieden.

Betrokkenen

Het is niet alleen van belang dat partijen uit de zorg en het sociaal domein elkaar vinden, maar vooral dat er wordt samengewerkt met mensen zelf en hun netwerk. Dat levert draagvlak, draagkracht en perspectief op. Een mooi voorbeeld daarvan is Eigen Plan, dat Stichting Sterker Samen sinds 2015 uitrolt in Noord-Holland. Het principe van Eigen Plan is gebaseerd op Family Group Conferencing dat in 1989 per wet werd ingevoerd in Nieuw-Zeeland. Monique Bontje en Lineke Joanknecht zijn de drijvende krachten achter Eigen Plan. Joanknecht: “Wij ondersteunen mensen die in de knel zitten om zelf hun plan te maken, hun eigen oplossing voor hun problemen waar ze achter staan en voor willen gaan. Dat doen we samen met de mensen die dicht bij ze staan, zoals familie, vrienden en buren.”

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Slimme bedrijfsvoering in de zorg

Door de ontwikkelingen in de zorg komen steeds meer professionals annex zorgondernemers erachter dat slimme bedrijfsvoering noodzakelijk is. Maar hoe pak je dat aan? De nieuwe training Pragmatische bedrijfskunde in de zorg is een goede start.

De training Pragmatische bedrijfskunde in de zorg is ontwikkeld door Peter Felen. Felen studeerde psychologie en pedagogiek en deed een master bedrijfskunde. Zijn kennis en kunde zet hij al meer dan dertig jaar in voor het trainen van professionals in de zorg, met name in de openbare farmacie. Steeds vaker kreeg Felen hij de vraag: “Kan het niet slimmer als ik de bedrijfsvoering afstem met de huisarts?” Daarom kijkt hij sinds een paar jaar over de grenzen van de farmacie heen en ontwikkelt hij trainingen voor alle professionals in de eerstelijnszorg.

De training

De vierdaagse training Pragmatische bedrijfskunde in de zorg is bedoeld voor huisartsen, apothekers, psychologen, fysiotherapeuten, tandartsen en andere ondernemende zorgprofessionals in de eerste lijn.

Het programma heeft vier centrale thema’s:

  • Uw organisatie als bestuurbaar geheel

Hoe voorkomt u terugkerende verstoringen? Hoe zorgt u, naast uw drukke werkzaamheden, voor ontwikkeling? Hoe gaat u om met een snel veranderende omgeving? Hoe is uw positie in het geheel met andere zorgverleners? Hoe krijgt u veranderingen succesvol ingevoerd?

  • Personeel

Hoe zorgt u ervoor dat uw medewerkers meer zijn dan een stel individuen? Hoe zorgt u dat men op het hoogste niveau samenwerkt? Hoe gaat u om met kennis (toepassing, behouden en creëren)? Hoe gaat u om met weerstand?

  • Collega’s in de zorg

Hoe communiceert u met uw collega’s en met welke gezagsverhoudingen gaat dit gepaard? Op welke wijze is er echte samenwerking? Hoe gaat u om met belangenverschillen?

  • Profilering deskundigheid/plan voor de komende periode

Hoe kan men zonder op te scheppen toch de resultaten laten zien van het werk? Hoe kunnen we leren van diverse buitenlandse successen? Welke vormen van marketing zijn mogelijk?

De training wordt afgerond met het maken van een concreet plan voor de nabije toekomst. De deelnemers leren niet alleen van de trainer, maar ook van elkaar en over elkaars disciplines.

Auteur: Felen & Partners

Download het volledige artikel hier: