Uniek: POH-ggz-spoed

Als de POH-ggz een schot in de roos is binnen de huisartsenpraktijk overdag, waarom wordt dan buiten kantooruren niet soortgelijke zorgverlening geboden op de HAP?

Volgens Inge Kramer en Jantinus Veenstra was dit een ‘missing link’. Daarom schreven de twee een zorgvernieuwingsplan. Zo tekenden ze drie jaar geleden voor een landelijke primeur: POH’s-ggz-spoed tijdens weekeinden en feestdagen, in de huisartsenposten van Zuid-Kennemerland. Verschillende HAP’s hebben zich sindsdien bij hen gemeld. Dankzij subsidie van ZonMw konden Kramer en Veenstra een implementatieplan opstellen en zijn ze de nieuwe werkwijze aan het introduceren bij vijf HAP’s.

Kramer: “Dit had er volgens ons eigenlijk altijd al moeten zijn in de eerste lijn. Wij hopen op landelijke invoering, maar wel met BIG-geregistreerde professionals. Dat schept vertrouwen bij de zorgverleners op de HAP en creëert duidelijkheid over verantwoordelijkheden”

Veenstra: “Wij hebben als sociaal psychiatrisch verpleegkundige (SPV) gewerkt in de tweede lijn. Zes jaar geleden richtten we samen een maatschap op – InPractica – waarmee we werken in de eerste lijn.”

Kramer: “Als nieuwkomers in de eerste lijn verwonderden we ons soms. Bijvoorbeeld: wel POH’s-ggz in de huisartsenpraktijk, maar niet op de HAP? Terwijl dergelijke zorgverlening daar misschien meer nodig is, gezien de druk op triagist en regiearts. We hebben een zorgvernieuwingsplan geschreven en mochten een pilot draaien in de HAP’s van Zuid-Kennemerland. Dat bleek een succes: snel inzetbare hulp voor de soms bewerkelijke ggz-hulpvraag.”

Veenstra: “We zijn er voor patiënten met een ggz-hulpvraag die niet acuut moeten worden geholpen, maar wel ggz-spoedzorg nodig hebben. Dit betekent dat ze niet per se naar de crisisdienst hoeven – het oordeel hierover is overigens altijd aan de regiearts. Neem de man die in paniek de HAP belt en zegt hartklachten te hebben. Een dag eerder hebben ambulancebroeders hem onderzocht en bleek er geen hartprobleem. Toch belt hij nu weer. Na opnieuw onderzoek kunnen wij rust bieden, uitleg geven en een plan maken hoe hij het weekend kan overbruggen.”

Auteur: Gerben Stolk

Download hier het hele artikel.

Huisarts en drogist, een mooi paar?

Het drogistteam wordt getraind om vragen van klanten over zelfzorggeneesmiddelen te kunnen beantwoorden. De huisarts ziet ook graag dat ze die bij de drogist kopen, maar wil eveneens weten wat zijn patiënten dan gebruiken en hoe zij worden geïnformeerd. Een proeftuinproject moet duidelijk maken hoe arts en drogist elkaar kunnen versterken.

Huisartsenpraktijken De Meidoorn, Marktplein en De Zegerij in Brummen participeren in de verkenningen. Het project, gefinancierd door Zilveren Kruis, wordt breed gedragen: het Nederlands Huisartsen Genootschap, Centraal Bureau Drogisterijbedrijven, College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, de Consumentenbond, Patiëntenfederatie Nederland én het Instituut Verantwoord Medicijngebruik zijn erbij betrokken.

De brede aandacht heeft een goede reden. De overheid hoopt de zorgkosten te beperken door de consument meer eigen regie te geven over zijn gezondheid. In dit kader heeft ze onder andere een aantal zelfzorgmiddelen uit de vergoeding van de basisverzekering gehaald.

“We zien in de praktijk ook dat we steeds meer patiënten wijzen op de rol van de drogist voor zelfzorg”, zegt huisarts Marcel Kerkhoven uit Brummen. “Maar we hebben geen zicht op wat iemand bij de drogist te horen krijgt over medicatieveiligheid, terwijl we wel weten dat zelfzorgmiddelen interacties kunnen geven met de geneesmiddelen die wij voorschrijven.”

Wederzijdse onbekendheid
Een vorig jaar door het Instituut Verantwoord Medicijngebruik georganiseerde debatreeks voor huisartsen en drogisten maakte duidelijk dat er wederzijds veel onbekendheid is. Net zoals de huisartsen niet goed weten welke informatie iemand bij de drogist krijgt, weet het drogistteam niet altijd wanneer het naar de huisarts moet verwijzen.

Directeur Marten Hummel van het Centraal Bureau Drogisterijbedrijven: “Niet iedereen is even goed in staat tot zelfzorg. We weten dat mensen verkeerde keuzes kunnen maken. Omgekeerd weten we ook dat de huisarts veel vragen over kleine klachten krijgt waarop het drogistteam best antwoord kan geven.” Voldoende reden voor een proeftuin dus. “We willen onderzoeken hoe we de samenwerking tussen huisarts en drogist het best kunnen vormgeven, om ervoor te zorgen dat de juiste zorg op de juiste plek wordt gegeven”, zegt Hummel.

Auteur: Frank van Wijck

Download hier het hele artikel.

 

Preventie-abonnement op je gezondheid

Peter Joosten, biohacker PeterJoosten.net, verzorgt een inspirerende column over zorgtechnologie. Concreet: over quantified self, oftewel de meetbare mens.

Een passage uit zijn column: “Zo vertelde Justin Lawler hoe hij zijn beginnende osteoporose op allerlei manieren meet. De Ierse programmeur kijkt hiervoor naar zijn voeding, de samenstelling van zijn darmflora, zijn trainingen, slaap en dichtheid van de botten. Op een methodische manier zoekt hij uit hoe hij meer grip kan krijgen op zijn gezondheid. Op het podium zag ik zijn vastberadenheid en actiebereidheid om alles te doen om de kwaliteit van leven te verbeteren. Justin was ook realistisch. Ik verwacht niet dat mijn arts al die gegevens bijhoudt. Maar met de mogelijkheden die we nu hebben, wil ik dat toch zeker zelf doen.”

Dat is de situatie waar de gezondheidszorg zich snel naartoe beweegt, aldus Joosten “Steeds meer patiënten willen controle over hun eigen gezondheid. Ze richten zich op preventie in plaats van genezen en gebruiken daar nieuwe technologie voor. Deze ontwikkeling is de grote technologiebedrijven natuurlijk niet ontgaan. Google, Amazon, Apple en andere bedrijven proberen consumenten te verleiden om met hun apparatuur te meten, dan wel om alle gezondheidsdata op hun platformen te bundelen. Zij beloven op basis van die datasets, met behulp van kunstmatige intelligentie, ‘gezondheidszorg op maat’ aan te bieden. In een tijd waarin we een abonnement hebben op muziek (Spotify) en televisie (Netflix), is de volgende stap wellicht een preventie-abonnement op je gezondheid.”

Auteur: Peter Joosten

Download hier de hele column.

Behandeling huidtumor door physician assistant

Steeds vaker krijgt de huisarts vragen over mogelijk verdachte huidplekjes. Er is veel te zeggen voor meer diagnostiek en behandeling van huidafwijkingen in de eerste lijn. Door samenwerking met een physician assistant (PA) kan de extra werkdruk die dat oplevert, worden opgevangen, zegt het Kenniscentrum Taakherschikking Eerste Lijn.

“Ik denk dat we twee tot drie mensen per dag zien met plekjes en vlekjes waar zij zich zorgen over maken”, zegt Daniëlle Haverkamp, PA in de huisartsenpraktijk van Jan Vingerhoets in Bergen op Zoom. Ongeveer de helft van de patiënten kan meteen worden gerustgesteld en de anderen krijgen een aanvullend onderzoek, in eerste instantie op de praktijk zelf.

Dermatoscoop
In september 2017 publiceerde het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) de NHG-Standaard Verdachte huidafwijkingen. Deze standaard geeft onder andere een stappenplan om goed- en kwaadaardige huidafwijkingen te herkennen. Het streven is om de laagcomplexe vormen van huidkanker in de huisartsenpraktijk niet alleen te diagnosticeren, maar ook te behandelen en onder controle te houden.

Onder meer het gebruik van de dermatoscoop, waarmee diep in de huid kan worden gekeken, heeft de diagnostische mogelijkheden sterk vergroot. Het instrument maakt het mogelijk om verdachte en goedaardige huidafwijkingen van elkaar te onderscheiden. Dit voorkomt onnodige verwijzingen naar de tweede lijn en onnodige excisies. Behalve een besparing van kosten, betekent dit dat de dermatoloog zich kan richten op de complexe aandoeningen die de expertise van een dermatoloog vragen.

Zelf behandelen
In Bergen op Zoom maakt zowel Vingerhoets als Haverkamp in de consulten gebruik van de dermatoscoop; beiden volgden daarvoor ook de benodigde aanvullende scholing. Direct vanuit het instrument kunnen zij als dat nodig is beelden via tele-dermatologie doorzenden naar de dermatoloog in het ziekenhuis met wie zij veel samenwerken.

Haverkamp: “Uiteindelijk verwijzen we ongeveer eens per maand iemand, al dan niet in overleg met de dermatoloog. In alle andere gevallen kunnen we de mensen geruststellen of behandelen we de aandoening zelf.”

Haverkamp volgde haar opleiding op de afdeling Chirurgie in het Radboudumc en is geschoold in het doen van kleine chirurgische ingrepen, een expertise die ook de behandeling van verdachte (premaligne) huidafwijkingen mogelijk maakt. Vingerhoets stelt vast dat meer patiënten met chirurgische huidproblemen hierdoor in de praktijk kunnen blijven. “Zonder die extra expertise zou ik vaker verwijzen.”

Auteur: Karen Voors
Foto: Erik Kottier

Artikel in samenwerking met stichting KOH, kennispartner van De Eerstelijns.

Download hier het hele artikel.

Hoog tijd voor fundamentele herbezinning op verantwoording zorg

De onvrede van zorgprofessionals over de mate waarin verantwoording wordt gevraagd over de inzet en de resultaten van zorg vond onlangs een uitweg met de actie van huisarts Marco Blanker, die de doorgeschoten bureaucratie binnen de zorg verbeeldt via de paarse krokodil.

Het is hoog tijd voor een fundamentele herbezinning op de wijze waarop we met elkaar verantwoording over geleverde zorg en resultaten organiseren. Veel zorg en ondersteuning heeft geen eenduidig start- en eindpunt, waardoor de maatschappelijke opbrengsten en individuele resultaten zich moeilijk laten meten. Vertrouwen in vakmanschap en competenties wordt met de mond beleden, maar verstikt door regels en protocollen die incidenten moeten uitsluiten.

De herbezinning zou moeten starten bij de professionals zelf. Zij zijn de bron op basis waarvan de juiste parameters vastgesteld kunnen worden om de (mate van) verantwoording af te leggen. Daarbij zouden we het lef en de creativiteit moeten hebben om te kijken naar andere manieren van verantwoorden.

Geïnstitutionaliseerd wantrouwen

Wat zegt bijvoorbeeld huisarts Toosje Valkenburg? “Zolang men niet bereid is het geïnstitutionaliseerde wantrouwen om te buigen naar professioneel vertrouwen, zullen de paarse krokodillen in groten getale blijven opduiken in de zorg. Net als in 2015, toen we met het actiecomité ‘Het roer moet om’ met het boekje ‘Help! de dokter…’ dezelfde kafkaëske bureaucratie ter discussie stelden.”

Zij vervolgt: “Bij de beroepsethiek van elke professional hoort de vraag over publieke verantwoording, over geld en over inhoud. Maar de enige vraag die echt iets zegt over de geleverde kwaliteit, is om aan de professional zelf te vragen welke parameters echt iets zeggen over de kwaliteit van zijn werk. En ze daar de informatie over terug te geven en interprofessioneel leren te stimuleren. Om elkaar aanspreken de norm te maken en dat te faciliteren.”

Anders verantwoorden

De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) onderzoekt in het adviestraject ‘Anders verantwoorden’ hoe verantwoording beter kan bijdragen aan goede zorg en ondersteuning. In het advies, dat dit voorjaar verschijnt, staat voor de Raad de vraag centraal hoe verantwoorden in de zorg anders kan, zodat het niet alleen als last wordt ervaren, maar ook bijdraagt aan verbetering van zorg. De RVS wil op basis van praktijkvoorbeelden tot een perspectiefwisseling komen, en in dit advies bekijken hoe een andere verantwoordingspraktijk kan worden gerealiseerd.

Download hier het hele artikel

Samen streven naar betere thuiszorg in de regio

Zelf indiceren en zorg toewijzen vraagt om behoorlijk stevige competenties in de thuiszorg. In Gelderland bundelden 120 wijkverpleegkundigen daarom hun krachten in de Vereniging Platform Wijkverpleegkundigen Achterhoek. Ze willen ervaringen uitwisselen, hun kennis vergroten en samen de thuiszorg in de regio verbeteren.

Marieke Hakvoort-Reijers (32) heeft tien jaar ervaring als wijkverpleegkundige hbo-v. Verder is ze door beroepsvereniging Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN) opgeleid tot ambassadeur wijkverpleging. Vanuit die laatste rol werd Hakvoort-Reijers ook een belangrijke kartrekker van het in 2015 opgerichte Platform Wijkverpleegkundigen Achterhoek.

Daarbij zijn 120 wijkverpleegkundigen van tien thuiszorgorganisaties aangesloten. Welke? Dat doet er volgens Hakvoort-Reijers  niet toe. “Als samenwerkingsverband werken we organisatie-overstijgend. Het gaat nadrukkelijk níet over een specifieke organisatie of manager die dit of dat vindt, maar enkel over de inhoud van ons vak.”

Zelf indiceren en toewijzen

Directe aanleiding voor de oprichting van het Platform Wijkverpleegkundigen was de verandering van de Zorgverzekeringswet (Zvw) in 2015. Vanaf dat jaar is het niet langer het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) dat thuiszorg indiceert en toewijst, maar de wijkverpleegkundige. Bovendien wordt de druk op thuiszorg steeds groter: er is een personeelstekort, ouderen wonen langer thuis en de wachtlijsten bij zorginstellingen zijn lang.

Hakvoort-Reijers: “Deze tijd vraagt een andere houding en veel verschillende vaardigheden van de wijkverpleegkundigen. Van oudsher zijn wij misschien wel gewend om ons wat dienend en onderdanig op te stellen. Maar die tijd is passé. De wijkverpleegkundige van nu staat voor zijn of haar vak, kan op eigen houtje klinisch redeneren en toont leiderschap.”

Themabijeenkomsten

Het Platform Wijkverpleegkundigen Achterhoek organiseert twee keer per jaar een themabijeenkomst waar vakgenoten elkaar leren kennen en ervaringen delen over vragen en problemen waar ze tegenaan lopen in de wijk. Hakvoort-Reijers: “Vakinhoudelijke onderwerpen zoals klinisch redeneren of leiderschap vormen het uitgangspunt. Voor problemen of issues waar we in de thuiszorg tegenaan lopen, zoeken we samen naar uniforme oplossingen.”

Auteur: Ingrid Beckers

Download hier het hele artikel

Succesvol ouderenproject Ons Raadhuis zoekt structurele financiering

Het is altijd een gezellige drukte bij Ons Raadhuis in Velp. Zeker ook op deze vrijdagmiddag. De voormalige pastorie zit vol. De mensen hebben hapjes gemaakt. Er gaan dienbladen met glazen witte wijn rond. Er wordt gelachen. Gegrapt. Soms een troostend woord. Het rumoer verstomt pas als het koor Indische liedjes gaat zingen. Eigenlijk wel jammer dat Ester Bertholet, Irma Smeenk en de 76-jarige Mieke naar de keuken moeten vluchten. Want we moeten eens praten over het succes van Ons Raadhuis.

Ons Raadhuis is een initiatief van specialist ouderengeneeskunde Ester Bertholet. “Zo’n drie jaar geleden zocht ik een oplossing voor ouderen waardoor ze meer zouden bewegen, beter zouden eten of zich gewoon wat blijer zouden voelen. Gezond en actief, zodat ze langer thuis kunnen blijven wonen. Cursussen in een buurthuis kunnen dat doen, maar de mensen gaan meteen na de cursus weer weg. Bovendien is het niet makkelijk op hoge leeftijd met een gemiddelde cursus of sport mee te doen. En op dagbesteding zit weer vooral het stempel ‘zorg’, want dat is op diagnose en niet zo vrijblijvend. Ik wilde iets dat er zo’n beetje tussenin zit én waar mensen zich echt thuis zouden voelen.” Dus begon ze gewoon met een groepje van vijf en yoga en tai chi lessen. Bertholet: “De deelnemers namen dan weer iemand mee, heel laagdrempelig, zo van: ‘Kom gewoon eens kijken’. En we startten andere cursussen en zo breidde het als een olievlek uit.”

De kracht zit ‘m erin dat niemand verplicht is deel te nemen aan de activiteiten. Ouderen kunnen ook gewoon een kopje koffie komen drinken en een praatje maken. Tegelijkertijd komt het brede aanbod van activiteiten voort uit de bezoekers zelf. Zij verzinnen bijvoorbeeld poëziemiddagen, wandelclubs of filosofiebijeenkomsten.

Preventie

Het succes is groter dan Bertholet had durven hopen. Zo’n tweehonderd verschillende mensen bezoeken Ons Raadhuis en er werken zo’n vijfenvijftig vrijwilligers en docenten. Het enthousiasme spat eraf bij Ester, Irma en Mieke. Maar keihard buffelen is het wel. Ook financieel. “De huur en de betaalde krachten worden bekostigd uit subsidies van gemeente en provincie én uit de verkoop van strippenkaarten voor deelname aan de activiteiten”, legt Bertholet uit. “Maar we zijn op zoek naar structurele inkomsten voor ouderenzorg vanuit de gemeente of zorgverzekeraars.” Lastig, want preventie kent nog geen wettelijke financiering. En daar speelt Ons Raadhuis juist zo’n grote rol in, zeker voor eenzame ouderen.

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier:

Bestuurder Jochem Janssen: van het bedrijfsleven naar de huisartsenpost

Jochem Janssen werkt sinds juli van dit jaar als directeur van huisartsenpost ’t Hellegat in Klaaswaal. Daarvoor had hij diverse functies in het bedrijfsleven. Hij heeft al snel gemerkt dat innovatief werken in de zorg er anders aan toegaat dan in het bedrijfsleven. In het bedrijfsleven is sneller sprake van een win-winsituatie. “Succes creëert succes.”

Na zijn studie economie aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam kwam Jochem Janssen terecht in een talent development programma van KPN. Hij bleef er zestien jaar, maar vertrok “omdat je bij zo’n groot bedrijf een beperkt mandaat hebt. Ik wilde meer impact en invloed hebben.”

Maatschappelijke impact

Er volgden meer commerciële functies in diverse bedrijfssectoren. “Je kunt veel van elkaar leren. Als ik nu terugkijk, zie ik dat business tot businessmanagement en vernieuwing als een rode draad door mijn curriculum vitae lopen. Ik omarm verandering, niet als een doel op zich, maar om zaken te verbeteren.”

De verschillende functies leidden echter niet tot de maatschappelijke impact die Janssen graag wilde. Totdat de vacature van huisartsenpost ’t Hellegat voorbijkwam. “Ik heb gesolliciteerd omdat ik hier rechtstreeks het effect van mijn werk op de klanten, de patiënten, kan zien.”

Verschil bedrijfsleven

Welke ervaringen heeft Janssen de afgelopen maanden opgedaan? “Er werken hier heel betrokken en passievolle mensen. Dat zie je ook in het bedrijfsleven. Maar daar geldt: we zijn een bedrijf, we hebben te maken met concurrentie en maken een product dat de specifieke behoefte van een klant vervult. Als een business case positief is, krijg je vrij gemakkelijk de handen op elkaar voor verandering en dat motiveert. In de zorg is dit lastiger en dat kan tot frustratie leiden. De zorg is een dynamische sector, veel meer dan ik had verwacht. Er is eensgezindheid dat zaken anders en beter kunnen in het belang van de patiënt. Maar als je probeert om iets te veranderen, loop je tegen diverse belangen en partijen aan.”

Win-winsituatie

Janssen ondervond het verschil tussen bedrijfsleven en zorgsector bij een kleine proef met triage op één locatie. Gedurende een weekeinde zat de triagist van de ambulancedienst Rotterdam naast de triagist van de huisartsenpost. Ondanks positieve uitkomsten wordt deze werkwijze (nog) niet standaard ingevoerd. “De bekostiging vormt een belemmering. We hebben een goed idee en als we dat uitvoeren besparen we kosten in de keten, maar dat geld mogen we niet zomaar houden. Dat is een groot verschil met het bedrijfsleven, daar is veel sneller sprake van een win-winsituatie.”

Auteur: Corina de Feijter

Download het volledige artikel hier:

Huisarts Ronald Roothans stapt in legale wietteelt

In 1980 zong de band Doe Maar over nederwiet; een mooie, groene, welriekende en nuttige plant. Achtendertig jaar later praat De Eerstelijns met huisarts Ronald Roothans uit Breda over deze wiet én het opzetten van een professionele wietkwekerij. Samen met advocaat Peter Schouten en SP-politicus Joep van Meel diende hij een manifest hierover in bij de overheid.

Al zijn hele werkend leven onderzoekt Ronald Roothans hoe hij de maatschappij en de zorg kan verbeteren. “Zie ik een mogelijkheid tot verbetering, dan wil ik dit niet tussen de vier muren van de spreekkamer houden, maar uitspreken. Zo is ook Project C ontstaan, over het cannabisbeleid”, zegt de huisarts.

Het huidige gedoogbeleid in Nederland staat ter discussie. Roothans: “De gebruiker mag cannabis halen in een shop, maar het niet vervoeren. Aanvoeren van cannabis is ook strafbaar. De shop is afhankelijk van illegale toeleveranciers. Het criminele circuit profiteert daarvan. Terwijl tabak en alcohol – die veel schadelijker zijn – vrij te verkrijgen zijn in supermarkten, brengt cannabis de gebruiker in een ‘schimmige’ situatie. Dat moet anders.”

Experiment

Begin 2017 werd de ‘Wet gesloten coffeeshopketen’ aangenomen in de Tweede Kamer. Deze beoogt de teelt en het gebruik van cannabis te reguleren en de kwaliteit en veiligheid van het product te verbeteren. Voorts worden door de werking van de wet de illegale praktijken rondom de productie en levering van cannabis afgebroken. Het praktisch uitwerken van het experiment kent vele uitdagingen. Maar die willen de drie heren wel aangaan. Roothans: “De overheid doelt in het experiment op een legale toeleverancier van cannabis. Oftewel, grote wietkwekerijen die coffeeshops voorzien. Prima idee, maar een goed beleid hierop is noodzakelijk. Met het manifest willen we hier vooraf op insteken.”

Zorgplicht

Cannabis – alsook alcohol en tabak – dienen niet in de supermarkt te liggen, maar verspreid te worden via speciaalzaken, zegt Roothans. “Een zorgplicht is eigenlijk noodzakelijk voor deze producten. Mensen moeten goed geïnformeerd worden. Cannabis is er in vele soorten. De verhoudingen zijn verschillend en daarmee ook het effect. Een etiket met productspecificatie is daarom nodig.”

Veilig en verantwoord voor zowel teelt als gebruik, daar pleiten de heren voor. Het bedrijfsplan van Roothans, Schouten en Van Meel meldt een productiefaciliteit van 12 ton cannabis per jaar. Het manifest ligt bij de landelijke commissie Knottnerus. Naar verwachting wijst de overheid begin 2019 zes tot tien gemeenten aan die met het vier jaar durende cannabisexperiment mogen meedoen.

Auteur: Betty Rombout

Download het volledige artikel hier:

“Dé mantelzorger bestaat niet”

In de huidige participatiesamenleving hebben mantelzorgers een grote rol gekregen in de zorg voor hun naasten. Maar zijn de eisen en verwachtingen die aan mantelzorgers worden gesteld wel realistisch? Vragen we niet te veel van ze? Eliane Heseltine, mantelzorger en ervaringsdeskundige, plaatst kritische kanttekeningen bij het gevoerde mantelzorgbeleid.

“De mantelzorger is het afvalputje van de zorg. Ik zie veel mantelzorgers bij wie het water over de schoenen loopt, omdat ze het niet meer volhouden. Ik maak me daar zorgen over.” Eliane Heseltine is mantelzorger van haar partner, die twaalf jaar geleden een beroerte kreeg. Sindsdien is hij halfzijdig verlamd, en honderd procent hulpafhankelijk.

Eliane benadrukt dat dé mantelzorger niet bestaat. “Het maakt verschil of je twee keer per week met je zorgbehoevende moeder boodschappen doet omdat ze dat zelf niet meer kan, of dat je 24 uur per dag bij je partner moet zijn, omdat hij geen moment alleen kan zijn.”

Op één hoop

Gemeenten zijn zich van die verschillen tussen mantelzorgers onvoldoende bewust. “Gemeenten zijn vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) wettelijk verplicht om mantelzorgers te ondersteunen. Ze organiseren daarom bijvoorbeeld één keer per jaar de mantelzorgdag of delen bonnen uit voor de schoonheidsspecialiste. Maar als je niet eens de deur uit kan, ga je zeker niet naar de schoonheidsspecialiste. Gemeenten organiseren zulke activiteiten voor de grootste gemene deler, maar elke mantelzorger is anders. Mijn advies aan gemeenten is daarom: verdiep je in de mantelzorgers, ken hun behoeften en pas je beleid erop aan. Kies niet voor one size fits all, maar biedt maatwerk.”

Online communicatie

De samenwerking met eerstelijnszorgverleners verloopt goed. Als de nood aan de man is, kan Eliane Heseltine altijd bij hen terecht. “Ze kennen mijn situatie en weten dat ik pas aan de bel trek als het niet meer gaat.”

Ze is blij dat ze tegenwoordig ook per mail vragen kan voorleggen aan de zorgverleners. “Twee of drie dagen wachten op antwoord is handiger dan telkens naar het spreekuur gaan. Zolang kan ik niet van huis. Bovendien heb ik dan voor dat ene consult zoveel vragen opgespaard, dat ik ze toch niet allemaal in één keer bespreken. Een mailconsult is daarom prettiger.” Haar tip aan eerstelijnszorgverleners is dan ook: maak de communicatie voor mantelzorgers makkelijker, investeer meer in mailconsult of andere vormen van online communicatie.

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier: