Huisarts Ronald Roothans stapt in legale wietteelt

In 1980 zong de band Doe Maar over nederwiet; een mooie, groene, welriekende en nuttige plant. Achtendertig jaar later praat De Eerstelijns met huisarts Ronald Roothans uit Breda over deze wiet én het opzetten van een professionele wietkwekerij. Samen met advocaat Peter Schouten en SP-politicus Joep van Meel diende hij een manifest hierover in bij de overheid.

Al zijn hele werkend leven onderzoekt Ronald Roothans hoe hij de maatschappij en de zorg kan verbeteren. “Zie ik een mogelijkheid tot verbetering, dan wil ik dit niet tussen de vier muren van de spreekkamer houden, maar uitspreken. Zo is ook Project C ontstaan, over het cannabisbeleid”, zegt de huisarts.

Het huidige gedoogbeleid in Nederland staat ter discussie. Roothans: “De gebruiker mag cannabis halen in een shop, maar het niet vervoeren. Aanvoeren van cannabis is ook strafbaar. De shop is afhankelijk van illegale toeleveranciers. Het criminele circuit profiteert daarvan. Terwijl tabak en alcohol – die veel schadelijker zijn – vrij te verkrijgen zijn in supermarkten, brengt cannabis de gebruiker in een ‘schimmige’ situatie. Dat moet anders.”

Experiment

Begin 2017 werd de ‘Wet gesloten coffeeshopketen’ aangenomen in de Tweede Kamer. Deze beoogt de teelt en het gebruik van cannabis te reguleren en de kwaliteit en veiligheid van het product te verbeteren. Voorts worden door de werking van de wet de illegale praktijken rondom de productie en levering van cannabis afgebroken. Het praktisch uitwerken van het experiment kent vele uitdagingen. Maar die willen de drie heren wel aangaan. Roothans: “De overheid doelt in het experiment op een legale toeleverancier van cannabis. Oftewel, grote wietkwekerijen die coffeeshops voorzien. Prima idee, maar een goed beleid hierop is noodzakelijk. Met het manifest willen we hier vooraf op insteken.”

Zorgplicht

Cannabis – alsook alcohol en tabak – dienen niet in de supermarkt te liggen, maar verspreid te worden via speciaalzaken, zegt Roothans. “Een zorgplicht is eigenlijk noodzakelijk voor deze producten. Mensen moeten goed geïnformeerd worden. Cannabis is er in vele soorten. De verhoudingen zijn verschillend en daarmee ook het effect. Een etiket met productspecificatie is daarom nodig.”

Veilig en verantwoord voor zowel teelt als gebruik, daar pleiten de heren voor. Het bedrijfsplan van Roothans, Schouten en Van Meel meldt een productiefaciliteit van 12 ton cannabis per jaar. Het manifest ligt bij de landelijke commissie Knottnerus. Naar verwachting wijst de overheid begin 2019 zes tot tien gemeenten aan die met het vier jaar durende cannabisexperiment mogen meedoen.

Auteur: Betty Rombout

Download het volledige artikel hier:

“Dé mantelzorger bestaat niet”

In de huidige participatiesamenleving hebben mantelzorgers een grote rol gekregen in de zorg voor hun naasten. Maar zijn de eisen en verwachtingen die aan mantelzorgers worden gesteld wel realistisch? Vragen we niet te veel van ze? Eliane Heseltine, mantelzorger en ervaringsdeskundige, plaatst kritische kanttekeningen bij het gevoerde mantelzorgbeleid.

“De mantelzorger is het afvalputje van de zorg. Ik zie veel mantelzorgers bij wie het water over de schoenen loopt, omdat ze het niet meer volhouden. Ik maak me daar zorgen over.” Eliane Heseltine is mantelzorger van haar partner, die twaalf jaar geleden een beroerte kreeg. Sindsdien is hij halfzijdig verlamd, en honderd procent hulpafhankelijk.

Eliane benadrukt dat dé mantelzorger niet bestaat. “Het maakt verschil of je twee keer per week met je zorgbehoevende moeder boodschappen doet omdat ze dat zelf niet meer kan, of dat je 24 uur per dag bij je partner moet zijn, omdat hij geen moment alleen kan zijn.”

Op één hoop

Gemeenten zijn zich van die verschillen tussen mantelzorgers onvoldoende bewust. “Gemeenten zijn vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) wettelijk verplicht om mantelzorgers te ondersteunen. Ze organiseren daarom bijvoorbeeld één keer per jaar de mantelzorgdag of delen bonnen uit voor de schoonheidsspecialiste. Maar als je niet eens de deur uit kan, ga je zeker niet naar de schoonheidsspecialiste. Gemeenten organiseren zulke activiteiten voor de grootste gemene deler, maar elke mantelzorger is anders. Mijn advies aan gemeenten is daarom: verdiep je in de mantelzorgers, ken hun behoeften en pas je beleid erop aan. Kies niet voor one size fits all, maar biedt maatwerk.”

Online communicatie

De samenwerking met eerstelijnszorgverleners verloopt goed. Als de nood aan de man is, kan Eliane Heseltine altijd bij hen terecht. “Ze kennen mijn situatie en weten dat ik pas aan de bel trek als het niet meer gaat.”

Ze is blij dat ze tegenwoordig ook per mail vragen kan voorleggen aan de zorgverleners. “Twee of drie dagen wachten op antwoord is handiger dan telkens naar het spreekuur gaan. Zolang kan ik niet van huis. Bovendien heb ik dan voor dat ene consult zoveel vragen opgespaard, dat ik ze toch niet allemaal in één keer bespreken. Een mailconsult is daarom prettiger.” Haar tip aan eerstelijnszorgverleners is dan ook: maak de communicatie voor mantelzorgers makkelijker, investeer meer in mailconsult of andere vormen van online communicatie.

Auteur: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Paulien van Hessen (SAG): “Maatschappelijke tweedeling in de basiszorg is onacceptabel”

Goede zorg lijkt vanzelfsprekend, maar we schieten vaak tekort bij patiënten in achterstandswijken. Waar zit de angel en hoe trekken we die eruit? De Eerstelijns is in gesprek met Paulien van Hessen, bestuurder van de Stichting Amsterdamse Gezondheidscentra (SAG).

Paulien van Hessen studeerde geneeskunde en is sinds 1992 arts voor maatschappij & gezondheid. Zij begon in 2015 als bestuurder bij SAG, een koepel van zestien gezondheidscentra in Amsterdam. Van Hessen zet zich gepassioneerd in voor integrale, duurzame en warme basiszorg voor alle bijna 90.000 patiënten van SAG. Haar grootste zorg betreft mensen met lage gezondheidsvaardigheden. “Een patiëntengroep bij wie een slechte gezondheid vaak gepaard gaat met werkloosheid, schulden, sociale en psychische problemen.”

Een vaste huisarts

Van Hessen vervolgt: “Met angst en beven zie ik verschil ontstaan in toegankelijkheid van zorg. Voor een huisarts is het heel hard werken in achterstandswijken. Nieuwe huisartsen zijn moeilijk te vinden voor deze wijken en juist voor mensen in een achterstandssituatie is een vaste huisarts heel belangrijk. We moeten dus huisartsen verleiden zich te binden aan praktijken en gezondheidscentra in deze wijken. We doen als SAG ons best. Gelukkig zijn er toch steeds weer dokters die juist wel daar willen werken, voor een eigen populatie waarvoor ze heel veel kunnen betekenen. Maar het wordt kritisch. En mijn grootste zorg: wie voelt zich verantwoordelijk voor dit probleem, wie pakt het op? VWS wijst naar de zorgverzekeraars. Zij op hun beurt naar de sector, die vervolgens weer bij VWS uitkomt.”

4D-model en Krachtige Basiszorg

Dus heeft de sector zelf flink de handen uit de mouwen gestoken. Resultaat? Een werkend concept. Van Hessen: “In de wijk Overvecht in Utrecht is men gestart met het concept Krachtige Basiszorg. Twee huisartsen ontwikkelden het 4 Domeinenmodel, kortweg 4D-model.Dat maakt de vier levensgebieden inzichtelijk: lichaam, geest, maatschappelijk en sociaal. Alle gebieden hebben invloed op hoe gezond iemand zich voelt. De patiënt zelf staat in het midden.”

In navolging van Overvecht hebben gezondheidscentra in Utrecht, Rotterdam, Den Haag en Amsterdam een consortium Krachtige Basiszorg gevormd. Zij gaan het model vertalen naar hun eigen situatie. “We moeten beter samenwerken met partners in de wijk”, aldus Van Hessen. Er is meer tijd nodig voor goede gesprekken tussen patiënt en huisarts. Bij SAG willen we graag onze POH-generalisten continueren. Zij zijn vanuit het gezondheidscentrum de uitgestoken hand naar de wijk en zorgen voor warme overdrachten naar bijvoorbeeld die schuldhulpverlening; niet als regisseur, maar als vangnet. Zij zijn echt noodzakelijk.”

Auteur: Betty Rombout

Download het volledige artikel hier:

“Je kunt niet in de eerste lijn werken zonder geriatrische kennis”

Hoge tevredenheid van ouderen, partners en mantelzorgers, enorme kostenbesparingen, de eerstelijnsouderenzorg van Ester Bertholet, specialist ouderengeneeskunde in Velp, is een voorbeeld voor de rest van het land. De levensvatbaarheid van haar aanpak staat of valt echter bij de wijze van financiering van de eerstelijnsouderenzorg.

In 2011 was Bertholet de eerste specialist ouderengeneeskunde in Nederland die een zelfstandige praktijk Ouderengeneeskunde oprichtte in de eerste lijn. Haar praktijk, gevestigd in Gezondheidscentrum Velp, biedt zorg aan ouderen met complexe en hoog-complexe problematiek die thuis wonen.

MESO-zorg

Multidisciplinaire ouderenzorg met een specialist ouderengeneeskunde, oftewel MESO-zorg, dat is de naam die ze samen met directeur Herma Barnhoorn voor haar werkwijze heeft bedacht. MESO-zorg kent een aantal succesfactoren. Bertholet heeft deze samengevat in veertien kernpunten. “In het gezondheidscentrum zit ik dicht bij de huisartsen”, licht ze er enkele toe. “Ik kan meteen schakelen als zij een patiënt bij me aanmelden. Binnen twee dagen na verwijzing, nemen we contact op met de patiënt. Daarna gaan we altijd op huisbezoek. Je ziet de patiënt dan in zijn eigen setting en weet wie de partner of mantelzorger is. We nemen ook contact op met de verzorgende of wijkverpleegkundige die bij de zorg is betrokken en maken gebruik van het bestaande zorgnetwerk. Tot slot organiseren we een multidisciplinair overleg met alle betrokken zorgverleners. Vervolgens komen we tot een plan van aanpak.”

De MESO-aanpak scoort hoog op Triple Aim: betere gezondheid, beperking van zorgkosten en betere kwaliteit van leven voor de patiënt.

Directe en indirecte zorg

De kostenbesparingen door de MESO-methodiek zijn enorm, stelt Bertholet. Onder meer doordat opnames in het verpleeghuis worden uitgesteld: 745.000 euro voor 56 patiënten. Daarnaast wordt bespaard op polibezoeken bij de ziekenhuisgeriater of andere tweedelijnsspecialisten.

Door de financiering krijgt de MESO-methodiek nog geen brede navolging in het land. “Wij doen dit met gelden van het Innovatiefonds Zorgverzekeraars, dat we samen met Menzis hebben aangevraagd. Dat stopt eind van het jaar, al hoop ik op een jaar overbrugging tot er een betaaltitel is voor de specialist ouderengeneeskunde. Per 2020 komt onze zorg in de Zorgverzekeringswet en valt onze zorg onder de basisverzekering. Aan de bekostiging van die eerstelijnsouderenzorg wordt momenteel hard gewerkt.” Bertholet hoopt op een DBC-bekostiging met plaats voor bekostiging van directe én indirecte zorgverlening. “Als er wordt gekozen voor een DBC waarin alleen de directe zorg bekostigd wordt, kan ik mijn praktijk sluiten. Dan wordt de eerstelijnsouderenzorg onbetaalbaar.”

Auteurs: Michel van Dijk

Download het volledige artikel hier:

Hoogleraar Rudi Westendorp: “We moeten af van de dokter als god”

De huisarts van vroeger nam de tijd, hij informeerde naar de patiënt, de familie, zijn werk en zijn zorgen. Hij kwam gewoon langs als de patiënt te ziek was om te komen. Hij wist veel en legde allerlei verbanden. Volgens hoogleraar ouderengeneeskunde Rudi Westendorp moeten we terug naar deze generalist. Maar het primaat, dat gaat naar de patiënt.

De geneeskundige heeft grote sprongen voorwaarts gemaakt, maar gek genoeg helpt meer van hetzelfde ons niet meer vooruit, zegt Rudi Westendorp. “We kennen steeds meer specialisatie. Niets mis mee. Het is goed meer te weten over het hart of het gedrag van de mens. Maar blijven we specialiseren, dan wordt de patiënt steeds verder uiteengereten in allerlei fragmenten. En die fragmenten horen toch bij elkaar? We hebben generalisme nodig. Dat wordt te weinig onderkend. De patiënt is hier de dupe van.”

Ook de huisarts specialiseert zich steeds meer, volgens Westendorp. “Hij wil wel generalist zijn, maar het is verdraaid moeilijk. De problematiek stijgt hem boven het hoofd. Ik praat over het totale mensbeeld. Het integraal verantwoordelijk zijn voor de patiënt. Niet alleen voor zijn buikpijn. Ook weten of de patiënt net gescheiden is, want misschien heeft de patiënt daarom wel die buikpijn.”

Geen primaat

Dertig jaar geleden was de huisarts wel een generalist. Hij kende zijn patiënten en zijn familie van het wieg tot het graf. “In die integrale visie van toen zitten nu grote scheuren, zegt Westendorp. “We moeten terug naar de generalisatie. Maar wegblijven van het paternalistisch model. Het primaat dat de huisarts dacht te hebben, is hem nu niet meer gegeven. De beslissingsbevoegdheid moet weg bij de dokter. Wie dat bepaalt? De patiënt natuurlijk!”

Maar wat blijft er dan over voor de huisarts? “Een heleboel”, reageert Westendorp. “Een patiënt die bij hem komt met fragmentarische informatie van Google en de hele rataplan, heeft een professional nodig om deze informatie te duiden en in een groter geheel te plaatsen.”

Complexe situatie

Rudi Westendorp vervolgt: “De problemen van vandaag de dag zijn complex. Vroeger werden jonge kinderen oud totdat er iets faliekant misging; blijkbaar een fout in het systeem. Dat soort problemen worden tegenwoordig door preventieve maatregelen voorkomen of opgelost. De geneeskunde wordt geconfronteerd met oude mensen die steeds langer leven en bij wie het overal begint te rammelen. Hier iets fout, daar iets fout. Maak daar maar eens een goede afweging over. Hiervoor hebben we een generalistisch denkende huisarts nodig.”

Auteur: Betty Rombout

Download het volledige artikel hier:

Hoogleraar Maria van den Muijsenbergh: “Zet in op positieve benadering in spreekkamer”

Ze zet zich al haar hele loopbaan in voor de meest kwetsbaren in de samenleving. Ieder mens telt, is de diepe overtuiging van Maria van den Muijsenbergh, de bevlogen bijzonder hoogleraar Gezondheidsverschillen en persoonsgerichte, integrale eerstelijnszorg aan de Radboud Universiteit/Radboudumc in Nijmegen die op 9 maart van dit jaar haar oratie hield.

Een rijk land als Nederland waar de gezondheidsverschillen tussen arm en rijk zo groot zijn, waar de armoede oploopt. Hoogleraar Maria van den Muijsenbergh windt zich erover op. De nieuwe leerstoel geeft haar de kans de groeiende gezondheidsverschillen in Nederland over het voetlicht te brengen. Ze wil zich vooral richten op oorzaak en aanpak.

De tijd is er rijp voor, stelt Van den Muijsenbergh. De kloof tussen arm en rijk krijgt ook politiek steeds meer aandacht. “Veel professionals in de eerste lijn herkennen gezondheidsverschillen wel, maar voelen zich machteloos. Vaak kunnen ze op microniveau veel meer doen dan ze denken.”

Chronische stress

Kennis en vaardigheden zijn daarbij van groot belang. “We weten bijvoorbeeld dat chronische stress een belangrijke factor is bij het ontwikkelen van chronische ziektes. Je lichaam maakt voortdurend hormonen aan die ervoor zorgen dat je hart sneller gaat kloppen en dat je gaat zweten. Dan staat het hele systeem onder druk. Die ‘allostatische belasting’ kan leiden tot bijvoorbeeld suikerziekte of aderverkalking.”

Daarbij zorgt chronische stress er ook voor dat mensen niet meer zo goed kunnen nadenken over langetermijneffecten. Ook het gebrek aan zelfwaardering en zelfvertrouwen speelt een rol. “Onderzoek laat zien dat dit kan leiden tot hoge bloeddruk, suikerziekte en depressies.”

Syndemie

Van den Muijsenbergh introduceert nog een nieuwe term: syndemie. Dit houdt in dat verschillende ziektes vaak samen voorkomen in bepaalde bevolkingsgroepen die te maken hebben met armoede en sociale achterstelling. “Het is daarom belangrijk dat een individuele hulpverlener ook kijkt naar de achterliggende sociale factoren. “Iedereen weet dat roken slecht voor je is, waarom lukt het dan niet om te stoppen? Uit onderzoek blijkt dat gebrek aan zelfvertrouwen hierbij een belangrijk factor is.”

Positieve benadering

Eerstelijnsprofessionals hoeven sociale problemen niet op te lossen, stelt Van den Muijsenbergh, “maar ze kunnen er in de spreekkamer wel actiever naar vragen en doorverwijzen. Ze kunnen ook meer inzetten op een positieve benadering, op het versterken van zelfvertrouwen.”

Auteur: Jessica Maas

Download het volledige artikel hier:

“In het digitale GGZhuis vind je snel en makkelijk de juiste psychische zorg”

Het kan knap lastig zijn om patiënten met psychische klachten naar de juiste zorgprofessional door te verwijzen. De GGZ is complex en verwijzingen leveren sneller discussie op dan binnen de somatiek. Huisarts Erik van Gijssel startte vanuit Huisartsenvereniging Regio Zwolle (HRZ) het GGZhuis waarin huisartsen en GGZ-professionals samenwerken. Via een online platform vinden huisartsen nu snel en gemakkelijk de juiste gespecialiseerde psychische zorgverlener. Ook voor overleg.

Sinds huisarts Erik van Gijssel (57) in 1999 zijn eigen praktijk startte in het gereformeerde Hanzestadje Hasselt, ontwikkelde hij een bovengemiddelde interesse voor psychiatrie. “Het aantal suïcides in deze regio was in die tijd vier keer zo hoog als het landelijk gemiddelde. Dat is als huisarts heel pittig en intensief om mee te maken”, vertelt Van Gijssel.

In zijn werkgebied heerste toen, en nog steeds, veel schaamte over psychische ziekten als een depressie of angststoornis. Van Gijssel: “Zo bleek de vrouw van een van mijn patiënten al twintig jaar binnen te zitten. Ze durfde de deur niet uit vanwege straatangst. Als huisarts ontdekte ik het per toeval. De weg naar passende zorg wist het echtpaar kennelijk al die jaren niet te vinden. Het zijn dit soort schrijnende casussen waardoor ik besloot: hier moet ik als huisarts iets mee doen.”

Om de drempel voor psychische hulp in zijn regio te verlagen, startte Van Gijssel al tien jaar geleden het project GGZ Van Het Gewone leven. Behandelmogelijkheden van psychische klachten in de eerste lijn werden via dit project vergroot nog voordat de herinrichting van de GGZ zijn intrede deed. Inmiddels is Van Gijssel kaderhuisarts GGZ en voorzitter van de GGZ-commissie van Huisartsenvereniging Regio Zwolle (HRZ) en in die hoedanigheid ook grote kartrekker van het nieuwe GGZhuis. Medebouwers van het GGZhuis zijn de Regionale Ondersteuningsstructuur ProScoop en huisartsenorganisatie Medrie.

Betere samenwerking

Kort gezegd is het GGZhuis een organisatie die de samenwerking tussen huisartsen en zorgprofessionals in de GGZ-zorg bevordert. Met als doel elke patiënt snel naar de juiste behandeling te krijgen. “Het GGZhuis online platform is een nieuw en prachtig hulpmiddel voor huisartsen om met regionale GGZ-hulpverleners te communiceren”, aldus Van Gijssel. “Ze vinden er snel en makkelijk de juiste GGZ-professionals voor doorverwijzingen. Huisartsen en GGZ-professionals kunnen elkaar vragen stellen, werkafspraken maken en er is informatie te vinden over allerhande bijscholingen voor huisartsen en POH’s op het gebied van GGZ.”

Auteur: Ingrid Beckers

Download het volledige artikel hier:

Stepped eHealth voor seksuele gezondheid bij jongeren

Jongeren tussen 12 en 25 zijn ‘digital natives’. Ze gebruiken hun smartphone voor van alles en nog wat. Om hen te bereiken moet je in hun online wereld stappen, zegt Filippo Zimbile, eHealth-coördinator seksuele gezondheid bij het RIVM. Samen met de GGD’en ontwikkelt hij een stepped care model.

“Veilig vrijgedrag, seksualiteit, dat kun je niet sturen met wetgeving of handhavingsinstrumenten. Het gebeurt allemaal in de slaapkamer. Je kunt condooms wat goedkoper maken, maar waar het vooral om gaat is het creëren van bewustzijn en het makkelijk maken van gezond gedrag. Een van de weinige instrumenten die je daarvoor kunt inzetten, is communicatie.” En dat is voor communicatiewetenschapper Filippo Zimbile een boeiende vakinhoudelijke uitdaging die zo’n vijftien jaar geleden startte met de Vrij veilig campagne van SOA Aids Nederland. Sinds een klein jaar is Zimbile voor een paar dagen per week vanuit Soa Aids Nederland gedetacheerd bij het RIVM. Daar zorgt hij voor de landelijke coördinatie en doorontwikkeling van eHealth voor Sense: de aanvullende seksuele gezondheidshulpverlening voor jongeren tussen 12 en 25 jaar. De belangrijkste uitvoeringspartners zijn de GGD’en, Soa Aids Nederland en Rutgers.

Online tenzij

Vanuit Soa Aids Nederland was Zimbile vier jaar geleden betrokken bij het ontwikkelen van een eHealth-visie voor Sense. “Die visie werd: alles online tenzij. We hebben bij Sense te maken met een generatie die veelal online is opgegroeid en over een smartphone beschikt die voor van alles en nog wat wordt gebruikt. Als je die doelgroep goed wil bereiken en zo laagdrempelig mogelijk wil bedienen, moet je in hun online wereld stappen. Bovendien combineert online uitstekend met de gewenste anonimiteit en gevoeligheid van seksuele gezondheid.”

Stepped care model

Op verschillende plekken gingen mensen enthousiast aan de slag met de visie, maar het kwam toch niet echt van de grond. Een landelijke coördinator vanuit het RIVM moest daar verandering in brengen. Zimbile werd geselecteerd om die functie namens de GGD’en in te vullen. Met de partners in Sense geeft hij de eHealth-visie gestalte op basis van een stepped care model.

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Positieve Gezondheid stimuleert domeinoverstijgende samenwerking in Meppel

Positieve Gezondheid is een van de belangrijkste pijlers van gezondheidszorg in de toekomst. Vanuit die overtuiging realiseerde huisarts Carola Penninx met drie collega huisartsen, een fysiotherapeut en een apotheker een multidisciplinair gezondheidscentrum in Meppel. “Het geeft ons een ingang om op een andere manier met zorg bezig te zijn”, vertelt ze enthousiast.

Het initiatief voor een nieuw gezondheidscentrum in Meppel ontstond vier jaar geleden. Na een college transitiekunde van Jan Rotmans zochten de initiatiefnemers contact met Machteld Huber. Vervolgens trokken ze zich letterlijk terug op de hei om te brainstormen over gezondheidszorg in de toekomst en de uitgangspunten van hun nieuwe multidisciplinaire gezondheidscentrum. “Het aantal ouderen en mensen met chronische ziekten neemt toe en er komt steeds meer zorg naar de eerste lijn”, constateert Penninx. “Het vak van huisarts wordt hierdoor breder. We krijgen meer taken waarvoor we buiten ons eigen domein moeten treden en moeten samenwerken met welzijn en preventie. Positieve Gezondheid verbindt de domeinen en biedt mij als dokter een ingang om breed naar mensen te kijken.”

Letterlijke integratie

Een voormalige bouwmarkt bleek de ideale ruimte om de geïntegreerde zorg voor ‘de mens als geheel’ vorm te geven. Penninx: “Om invulling te geven aan Positieve Gezondheid moeten de eerste lijn, maatschappelijk werk en welzijn echt samenwerken. Dankzij de grote oppervlakte van ons pand konden we de disciplines allemaal op de begane grond huisvesten, rondom een plein waar we elkaar tegenkomen.”

Regie bij de patiënt

Het mooie van Positieve Gezondheid is dat je de regie teruglegt bij de mensen zelf, vindt Penninx. “Ik kan als dokter wel vinden dat iemand meer moet bewegen, maar waar wil hij of zij zelf mee aan de slag? Dat ontdek je wanneer je gebruikmaakt van het spinnenweb voor Positieve Gezondheid. De oplossing ligt vaak op maatschappelijk vlak. Aan chronische artritis kun je niet zoveel doen, maar de beleving van pijn kan positief beïnvloed worden wanneer iemand afleiding zoekt bij welzijnsactiviteiten in de buurt.”

Verbindingen

De samenwerking met andere zorgverleners en domeinen heeft een impuls gekregen door de nieuwe aanpak. “Er zijn 120 professionals verbonden aan het centrum en iedereen is er enthousiast mee aan de slag. Binnenkort komen we weer een avond bij elkaar om Positieve Gezondheid in workshops verder uit te diepen. Dat levert enorm veel inzichten en verbindingen op, bijvoorbeeld met initiatieven gericht op beweging, de ouderenpoli, de stresspoli, verloskundige zorg, de ADHD-poli. Deze aanpak zorgt ervoor dat we geïntegreerd blijven samenwerken en niet terugvallen in ons eigen kunstje.”

Auteur: Margriet van Lingen

Download het volledige artikel hier:

Utrechts zorgprogramma voor psychiatrische patiënten in de basiszorg

In Nederland heeft ongeveer 1,3 procent van de totale patiëntenpopulatie te maken met ernstige psychiatrische aandoeningen (EPA). Door de transities worden zij sneller terugverwezen vanuit de specialistische GGZ (SGGZ) en generalistische basis GGZ (GBGGZ).  Dat is mooi, maar vraagt wel om goede begeleiding en samenwerking tussen betrokken partijen als huisartsen, gemeenten, buurtteams en de GGZ in de tweede lijn. Het zorgprogramma ‘EPA in de huisartsenpraktijk’ dat Krissie Aerts ontwikkelde, biedt daar handvatten voor.

Krissie Aerts werkt sinds juni 2014 als POH-GGZ in Gezondheidscentrum Binnenstad in Utrecht. Vorig jaar stelde zij een zorgprogramma voor mensen met chronische psychiatrische problematiek binnen de basiszorg op. Daarnaast werkt zij als verpleegkundig specialist GGZ bij Huisartsen Utrecht Stad (HUS), waar zij onder meer het zorgprogramma ‘EPA in de huisartsenpraktijk’ ontwikkelt. “Het is geen protocol”, zegt Aerts daarover. “Het is niet de bedoeling om te zeggen: dit is de manier waarop we het moeten doen. Het gaat er meer om dat je nadenkt over de beste manier van samenwerken en wie daarbij de regie in handen neemt. Dat is vaak de POH-GGZ of de huisarts.”

De wil is er

Steeds meer mensen worden vanuit de SGGZ terugverwezen naar de huisartsenpraktijk. Daarover is nog weinig vastgelegd, stelt Aerts. “Het zorgprogramma dient ook als een uitwerking naar de terugverwijzers, om te laten zien wat we van hen nodig hebben. Aan de hand daarvan kunnen we met alle partijen regionale afspraken maken. Zo kunnen we voorkomen dat patiënten te lang in de SGGZ of GBGGZ blijven hangen óf te snel worden terugverwezen.” Het gaat om korte lijntjes tussen alle partijen, zo betoogt ze: elkaar kennen en weten wat er waar te halen valt. Het zorgprogramma is dan ook ontwikkeld in nauwe samenwerking met de SGGZ en GBGGZ. Aerts: “De wil om samen de zorg voor mensen met EPA aan te pakken is er wel, de samenwerking op het gebied van depressiezorg toont dat aan.”

Korte lijntjes, dat is ook de basis voor de samenwerking met de andere betrokken partijen, zoals de gemeente en het sociaal domein – denk aan mantelzorgers, woonbegeleiding  en buurtteams.

Auteur: Leendert Douma

Download het volledige artikel hier: